Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:916

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
15/03681
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2451, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verzekeringsrecht. Overeenkomst tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Kan de zorgaanbieder na het einde van de overeenkomst zorgkosten van verzekerden op eigen naam vorderen van de verzekeraar? Uitleg polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/03681

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 2 september 2016 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

Stichting Solutions-Center

(hierna: Solutions),

eiseres tot cassatie,

adv.: mrs. R.P.J.L. Tjittes en J.W. de Jong

tegen

1) de onderlinge waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.

2) de onderlinge waarborgmaatschappij Stad Holland Zorgverzekeraar U.A.

(hierna gezamenlijk in enkelvoud: DSW),

verweersters in cassatie,

adv.: mr. K. Teuben

Inzet van dit geding is de vraag of de polisvoorwaarden van zorgverzekeraar DSW eraan in de weg staan dat eventuele vorderingen van DSW-verzekerden op DSW uit hoofde van door zorgaanbieder Solutions verleende zorg door Solutions op basis van lastgeving op eigen naam bij DSW kunnen worden geïnd.


1. Feiten en procesverloop

1.1

Voor zover in cassatie van belang kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

  • -

    a) Solutions is een bij besluit van 18 december 2008 toegelaten instelling voor medisch specialistische zorg in de zin van de Wet toelating zorginstellingen. Zij verleent zorg aan patiënten met verslavingsproblematiek.

  • -

    b) DSW is een zorgverzekeraar als bedoeld in art. 1 sub b Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij sluit ter uitvoering van de Zvw verplichte zorgverzekeringen af met verzekeringsnemers (hierna: DSW-verzekerden) en maakt in dat kader tevens afspraken met zorgaanbieders waarvan zij meent dat deze doelmatige en kwalitatief goede zorg leveren.

  • -

    c) Op 1 juni 2011 is tussen Solutions als zorgaanbieder en DSW (vertegenwoordigd door Multizorg VRZ B.V.) een zorgovereenkomst gesloten, geldend gedurende de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011. Op basis van deze overeenkomst heeft DSW de declaraties van Solutions met betrekking tot de behandeling van patiënten die DSW-verzekerden waren, rechtstreeks aan Solutions vergoed conform de overeengekomen tarieven. Deze overeenkomst is op 31 december 2011 van rechtswege geëindigd.

  • -

    d) In de loop van 2012 zijn onderhandelingen gevoerd over een nieuwe zorgovereenkomst, geldend voor de jaren 2012 en 2013. Partijen bij de onderhandelingen waren enerzijds Solutions en anderzijds ENO namens Multizorg die daarbij meerdere zorgverzekeraars, waaronder DSW, vertegenwoordigde.

  • -

    e) Deze onderhandelingen hebben op 14 december 2012 geleid tot een zorgovereenkomst, geldend voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. DSW is echter geen partij bij deze overeenkomst.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 13 mei 2013 heeft Solutions gevorderd dat DSW op straffe van een dwangsom alle declaraties ad in totaal € 241.749,33 vergoedt die betrekking hebben op verrichtingen in 2012 en 2013, primair op grond van de op 14 december 2012 tot stand gekomen zorgovereenkomst met betrekking tot de jaren 2012 en 2013 en subsidiair op grond van de op 1 juni 2011 gesloten zorgovereenkomst met betrekking tot de jaren 2010 en 2011.

Vervolgens heeft Solutions haar eis vermeerderd met een meer subsidiaire vordering ertoe strekkende dat DSW op straffe van een dwangsom de door Solutions aan DSW-verzekerden geleverde zorg vergoedt op grond van de verzekeringsovereenkomsten tussen de betrokken verzekerden en DSW en de tussen de betrokken verzekerden en Solutions gesloten lastgevingsovereenkomsten. Aan deze laatste vordering heeft Solutions ten grondslag gelegd dat zij met DSW-verzekerden lastgevingsovereenkomsten heeft gesloten op grond waarvan zij in deze procedure op eigen naam voor die verzekerden betaling kan vorderen van haar wegens geleverde zorg opgemaakte facturen.2

1.3

Bij vonnis van 14 mei 20143 heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen van Solutions op alle aangevoerde gronden afgewezen.

Daartoe heeft zij met betrekking tot de meer subsidiaire grondslag overwogen (i) dat onvoldoende onderbouwd is dat tussen de verzekerden en Solutions een overeenkomst van lastgeving tot stand is gekomen (rov. 4.12-4.13) en (ii) dat het een verzekerde op grond van de polisvoorwaarden 2012 niet is toegestaan met een niet-gecontracteerde zorgaanbieder een overeenkomst van lastgeving te sluiten op grond waarvan de zorgaanbieder op eigen naam rechtstreeks nota’s bij DSW kan indienen, zodat ook de polisvoorwaarden aan vergoeding van de declaraties in de weg staan (rov. 4.14).

1.4

Solutions is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag met conclusie dat het vonnis wordt vernietigd en haar vorderingen alsnog worden toegewezen.

Met haar in cassatie relevante grief 5 wordt opgekomen tegen de verwerping van de meer subsidiair aangevoerde grondslag voor de vordering van Solutions (MvG nr. 2.23). In dat verband wordt aangevoerd (i) dat er overeenkomsten van lastgeving zijn gesloten tussen DSW-verzekerden en Solutions (MvG nrs. 2.24-2.25 en prod. 2) en (ii) dat de polisvoorwaarden niet aan inning van de vergoedingen van verzekerden door Solutions op eigen naam in de weg staan (MvG nrs. 2.26-2.27).

1.5

Bij arrest van 26 mei 20154 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, behoudens op een in cassatie niet relevant punt5, bekrachtigd.

In cassatie is uitsluitend van belang het oordeel van het hof met betrekking tot de meer subsidiaire grondslag van de vordering van Solutions die inhoudt dat Solutions op grond van de tussen haar en DSW-verzekerden gesloten lastgevingsovereenkomsten gerechtigd is op eigen naam voor die verzekerden betaling te vorderen. Dat oordeel van het hof luidt als volgt:

‘11. De rechtbank heeft geoordeeld dat Solutions onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen de verzekerden en Solutions een lastgevingsovereenkomst is tot stand gekomen en dat Solutions daarom niet bevoegd is op eigen naam de vordering van DSW-verzekerden te incasseren. Grief 5 van Solutions is gericht tegen dit oordeel. Voorts bestrijdt Solutions het oordeel van de rechtbank dat de polisvoorwaarden (artikel 15, lid 5 polisvoorwaarden 2012: prod. 11 cva) niet toestaan om met een niet-gecontracteerde zorgaanbieder een overeenkomst van lastgeving te sluiten op grond waarvan de zorgaanbieder op eigen naam rechtstreeks nota’s bij DSW kan indienen.

12. Deze grief faalt. In artikel 15, lid 5 polisvoorwaarden 2012 is bepaald dat de aanspraak op vergoeding van kosten van de zorg die door een niet-gecontracteerde zorgverlener is geleverd “persoonlijk” is en “niet overdraagbaar aan derden”. Deze bepaling brengt mee dat de aanspraak op vergoeding van die kosten als een persoonlijk recht heeft te gelden dat slechts door de verzekerde zelf (of namens hem) kan worden uitgeoefend, en niet door een ander op eigen naam. Solutions is dus niet bevoegd dergelijke vorderingen op eigen naam te innen. (…)’

1.6

Solutions heeft tijdig6 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. DSW heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten en gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.

2.2

In onderdeel 1 worden verschillende klachten geformuleerd tegen de rov. 11 en 12 van het bestreden arrest. Het valt uiteen in drie subonderdelen (‘klachten’), hierna genummerd 1.1 t/m 1.3.

2.3

Subonderdeel 1.1 berust op de lezing dat het hof grief 5 heeft verworpen voor zover daarmee ten eerste (‘primair’) is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat Solutions onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen de verzekerden en haar een lastgevingsovereenkomst is tot stand gekomen en dat Solutions daarom niet bevoegd is op eigen naam de vordering van DSW-verzekerden te incasseren.7 Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat Solutions in hoger beroep de lastgevingsovereenkomsten heeft overgelegd en zich daarop in de gedingstukken heeft beroepen.8

2.4

Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 12 van het bestreden arrest heeft het hof, responderend op de tweede klacht van grief 5 (zie rov. 11), geoordeeld dat art. 15 lid 5 van de polisvoorwaarden 2012 meebrengt dat de aanspraak op vergoeding van kosten van zorg die door een niet-gecontracteerde zorgverlener is geleverd als een persoonlijk recht heeft te gelden dat slechts door de verzekerde zelf (of namens hem) kan worden uitgeoefend en niet door een ander op eigen naam. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof daarmee niet geoordeeld dat Solutions onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen haar en haar patiënten lastgevingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen. De vraag of Solutions het bestaan van de lastgevingsovereenkomsten voldoende heeft onderbouwd kon in de redenering van het hof in het midden worden gelaten, omdat ook wanneer het bestaan van deze lastgevingsovereenkomsten in rechte zou komen vast te staan, Solutions in de visie van het hof op grond van de polisvoorwaarden niet bevoegd was de vorderingen van DSW-verzekerden op basis van die lastgevingsovereenkomsten op eigen naam te innen.

2.5

Subonderdeel 1.2 is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 12) dat art. 15 lid 5 van de polisvoorwaarden 2012 in de weg staat aan de bevoegdheid van Solutions om de vorderingen van de verzekerden wegens vergoeding van zorgkosten op eigen naam te innen. De klacht strekt, mede gelet op de toelichting (zie s.t. nrs. 3, 15-16), klaarblijkelijk tot betoog dat het hof aldus bij de uitleg van het polisbeding blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de begrippen ‘lastgeving ter incasso’ en ‘persoonlijk recht’.

Ten eerste zou het hof hebben miskend dat bij lastgeving ter incasso geen sprake is van overdracht van de te incasseren vordering, zoals in de onderhavige polis is uitgesloten. Het feit dat art. 15 lid 5 van de polisvoorwaarden een overdracht uitsluit, verhindert volgens het middel dan ook niet dat de gerechtigde een ander de last geeft om de vordering (in voorkomend geval op eigen naam) voor hem te incasseren.

Ten tweede zou het hof hebben miskend dat de kwalificatie ‘persoonlijk recht’ in de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – polisvoorwaarden slechts betekent dat het desbetreffende (verbintenisrechtelijke) recht – in tegenstelling tot een absoluut recht – slechts tegenover een of meer bepaalde andere(n) kan worden geldend gemaakt. Dat sluit volgens het middel geenszins uit dat het verzilveren van het desbetreffende recht aan een derde wordt gelaten en dat die derde dat op eigen naam doet.

2.6

Bij de beoordeling van deze klachten staat voorop dat volgens vaste rechtspraak van Uw Raad een schuldeiser – al dan niet met gebruik van de term cessie ter incasso – aan een derde de last kan geven om de vordering op eigen naam te innen. Een dergelijke last brengt in beginsel mee dat de lasthebber ook op eigen naam in rechte kan optreden.9 Naar huidig recht gaat het daarbij om een toepassing van art. 7:414 BW.10 Uit de aard der zaak is daarbij van een overdracht c.q. goederenrechtelijke overgang van de vordering geen sprake. De vordering blijft behoren tot het vermogen van de lastgever, die de lasthebber slechts contractueel de bevoegdheid verleent om deze vordering op eigen naam – maar ten behoeve van de lastgever – te innen.11 De lastgeving laat de inningsbevoegdheid van de lastgever onverlet, tenzij sprake is van een privatieve last. In dat laatste geval is de lasthebber met uitsluiting van de lastgever en met werking tegenover derden tot inning bevoegd, tenzij de derde de uitsluiting kende noch behoorde te kennen (art. 7:423 lid 1 BW).

2.7

De in het voorliggende geval door Solutions in het geding gebrachte zeven exemplaren van een ‘Overeenkomst van lastgeving en volmacht’ d.d. 25 september 201312, alle gesloten tussen een DSW-verzekerde enerzijds en Solutions anderzijds, houden het volgende in:

‘1. verzekerde geeft aan SolutionS – met terugwerkende kracht tot aan het aangaan van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met SolutionS – de last in eigen naam en voor zover SolutionS dat wenselijk acht ook namens de verzekerde alle (rechts)handelingen te verrichten die strekken tot betaling van de factuur in verband met de door SolutionS aan verzekerde geleverde zorg, waaronder doch niet uitsluitend het indienen van de factuur bij de zorgverzekeraar en het ontvangen namens verzekerde van het bedrag dat wordt uitgekeerd door de zorgverzekeraar (eventueel verhoogd met rente en/of incassokosten); dit alles met het recht van substitutie;

2. SolutionS is gerechtigd om alle eventuele andere met het indienen van de factuur en/of in ontvangst nemen van het bedrag samenhangende werkzaamheden te verrichten zoals bijvoorbeeld het opstarten van incassomaatregelen en als procespartij in eigen naam en voor zover SolutionS dat wenselijk acht ook namens verzekerde in rechte op te treden;

3. SolutionS is met uitsluiting van verzekerde bevoegd de last uit te voeren, welke uitsluiting ook tegenover derden geldt, tenzij deze haar niet konden noch behoorden te kennen;

4. SolutionS is gerechtigd de last geheel naar eigen inzicht uit te voeren.’

Uit deze overeenkomsten kan worden opgemaakt dat de DSW-verzekerden Solutions de – privatieve – last hebben gegeven tot inning van hun vordering jegens DSW op eigen naam. Van een overdracht van de vordering is daarbij geen sprake.

2.8

DSW heeft betoogd dat een dergelijke lastgeving op grond van haar polisvoorwaarden niet is toegestaan.13 Art. 15 lid 5 van de toepasselijke polisvoorwaarden 201214 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

‘Extra voorwaarden ten aanzien van de betaling van rekeningen

Indien u naar een niet-gecontracteerde zorgverlener gaat ontvangt u van die zorgverlener een nota ter voldoening van de kosten van de geleverde zorg. Die nota kunt u bij ons indienen. Wij vergoeden de nota met inachtneming van artikel 15 lid 3 [betreffende tarieven, A-G]. De aanspraak op vergoeding van kosten van de door een niet-gecontracteerde zorgverlener geleverde zorg is persoonlijk en niet overdraagbaar aan derden.

(…)’.

2.9

In het algemeen geldt dat het bij de uitleg van polisvoorwaarden als de onderhavige vooral aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.15 Bij de uitleg van een daarin opgenomen verbod tot overdracht van vorderingen geldt als uitgangspunt dat moet worden aangenomen dat dit beding uitsluitend verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit de naar objectieve maatstaven uit te leggen formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.16

2.10

Anders dan subonderdeel 1.2 tot uitgangspunt neemt, is het hof in rov. 12 bij zijn uitleg van de polisvoorwaarden 2012 naar mijn mening niet ervan uitgegaan dat een lastgeving tot inning kwalificeert als een overeenkomst strekkende tot overdracht van de te incasseren vordering. Het hof heeft slechts uitleg gegeven aan het in art. 15 lid 5 vervatte beding dat de aanspraak op vergoeding van kosten van de door een niet-gecontracteerde zorgverlener geleverde zorg ‘persoonlijk en niet overdraagbaar aan derden’ is. Het is bij de uitleg van dit contractuele begrip, kennelijk met toekenning van een bijzonder gewicht aan het element ‘persoonlijk’, tot het oordeel gekomen dat het volgens de polisvoorwaarden de verzekerde – afgezien van het contractuele overdrachtsverbod – evenmin is toegestaan de vordering jegens DSW door een ander krachtens lastgeving op eigen naam te laten innen.

2.11

Uit het voorgaande volgt dat de klacht eveneens feitelijke grondslag mist voor zover het hof verweten wordt bij zijn uitleg van de polisvoorwaarden te hebben miskend dat een ‘persoonlijk recht’ – in tegenstelling tot een absoluut recht – slechts tegenover een of meer bepaalde andere(n) kan worden geldend gemaakt. Dit aspect ziet op de ‘passieve’ zijde van het recht: de gebondenheid van een of meer rechtssubjecten jegens de persoonlijk of absoluut gerechtigde.17 Het hof heeft met de aanduiding ‘persoonlijk’ kennelijk aangegeven dat het recht aan ‘actieve’ zijde gebonden is aan de persoon van de crediteur (verzekerde) in dier voege dat het uitsluitend door deze en niet door een ander kan worden uitgeoefend.

2.12

Subonderdeel 1.3 houdt in dat ’s hofs uitleg van art. 15 lid 5 polisvoorwaarden 2012 onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt betoogd dat, naar Solutions heeft aangevoerd18, in het onderhavige geval geen sprake is van overdracht, terwijl voorts niet zonder nadere toelichting valt in te zien dat de (dan resterende) enkele bepaling dat de aanspraak ‘persoonlijk’ is, zou meebrengen dat de rechthebbende zijn vordering niet door een derde geldend zou kunnen laten maken. Voorts zou als gezichtspunt in aanmerking moeten worden genomen dat de mogelijkheid van lastgeving tot inning gunstig is voor de betrokken (ex-)cliënten. Ook dit gezichtspunt pleit tegen de door het hof gegeven uitleg, aldus het middel.

2.13

Ook deze klacht faalt. Zoals hiervoor werd opgemerkt, heeft het hof uitleg gegeven aan het in art. 15 lid 5 van polisvoorwaarden 2012 vervatte beding dat de aanspraak op vergoeding van kosten van de door een niet-gecontracteerde zorgverlener geleverde zorg ‘persoonlijk en niet overdraagbaar aan derden’ is. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof bij de objectieve uitleg van dit contractuele dubbelbegrip, met lezing van de elementen ‘persoonlijk’ en ‘niet overdraagbaar’ in onderlinge samenhang, tot het oordeel is gekomen dat de polisvoorwaarden ook een lastgeving tot inning op eigen naam niet toestaan.19 Dit oordeel behoeft ook geen nadere motivering. De stelling omtrent het bij de uitleg in ogenschouw te nemen gezichtspunt is in feitelijke aanleg niet naar voren gebracht.

2.14

De slotsom is dat onderdeel 1 geen doel treft. Slechts voor de volledigheid teken ik nog het volgende aan.

2.15

In het oordeel van het hof in rov. 12 dat Solutions ‘niet bevoegd is’ de vorderingen van DSW-verzekerden te innen, liggen in feite twee beslissingen besloten: (i) volgens art. 15 lid 5 van de polisvoorwaarden mag de vergoedingsaanspraak van een DSW-verzekerde niet door een ander op eigen naam worden geïnd, en (ii) dit beding heeft tot gevolg dat Solutions als lasthebber niet tot inning op eigen naam bevoegd is.

Beslissing (i) is gegeven op grief 5 voor zover deze opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de polisvoorwaarden het sluiten van een overeenkomst van lastgeving tot inning ‘niet toestaan’ (arrest, rov. 11) en ziet op de uitleg van het polisbeding. Zij is in cassatie aangevallen, doch, zoals hiervoor is gebleken, tevergeefs.

Beslissing (ii) ziet op de vraag naar de doorwerking van het (aldus uitgelegde) polisbeding in de rechtspositie van Solutions. Deze beslissing wordt in cassatie niet, althans niet met argumenten bestreden. Zij is echter niet vanzelfsprekend.

2.16

Zoals in appel is aangevoerd, heeft art. 15 van de polisvoorwaarden in beginsel geen goederenrechtelijke werking20; het maakt deel uit van de contractuele rechtsverhouding tussen DSW en de verzekerde en kan als zodanig derden, zoals Solutions, niet binden.21 Vanuit dat perspectief bezien laat zich verdedigen dat het sluiten van een lastgevingsovereenkomst met Solutions, nu dat op grond van de polisvoorwaarden niet is toegestaan, weliswaar een toerekenbare tekortkoming van de DSW-verzekerde jegens DSW oplevert, maar dit niet wegneemt dat die lastgevingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en Solutions aan die lastgevingsovereenkomst het contractuele recht ontleent om de vordering van de verzekerde op eigen naam te innen.22

2.17

Ook vanuit het perspectief van de lastgevingsovereenkomst is doorwerking als hier bedoeld niet evident. In beginsel valt aan te nemen dat bij lastgeving tot inning, zijnde een verbintenisrechtelijke figuur, geen sprake is van goederenrechtelijke afsplitsing van de inningsbevoegdheid van de vordering; aan de lasthebber wordt contractueel toegestaan de inningsbevoegdheid van de crediteur – één van de bevoegdheden die onderdeel uitmaken van de vordering – uit te oefenen. 23 Het verlenen van inningsbevoegdheid is geen beschikking, evenmin als de inning zelf.24 Dat de crediteur die bevoegdheid op grond van zijn overeenkomst met de debiteur niet mag verlenen, neemt niet weg dat hij dit rechtens wel kan.

2.18

In de literatuur wordt ter verklaring van de doorwerking van het contractuele lastgevingsverbod in de positie van de lasthebber – in dier voege dat deze in relatie tot de debiteur van de vordering niet tot inning bevoegd is – wel aansluiting gezocht bij het uitgangspunt dat partijen (crediteur en debiteur) de inhoud en eigenschappen van de vordering zelf kunnen bepalen.25 Evenals door middel van een onoverdraagbaarheidsbeding kan worden bewerkstelligd dat een vordering onoverdraagbaar is26, zo kan met een lastgevingsverbod worden bewerkstelligd dat de vordering als goederenrechtelijk werkende eigenschap c.q. materiële inhoud heeft dat zij niet vatbaar is voor inning door een lasthebber in eigen naam, zo wordt bepleit.27 Nu de hier bedoelde kwestie geen deel uitmaakt van het geschil in cassatie, voert het te ver om hier te onderzoeken of deze of een andere constructie de door het hof aangenomen onbevoegdheid van de lasthebber afdoende kan verklaren.

2.19

Onderdeel 2 bouwt voort op de overige klachten en treft daarom evenmin doel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 1 van het arrest van het hof Den Haag van 26 mei 2015.

2 Volgens weergave van het hof in rov. 2 van het arrest van 26 mei 2015.

3 ECLI:NL:RBROT:2014:4648.

4 ECLI:NL:GHDHA:2015:1368; GJ 2015/129.

5 Op het incidenteel appel van DSW heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover zij in rov. 2.2 en 2.5 heeft overwogen: ‘De verslavingszorg die Solutions verleent, betreft (specialistische) GGZ en valt in beginsel onder de zorg die op grond van artikel 10 en 11, lid 1 Zvw door de zorgverzekeraar dient te worden vergoed’. Zie rov. 14-15 van het arrest.

6 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 4 augustus 2015.

7 Het middel verwijst naar MvG nr. 2.23 e.v.

8 Het middel verwijst naar MvG nr. 2.24 en productie 2.

9 HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4665, NJ 1984/254 m.nt. JMMM, rov. 3.2; HR 28 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0490, NJ 1989/83, rov. 3.1; HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665, NJ 2005/41, rov. 3.3.

10 Vgl. MvA I, Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 316 en L.v.Antw. II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1203.

11 Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/228 en 279-280; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/359; Mon. Nieuw BW B-81 (Van der Grinten) 1993, nr. 23.

12 Overgelegd als prod. 2 bij MvG.

13 Antwoordakte i.v.m. eiswijziging d.d. 22 oktober 2013, nrs. 12-13; MvA nrs. 189-190.

14 Overgelegd als prod. 11 bij CvA.

15 Vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008/284, rov. 3.4.2.

16 HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167, m.nt. HJS, rov. 3.4.2.

17 Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/22.

18 Het middel verwijst naar MvG nr. 2.26; pleitnota nr. 4.3.

19 Vgl. met betrekking tot de ‘hoogstpersoonlijk’ gemaakte vordering: F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding, 2003, p. 179. Volgens hem volgt het verbod van lastgeving tot inning echter ook reeds uit de strekking van een enkel onoverdraagbaarheidsbeding, zie p. 175.

20 MvG nr. 2.26, vanaf ‘Bovendien…’.

21 Pleitnota t.b.v. schriftelijk pleidooi d.d. 24 februari 2015, nr. 4.8, vanaf ‘Overigens…’.

22 Aldus ook M. Orval, Het cessieverbod nader bezien, WPNR 2009/6823, par. 4.1.

23 J.W.A. Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie, 2011, nr. 32 jo 15; W. Snijders, Trustverdrag en Nederlands materieel recht, in: Grensoverschrijdend privaatrecht, 1993, p. 237; S.C.J.J. Kortmann, Inning van vorderingen door de lasthebber in eigen naam, in: T. Hartlief e.a. (red.), CJHB, 1994, p. 221.

24 Biemans, a.w. nr. 65. Anders ten aanzien van inning: L. Groefsema, Bevoegd beschikken over andermans recht, 1993, p. 116-117.

25 Zie over dit uitgangspunt: TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314; HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0842, NJ 1994/171 m.nt. PvS, rov. 3.4; GS Vermogensrecht, art. 3:83 (Bergervoet), aant. 33. Daarover kritisch: M.H.E. Rongen, Cessie, 2012, nrs. 559 en 571-572.

26 HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 m.nt. HJS, rov. 3.4.1; HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. HJS, rov. 3.3.1. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/213; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 110; Mon. BW B6a (Reehuis) 2010, nr. 15.

27 Beekhoven van den Boezem, a.w., p. 178 en GS Vermogensrecht, art. 3:83 (Bergervoet), aant. 39. Vgl. J. Wiarda, Cessie of overdracht van schuldvorderingen op naam naar Nederlandsch burgerlijk recht, 1937, p. 369-370. Vgl. voor een andere variant Rongen, a.w., nr. 578: tot de inhoud van de vordering behoort dat de schuldenaar ook na overdracht ervan bevrijdend kan betalen aan de oorspronkelijke schuldeiser.