Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:934

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
15/03779
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2708, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huwelijksvermogensrecht. Verdeling gemeenschap na echtscheiding. Bijdrageplicht man in kosten financiering en onderhoud niet-echtelijke woning. Bewijswaardering overzicht gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/03779

Mr. F.F. Langemeijer

23 september 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

In deze zaak gaat het om de verdeling van een gemeenschap van goederen, in het bijzonder een woning waaruit huuropbrengsten zijn genoten. Moet de man bijdragen in door de vrouw gestelde kosten voor onderhoud en renovatie en de financiering daarvan?

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

1.1.1.

Eiseres tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn in 1962 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk is ontbonden op 3 februari 1984 door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 13 juli 1983 in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.2.

Bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zijn zwarigheden gerezen. Deze zijn door de notaris vastgelegd in een proces-verbaal van zwarigheden, opgemaakt op 12 april 1991.

1.2.

Bij inleidende dagvaarding van 23 juli 1991 heeft de man gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de goederengemeenschap. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijs ik naar de vonnissen van de rechtbank te Utrecht van 9 december 1992, 20 april 1994, 2 april 2003, 23 november 2005, 27 september 2006, 1 november 2006, 12 december 2007, 30 januari 2008 en 6 juli 2011, gevolgd door een aanvullend vonnis als bedoeld in art. 32 Rv op 28 december 2011.

1.3.

Tot de gemeenschap van goederen behoorde onder meer een woning te Homburg (D), waar voorheen de moeder van de vrouw had gewoond. Bij vonnis van 20 april 1994 heeft de rechtbank beslist dat deze woning dient te worden gewaardeerd per datum toescheiding. De rechtbank heeft taxatie door een deskundige noodzakelijk geacht. Aangezien partijen het erover eens zijn dat deze woning vanaf oktober 1985 inkomsten uit verhuur heeft opgeleverd, dienen ook deze bij de verdeling te worden betrokken zoals de man had aangevoerd. De rechtbank heeft de vrouw verzocht opgaaf te doen van de inkomsten uit verhuur van deze woning en van de relevante kosten, gestaafd met bewijsstukken (rov. 2.9 Rb 20-4-1994).

1.4.

In het tussenvonnis van 23 november 2005 (rov. 2.24 e.v.) heeft de rechtbank geconstateerd dat partijen ter comparitie overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning op 1 april 2003. Voorts is afgesproken dat de vrouw opgaaf zou doen van de inkomsten uit verhuur van deze woning tot en met juli 2003 en van de door haar gemaakte kosten. De rechtbank overwoog: “Afgezien van de verdeling van de overwaarde van het huis, komen de door de vrouw gegenereerde huurinkomsten en de door haar in redelijkheid en aantoonbaar gemaakte kosten voor verrekening in aanmerking” (rov. 2.28 Rb). Ten aanzien van de gemaakte kosten achtte de rechtbank niet van belang hoe de vrouw deze heeft gefinancierd: zij kan niet cumulatief verrekening vragen van gemaakte renovatiekosten en van de ter financiering daarvan aangegane geldleningen (rov. 2.29 Rb). In haar opgaaf van de gemaakte kosten (in totaal € 256.794, welk totaalbedrag door de man is betwist als buitenproportioneel), heeft de vrouw een uitsplitsing gemaakt in servicekosten, reis- en verblijfkosten en kosten van onderhoud en renovatie). In rov. 2.32 – 2.37 is de rechtbank daarop ingegaan. Vervolgens heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

1.5.

Bij tussenvonnis van 27 september 2006 (rov. 2.12 – 2.15) heeft de rechtbank ten aanzien van sommige opgegeven kostenposten het bewijs wel door de vrouw geleverd geacht; ten aanzien van andere kostenposten niet. In rov. 2.14 heeft de rechtbank beslist dat de redelijkheid en billijkheid, die ook de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheersen, meebrengen dat de vrouw niet langer dan tot en met augustus 2003 gehouden is tot verrekening van de door haar ontvangen huurinkomsten.

1.6.

In het eindvonnis van 6 juli 2011 heeft de rechtbank met betrekking tot de waarde van deze woning het volgende overwogen:

“16.8. (…) Bij vonnis van 27 september 2006 heeft de rechtbank beslist dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat [de vrouw] niet langer dan tot en met augustus 2003 gehouden is tot verrekening van de door haar gedane uitgaven en de door haar ontvangen huurinkomsten. Aangezien die beslissing inhoudt dat het pand, met alle lusten en lasten, vanaf augustus 2003 voor rekening van [de vrouw] kwam, hetgeen kan worden gezien als een feitelijke verdeling, acht de rechtbank het redelijk in die verdeling de waarde van dat moment (…) te betrekken.”

En met betrekking tot de inkomsten uit verhuur en de daarvoor gemaakte kosten:

“16.9. In het vonnis van 23 november 2003 heeft de rechtbank (onder 2.31) vastgesteld dat de door [de vrouw] gegenereerde huurinkomsten en de door haar in redelijkheid en aantoonbaar gemaakte kosten voor verrekening in aanmerking komen. Voorts is vastgesteld dat de huurinkomsten vanaf 1982 tot en met juli 2003 € 102.664,30 hebben bedragen.

16.10.

Wat de kosten betreft heeft de rechtbank in het vonnis van 27 september 2006 (onder 2.12.1) beslist dat de volgende posten als gemeenschappelijk hebben te gelden: € 788,49, € 546,52, € 255, € 360,40, € 248,04 en € 255,60. In het eindvonnis zal dus een totaalbedrag aan kosten € 2.414,05 in de verdeling betrokken worden.

16.11.

Op grond van het voorgaande dient € 102.664,30 -/- 2.414,- = € 100.250,24 ter zake van huurinkomsten en kosten van het pand Homburg in de verrekening te worden betrokken.”

1.7.

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Naast andere zwarigheden, die thans geen bespreking behoeven, werd het geschil over de inkomsten uit verhuur van de woning te Homburg en over de kosten die volgens de vrouw zijn gemaakt voor deze woning, aan het hof voorgelegd. Grief II van de vrouw hield in dat de man behoort te delen in de door haar voor de woning gemaakte kosten, die zij stelde op € 223.670,11 in totaal. In zijn tussenarrest van 14 mei 2013 heeft het hof beslist dat bij de verdeling van de goederengemeenschap wel rekening zal worden gehouden met € 26.740,87 aan servicekosten (rov. 4.5.1), maar niet met de door de vrouw opgegeven reis-, verblijfs- en administratiekosten (€ 14.592,31; zie rov. 4.5.2). Met betrekking tot de door de vrouw opgegeven kosten van onderhoud en renovatie en van de financiering daarvan, heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Nadat deze was gehouden, heeft het hof bij tussenarrest van 10 december 2013 de vrouw toegelaten te bewijzen dat zij in de periode 1982 – 2003 ten aanzien van de woning te Homburg voor een bedrag van € 112.725,78 aan onderhouds- en renovatiekosten en voor een bedrag van € 69.611,15 aan rente en financieringskosten heeft betaald.

1.8.

De vrouw heeft documenten overgelegd en zichzelf als getuige laten horen. In het eindarrest van 14 april 2015 heeft het hof omtrent deze kosten overwogen:

“2.3. Op de comparitie van partijen van 5 september 2013 zijn de stellingen van de vrouw dat zij in de periode 1982 tot en met 2003 voor een bedrag van € 112.725,78 aan onderhouds- en renovatiekosten en voor een bedrag van € 69.611,15 aan rente- en financieringskosten heeft betaald, haar daarop betrekking hebbende producties 26 en productie 66 en de producties 75 tot en met 78 besproken. De vrouw is toegelaten tot bewijs van deze stelling.

Zij heeft daartoe als partijgetuige verklaard dat:

- de als productie 75 overgelegde bijlage 1 inzake de onderhouds- en renovatiekosten, bijlage 2 inzake de rente- en financieringskosten van de woning en bijlage 3 inzake de aflossing op de leningen die de woning betreffen zijn gemaakt aan de hand van de facturen en bankafschriften die zij ter beschikking heeft gesteld van haar advocaat en haar dochter [de dochter] […];

- haar advocaat deze stukken ter beschikking heeft gesteld van een belastingadviseur [betrokkene];

- haar dochter [de dochter] […] de bijlagen heeft gemaakt;

- de facturen alle gegevens bevatten die van belang zijn en zijn opgenomen in de ordner die in het geding is gebracht (de producties van de vrouw genummerd 76 tot en met 86).

2.4.

De man heeft in het tegengetuigenverhoor verklaard dat hij niet weet of de bedragen die op de bijlagen 1, 2 en 3 zijn vermeld inderdaad zijn uitgegeven voor onderhoud, rente en financiering van de woning in Homburg en dat hij dat niet kan controleren. Hij is niet betrokken geweest bij de verbouwing en de renovaties aan de woning en weet niets daarvan. De geldleningen zijn aangegaan zonder zijn instemming. In zijn antwoordakte na enquête is de man nader ingegaan op de kredietovereenkomsten respectievelijk geldleningen die de vrouw is aangaan bij de Volksbank Neunkirchen, de heer B[…] en haar kinderen en die de grondslag vormen van het gestelde bedrag € 69.611,15 aan rente- en financieringskosten. Hij heeft ten aanzien van al deze leningen aangevoerd dat hij daarbij niet is betrokken geweest en dat niet is gebleken dat de geleende bedragen zijn besteed ten behoeve van de woning.

2.5.

Het hof oordeelt dat de vrouw in elk geval niet is geslaagd in het bewijs dat zij in totaal voor een bedrag van € 112.725,78 aan onderhouds- en renovatiekosten en voor een bedrag van € 69.611,15 aan rente- en financieringskosten ten behoeve van de woning heeft betaald. Uit de stukken die zij ten bewijze van haar stelling heeft overgelegd kan weliswaar worden geconcludeerd dat zij kosten heeft gemaakt ten behoeve van de woning, maar die stukken en hetgeen zij heeft verklaard zijn ten aanzien van veel van de opgevoerde posten geen duidelijk voor de man en het hof te controleren verantwoording van uitgaven ten behoeve van de woning. De man heeft in zijn antwoordakte na getuigenverhoor een greep gedaan uit de financiële stukken die de vrouw heeft overgelegd en daarop gereageerd. Het hof sluit zich aan bij de stelling van de man dat deze oncontroleerbaar zijn. Voor de leningen is naar het oordeel van het hof op grond van de stukken in het geheel niet te controleren of deze zijn gebruikt voor de financiering van onderhoud of renovatie van de woning. Mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.6 wordt overwogen zal het hof niet meer ingaan op de vraag ten aanzien van welke van de door haar opgevoerde posten zij wel geacht moet worden te zijn geslaagd in haar bewijsopdracht.

2.6.

Daarnaast overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 3:172 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de man gehouden bij te dragen in de uitgaven die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap, dat is hier de woning in Homburg, zijn verricht. Vaststaat dat de vrouw de man niet heeft betrokken bij het onderhoud en de renovatie van de woning, terwijl zij niet zelfstandig bevoegd was deze handeling te verrichten. Het hof is dan ook van oordeel dat de man, ook als de vrouw wel geheel of gedeeltelijk zou zijn geslaagd in het bewijs dat zij voor een bedrag van € 112.725,78 aan onderhouds- en renovatiekosten en voor een bedrag van € 69.611,15 aan rente- en financieringskosten ten behoeve van de woning heeft betaald, niet is gehouden in die kosten bij te dragen.”

1.9.

De vrouw heeft − tijdig − cassatieberoep ingesteld. Het verweer van de man strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

De bewijsopdracht in het tussenarrest van 10 december 2013 is geen voorwerp van discussie in cassatie. Het cassatiemiddel van de vrouw bevat drie klachten, die alle zijn gericht tegen rov. 2.5 en 2.6 van het eindarrest. Onderdeel I bestrijdt het bewijsoordeel met motiveringsklachten. Onderdeel II keert zich tegen het oordeel dat de man niet verplicht is om in de opgegeven kosten bij te dragen, nu de vrouw, hoewel niet zelfstandig bevoegd om deze rechtshandelingen ten laste van de gemeenschap te verrichten, hem niet heeft betrokken bij het geven van de opdrachten tot onderhoud en renovatie van de woning. Onderdeel III komt neer op de (subsidiaire) klacht dat het hof de afwijzing van dit standpunt van de vrouw had behoren te toetsen aan de eisen van de redelijkheid en de billijkheid.

Onderdeel I (bewijsoordeel)

2.2.

Onderdeel I valt uiteen in drie motiveringsklachten, kort samengevat:

(I.1) wat betreft de kosten gemaakt ten behoeve van de woning te Homburg heeft het hof zich aangesloten bij stellingen van de man zonder inzicht te geven in de eigen gedachtegang van het hof omtrent de betwisting van de facturen die de vrouw had overgelegd en omtrent de onbetwist gebleven facturen;

(I.2) uit de ‘greep’ uit de stapel facturen die het hof heeft gedaan in navolging van de man, volgt niet dat hetzelfde moet gelden voor de overige (dus niet door het hof besproken) facturen;

(I.3) de afwijzing is onbegrijpelijk ten aanzien van de financieringskosten die de vrouw in de verdeling wenst te betrekken: nu de vrouw facturen voor de bouwwerkzaamheden, afschrijvingen van de kredietrekeningen en kopieën van de kredietovereenkomsten heeft overgelegd en zij aldus het nodige heeft verricht om het verlangde bewijs te leveren, is onbegrijpelijk op welke gronden het hof tot zijn oordeel is gekomen dat niet te controleren is of de gestelde leningen zijn gebruikt voor de financiering van onderhoud of renovatie van deze woning.

2.3.

De bewijslastverdeling staat vast. Ook staat in cassatie vast dat, áls de vrouw kosten heeft gemaakt voor onderhoud en renovatie, met deze kosten in beginsel rekening wordt gehouden indien de huuropbrengst van deze woning in de verdeling wordt betrokken. Het gaat in onderdeel I.1 om de vraag of de vrouw ten aanzien van de door haar opgegeven kosten, die zij zou hebben gemaakt voor onderhoud en renovatie van de woning te Homburg, voldoende bewijs heeft bijgebracht. De waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). In dit geding is geen beroep gedaan op een bijzondere bewijsregel. Evenals ieder ander rechterlijk oordeel, moet ook een bewijsoordeel worden omkleed met redenen die de beslissing kunnen dragen2. Aan dit minimumvereiste is m.i. voldaan. De vrouw heeft documenten (facturen, rekeningafschriften e.d.) als bewijsmateriaal overgelegd en slechts zichzelf als getuige laten horen. Het oordeel van het hof dat met dit bewijsmateriaal in elk geval niet is bewezen dat de vrouw voor € 112.725,78 aan onderhouds- en renovatiekosten en voor € 69.611,15 aan rente en financieringskosten ten behoeve van deze woning heeft betaald, zoals zij had gesteld, berust op een waardering van het voorhanden bewijs. Deze is voorbehouden aan de feitenrechter.

2.4.

Onbegrijpelijk voor de lezer is het bewijsoordeel niet, mede in aanmerking genomen dat de man in de feitelijke instanties bij herhaling had geklaagd dat de kostenopgaaf van de vrouw voor hem onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar was3 en bovendien had aangevoerd dat de (onderhouds- en renovatie-)opdrachten waarop de opgegeven kosten betrekking zouden hebben, door de vrouw zonder zijn instemming of medeweten zijn gegeven. Daarnaast is van belang dat de eerste rechter de door de vrouw opgegeven kosten van onderhoud en renovatie slechts voor een klein gedeelte bewezen had geacht. Het hof laat de mogelijkheid open dat de vrouw tot enig bedrag kosten heeft gemaakt ten behoeve van de woning te Homburg, maar is van oordeel dat de tot bewijs overgelegde stukken en hetgeen zij als partij-getuige heeft verklaard niet een duidelijke, voor de man en het hof te controleren verantwoording opleveren van uitgaven ten behoeve van onderhoud of renovatie van deze woning. Het ontbreken van een sluitende verantwoording sloot niet uit dat het hof de hoogte van de voor onderhoud en renovatie gemaakte kosten bij wege van schatting vaststelt indien wel vaststaat dát kosten zijn gemaakt, maar niet precies hoeveel. Het hof is daaraan niet toegekomen omdat het hof (in rov. 2.6) een tweede reden had, waarom de vrouw geen vergoeding van deze kosten toekwam. De motiveringsklacht onder I.1 faalt.

2.5.

Wat betreft de door de vrouw opgegeven rente- en financieringslasten met betrekking tot (onderhoud en renovatie van) de woning te Homburg, had het hof in zijn tussenarrest van 14 mei 2013 (rov. 4.5.5) al aannemelijk geacht dat “de vrouw rente- en financieringskosten van enige omvang heeft gehad, zodat de man mag (…) verwachten dat met deze kosten rekening moet worden gehouden”. Het debat in hoger beroep betrof niet zozeer de vraag of de leningen zijn aangegaan, maar spitste zich toe op de vraag of de desbetreffende leningen zijn gebruikt voor onderhoud of renovatie van deze woning, zoals de vrouw had gesteld. Volgens het hof is de juistheid van die stelling ‘in het geheel niet te controleren’. Deze waardering van het door de vrouw te leveren bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Voor de lezer is niet onbegrijpelijk wat het hof hiermee bedoelt. In eerste aanleg had hetzelfde probleem zich voorgedaan. In haar vonnis van 23 november 2005 (rov. 2.35 Rb) constateerde de rechtbank dat de door de vrouw opgegeven kosten van onderhoud en renovatie, die zij in verrekening wil brengen, in totaal € 121.862,52 belopen exclusief rente en aflossing. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw een groot aantal facturen in het geding gebracht. Bij gebreke van een toelichting op die facturen, kon de rechtbank niet ervan uitgaan dat deze facturen betrekking hebben op onderhoud en renovatie van deze woning. De rechtbank noemde een aantal concrete posten die toelichting behoefden. Verder wees de rechtbank op mogelijke dubbeltellingen in de opgegeven onderhouds- en renovatiekosten ten opzichte van de servicekosten (rov. 2.36 Rb) en ten opzichte van de opgegeven rente en aflossing (rov. 2.37 Rb). De onzekerheid over de hoogte van de voor onderhoud en renovatie gemaakte kosten werkt door in onzekerheid over de wijze waarop de vrouw de door haar geleende gelden heeft aangewend. Om deze reden faalt ook de motiveringsklacht onder I.3.

2.6.

Aan de hand van een aantal voorbeelden heeft de man, en in zijn voetspoor de rechtbank en later het hof, willen aantonen waarom in het bewijsmateriaal geen sprake was van een sluitende verantwoording door de vrouw van de door haar gestelde uitgaven voor onderhoud en renovatie van de woning in dit tijdvak, noch van betaalde rente en financieringslasten in verband met deze woning. Het ontbreken van een behoorlijke verantwoording kan de gehele bewijsbeslissing dragen. De wettelijke motiveringseisen gaan niet zo ver dat het hof genoodzaakt was, ieder door de vrouw als bewijsmateriaal overgelegd document afzonderlijk te bespreken. De motiveringsklacht onder I.2 faalt om die reden.

Onderdelen II en III (het niet betrekken van de man bij het maken van de gestelde kosten)

2.7.

Onderdeel II is gericht tegen rov. 2.5 voor zover het hof daarin verwijst naar hetgeen in rov. 2.6 zal worden beslist, en tegen rov. 2.6. Volgens de klacht is het hof in die laatste overweging buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen getreden, althans is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing van het hof4. Gelet op de wijze waarop het debat in de feitelijke instanties is verlopen, zijn partijen alsook de rechtbank en het hof in zijn tussenarresten ervan uitgegaan dat kosten ten behoeve van de woning te Homburg zijn gemaakt en dat de man, als hij wil delen in de huuropbrengsten van die woning, in deze kosten een bijdrage moet leveren. Volgens de klacht was slechts de omvang van de door de vrouw opgegeven kosten voorwerp van geschil; niet de verplichting van de man om daarin bij te dragen.

2.8.

Bij de behandeling van deze klachten kan tot uitgangspunt dienen dat het de burgerlijke rechter niet vrij staat, de feitelijke grondslag van de vordering of het verweer zelf aan te vullen. Op grond van art. 25 Rv vult de rechter wel de rechtsgronden aan, zo nodig ambtshalve5.

2.9.

Het gaat in deze zaak om een goed waarvan partijen gezamenlijk eigenaar waren. Op grond van art. 3:170 BW kunnen handelingen tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, door een ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht (lid 1). Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen (lid 2). Het uitgangspunt is dus, dat het beheer van een gemeenschappelijk goed geschiedt door alle deelgenoten tezamen6. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt is plaats wanneer de beheershandeling van te weinig gewicht is om alle deelgenoten bijeen te roepen, zoals bij gewoon (dagelijks) onderhoud dat binnen het normale verwachtingspatroon van alle deelgenoten valt of indien het gaat om een beheershandeling met een zodanige urgentie dat er geen gelegenheid is om overleg te voeren met de andere deelgenoten of om met het nemen van maatregelen te wachten op de tot beheer bevoegde deelgenoot7. Zo zal, bijvoorbeeld, een opdracht tot onderhoud, reiniging en vernieuwing van een mandelige muur in beginsel door de deelgenoten gezamenlijk moeten worden gegeven: de eigenaars draaien immers gezamenlijk op voor de kosten. Slechts ingeval herstel of vernieuwing in het concrete geval geen uitstel kan lijden, is ieder van de deelgenoten (mede-eigenaars) bevoegd de opdracht te geven. In zo’n geval dient de deelgenoot wel rekening te houden met gerechtvaardigde belangen van de anderen. Zo overwoog het gerechtshof Amsterdam met betrekking tot een mandelige muur dat de deelgenoten zich jegens elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid moeten gedragen en op een zorgvuldige wijze met elkaars belangen dienen om te gaan. Dit leidt ertoe dat zij te goeder trouw met elkaar overleg zullen moeten voeren met het doel tot overeenstemming te komen over wezenlijke aspecten zoals (in dat geval) de wijze van uitvoering, de keuze van de aannemer de met het funderingsherstel samenhangende kosten en de verdeelsleutel voor de bijdrageplicht8.

2.10.

In art. 3:172 BW is de draagplicht van de deelgenoten geregeld. Zo kan uit een overeenkomst, maar ook uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die volgens art. 3:166 lid 3 BW op de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten van toepassing zijn, voortvloeien dat de deelgenoten verplicht zijn om financiële middelen ter beschikking te stellen voor bepaalde opdrachten in verband met het beheer van een gemeenschappelijk goed9.

2.11.

In de onderhavige zaak verschilden partijen niet uitsluitend over de hoogte van de door de vrouw opgegeven kosten van onderhoud en renovatie van mening. De man heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de vrouw op geen enkele wijze de door haar gestelde renovatie van de woning heeft aangetoond, noch de noodzaak daarvan10. Verder heeft de man aangevoerd dat de vrouw hem ten onrechte niet heeft gekend in de desbetreffende uitgaven. In zijn antwoordakte van 16 februari 2005 betwistte de man wederom het feit en de noodzaak van de gestelde renovatie. De man heeft toen aangevoerd dat weliswaar handelingen welke tot gewoon onderhoud of behoud van de woning dienen en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen leiden, door ieder der deelgenoten zelfstandig kunnen worden verricht, maar dat voor het overige het beheer van het goed door de deelgenoten gezamenlijk geschiedt. Gezamenlijke besluitvorming is er volgens de man ten aanzien van deze kosten niet geweest, ofschoon hij voor de vrouw te allen tijde bereikbaar was11. De vrouw maakt in haar akte van 15 maart 2006 melding van noodzakelijke kosten voor onderhoud en renovatie. De man heeft hierop in de akte van 19 april 2006 betwist dat sprake was van een dringende noodzaak. De rechtbank oordeelt ten aanzien van het pand te Homburg dat de vrouw belast is met het bewijs van een aantal van de door haar opgegeven uitgaven. In hoger beroep herhaalt de man in zijn antwoordakte na enquête het in eerste aanleg door hem gevoerde verweer, versterkt door getuigenverklaringen12. Met betrekking tot het overzicht van kredietovereenkomsten voert de man aan dat de vrouw hem had behoren te betrekken bij het aangaan van deze overeenkomsten13. In hoger beroep heeft de man deze stellingen herhaald. Het hof vat het standpunt van de man in rov. 2.4 samen als volgt: “Hij is niet betrokken geweest bij de verbouwingen en de renovaties aan de woning en weet niets daarvan. De geldleningen zijn aangegaan zonder zijn instemming”. Het hof heeft deze stellingen van de man blijkbaar – en niet onbegrijpelijk – opgevat in die zin, dat de man van mening is dat de vrouw deze uitgaven onbevoegd heeft gedaan. De lezing van de gedingstukken blijft voorbehouden aan de feitenrechter. De klacht over aanvulling van feitelijke gronden stuit hierop af.

2.12.

Bij een verrassingsbeslissing gaat het om de regel van hoor en wederhoor. Van een verrassingsuitspraak is sprake wanneer de rechter partijen niet of onvoldoende heeft gehoord over wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan zijn beslissing en, zo doende, partijen verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden14. Tjong Tjin Tai formuleert het criterium voor een ongeoorloofde verrassingsbeslissing als volgt: het gaat om de vraag of partijen de kans hebben gehad de relevante feiten en omstandigheden aan te voeren, zo nodig in het kader van een andere rechtsvraag15. Voldoende is dat alle relevante feiten en stellingen in de procedure ter tafel zijn gekomen of hadden kunnen komen. Met betrekking tot art. 6 lid 1 EVRM overweegt het EHRM in zijn arrest van 4 maart 2014 (Duraliyski/Bulgarije, appl.no. 45519/06) als volgt:

“31. In addition, the Court has previously held that judges themselves must respect the principle of adversarial proceedings, in particular when they reject an appeal or decide on a claim on the basis of a matter raised by the Court of its own motion (…).16

32. The Court observes in this connection that it is important for those who bring their claims to court to rely on the proper functioning of the justice system: that reliance is based, among other things, on the certainty that a party to a dispute will be heard in respect of all items in the case. In other words, it is legitimate for the parties to a dispute to expect to be consulted as to whether a specific document, or argument as may be the case, calls for their comments (…).17

Uit deze overweging van het EHRM volgt dat het beginsel van hoor en wederhoor niet slechts betrekking heeft op de mogelijkheid zich uit te laten over ‘bescheiden en andere gegevens’ die ter kennis van de rechter zijn gebracht, maar óók ziet op ambtshalve door de rechter bijgebrachte gronden die tot toe- of afwijzing van het gevorderde leiden.

2.13.

In de procedure bij het hof heeft de vrouw voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de (hiervoor vermelde) stelling van de man dat de vrouw de door haar gestelde uitgaven voor deze woning, indien al bewezen, ten onrechte buiten hem om heeft gedaan. De vrouw heeft niet betwist dat zij de man nimmer heeft betrokken in de opdrachten die zij gaf tot onderhoud en renovatie van de woning te Homburg. Evenmin heeft de vrouw aangevoerd dat zij krachtens artikel 3:170 BW zelfstandig bevoegd was. Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is om deze reden geen sprake. Daarmee faalt onderdeel II.

2.14.

Onderdeel III stelt voorop dat de rechtsbetrekking tussen deelgenoten onderling wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW)18. Volgens de toelichting op deze klacht heeft de vrouw in de procedure bij het hof aangevoerd dat het niet aangaat, dat de man wél zou mogen delen in de meerwaarde van de woning te Homburg en in de verworven huurinkomsten en tegelijkertijd de kosten van onderhoud en renovatie van die woning voor rekening van de vrouw blijven: het één is volgens de vrouw onlosmakelijk verbonden met het ander. De rechtsklacht houdt in dat het hof de rechtsgronden van de vordering van de vrouw had moeten aanvullen met deze rechtsregel: haar stellingen konden niet anders worden opgevat dan dat redelijk en billijk is dat de man deelt in de ten behoeve van deze woning gemaakte kosten.

2.15.

De rechtsverhouding tussen deelgenoten in een goederengemeenschap wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid19. De rechtbank heeft dit onderschreven en hieraan ook rechtsgevolg verbonden: zie rov. 2.14 van het vonnis van 27 september 2006. Er is geen aanleiding voor de veronderstelling dat het hof anders heeft geoordeeld over dit uitgangspunt.

2.16.

Uit het voorgaande volgt dat de man en de vrouw in de periode 1982 - 2003 gezamenlijk bevoegd waren om een beslissing te nemen over het aangaan van verplichtingen jegens derden en het maken van kosten voor onderhoud en renovatie van deze woning, alsmede rente- en financieringslasten. Op grond van afdeling 3.7 BW hebben de deelgenoten bepaalde verplichtingen ten opzichte van elkaar, zoals het tezamen opdracht geven tot onderhoud. Nu niet is gesteld dat het zou gaan om beheersdaden die geen uitstel konden lijden, had de vrouw eerst met de man moeten overleggen, alvorens te beslissen tot het maken van deze kosten. De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 november 2005 weliswaar geoordeeld dat door de vrouw in redelijkheid en aantoonbaar gemaakte kosten voor verrekening in aanmerking komen, maar daarmee stond (in eerste aanleg en in hoger beroep) niet vast dat het hier gaat om in redelijkheid en aantoonbaar gemaakte kosten. Voor zover de stelling van de vrouw inhield dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de kosten mede door de man gedragen dienen te worden, lag het op haar weg om te stellen en aan te tonen waarom de door haar opgegeven kosten, ondanks het ontbreken van overleg met de man, op grond van de redelijkheid en billijkheid toch voor verrekening in aanmerking dienden te komen. Dit volgt uit de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 23 november 2005. Zo overwoog de rechtbank in rov. 2.30 dat eventueel door de vrouw betaalde rente wel voor verrekening in aanmerking kan komen voor zover het bestaan en de noodzaak tot het aangaan van de leningen worden aangetoond en de hoogte van de rente als redelijk heeft te gelden. In rov. 2.35 werd overwogen dat het op de weg van de vrouw ligt, aan te tonen en, bij betwisting, te bewijzen dat de door haar opgevoerde kosten betrekking hebben op onderhoud en renovatie. De stelling van de vrouw dat de kosten slechts behoefden te worden aangetoond om voor verrekening in aanmerking te komen, houdt niet stand. Onderdeel III faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie het tussenarrest van 14 mei 2013 onder 3.1 – 3.4, hier verkort weergegeven.

2 Parl. Gesch. Bewijsrecht, blz. 99; HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74; HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3967, NJ 2002/105.

3 Zie onder meer: Akte na enquête d.d. 5 augustus 2014.

4 Zie voor dit begrip: E. Tjong Tjin Tai, Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter, NJB 2000, blz. 259-264.

5 A.I.M. van Mierlo, Tekst en Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2016, aant. 2 bij art. 25. Zie ook HR 1 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2183, NJ 1997/117.

6 Zie MvA II, Parl. Gesch. 3, blz. 587. Zie ook HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1297, NJ 2015/335 m.nt. S. Perrick.

7 Parl. Gesch. BW Boek 3, blz. 588. Zie ook M.J.A. van Mourik & F.J.W.M Schols, Gemeenschap, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2015, blz. 30.

8 Hof Amsterdam 27 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:94. Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 1996, ECLI:NL:GHSHE:1996:AD2573, NJ 1997/281, m.b.t. een door een deelgenoot gegeven opdracht aan een accountant.

9 Parl. Gesch. BW Boek 3, blz. 592; Asser/Perrick 3-V 2015/20.

10 Conclusie na tussenvonnis 15 december 2004; zie productie 25 bij memorie van grieven, ad 3.

11 Zie antwoordakte 16 februari 2005, productie 27 bij memorie van grieven, punt 17.

12 Zie antwoordakte na enquête 5 augustus 2014, p. 9, 11 en 18

13 Zie antwoordakte na enquête, p. 9, 10 en 11 en de producties 1-4.

14 HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358, NJ 2004/39. Zie HR 15 september 2006 ECLI:NL:HR:2006:AV9446, NJ 2006/505.

15 E. Tjong Tjin Tai, ‘Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter’, NJB 2000, p. 262.

16 Volgt een verwijzing naar de uitspraken EHRM 18 december 2003 (Skondrainos/Griekenland, appl.nos. 63000/00, 74291/01 en 74292/01), EHRM 13 oktober 2005 (Clinique des Acacias, appl.nos. 65399/01, 65406/01, 65401/01 en 65407/01) en naar EHRM 16 februari 2006 (Prikyan en Angelova/Bulgarije, appl. No. 44624), rov. 42.

17 Volgt een verwijzing naar EHRM 3 maart 2000 (Krcmar e.a./Tsjechië, appl.no. 35376/97), rov. 43.

18 De toepassing van het huidige BW op deze casus is in cassatie geen punt van discussie tussen partijen; vgl. art. 101 Overgangswet NBW, waarover de conclusie van De Vries Lentsch-Kostense voor HR 1 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT4544, NJ 2008/166.

19 MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 579.