Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:895

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
15/03635
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2075, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, art. 287 Sr. Slagende bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet. Verdachte maakt in het verkeer tijdens een politieachtervolging o.m. stuurbewegingen naar rechts waardoor de auto van de verbalisanten wordt geraakt . Uit de bewijsvoering kan het in de bewezenverklaring omschreven opzet van de verdachte niet zonder meer worden afgeleid, mede in aanmerking genomen dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging ten aanzien van de onder (l) genoemde stuurbeweging niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was, terwijl dit evenmin zonder meer kan volgen uit de ten aanzien van de onder (m) genoemde stuurbeweging vastgestelde omstandigheden waaronder de auto van de verdachte in aanraking is gekomen met het dienstvoertuig van de verbalisanten. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03635

Zitting: 14 juni 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 juli 2014 de verdachte wegens primair “poging tot doodslag, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van de politieambtenaren.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 28 september 2013 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], agent van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid op de A76 heeft gereden en - terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen) waarin genoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, vervolgens op genoemde A76 met hoge snelheid is blijven rijden en - terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen) waarin genoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd en in aanrijding is gekomen met genoemde politieauto, waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op tien bewijsmiddelen. In het verkorte arrest is het hof onder de aanhef “bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” ingegaan op de inhoud van de bewijsmiddelen. Deze overwegingen, die hierna zullen worden weergegeven, vormen onder meer een reactie op een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer van de raadsman van de verdachte strekkende tot vrijspraak.

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, onder meer omdat niet kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte was gericht op het van het leven beroven van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er kan niet worden gesteld dat de algemene ervaring leert dat een manoeuvre als het naar rechts sturen, verricht onder de desbetreffende concrete omstandigheden, een aanmerkelijke kans op een ongeval met een dodelijke afloop in het leven roept. De concrete omstandigheden van het geval zijn nauwelijks belicht. De stelling dat die kans aanmerkelijk was verdient nadere technische en deskundige onderbouwing. Voorts is de verdachte zich bij het sturen naar rechts waarschijnlijk niet bewust geweest van het feit dat hij een politieauto kon raken die rechtsachter hem reed, laat staan dat hij zich bewust was van een eventuele aanmerkelijke kans dat hij daardoor een dodelijk ongeval zou kunnen veroorzaken. De verdachte wilde naar eigen zeggen stoppen wegens een defect aan zijn auto, hetgeen steun vindt in de omstandigheid dat onderzoek heeft uitgewezen dat de koppeling van de auto defect was en het feit dat verschillende agenten hebben gerelateerd dat er vonken van de auto afkwamen en dat deze vaart minderde. Uit de uiterlijke verschijningsvorm valt niet met zekerheid af te leiden dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood moet hebben aanvaard. Voor zover zou worden aangenomen dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kan op de dood, wordt een beroep gedaan op het zogenoemde “Porsche-arrest”. Volgens de algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat de verdachte niet op de koop toe heeft genomen dat hij zichzelf blootstelde aan de aanmerkelijke kans om dodelijk te verongelukken, aangezien zich geen contra-indicaties hebben voorgedaan, aldus de raadsman.1

7. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer het volgende overwogen:

“De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen ‘bloot opzet’ op de dood van de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft gehad en dat hij evenmin - op gronden als verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota - voorwaardelijk opzet op hun dood heeft gehad.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte zijn gedragingen willens en wetens op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft gericht (‘bloot opzet’ ). Ten aanzien van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op hun dood heeft gehad, overweegt het hof als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

a. Op zaterdag 28 september 2013, omstreeks 03.10 uur, zien verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in Heerlen de verdachte in diens personenauto, een Audi A4 Quattro, rijden. De verdachte negeert hun stopteken, waarna een achtervolging ontstaat, (bewijsmiddel 1)

b. De verdachte heeft, naar eigen zeggen, “last van frustratie” wanneer de politie achter hem aan komt en hij gaat “wat meer gassen”; Hij probeert te ontkomen aan de politie, (bewijsmiddel 10)

c. De verdachte rijdt via een groenvoorziening en over een fietspad. Vervolgens rijdt hij over een voetgangersoversteekplaats waarbij hij twee meisjes op ongeveer 50 centimeter passeert. De meisjes kunnen een aanrijding met de auto van de verdachte voorkomen door weg te springen vlak voordat de verdachte hen passeert, (bewijsmiddel 1)

d. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reageren op de melding van de achtervolging en komen te rijden achter de auto van de verdachte en het dienstvoertuig van [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Het door [verbalisant 2] bestuurde opvallende dienstvoertuig heeft de blauwe zwaailichten in werking, (bewijsmiddelen 3 en 4)

e. Een andere politieauto blokkeert de rijbaan van de verdachte. De verdachte rijdt op die politieauto af, die achteruit moet rijden om een aanrijding met de verdachte te voorkomen, (bewijsmiddelen 3 en 4)

f. Bij rotondes en verkeerslichten kan de verdachte afstand nemen, aangezien [verbalisant 2] - anders dan de verdachte - afremt om andere weggebruikers niet in gevaar te brengen, (bewijsmiddel 3)

g. De verdachte rijdt door rood licht en via de voorsorteerstrook voor recht doorgaand verkeer rechtsaf de N281 op. Daarbij passeert hij een auto die staat voorgesorteerd om naar rechts af te slaan, (bewijsmiddelen 1 en 3)

h. Op de N281, waar een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur geldt, rijdt de verdachte over een afstand van ongeveer vier kilometer met een snelheid van 170 kilometer per uur. De verdachte haalt met die snelheid het overige verkeer op de N281 in. Door het snelheidsverschil ontstaat gevaar voor dat overige verkeer, (bewijsmiddel 1)

i. De verdachte beweegt zijn auto op de N281 zigzaggend van links naar rechts, kennelijk om te voorkomen dat hij wordt ingehaald. Hierdoor worden [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ernstig gehinderd. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] wordt hierdoor de weg afgesneden, (bewijsmiddelen 1, 3, 4. en 5)

j. De verdachte rijdt verder richting de A76 waar een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur geldt. Hij vervolgt zijn weg over de A76 richting de Belgische grens met een snelheid van 170 à 180 kilometer per uur. (bewijsmiddelen 1 en 5)

k. Op de A76 doet [verbalisant 2] diverse pogingen om de verdachte in te halen, maar dit lukt niet omdat de verdachte de auto van [verbalisant 2] de weg blokkeert, (bewijsmiddel 5)

l. Uiteindelijk lukt het [verbalisant 4] om vóór de verdachte te gaan rijden. [verbalisant 2] gaat aan de rechterzijde van de verdachte rijden. De blauwe zwaailichten van de auto van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn nog in werking. Terwijl het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zich rechts naast dan wel rechts kort achter de verdachte bevindt, stuurt de verdachte zijn auto naar rechts. [verbalisant 2] moet krachtig remmen om een aanrijding met de verdachte te voorkomen. De snelheid van het achter de verdachte rijdende politievoertuig bedraagt dan 130 kilometer per uur. De auto van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] wordt ternauwernood niet geraakt door de auto van de verdachte, (bewijsmiddelen 1,3, 5, 7 en 8)

m. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] rijden dan nog vóór de verdachte. [verbalisant 2] gaat wederom rechts schuin achter/naast de verdachte rijden. De snelheid neemt af, omdat [verbalisant 4] begint te remmen. [verbalisant 2] blijft rechts enigszins schuin achter de verdachte rijden. Op dat moment ziet [verbalisant 2] dat de verdachte gedurende ten minste drie seconden naar rechts kijkt. Terwijl het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zich rechts naast dan wel rechts kort achter de auto van de verdachte bevindt, stuurt de verdachte zijn auto wederom naar rechts. De snelheid van het achter de verdachte rijdende politievoertuig bedraagt dan 97 kilometer per uur. (bewijsmiddelen 3, 7, 8 en 9)

n. Door de hiervoor onder (m) genoemde stuurbeweging van de verdachte rijdt hij met de rechter achterzijde van zijn Audi tegen de linker voorzijde van het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. [verbalisant 2] stuurt direct hard naar links om niet van de weg gedrukt te worden, hij heeft verklaard dat hij nog nooit zo heftig heeft moeten reageren om het dienstvoertuig op de weg te houden. De Audi blijft tegen het dienstvoertuig aandrukken, waardoor dit uit zijn rechte lijn wordt gedrukt. De Audi schampt voor langs het dienstvoertuig en draait vervolgens rechtsom voor het dienstvoertuig langs, terwijl er op dat moment nog steeds contact is tussen beide voertuigen. Het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] schuift de berm in. [verbalisant 2] duwt vol op de rem om tot stilstand te komen. (bewijsmiddelen 3, 7, 8 en 9)

De in de tenlastelegging omschreven twee stuurbewegingen van de verdachte naar rechts betreffen de hiervoor onder (I) en (m) genoemde stuurbewegingen.

Aanmerkelijke kans op de dood

Naar het oordeel van het hof bestond er door deze stuurbewegingen van de verdachte een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat de rijrichting/koers van het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dusdanig zou worden beïnvloed dat het uit de baan zou raken, kantelen, spinnen of ergens tegenaan zou botsen en dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] - al dan niet door vervorming van de carrosserie van het dienstvoertuig - daarbij om het leven zouden komen.

Ten aanzien van die aanmerkelijk te achten kans op een dodelijk ongeval merkt het hof met betrekking tot de onder (I) genoemde eerste stuurbeweging op dat de snelheid van de voertuigen op dat moment 130 kilometer per uur bedroeg terwijl de voertuigen zich op zeer dichte afstand van elkaar bevonden. Dat die genoemde eerste stuurbeweging naar rechts niet heeft geleid tot een aanrijding is enkel te danken aan het krachtig remmen door [verbalisant 2], waardoor zijn dienstvoertuig ternauwernood niet werd geraakt.

Met betrekking tot de onder (m) genoemde tweede stuurbeweging merkt het hof ten aanzien van de aanmerkelijk te achten kans op een dodelijk ongeval op dat, met een snelheid van tegen de 100 kilometer per uur, de verdachte, rijdend op de snelweg, zijn auto naar rechts sturend met kracht tegen de rechts naast, dan wel rechts kort achter hem rijdende politiewagen heeft gemanoeuvreerd waardoor deze in de berm terecht is gekomen. Indien onder die omstandigheden een auto van de weg wordt gedrukt kan de bestuurder van die auto daardoor de macht over het stuur verliezen en/of in een botsing terecht komen met fatale afloop voor de inzittenden van het voertuig. Dat de gevolgen van die tweede stuurbeweging naar rechts, waarbij met hoge snelheid een aanrijding is ontstaan, beperkt zijn gebleven, is enkel te danken aan het krachtig tegensturen en remmen door [verbalisant 2]. Dit optreden van [verbalisant 2] doet niet, evenmin als het feit dat het dienstvoertuig was voorzien van een ABS-remsysteem, af aan het oordeel van het hof dat er in de gegeven omstandigheden sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Opmerking verdient daarbij dat de stelling van de raadslieden dat het dienstvoertuig stabiel en volledig onder controle is gebleven (pleitnota, p. 5) feitelijke grondslag mist, gelet op hetgeen hiervoor onder (n) is vastgesteld. Evenmin acht het hof van belang dat het incident plaatsvond op een plek waar de vangrail verder verwijderd was, omdat zich daar de oprit naar de snelweg bevond. Dit doet naar het oordeel niet af aan de gevaarzetting waarvan sprake was.

Bewustheid van de aanmerkelijke kans

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet heeft gezien en dat hij slechts een dienstvoertuig vóór zich en een dienstvoertuig achter zich heeft gezien.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reeds in Heerlen betrokken zijn geraakt bij de achtervolging van de verdachte, dat zij reden in een opvallend dienstvoertuig met oranje en blauwe retro reflecterende striping en in werking gestelde zwaailichten en dat de verdachte zowel op de N281 als vervolgens op de A76 heeft belet dat hij door het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zou worden ingehaald. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat ten tijde van de onder (I) en (m) genoemde stuurbewegingen er een dienstvoertuig vóór hem ([verbalisant 3] en [verbalisant 4]), een dienstvoertuig achter hem ([verbalisant 5] en [verbalisant 6]) en een dienstvoertuig rechts naast/schuin achter hem ([verbalisant 1] en [verbalisant 2]) reed. Ten aanzien van de tweede stuurbeweging onder (m) geldt voorts dat [verbalisant 2] heeft gezien dat de verdachte gedurende ten minste drie seconden naar rechts heeft gekeken, voordat de verdachte die stuurbeweging inzette in de richting van het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Anders dan door de raadslieden is betoogd, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen [verbalisant 2] daarover in zijn aangifte heeft verklaard.

Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof ervan uit dat de verdachte - evenals ieder weldenkend mens - zich bewust was van de aanmerkelijke kans op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Het hof hecht - evenals de rechtbank - geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij naar rechts heeft gestuurd met de intentie om op de vluchtstrook te stoppen omdat zijn koppelingspedaal niet meer functioneerde. In het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse (dossierpagina 36) wordt vermeld dat dit defect niet van invloed is geweest op de stuurinrichting van de Audi en voorts dat de Audi vóór het incident, voor zover kon worden nagegaan, met uitzondering van de koppeling in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde en geen gebreken vertoonde die eventueel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het incident. De verdachte heeft voorts niet door middel van richtingaanwijzer of gevaren lichten aangegeven dat hij van zins was naar rechts te gaan.

Het hof is dan ook van oordeel dat het tot tweemaal toe naar rechts sturen niet anders kan worden geduid dan als een bewuste actie van de verdachte om aan de politie te ontkomen.

Naar het oordeel van het hof dienen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans daarop, ook ten aanzien van zichzelf, bewust heeft aanvaard. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens zijn hiervoor onder (a) tot en met (k) omschreven gedragingen, bij herhaling, zeer gevaarlijk en onaanvaardbaar verkeersgedrag heeft vertoond omdat hij kennelijk koste wat kost uit handen van de politie wilde blijven, waarbij hij het risico op dodelijk letsel voor andere weggebruikers, maar ook voor zichzelf, bewust op de koop toe heeft genomen.

Het hof acht derhalve voorwaardelijk opzet op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] - en daarmee poging tot doodslag op beiden - gewezen.”

8. De bewezenverklaring en kwalificatie behelzen een poging tot doodslag, meermalen gepleegd. In andere zaken waarin sprake is van vergelijkbare, abrupte stuurbewegingen in de richting van een ander voertuig zijn de bewezenverklaring en de kwalificatie wel toegesneden op poging tot zware mishandeling.2 De lat ligt in de onderhavige zaak daarmee aanmerkelijk hoger. Het bewezen verklaarde opzet op de levensberoving zal uit de bewijsvoering moeten kunnen volgen.

9. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.3 Ook zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden (poging tot) doodslag opleveren, met dien verstande dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een botsing met dodelijk gevolg zal plaatsvinden en ook de verdachte zelf als gevolg van zijn gedraging het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.4

10. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, beschouwd in samenhang met de bewezenverklaring en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte door met zijn auto met zeer hoge snelheid twee stuurbewegingen naar rechts te maken en daarbij (bij de tweede stuurbeweging) met zijn auto in aanrijding te komen met de achtervolgende politieauto, waarna die auto van de weg is gedrukt, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de twee inzittenden van de politieauto dodelijk letsel zouden oplopen.

11. In de rechtspraak zijn verschillende zaken aanwijsbaar die enige gelijkenis vertonen met de onderhavige zaak. De zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4918 betrof eveneens een achtervolging van een verdachte door de politie, waarbij de politie met verschillende dienstvoertuigen probeerde de auto van de verdachte in te sluiten. De tenlastelegging behelsde twee pogingen tot doodslag, bestaande uit het aanrijden van twee politieauto’s. Feit 1 betrof een situatie waarbij de verdachte met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur met zijn auto een krachtige beweging naar links maakte waarbij hij de zich daar bevindende politieauto met een “enorme klap” raakte. Feit 2 betrof het volgende. Terwijl de verdachte met een snelheid van 80 tot 100 kilometer per uur reed en wist dat zich een auto naast zijn auto bevond, maakte hij een abrupte stuurbeweging naar links, waarna zijn auto hard met de rechter voorzijde van de politieauto in aanraking kwam. De auto van de verdachte kwam vervolgens tegen de linker vangrail aan en kwam daarna met hoge snelheid weer in de richting van het politievoertuig. De auto van de verdachte raakte vervolgens de politieauto hard tegen de linker zijdeur. In cassatie werd erover geklaagd dat het voorwaardelijk opzet uit de bewijsvoering onvoldoende kon volgen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

12. Met dit - niet nader gemotiveerde - arrest is het laatste woord niet gezegd. Juist in geval van gevaarlijke verkeersmanoeuvres waarbij (de kans op) een aanrijding ontstaat, laat de praktijk een genuanceerd beeld zien. Daarbij treden twee onderdelen van het bewijs van voorwaardelijk opzet op de voorgrond, te weten de aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval en het bewust aanvaarden van die aanmerkelijke kans. Ten aanzien van het eerste onderdeel vraagt HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, NJ 2015/346 m.nt. Keulen de aandacht. Deze zaak vertoont gelijkenis met de onderhavige zaak, in elk geval ten aanzien van de eerste stuurbeweging van de verdachte. Ook in deze zaak had de verdachte geen gevolg gegeven aan de aanwijzingen van de achtervolgende verbalisanten om zijn voertuig tot stilstand te brengen en wilde de verdachte kennelijk ontkomen aan zijn aanhouding. Met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur stuurde de verdachte zijn auto meermalen naar links, terwijl hij wist dat een politievoertuig zich met nagenoeg dezelfde snelheid naast hem dan wel kort achter hem bevond. De verbalisant kon een aanrijding voorkomen door af te remmen. Het hof overwoog dat de verdachte door deze gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat daardoor een dodelijk ongeval zou ontstaan. De Hoge Raad casseerde. De Hoge Raad overwoog dat het in de bewezenverklaring omschreven opzet van de verdachte niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad mede in aanmerking dat het hof niets had vastgesteld waaruit kon volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was.

13. Zowel in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015 als in de onderhavige zaak was sprake van een kennelijke poging van de verdachte de politieauto van de weg te drukken om aan de achtervolging te ontkomen.5 In beide gevallen blijkt uit de bewijsvoering van het hof dat de verdachte wist dat de politieauto zich naast dan wel dicht achter de auto van de verdachte bevond. De omstandigheid dat het in de onderhavige zaak wel tot contact tussen de auto’s is gekomen en in de andere zaak niet, is voor het bepalen van de aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval en de beoordeling of de verdachte bewust die aanmerkelijke kans heeft aanvaard niet doorslaggevend. Uiteindelijk gaat het bij het bepalen van de aanmerkelijke kans immers niet om de waarschijnlijkheid van een ongeval, maar om de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop.

14. Bij de beoordeling of sprake is van een aanmerkelijke kans op de levensberoving komt het in belangrijke mate aan op de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang op welke wijze de confrontatie met het andere voertuig is gezocht. Het (trachten te) bewerkstelligen van een frontale botsing is wat gevaarzetting betreft niet te vergelijken met het (proberen) tegen een andere auto aan te drukken om de rijrichting daarvan te beïnvloeden. Ook aan het met de voorzijde van de auto inrijden op de zijkant van een andere auto zijn specifieke gevaren verbonden, die moeilijk te vergelijken zijn met de gevaarzetting zoals die het gevolg is geweest van de gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak.

15. Ook de omstandigheden ter plaatse spelen een rol bij de beoordeling of sprake is van de aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval. In dit verband valt te wijzen op HR 20 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2526, NJ 2004/214, waarin een automobilist wegens doodslag was veroordeeld omdat hij hard en onverhoeds had geremd, waardoor een achteropkomende auto, in een uiterste poging om een botsing te voorkomen, tegen een boom was gereden. De Hoge Raad achtte het bewijs van voorwaardelijk opzet toereikend. Daarbij nam hij in aanmerking dat de beide auto’s met hoge snelheid en dicht achter elkaar reden over een tweebaansweg waarlangs aan beide zijden bomen stonden, terwijl de verdachte zich van deze situatie bewust was. Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak volgt dat de auto van de verdachte (de Audi) vóór de aanrijding op de linker rijstrook reed en de auto van de verbalisanten (de Volkswagen) op de rechter rijstrook. De auto van de verdachte schampt langs de auto van de verbalisanten en draait als het ware rechtsom voor de auto van de verbalisanten langs, terwijl er contact is tussen de rechter achterzijde van de Audi en de linker voorbumper van de Volkswagen. Aan de rechterzijde van de rijstrook waarop de politieauto rijdt bevindt zich een vluchtstrook met een breedte van ongeveer 3.50 meter en daarnaast is een licht stijgende grasberm die uitkomt op een toerit van de A76 (bewijsmiddel 9). De politieauto komt in de grasberm tot stilstand (zie onder meer bewijsmiddel 7).

16. Het voorafgaande komt mede betekenis toe bij de beoordeling of bewezen kan worden dat de verdachte de kans op levensberoving van de inzittende(n) van de andere auto bewust heeft aanvaard. Dat geldt zeker in een zaak als de onderhavige, waarin het hof geen geloof heeft gehecht aan de in dit verband door de verdachte afgelegde verklaringen en zijn oordeel ten aanzien van de aanvaarding heeft gebaseerd op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, in het bijzonder zijn “zeer gevaarlijk en onaanvaardbaar verkeersgedrag”. Het afleiden van voorwaardelijk opzet op de levensberoving uit dergelijk verkeersgedrag is een hachelijke onderneming. Daarbij merk ik nog op dat naar de huidige stand van de rechtspraak dergelijk zeer gevaarlijk verkeersgedrag slechts in uitzonderlijke omstandigheden roekeloosheid kan opleveren. De lat voor voorwaardelijk opzet ligt daarmee in dergelijke gevallen nog hoger.6 Van Dijk spreekt in zijn dissertatie in dit verband van een onbewustheidsassumptie, inhoudende dat het onwaarschijnlijk is dat een verkeersdeelnemer welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van een ander aanvaardt.7 Daarbij roep ik in herinnering dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een botsing met dodelijk gevolg zal plaatsvinden en ook de verdachte zelf als gevolg van zijn gedraging het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.

17. Anders dan in de zaak die leidde tot het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015, heeft in de onderhavige zaak de auto van de verdachte bij de tweede stuurbeweging de politieauto daadwerkelijk geraakt. Daardoor kan in elk geval zicht worden verkregen op de concrete gevolgen van de door de verdachte veroorzaakte aanrijding. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de auto in de berm tot stilstand is gekomen. Niet is gebleken dat daardoor bij de inzittenden letsel is ontstaan, terwijl de zich bij de stukken van het geding bevindende foto’s van de beide bij de botsing betrokken auto’s geen sporen van ernstige schade laten zien.

18. Het oordeel van het hof dat niettemin sprake is van zodanig gedrag van de verdachte, dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de inzittenden van de politieauto daardoor zouden komen te overlijden, dat de verdachte zich daarvan bewust was en die kans heeft aanvaard, behoeft in het licht van het voorafgaande een nauwkeurige motivering. Niet ontkend kan worden dat het hof zijn oordeel uitvoerig heeft gemotiveerd. De vraag is evenwel of deze motivering de bewezenverklaring kan dragen.

19. Die vraag betreft in de eerste plaats de motivering van het oordeel van het hof dat door het rijgedrag van de verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel van de beide inzittenden van de politieauto is ontstaan. Naar het oordeel van het hof bestond er door deze stuurbewegingen van de verdachte een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat de rijrichting van het dienstvoertuig dusdanig zou worden beïnvloed dat het uit de baan zou raken, kantelen, spinnen of ergens tegenaan zou botsen en dat de beide inzittenden - al dan niet door vervorming van de carrosserie van het dienstvoertuig - daarbij om het leven zouden komen. Ten aanzien van de eerste stuurbeweging meen ik dat deze motivering in het licht van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015 tekort schiet. Ook ten aanzien van de tweede stuurbeweging acht ik het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft in dit verband overwogen dat indien onder de gegeven omstandigheden een auto van de weg wordt gedrukt de bestuurder van die auto daardoor de macht over het stuur kan verliezen en/of in een botsing terecht kan komen met fatale afloop voor de inzittenden van het voertuig. Daarmee is echter nog niets vastgesteld waaruit kan volgen dat en in welke mate een dodelijke afloop van het ongeval waarschijnlijk was.

20. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De tweede stuurbeweging naar rechts vond plaats in het kader van een achtervolging waaraan de verdachte zich poogde te onttrekken en waarin hij reeds eerder een stuurbeweging naar rechts had gemaakt. De bestuurder van de politieauto zal daardoor gewaarschuwd zijn geweest, terwijl er eveneens van kan worden uitgegaan dat sprake was van een opgeleide en geoefende bestuurder. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan de stuurbeweging waarbij met de achterzijde van de auto de voorzijde van een andere auto wordt geraakt teneinde de rijrichting te beïnvloeden qua gevaarzetting niet op één lijn worden gesteld met andere confrontaties tussen voertuigen, zoals een frontale botsing. Het hof heeft voorts niets vastgesteld over de verhouding tussen de zwaarte van de beide voertuigen, terwijl deze verhouding van invloed kan zijn op de kans op een ongeval en de ernst van het letsel. In geval sprake is van zware voertuigen, bestaat in het algemeen een veel lager risico aan een verkeersongeval te overlijden dan bij de inzittenden van lichte voertuigen. Vooral in gevallen waarin de auto’s onderling veel in gewicht verschillen, neemt de kans op ernstig letsel van de inzittenden van het lichtere voertuig aanzienlijk toe.8 Het hof heeft over de verhouding van de beide voertuigen niets vastgesteld. Uit de stukken van het geding, in combinatie met algemeen toegankelijke gegevens, leid ik af dat de bij het ongeval betrokken auto’s relatief zware auto’s betreffen, waarbij de politieauto iets zwaarder is dan de auto van de verdachte.9 Het hof heeft wel vastgesteld dat het dienstvoertuig was uitgerust met een ABS-remsysteem, maar aan deze omstandigheid geen gevolgtrekking verbonden ten aanzien van zijn oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden. Ook overigens heeft het hof kennelijk geen betekenis toegekend aan het feit dat de getroffen auto een politieauto betrof, waarvan mag worden aangenomen dat deze met de nodige veiligheidsvoorzieningen is uitgerust. Gelet op het voorafgaande, wordt de stap die het hof heeft gezet van de gevaarzettende gedragingen van de verdachte naar het bewijs van een aanmerkelijke kans op de dood van de inzittenden niet door de motivering gedragen. In de kern berust die ten aanzien van de tweede stuurbeweging op niet meer dan op het contact dat tussen de auto’s heeft plaatsgevonden, bij een snelheid van 97 kilometer per uur, terwijl de aard van het contact en de omstandigheden van het geval door het hof niet of nauwelijks in de beoordeling zijn betrokken. Daarmee is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.

21. In het verlengde van het voorafgaande, meen ik dat ook het oordeel dat de gedragingen van de verdachte zozeer zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard niet zonder meer begrijpelijk is. Hoe meer twijfel kan bestaan over de vraag of de gedragingen van de verdachte een aanmerkelijke kans op de dood in het leven hebben geroepen, des te behoedzamer zal het hof moeten zijn bij het afleiden van de bewuste aanvaarding uit de enkele gedragingen van de verdachte. Tegen de achtergrond van het voorafgaande, meen ik dat het hof niet had kunnen volstaan met het verwijzen naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, die volgens het hof zo zeer gericht zouden zijn op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de kans daarop heeft aanvaard. Daarbij heeft het hof, kennelijk tegen de achtergrond van het zogenoemde “Porsche-arrest” (HR 15 oktober 1996, NJ 1997/199 m.nt. ’t Hart), overwogen dat de kans dat hij zelf zou komen te overlijden bewust op de koop heeft toegenomen. Uit de enkele gedragingen van de verdachte, die erop waren gericht de politieauto van de weg te drukken, kan zulks naar mijn mening evenwel niet worden afgeleid. Daarbij had het hof in zijn oordeel moeten betrekken dat het - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een botsing met dodelijk gevolg zal plaatsvinden en ook de verdachte zelf als gevolg van zijn gedraging het leven zal verliezen. Het enkele rijgedrag van de verdachte in de onderhavige zaak - hoe onverantwoord ook - kan naar mijn mening niet een aanwijzing voor het tegendeel opleveren. Ook in dit opzicht meen ik dat het hof, mede in het licht van hetgeen ter zake door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

22. In dit verband kan nog wel de vraag worden gesteld of de gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak zijn aan te merken als gevaarlijke verkeersmanoeuvres zoals bedoeld in het “Porsche-arrest” of dat het gaat om twee doelbewuste tegen de achtervolgende politieagenten gerichte geweldshandelingen, waarbij de verdachte zijn auto als een soort wapen heeft ingezet in een poging te ontkomen aan de achtervolgende politieauto’s.10 Ik volsta in dit verband met een verwijzing naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, NJ 2015/346 en de daaronder gepubliceerde noot van Keulen. In die zaak had het hof het beroep op het “Porsche-arrest” verworpen met de motivering dat doelbewust geweld was gebruikt tegen verbalisanten, terwijl in het “Porsche-arrest” sprake was van gevaarlijke verkeersmanoeuvres. Die motivering kon niet verhinderen dat de Hoge Raad casseerde. Keulen stelt de vraag of de gedragingen in die zaak - die gelijkenis vertonen met de gedragingen in de onderhavige zaak - bij de typering geweldshandeling passen. Rijgedrag waarmee iemand op onverantwoorde wijze wil ontkomen aan de politie zal volgens hem doorgaans beter als een serie gevaarlijke verkeersmanoeuvres gekarakteriseerd kunnen worden, waarbij het onderscheid tussen doelbewuste geweldshandelingen en gevaarlijke verkeersmanoeuvres uiteindelijk niet doorslaggevend is.11

23. Het middel slaagt.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pleitnota in hoger beroep van 1 juli 2014, p. 3-14.

2 Vgl. bijvoorbeeld HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3496 (art. 81 RO).

3 Vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

4 Vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997/199 m.nt. ’t Hart (“Porsche-arrest”), rov. 5.4 en HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006/663, rov. 3.3.

5 Zie ten aanzien van het arrest van 27 januari 2015 bewijsmiddel 9, zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak kan worden gewezen op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging op p. 16 van het arrest onder de aanhef “Aanmerkelijke kans op de dood”.

6 Zie in dit verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2014:2548) voorafgaand aan het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015, onder meer onder verwijzing naar HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. Keijzer.

7 Zie A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen: over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (dissertatie Rijksuniversiteit Groningen 2008), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu-Uitgevers 2008, p. 295.

8 Zie onder meer SWOV-Factsheet, De relatie tussen snelheid en ongevallen, Leidschendam: april 2012 (www.swov.nl), p. 2.

9 De politieauto betrof een Volkswagen Touran 2.0 Tdi, die 1558 kilogram weegt, terwijl de auto van de verdachte een Audi A4 Quattro 2.5 Tdi betrof met een gewicht van 1495 kilogram. Zie voor het gewicht van de desbetreffende autotypes www.autogids.be.

10 Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer, rov. 2.4 (tweede alinea).

11 In mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:2231) voorafgaand aan HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3496 (art. 81 RO) heb ik het desbetreffende onderscheid wel belicht. In die zaak was evenwel geen sprake van een situatie waarin de verdachte aan de politie trachtte te ontkomen, maar had de verdachte als het ware de aanval met zijn auto ingezet, terwijl de bewezenverklaring was toegesneden op een poging tot zware mishandeling.