Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:913

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
16/02938
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2230, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf. Bereidheid betrokkene om vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/02938

Mr. F.F. Langemeijer

8 juli 2016 (art. 80a RO)

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Noord-Holland

1. Op verzoek van de officier van justitie heeft de rechtbank Noord-Holland op 4 maart 2016 een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 – 17 Wet Bopz).

2. Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld1. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3. Het cassatiemiddel houdt in dat de rechtbank ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, het verweer heeft verworpen dat de gevraagde machtiging niet mag worden verleend omdat betrokkene bereid is vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven.

4. Voor (de voortzetting van) het onvrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is een rechterlijke machtiging vereist indien de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid ter zake; zie art. 15 in verbinding met art. 2 lid 3 Wet Bopz. Het begrip ‘nodige bereidheid’ veronderstelt dat de patiënt in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Het woord ‘nodige’ geeft de rechter enige ruimte om voorbij te gaan aan een uitgesproken bereidverklaring, bijvoorbeeld omdat de opstelling van de patiënt ten aanzien van het verblijf in het ziekenhuis onvoldoende consistent is gebleken of omdat hij aan de bereidverklaring niet aanvaardbare voorwaarden verbindt (zoals ten aanzien van – het uitblijven van − een noodzakelijke behandeling om het gevaar af te wenden)2. In de huidige zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene onvoldoende blijk geeft van de nodige bereidheid om vrijwillig verder te verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis.

5. Over de diagnose (autisme spectrum stoornis en katatonie) en over het chronisch karakter van deze stoornissen bestaat in deze zaak geen discussie. Evenmin bestrijdt betrokkene het oordeel over het te duchten gevaar voor hemzelf en voor anderen. Het cassatierekest citeert passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en verbindt daaraan de volgende gevolgtrekking:

“Wanneer iemand vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis wil verblijven, niet blijkt dat hij weg loopt en eigenlijk geen argumenten worden genoemd waarom hij niet vrijwillig in dat psychiatrisch ziekenhuis zou verblijven, is er reden om geen vrijheid berovende maatregel op te leggen. Indien immers – zoals de behandel[en]d psychiater stelt – zich een onvoorziene situatie voordoet en verzoeker zou niet rationeel reageren en men zou moeten ingrijpen, dan is er altijd de mogelijkheid van een inbewaringstelling (…)”.

6. Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij gelegenheid van de voorgaande machtiging (d.d. 16 februari 2015) een zelfde verweer van betrokkene over zijn bereidheid tot voortzetting van het verblijf uitgebreid is behandeld. De rechtbank overwoog toen onvoldoende vertrouwen te hebben in de consistentie van de bereidheid van betrokkene om op vrijwillige basis in een psychiatrisch ziekenhuis te blijven en mee te werken aan zijn behandeling. De rechtbank nam toen – onder meer − in aanmerking dat de spanningen bij betrokkene regelmatig erg hoog oplopen en een gesloten deur noodzakelijk was om de veiligheid op de afdeling te waarborgen. Vanzelfsprekend moet de rechter voor de beoordeling van het huidige verzoek van de officier van justitie kijken naar de actuele toestand; niet naar de toestand van een jaar geleden. Dit neemt niet weg dat het debat in eerste aanleg zich heeft toegespitst op de vraag of de behandeling in het ziekenhuis, waarbij aan betrokkene geleidelijk meer vrijheden worden vergund (zoals verlof op zaterdagen e.a.), inmiddels een zodanig stadium heeft bereikt dat met een vrijwillige opneming kan worden volstaan. Volgens betrokkene is dat nu al het geval. Volgens de behandelend psychiater, gehoord ter zitting, is dat nog niet aan de orde: weliswaar heeft betrokkene in het afgelopen jaar veel bereikt, maar met behulp van zware interventie. De psychiater noemt de kans op een terugval “zeer, zeer waarschijnlijk”, waarbij zij met name denkt aan een niet rationele reactie van betrokkene indien zich een (voor hem) onvoorziene situatie voordoet. De waardering van deze feiten en daarmee de beoordeling van dit geschilpunt, komt alleen toe aan de rechter die over de feiten oordeelt.

7. De rechtbank mag volstaan met een summiere motivering – d.w.z. met een verwijzing naar gedingstukken en de tijdens de mondelinge behandeling verkregen informatie − indien deze voldoende sprekend zijn om voor de lezer duidelijk te maken op welke grond de rechtbank het verweer heeft verworpen3. In dit geval is door of namens betrokkene niet betwist dat een serieuze kans op een terugval bestaat. De discussie in eerste aanleg ging over de vraag of betrokkene meer gemotiveerd is wanneer hij vrijwillig in het ziekenhuis zou verblijven dan bij een onvrijwillig verblijf. Het is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank op dit punt zich bij het oordeel van de behandelend psychiater heeft aangesloten; nadere motivering was daarvoor niet nodig. Daarnaast gaat de discussie over de vraag of, bij een eventuele terugval, de mogelijkheid van een inbewaringstelling voldoende is. Gelet op de eisen die art. 20 Wet Bopz stelt voor een last tot inbewaringstelling en de tijd die nodig is om een inbewaringstelling te verwezenlijken, gecombineerd met de inschatting door de behandelend psychiater van de kans op een terugval, behoefde de rechtbank, om haar beslissing begrijpelijk te doen zijn, niet nader uit te leggen waarom niet kon worden volstaan met een vrijwillige opname.

8. Naar mijn mening kunnen de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Een faxcopie is binnengekomen op 6 juni 2016; het originele, door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende verzoekschrift op 10 juni 2016. Zie art. 1 Algemene termijnenwet: 4 juni 2016 viel op een zaterdag.

2 Zie onder meer: HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1703, NJ 1995/616 m.nt. J. de Boer; HR 6 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2566, NJ 1998/302; HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3885, NJ 2008/384, BJ 2008/18; HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:B5549, NJ 2008/385 m.nt. J. Legemaate, BJ 2008/20 m.nt. T.P. Widdershoven. SDU Commentaar Wet Bopz, aantek. C.2 en C.5 op art. 15 (W. Dijkers).

3 Zie voor een geval waarin de motivering tekort schoot: HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4771, NJ 2000/260.