Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:890

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
15/02857
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2069, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor drugsexport en het beheer van digitale marktplaatsen voor de handel in drugs, artikelen 2, 10 en 10a Opiumwet. Falende klachten over o.m. de verwerping door het hof van het beroep op de nietigheid van de dagvaarding, het gebruik voor het bewijs van processen-verbaal van infiltratie en het als voorgehouden beschouwen van op ten bezware van verdachte acht geslagen stukken. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02857

Zitting: 14 juni 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 juni 2015 de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorhanden hebben van betaalmiddelen, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in de artikelen 27 en 27a Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer en de verbeurdverklaring bevolen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen en de teruggave aan de verdachte gelast van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte hebben mr. M. Berndsen en mr. K. Canatan, beiden advocaat te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd de dagvaarding ter zake van feit 2 partieel nietig te verklaren terwijl de tenlastelegging op twee plaatsen innerlijk tegenstrijdig is en/of is afgeweken van de uitdrukkelijk voorgedragen verweren van de raadsman door artikel 349 lid 1 Sv niet toe te passen, zonder daaromtrent bepaaldelijk een beslissing te geven.

  4. Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, onder 2 ten laste gelegd dat:

“hij,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 februari 2013 en met 11 februari 2014 in Nederland en/of in Keulen en/of in Bad Nauheim, althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen (te weten cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine), in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk op internet:

- (als programmeur) één of meerdere verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden gebouwd en/of beheerd en/of onderhouden en/of laten bouwen en/of beheren en/of onderhouden en/of

- als moderator en/of administrator op verborgen marktplaats(en) en/of fora waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden gefungeerd en/of (in die hoedanigheid) vragen van aanbieders en/of kopers beantwoord en/of

- één of meerdere contact(en) (telefonisch en/of via internet en/of fysiek) gehad met één of meerdere medeverdachte(n) waarbij afspraken werden gemaakt over het bouwen/onderhoud van verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden en/of de financiering van die marktplaats(en) en/of fora en/of

- één of meerdere geldbedrag(en) (onder andere een bedrag van 12.500 euro) en/of bitcoins ter beschikking gesteld aan een medeverdachte en/of geïnvesteerd in/voor het bouwen en/of onderhouden van (een) verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden en/of

- opbrengst(en) van de handel via (een) verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden (te weten in bitcoins) voorhanden gehad en/of ontvangen van en/of overgedragen aan één of meerdere medeverdachte(n).”

5. Het hof heeft onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 februari 2013 en met 11 februari 2014 in Nederland en/of in Keulen en/of in Bad Nauheim, althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen (te weten cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine), in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk op internet:

- (als programmeur) één of meerdere verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden gebouwd en/of beheerd en/of onderhouden en/of laten bouwen en/of beheren en/of onderhouden en/of

- (als programmeur) één of meerdere verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden gebouwd en/of beheerd en/of onderhouden en/of laten bouwen en/of beheren en/of onderhouden en/of

- als moderator en/of administrator op verborgen marktplaats(en) en/of fora waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden gefungeerd en/of (in die hoedanigheid) vragen van aanbieders en/of kopers beantwoord en/of

- één of meerdere contact(en) (telefonisch en/of via internet en/of fysiek) gehad met één of meerdere medeverdachte(n) waarbij afspraken werden gemaakt over het bouwen/onderhoud van verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden en/of de financiering van die marktplaats(en) en/of fora en/of

- één of meerdere geldbedrag(en) (onder andere een bedrag van 12.500 euro) en/of bitcoins ter beschikking gesteld aan een medeverdachte en/of geïnvesteerd in/voor het bouwen en/of onderhouden van (een) verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden en/of

- opbrengst(en) van de handel via (een) verborgen marktplaats(en) en/of fora (Utopia en/of Blackmarket Reloaded) waarop/waarmee via internet verdovende middelen verhandeld kunnen worden (te weten in bitcoins) voorhanden gehad en/of ontvangen van en/of overgedragen aan één of meerdere medeverdachte(n).”

6. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt – voor zover voor de bespreking van dit middel van belang – het volgende in (zie p. 45-47):

“Gedachtestrepen

Verder heb ik nog wat specifieke opmerkingen met betrekking tot de telastegelegde gedachtestrepen.

(…)

Eén of meerdere contact(en) telefonisch, internet of fysiek (3e)

In de telastelegging is boven de gedachtenstrepen opgenomen dat sprake is van voorbereidingshandelingen “immers heeft/ hebben, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk op internet” de daaronder genoemde handelingen verricht. De handelingen onder het derde gedachtestreepje houden echter ook fysiek en telefonisch (hier wordt geen internettelefonie bedoeld) contact. Dat is echter niet mogelijk op internet zodat de telastelegging in zoverre innerlijk tegenstrijdig is en daarmee partieel nietig. De rechtbank heeft dit omzeild door "op internet" weg te strepen. Behalve dat de geldigheid van de dagvaarding voorafgaat aan de bewijsvraag heeft de rechtbank daarmee ook de grondslag van de telastelegging verlaten. Indien de rechtbank immers van oordeel was dat de handelingen niet op internet waren verricht had dat tot een integrale vrijspraak moeten leiden, nu het op internet plegen een niet ondergeschikt bestanddeel is, maar juist een kernbestanddeel. Een verwijt van online criminaliteit kan niet door het wegstrepen verworden tot offline criminaliteit.

(...)

Opbrengsten BMR/Utopia (bitcoins) voorhanden hebben en/of verdeeld

Behalve dat met betrekking tot Utopia helemaal niet vaststaat dat er inkomsten zijn geweest (dat lijkt ook uitgesloten) en/of dat cliënt daarover de beschikking heeft gehad en ten aanzien van BMR of hij of één van de medeverdachten die verdeeld heeft, is het natuurlijk niet zo dat het hebben of verdelen van de opbrengsten geldt als voorbereidingshandelingen op opiumwetdelicten. Daarmee wordt immers de handel in verdovende middelen niet ondersteund of bevorderd. Het is juist iets dat komt nadat de ondersteunde feiten al zijn voltooid. Ik meen dat dit formeel leidt tot een partiële nietigheid van de dagvaarding, omdat de telastelegging in zoverre innerlijk tegenstrijdig is. Anders zou (alhoewel daardoor wat gekunsteld) van dit onderdeel vrijgesproken moeten worden, omdat dit niet geldt als handelingen die Opiumwetdelicten voorbereiden of bevorderen. De rechtbank heeft dit deel wel bewezenverklaard, maar een bewijsmotivering of een respons op dit verweer ontbreekt, zodat het mij niet duidelijk is wat de gedachtegang van de rechtbank is geweest.”

7. Art. 358, derde lid, Sv in samenhang met art. 415, eerste lid, Sv bepaalt dat indien in strijd met een ter zake door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, de uitspraak daaromtrent bepaaldelijk een beslissing moet omvatten. Deze beslissing moet ingevolge art. 359, eerste lid, eerste volzin, Sv met redenen worden omkleed.1

8. Ten aanzien van de door de raadsman in hoger beroep benoemde innerlijke tegenstrijdigheid tussen de woorden “op internet” in de aanhef en “telefonisch en/of op internet en/of fysiek” onder het derde gedachtestreepje geldt het volgende. Het hof heeft het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “telefonisch en/of op internet en/of fysiek” niet bewezen verklaard. Gelet op de vrijspraak van het in zoverre ten laste gelegde, valt niet in te zien dat de verdachte een in rechte te respecteren belang heeft bij de desbetreffende klacht. De schriftuur bevat in dit opzicht ook geen toelichting op het belang bij de klacht.

9. Voorts wordt geklaagd dat het hof de dagvaarding ten onrechte niet partieel nietig heeft verklaard omdat het voorhanden hebben, ontvangen en/of overdragen van opbrengsten van de handel via verborgen marktplaatsen niet heeft te gelden als de bevordering of voorbereiding van Opiumwetdelicten. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het aannemelijk is dat het ten onrechte niet nietig verklaren van dit onderdeel de straftoemeting in voor de verdachte nadelige zin heeft beïnvloed.

10. Het middel klaagt aldus niet over de bewezenverklaring en de kwalificatie, maar uitsluitend over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in dit opzicht geldig is en over het niet motiveren van dat oordeel. Daartoe zal ik mij dan ook beperken. Naar mijn mening heeft de raadsman in de kern aangevoerd dat de ten laste gelegde gedragingen niet gelden als de bevordering of ondersteuning van de handel in drugs. Dat is een discussie die de uitleg van art. 10a Opiumwet raakt. Daarbij merk ik op dat ook handelingen die plaatsvinden in de uitvoerings- en voltooiingsfase van het delict onder het bereik van art. 10a Opiumwet kunnen vallen.2 Recent heeft de Hoge Raad echter ook geoordeeld dat bij het karakter van art. 10a Opiumwet niet past om daaronder ook handelingen te rubriceren die zijn verricht na afloop van het voltooien van het voor te bereiden of te bevorderen delict.3 Gelet op de beperkte reikwijdte van het middel, kan de discussie of het oordeel van het hof ter zake van de bewezenverklaring en de kwalificatie in de onderhavige zaak in het licht van de recente rechtspraak getuigt van een onjuiste rechtsopvatting in het midden blijven. Uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd blijkt ook zonder nadere vaststelling van het hof ter zake dat de verdediging op grond van de tenlastelegging kon begrijpen en begreep waarop de steller van de tenlastelegging het oog had.4 Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in dezen van een tegenstrijdigheid die de geldigheid van de dagvaarding zou kunnen raken geen sprake is. Het oordeel dat de dagvaarding ook in zoverre geldig is getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hoewel het hof zijn oordeel ter zake niet nader heeft gemotiveerd, kan de daartegen gerichte klacht gelet op het voorafgaande niet tot cassatie leiden.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een ter terechtzitting voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat uit de inhoud van de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte (steeds) bepaalde telefoonnummers in gebruik heeft gehad.

13. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota van de raadsman houdt ten aanzien van dit standpunt het volgende in (p. 33-35):

“Mobiel nummer 06- [001]

Het bewijs dat dit nummer aan cliënt te koppelen is zou met name moeten komen uit het sms-bericht op p. 7 van het persoonsdossier van cliënt dat dit nummer het “Dutch number is van LC" en in combinatie met een WOD-verslag waaruit zou blijken dat cliënt dit nummer zou hebben genoemd. Betrekking tot het eerst geldt dat het brondocument ontbreekt in de stukken terwijl een relaas-verbaal niet geldt als een waarneming maar als een samenvatting. Het WOD-verslag leent zich niet als bewijs gezien mijn verweren hierover, zodat het bewijs ontbreekt dat dit nummer aan cliënt te relateren is.

En zelfs als die relatie wel te leggen zou zijn zal toch uit de bewijsmiddelen moeten blijken dat hij steeds het nummer in gebruik heeft gehad in het bijzonder ten tijde van de belastende gesprekken of berichten. Zo ontbreekt een stemherkenningsverbaal en kunnen van sms-berichten zonder nader bewijs niet worden vastgesteld door wie ze zijn verstuurd. Een telefoonnummer is nou eenmaal niet onlosmakelijk aan een persoon verbonden.

Bovendien is er iets vreemds aan de hand met dit nummer waaruit mijns inziens juist blijkt dat cliënt dit nummer niet steeds in zijn bezit heeft gehad. Dat leid ik af uit de sms-berichten die zijn afgedrukt op p. 29 in zaaksdossier 1. Daar staan immers Nederlandstalige en Engelstalige berichten afgedrukt naar dit betreffende nummer. Voor de goede orde, dit zijn evident geen vertalingen gezien het feit dat er verschillende talen zijn afgedrukt, maar ook omdat er allerlei spelfouten in staan. Op p. 74 is bovendien ook vermeld dat de berichten handmatig en letterlijk zijn overgenomen (en ook niet dat dit een vertaling zou zijn). Maar deze sms-berichten verhouden zich niet met het feit dat cliënt geen Nederlands sprak, schreef of begreep. En natuurlijk ook niet met het feit dat op 21 juli 2013 aan [betrokkene 1] zou zijn gesmst dat dit het nummer van LC zou zijn. Want waarom zou dat nodig zijn als [betrokkene 1] al vanaf 2011 contact heeft met dit nummer. Dat is ook precies de reden waarom uitsluitend het brondocument in deze als bewijsmiddel kan gelden en niet het relaas-verbaal. Een degelijke tegenstrijdigheid mag immers niet bestaan terwijl hieruit juist volgt dat het niet cliënt is geweest die (al dan niet steeds) het nummer in gebruik heeft gehad Waarom de rechtbank op dit (ik meen een Meer en Vaart) verweer niet gerespondeerd heeft is mij niet duidelijk.

Telefoonnummer + [002]

Dit nummer (dat ik niet in zaaksdossier 1 tegenkwam) wordt aan cliënt gekoppeld door een sms bericht van 10 juni 2013 waarin zou staan “Hey [betrokkene 2] , this is my new number [A] ”. Ook hiervoor geldt vrijwel hetzelfde als voor het Nederlandse nummer. Niet alleen ontbreekt het brondocument waar dit bericht uit komt, maar dat geldt zeker voor de directe koppeling met de observatie op 14 juni 2013. Immers op p. 5 van het persoonsdossier is vermeld dat uit onderling sms-verkeer blijkt dat er een ontmoeting zou zijn op die datum (bij de observatie is cliënt waargenomen). Echter of dit betrekking heeft op dit nummer en wat er dan precies in die berichten vermeld is, tref ik niet aan in het dossier. En ook hiervoor geldt natuurlijk dat voor elk relevant tapgesprek of sms-bericht ook nog eens moest blijken dat cliënt daaraan de deelnemer resp. de afzender of ontvanger is. Ook dat blijkt niet.

Conclusie m.b.t. telefoonnummers

Dat betekent dus dat alle bewijsmiddelen die zien op deze nummers niet als bewijsmiddel kunnen gelden dat cliënt de persoon is die deze (steeds) in gebruik had.”

14. De bewijsoverwegingen van het hof luiden – voor zover hier van belang – als volgt5:

“Identificatie verdachten

(…)

Op 10 juni 2013 ontvangt [betrokkene 1] een sms-bericht van het mobiele Duitse nummer 49- [002] (hierna te noemen: * [002] ) met de tekst ‘Hey [betrokkene 2] , this is my new number [A] ’.

Op 12 juni 2013 wordt een sms gestuurd naar de gebruiker van telefoonnummer * [002] met de inhoud:

‘(…) i want from you that you com here must with you’.

Op 12 juni 2013 wordt een sms gestuurd door de gebruiker van telefoonnummer * [002] met de inhoud:

‘is Friday ok. I stay till Saturday’.

Uit het sms-verkeer maakt de politie op dat [betrokkene 1] en de persoon die zich [A] noemt elkaar zullen ontmoeten in Woerden op vrijdag 14 juni 2013.

Op 14 juni 2013 omstreeks 12.40 uur neemt het observatieteam waar dat er een auto voorzien van Duitse kentekenplaten in de directe omgeving van de woning van [betrokkene 1] staat.

Dit betreft het kenteken [AA-00-BB] . Het voertuig staat op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 en wonende te [woonplaats] .

Om de persoon die gebruik maakt van de naam [A] te identificeren is bij de Duitse opsporingsinstanties de meest recente pasfoto van [verdachte] opgevraagd. De persoon op de foto blijkt één en dezelfde persoon te zijn als de persoon die door het observatieteam is gezien.

(…)

Op 19 september 2013 ontmoet A-2560 [B] / [C] / [A] . [C] vertelt dat hij een Nederlandse prepaid telefoon gebruik voor zijn zaken en dat het telefoonnummer daarvan is [001] (hierna te noemen: * [001] ).

Feit 1

Het bewijs

27 juli 2013

Op 21 juli 2013 te 00.29 uur ontvangt [betrokkene 1] (* [003] ) een sms-bericht van [verdachte] (* [001] ) met de tekst:

Mijn nederlandse nummer. Mijn duitse doet het ook. LC

(…)”

15. In het midden kan blijven of het door de raadsman aangevoerde kan gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. De redenen van de afwijking van dit standpunt liggen immers besloten in de bewijsoverwegingen van het hof, waarin het – telkens met een verwijzing naar de onderliggende bewijsmiddelen – heeft gemotiveerd waarom de verdachte volgens het hof kan worden beschouwd als de gebruiker van de genoemde telefoonnummers.6 In het bijzonder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte bij een ontmoeting met een politie-infiltrant heeft verteld dat hij een Nederlandse prepaid telefoon in gebruik heeft voor zijn zaken met het nummer 06- [001] . Ook wordt verwezen naar een sms-bericht van 10 juni 2013 van het mobiele Duitse telefoonnummer [002] waarin [A] (naar het hof heeft vastgesteld: de verdachte) opmerkt dat dit zijn nieuwe nummer is. Aldus liggen in de bewijsvoering de redenen besloten waarom het hof is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Het hof was niet gehouden op ieder detail van de argumentatie in te gaan. Het oordeel van het hof dat de verdachte de gebruiker is van de beide telefoonnummers is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat de processen-verbaal van infiltratie niet bruikbaar zijn voor het bewijs, omdat deze niet voldoen aan de eisen van art. 153 Sv en derhalve slechts in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, alsmede dat van zulk een verband geen sprake is, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

18. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota houdt het volgende in met betrekking tot dit verweer (p. 30-32):

“Terzijde stellen processen-verbaal infiltratie op andere gronden

Ook op andere gronden meen ik dat u de processen-verbaal van de infiltranten niet voor het bewijs kunt bezigen. Het gehele WOD-dossier bestaat namelijk uit processen-verbaal die zijn opgesteld door verbalisanten onder codenummer. Geen van die processen-verbaal is ondertekend. Er staat immers nergens een handtekening, maar steeds handgeschreven alleen een codenummer. Dat handschrift is ook niet steeds hetzelfde (vgl. o.a. p. 31 en 34 WOD-dossier) en is ook onvoldoende onderscheiden (uitsluitend letters en cijfers) om desalniettemin als ondertekening te zien.

Bovendien zullen zij dit uiteraard niet als hun eigen handtekening gebruiken zodat dit ook om die reden niet als ondertekening kan gelden. Het is niet meer dan het opschrijven van een letter en cijfers. Iedereen kan dit hebben ingevuld, alleen een handtekening heeft immers onderscheidend vermogen waardoor controle mogelijk is dat bevoegde verbalisanten die daadwerkelijk de waarnemingen hebben verricht de inhoud van de processen-verbaal bevestigen.

Voorts is hun naam — om op zichzelf begrijpelijke redenen — niet vermeld. Art. 153 Sv vereist echter zowel een persoonlijk opgemaakt als een ondertekend proces-verbaal. Alleen dan is voldaan aan de eis van art. 344 lid 1 onder 2 Sv dat sprake is van een in den wettelijken vorm opgemaakt proces-verbaal met de bijbehorende bewijskracht. De Hoge Raad heeft in ECLJ:NL:HR:2009:BH5768 geoordeeld dat moet blijken dat sprake is van een door een opsporingsambtenaar opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dat kan ook blijken uit een ander proces-verbaal dat aan de eisen voldoet, maar i.c. ontbreekt een dergelijk proces-verbaal (behoudens die van A-2128 op p. 6 WOD-dossier). P. 3 en 4 van het WOD-dossier voldoen daaraan ook niet, omdat daarin weliswaar is opgenomen dat de infiltranten opsporingsambtenaren zijn, maar niet is vermeld dat en zo ja, welke processen-verbaal zij hebben opgesteld en ondertekend en bovendien voldoet dit proces-verbaal zelf al niet aan de eisen omdat ook hierin de namen en ondertekening ontbreken.

Dat betekent dat de processen-verbaal niet voldoen aan de eisen van art. 344 lid 1 onder 2 Sv. Daarmee is de bewijswaarde daarvan beperkt tot die van een ander geschrift zoals bedoeld in art. 344 lid 1 onder 5 Sv. (HR 22 april 2008, NJ 2008, 265) en dus alleen in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen als bewijsmiddel kunnen gelden. Anders dan de rechtbank uit mijn verweer hierover heeft afgeleid heb ik niet gesteld dat er steunbewijs nodig is, maar verband met andere bewijsmiddelen. Dat is immers de eis die in art. 344 lid 1 onder 5 Sv. uitdrukkelijk is opgenomen. Dat verband ontbreekt echter steeds bij elk proces-verbaal van infiltratie, omdat zij steeds op zichzelf staan. Dat is de reden dat ik meen dat geen van deze processen-verbaal zich als bewijsmiddel leent. ”

19. Het hof heeft ten aanzien van dit verweer als volgt geoordeeld:

“Door de raadsman is voorts bepleit dat de processen-verbaal infiltratie uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu deze niet zouden voldoen aan de eisen van artikel 344 lid 1 onder 2 Sv.

Het hof overweegt hieromtrent dat zich in het dossier een proces-verbaal bevindt waarin is gerelateerd dat politiële infiltranten zijn ingezet die hebben gewerkt onder de bevelen stelselmatige informatie-inwinning/ pseudokoop en infiltratie. Gerelateerd is dat de betrokken politiële infiltranten ter zake opgeleide politieambtenaren zijn die gehouden zijn aan hun ambtseed/ambtsbelofte en dat de politiële infiltranten gecodeerd zijn ingeschreven bij het Team Operationele support van de Landelijke Eenheid onder de codenummers: A- 3529, A-3560, A-3585, A-3586, A-3592 en A-2128. De begeleiding van de politiële infiltranten is verzorgd door verbalisanten B-1949 en B-1952. (p. 3 van AD WOD dossier).

Op basis van artikel 153 Sv dient een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal door de opsporingsambtenaar persoonlijk te worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat het op pagina 3 van AD WOD dossier opgenomen proces-verbaal en de daarbij horende processen-verbaal van infiltratie niet door de opsporingsambtenaren persoonlijk zijn opgemaakt en ondertekend. Hoewel anders dan gebruikelijk hier de processen-verbaal zijn voorzien van een nummer in plaats van een naam met handtekening is het proces-verbaal daarmee wel te onderscheiden van andere processen-verbaal en te herleiden tot de auteur(s). Ook overigens is niet gebleken dat de processen-verbaal niet zouden voldoen aan de in artikel 153 Sv en 344 lid 1 onder 2 Sv gestelde eisen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

20. Art. 153 Sv houdt onder meer in dat een proces-verbaal door een opsporingsambtenaar persoonlijk en op ambtseed moet worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, kan niet gelden als een geschrift in de zin van art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv en kan slechts als geschrift in de zin van art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5, Sv tot het bewijs meewerken. Hetzelfde geldt voor een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal dat niet door hem is ondertekend.7

21. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof het schrijven van een codenummer onder een proces-verbaal niet mocht aanmerken als een ondertekening in de zin van art. 153 Sv, faalt het, omdat deze stelling geen steun vindt in het recht. 8 Noch art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv, noch art. 153 Sv vereist dat het proces-verbaal de naam vermeldt van de opsporingsambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt. In een geval als het onderhavige, waarin sprake is geweest van politiële infiltratie, kunnen goede redenen bestaan de naam van de desbetreffende opsporingsambtenaar niet in het proces-verbaal te vermelden. Wel zal in een dergelijk geval moeten blijken dat de desbetreffende verbalisanten tot het opmaken van het desbetreffende proces-verbaal bevoegde opsporingsambtenaren waren zoals bedoeld in art. 344, eerste lid, onder 2, Sv.9 Indien een proces-verbaal door middel van een code is ondertekend en is opgemaakt en ondertekend door een bevoegde opsporingsambtenaar, geldt het desbetreffende proces-verbaal als bewijsmiddel in de zin van art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv.10

22. Het hof heeft in de onderhavige zaak overwogen dat de processen-verbaal van infiltratie zijn voorzien van een nummer in plaats van een naam met handtekening. Voorts heeft het hof overwogen dat zich in het dossier een proces-verbaal bevindt waarin is gerelateerd dat de betrokken politiële infiltranten ter zake opgeleide politieambtenaren zijn die gehouden zijn aan hun ambtseed dan wel ambtsbelofte en onder de genoemde codenummers zijn ingeschreven bij het Team Operationele Support van de Landelijke Eenheid. Daaruit heeft het hof afgeleid dat de betrokken politieambtenaren tot het opmaken van de desbetreffende processen-verbaal bevoegd waren en dat herleidbaar is wie zij zijn. Gelet op het voorafgaande, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de in het middel bedoelde processen-verbaal zijn aan te merken als processen-verbaal als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

23. Het middel faalt.

24. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat de processen-verbaal van infiltratie waarin niet de naam van de verdachte is vermeld maar slechts [A] , [C] of [B] , niet bruikbaar zijn voor het bewijs omdat de verbalisanten nergens relateren dat die persoon de verdachte is, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

25. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota houdt het volgende in ten aanzien van de processen-verbaal van infiltratie (p. 32):

“Tot slot zijn de processen-verbaal van infiltratie waar de naam van cliënt niet is vermeld, maar alleen [A] , [C] of [B] ook materieel niet bruikbaar voor het bewijs, omdat de betreffende infiltranten nergens relateren dat die persoon cliënt is. Alhoewel er kennelijk foto’s zijn verspreid van o.a. mijn cliënt staat nergens in enig proces-verbaal van de infiltranten dat de persoon met de genoemde bijnamen overeenkomt met de foto van cliënt. Het proces-verbaal van verbalisanten B-1949 en B1952 op p. 4 waarin is vermeld dat daarmee cliënt wordt bedoeld kan alleen zien op hun eigen waarnemingen en niet op de waarneming van die van de infiltranten. Genoemde verbalisanten, die alleen als begeleider hebben opgetreden, kunnen immers niet relateren wat hun collega’s hebben waargenomen. De rechtbank heeft op dit verweer blijkbaar geen acht geslagen, maar desalniettemin de processen-verbaal voor het bewijs gebezigd. Ik verzoek uw Hof wel op dit verweer te responderen, want het betreft hier geen ondergeschikt punt.”

26. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“Samenhangend met het in de vorige paragraaf behandelde verweer heeft de raadsman aangevoerd dat in de processen-verbaal van de infiltrerende politieambtenaren geen verband wordt gelegd tussen de naam van verdachte en de door hem gebruikte gebruikers- c.q. schuilnamen [A] / [C] / [B] . Deze geschriften zijn daardoor, aldus de raadsman, niet bruikbaar zijn aangezien geen duidelijke link bestaat met verdachte.

Het hof verwerpt dat verweer.

Uit het ‘AD-WOD’-dossier met bijlage blijkt op pagina 3 dat de infiltranten foto’s zijn getoond van [betrokkene 1] en [verdachte]. Verder blijkt uit het dossier welke gebruikers- c.q. bijnamen en welke telefoonnummers te koppelen zijn aan verdachte en op basis van welke bewijsmiddelen, observaties dit is vastgesteld. Nu de infiltranten de foto van verdachte alsmede de aan hem toe te schrijven gebruikers- c.q. bijnamen kennen, bestaat er geen reden tot gerede twijfel over het feit dat zij bij het gebruik van een van zijn gebruikers- c.q. bijnamen verdachte op het oog hebben.”

27. In de bewijsoverwegingen van het hof is voorts – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:11

“Op 15 september 2013 maakt een politie-infiltrant samen met [betrokkene 2] een afspraak met [A] . Tijdens deze ontmoeting stelt een persoon zich voor als [B] . [betrokkene 2] vertelt dat de persoon die zich voorstelde als [B] , [A] was. [B] vertelde dat het verhaal van [betrokkene 2] klopte. Op 19 september 2013 heeft dezelfde politie-infiltrant een ontmoeting met dezelfde persoon. [B] vertelde dat hij graag als [C] aangesproken wil worden.”

28. Het hof heeft bij de verwerping van het verweer van de verdediging niet vastgesteld dat de politie-infiltranten in hun processen-verbaal hebben gerelateerd dat zij de verdachte hebben herkend als de persoon die zij kennen als [A] , [B] en [C] . Die omstandigheid doet aan de deugdelijkheid van de bewijsvoering niet af. Het hof heeft onder de aanhef ‘identificatie verdachten’ vastgesteld dat de verdachte gebruik maakt van de namen [A] , [B] , [C] en [D]. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de infiltranten de foto van de verdachte en diens gebruikers- en bijnamen kennen, terwijl eveneens wordt verwezen naar twee ontmoetingen tussen [B] / [A] en een politie-infiltrant. De verwerping van het verweer is aldus toereikend gemotiveerd.

29. Het middel faalt.

30. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof art. 301 Sv heeft geschonden, doordat het ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet ter terechtzitting zijn voorgehouden en/of aldus niet naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting heeft beslist.

31. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22, 23 en 25 september 2014 vermeldt, voor zover hier van belang:

‘Na hervatting houdt de rechtbank de inhoud van stukken voor die zich in het dossier bevinden.

(...)

De raadsman deelt desgevraagd mede dat hij geen behoefte heeft nadere stukken te laten voorhouden. De voorzitter deelt mede dat de rechtbank alle stukken in het dossier als voorgehouden beschouwt. De voorzitter stelt ook vast dat er geen openstaande onderzoekswensen zijn.

De raadsman voert bet woord — zakelijk weergegeven -:

Ik hoor de voorzitter zeggen dat de rechtbank het dossier als voorgehouden beschouwt. Daar stem ik niet mee in. Ik maak er ook bezwaar tegen. Daarnaast wil ik constateren dat u niet het gehele dossier heeft voorgehouden en dat het een juridische fictie is dat het hele dossier is voorgehouden. Daarnaast is de overleveringsbeslissing niet aan de orde geweest.

De voorzitter merkt op dat de rechtbank kennis heeft genomen van de overleveringsbeslissing en dat die beslissing ook aan de officier van justitie is verstrekt. De voorzitter deelt mede dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten aan de hand van het dossier heeft besproken en daartoe stukken en verklaringen heeft voorgehouden. Inderdaad zijn niet alle documenten en stukken aan verdachte voorgehouden. Dit neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat de stukken als voorgehouden kunnen worden geacht. In het proces-verbaal zal worden aangetekend dat de raadsman bezwaar heeft gemaakt tegen de constatering van de rechtbank dat alle stukken voorgehouden acht. ”

32. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 blijkt dat de raadsman aldaar het volgende heeft aangevoerd:

“In de processen-verbaal terechtzitting van de rechtbank is opgenomen dat stukken zijn voorgehouden, maar niet is opgenomen welk stukken zijn voorgehouden. Het probleem is dat het hof wellicht mogelijk stukken ten nadele van cliënt heeft gezien zonder dat ik dat weet. Zo heeft de rechtbank in zijn vonnis acht geslagen op stukken die alleen deel uitmaken van het dossier inzake [betrokkene 1] . Als het hof ten bezware van cliënt acht wil slaan op stukken, moeten die ook echt ter terechtzitting worden voorgehouden. U kunt toch niet van een advocaat verwachten dat hij 5000 pagina’s in zijn hoofd heeft. Ik heb van een enkel bewijsmiddel niet de onderliggende verklaring kunnen vinden maar heb niet alle bewijsmiddelen kunnen controleren. Ik ben niet bij de rechtbank nagegaan of mijn dossier mogelijk niet compleet was.”

33. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota van de raadsman bevat in dit verband het volgende:

“Ook in hoger beroep heb ik bezwaar tegen het als voorgehouden beschouwen van stukken als daarvan feitelijk geen sprake is.

(…)

De rechtbank verwijst echter in de bewijsmiddelen (zonder paginavermelding) naar een ordner [E] die helemaal niet aan de verdediging verstrekt is en volgens mijn eigen aantekeningen van de zitting ook helemaal niet aan de orde is geweest. Digitaal heb ik alleen een [betrokkene 1] 1 en 2 ontvangen. Daarin vond ik het brondocument van bewijsmiddel 6 niet terug. Ik neem aan dat [E] een ordner is die alleen aan de verdediging van [betrokkene 1] is verstrekt. Ook van bewijsmiddel 44, dat verwijst naar TT-07, sms 1438 en 1439 is mij niet duidelijk op welke ordner de rechtbank hier doelt. En bewijsmiddel 29 zou verwijzen naar een verklaring van cliënt, terwijl de voetnoot vermeld is bij een verklaring van [betrokkene 3] op 23 september 2014. Als dit al zou zien op een verklaring van [betrokkene 3], dan moet dat zijn toen hij als getuige werd gehoord, maar de inhoud van het bewijsmiddel kom ik in die verklaring niet tegen. Bovendien is op hij op 22 september 2014 gehoord. Ten overvloede deel ik overigens mee dat ik niet alle bewijsmiddelen uit het vonnis heb nagezocht in het dossier (bekendheid met de inhoud van die bewijsmiddelen kan dus ook niet zonder meer worden aangenomen), maar dit even ter adstructie.”

34. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 2015 blijkt dat het hof op het door de raadsman aangevoerde als volgt heeft beslist:

“De voorzitter deelt ten aanzien van het verzoek van de raadsman tot het ter terechtzitting integraal voorhouden van alle stukken die zich in het dossier bevinden, het volgende mede:

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. De raadsman heeft bepleit dat niet van een advocaat kan worden verwacht dat hij een dossier van meer dan 5.000 pagina’s integraal kent. De raadsman, die de verdachte ook in eerste aanleg heeft bijgestaan, heeft niet in een eerder stadium de compleetheid van het dossier gecontroleerd en gecontroleerd of hij over hetzelfde dossier beschikt als de rechtbank. De raadsman heeft aangegeven dat hij een aantal bewijsmiddelen niet kon terugvinden in het dossier, doch dit is voor hem geen aanleiding geweest om navraag te doen bij de rechtbank om na te gaan of de rechtbank wellicht van verkeerde stukken is uitgegaan. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof gezegd dat hij niet alle bewijsmiddelen uit het vonnis gecontroleerd heeft aan de hand van het dossier omdat het daarvoor voor hem te kort dag was.

De rechtbank heeft tijdens de verschillende terechtzittingen stukken en verklaringen voorgehouden en aan de raadsman gevraagd of er nog nadere stukken voorgehouden dienden te worden. De raadsman heeft hierop medegedeeld daaraan geen behoefte te hebben.

Het hof is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat de rechtbank terecht geconcludeerd heeft dat de stukken voorgehouden geacht kunnen worden. Het hof neemt deze conclusie van de rechtbank over en acht eveneens in eerste aanleg de stukken voorgehouden.

Het hof heeft zojuist aan de raadsman gevraagd of hij thans, bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, behoefte heeft aan het voorhouden van nadere stukken, doch de raadsman heeft aangegeven daaraan geen behoefte te hebben.

Het hof zal gelet daarop geen nadere stukken voorhouden.”

35. De artikelen 348 en 350 Sv bepalen dat de rechter dient te beraadslagen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Dat betekent dat hij geen acht mag slaan op gegevens die niet ter terechtzitting ter sprake zijn gebracht. Art. 301, vierde lid, Sv bevat een nadere uitwerking van deze regel ten aanzien van het gebruik van schriftelijke bescheiden.12 Ingevolge deze bepaling mag ten bezware van de verdachte geen acht worden geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid van dezelfde bepaling is medegedeeld. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte in de uitspraak wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn.13 Onder stukken ’ten bezware van de verdachte’ als hiervoor bedoeld worden verstaan stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het ten laste gelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van de straf of maatregel.14 Stukken die in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen ingevolge art. 417, eerste lid, Sv ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt.

36. Het niet in acht nemen van art. 301, vierde lid, Sv heeft nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg, tenzij de verdachte niet is geschonden in het belang dat de bepaling beoogt te beschermen.15 Zo zal de verdediging niet in haar belangen zijn geschaad indien zij het stuk zelf heeft overgelegd of tijdens het onderzoek ter terechtzitting anderszins blijkt dat de verdachte kennis draagt van de inhoud van die stukken, zodat hij bij de inkleding van de verdediging daarmee rekening kan houden.16 De omstandigheid dat de verdediging in feitelijke instantie heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van stukken, kan tot de gevolgtrekking leiden dat de verdachte geen in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat bepaalde stukken niet zijn voorgehouden.17

37. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt enerzijds dat de rechtbank de inhoud van stukken die zich in het dossier bevinden heeft voorgehouden (p. 3) en dat de rechtbank alle stukken in het dossier als voorgehouden heeft beschouwd (p. 10). Anderzijds is daarin vermeld dat de voorzitter opmerkt dat niet alle stukken aan de verdachte zijn voorgehouden (p. 10). Een daadwerkelijke controle op de naleving van het bepaalde in art. 301, vierde lid, Sv is daarmee niet mogelijk.18 Het hof heeft niettemin geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de stukken geacht kunnen worden te zijn voorgehouden en deze conclusie overgenomen. Ingevolge art. 417, eerste lid, Sv heeft het hof de stukken ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen aangemerkt.

38. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte de mogelijkheid geopperd dat de verdediging over minder stukken beschikt dan waarop de rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd. Daartoe heeft hij op drie stukken gewezen, waarnaar de rechtbank in de bewijsvoering heeft verwezen. In dit verband kan worden gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358, m.nt. Keijzer. In die zaak had het hof in de bewijsconstructie in voetnoten verwezen naar onderzoeksresultaten uit een dossier tegen de medeverdachte. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep en uit het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bleek niet dat deze bewijsmiddelen deel hadden uitgemaakt van het dossier in de strafzaak tegen de verdachte. De processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep hielden enkel in dat aan de verdachte de stukken van de zaak waren voorgehouden. De Hoge Raad oordeelde dat het ernstige vermoeden rees dat het hof het in art. 301, vierde lid, Sv gegeven voorschrift niet had nageleefd. Aan dit oordeel deed, gelet op de voornoemde omstandigheden, niet af dat volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte en diens raadsman te kennen hadden gegeven geen behoefte te hebben aan het voorhouden of bespreken van stukken, waarna de voorzitter van het hof had medegedeeld dat alle stukken van het dossier in de zaak werden geacht te zijn voorgehouden.19

39. In de onderhavige zaak heeft de raadsman in beide feitelijke instanties de gelegenheid gehad verzoeken te doen tot het nader voorhouden van stukken, maar deze gelegenheid niet te baat genomen. De onderhavige zaak verschilt van de zaak die leidde tot het eerder genoemde arrest van 12 april 2011. In de laatstgenoemde zaak leek het gebruik van de dossierstukken voor het bewijs voor de verdediging als een verrassing te komen. In de onderhavige zaak heeft de raadsman daarentegen in zijn pleitnota vermeld welke stukken de rechtbank ten onrechte ten bezware van de verdachte heeft meegewogen. Hij verzocht echter het hof niet om deze stukken voor te houden. Uit het verloop van de terechtzitting in hoger beroep, zoals dat blijkt uit het proces-verbaal en de pleitnota van de raadsman, blijkt dat de door de raadsman genoemde stukken ter terechtzitting ter sprake zijn gekomen. Gelet op het verloop van de terechtzitting in eerste aanleg en de bewijsconstructie van de rechtbank en het ter terechtzitting in hoger beroep besprokene, kon de verdediging haar verweer daarop afstemmen. Niet blijkt dat het hof ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op andere stukken die niet zijn voorgehouden. Gelet op deze omstandigheden en mede in aanmerking genomen dat de raadsman heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan het voorhouden van nadere stukken, kan niet worden gesteld dat de verdediging een in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat de desbetreffende stukken niet ter terechtzitting zijn voorgelezen, dan wel dat de korte inhoud daarvan niet is medegedeeld.20

40. Hetgeen in de schriftuur ten aanzien van het belang van de verdachte bij cassatie wordt aangevoerd, brengt mij niet op andere gedachten. Het belang van de interne openbaarheid speelt in dit verband geen centrale rol, omdat de verdediging kennis heeft kunnen nemen van het dossier in de zaak.21 De omstandigheid dat de raadsman heeft aangevoerd dat van de raadsman niet kan worden verwacht dat hij een dossier van 5.000 pagina’s integraal kent, doet daaraan niet af. Daarbij merk ik voorts op dat niet is gebleken dat de raadsman het hof heeft verzocht nadere stukken aan de verdediging te verstrekken, in het bijzonder de stukken die hij in zijn pleitnota noemt. Daaraan voeg ik nog toe dat de voorzitter van het hof heeft opgemerkt ervan uit te gaan dat iedereen beschikt over hetzelfde dossier en dat het middel niet de klacht bevat dat de aan de verdediging verstrekte stukken incompleet zouden zijn.

41. Het middel faalt.

42. Het zesde middel bevat de klacht dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd.

43. De pleitnota van de raadsman houdt ten aanzien van de strafoplegging – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Een dergelijke hoge straf houdt ook nauwelijks rekening met de persoonlijke omstandigheden van cliënt, zoals het feit dat hij een goede baan en opleiding had, uit een geslaagd gezin komt dat voor hem klaarstaat (zijn ouders hebben in eerste aanleg en hoger beroep alle zittingen bijgewoond), dat hij een gunstige legale toekomst in het verschiet heeft door het overnemen van zijn vaders onderneming. Dat alles rechtvaardigt toch op zijn minst een voorwaardelijk deel bij een eventuele gevangenisstraf, niet in de laatste plaats als stok achter de deur. Uiteraard zullen ook deelvrijspraken hun weerslag in een eventuele strafoplegging moeten vinden. Nu cliënt zich inmiddels ca. 15 maanden in voorlopige hechtenis heeft bevonden (inclusief overleveringsdetentie), hetgeen gelijk staat aan een onvoorwaardelijke straf van 22,5 maand. In elk geval meen ik dat een eventuele straf de voorlopige hechtenis niet mag overstijgen.”

44. Het hof heeft de door hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte met zijn handelen de volksgezondheid in gevaar heeft gebracht, door samen met anderen opzettelijk harddrugs buiten Nederland te brengen en door samen met anderen – kort gezegd – twee verborgen websites en daarbij behorende markplaatsen waarop verdovende middelen worden verhandeld te (laten) beheren en (laten) onderhouden en een van deze websites met bijbehorende marktplaats te laten ontwikkelen en bouwen. Verdachte heeft met deze verborgen marktplaatsen de handel in harddrugs gefaciliteerd en grootschalige handel in verdovende middelen binnen en buiten Nederland mogelijk en gemakkelijk gemaakt. Over een periode van in totaal ongeveer 7 maanden werd intensief gebruik gemaakt van deze verborgen marktplaatsen. Het hof rekent dit verdachte aan nu verdovende middelen een groot gevaar vormen voor de volksgezondheid en een ontwrichtend effect hebben op de samenleving. Verdachte heeft op deze gevolgen geen acht geslagen en gehandeld uit een ongeremd streven naar financieel gewin, waarbij nog van belang is dat verdachte als (mede-)eigenaar van de websites een prominente, stimulerende en leidende rol heeft ingenomen in dit misdadig handelen. Bij de straftoemeting is voorts in aanmerking genomen, en het hof komt daarmee tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, dat vrijspraak volgt ten aanzien van het eerste gedachtestreepje van feit 1 en dat feit 2 betrekking heeft op de voorbereidingshandelingen ex artikel 10a Opiumwet en niet op de onderliggende strafbare feiten zoals strafbaar gesteld in artikel 2 onder A, B of D Opiumwet. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en het gegeven dat verdachte blijkens het uittreksel justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is terzake enig strafbaar feit. Ook overigens zijn over de persoon van de verdachte geen bijzondere risicofactoren voor wat betreft het gevaar van recidive naar voren gekomen.”

45. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de overwegingen van het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave bevatten van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Ook zou de strafmotivering niet zonder meer begrijpelijk zijn in het licht van het door de raadsman naar voren gebrachte betoog over de gevolgen van een vrijheidsbenemende straf voor de verdachte en het door hem voorgestane voorwaardelijke strafdeel.

46. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben geleid.22 In de onderhavige zaak heeft het hof aan de in art. 359, zesde lid, Sv genoemde verplichting voldaan. Met de woorden “en vindt daarin de redenen die tot de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden” en de daarop volgende motivering heeft het tot uitdrukking gebracht waarom het van oordeel is dat niet met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan worden volstaan.23 Voor zover het middel klaagt over schending van art. 359, zesde lid, Sv, faalt het.

47. Voor zover het middel betoogt dat het hof had moeten ingaan op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf voor de verdachte zou hebben en op het door de raadsman voorgestane voorwaardelijke strafdeel, geldt het volgende. Art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv noopte het hof niet tot een nadere motivering, reeds omdat het hof het aangevoerde niet hoefde op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in deze bepaling.24

48. Het middel faalt.

49. De middelen falen. Afgezien van het vijfde middel, kunnen zij worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

50. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

51. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 m.nt. Klip, rov. 4.4.

2 HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6767, NJ 2012/617.

3 HR 24 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:743.

4 Zie in dit verband J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 103.

5 Met weglating van voetnoten.

6 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.

7 HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481, NJ 2007/67, rov. 3.5.

8 In de zaak die leidde tot het door de stellers van het middel in dit verband aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9954, NJ 2008/265, rov. 3.6.) ging het om een gebrek aan ondertekening, en niet om een ondertekening in de vorm van een code, zodat deze zaak niet te vergelijken is met de onderhavige.

9 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5768.

10 HR 5 december 1995, NJ 1996/422, rov. 6.4. en HR 29 april 1997, NJ 1997/666, rov. 9.1. Vgl. ook het arrest van de Hoge Raad in de zaak waarvoor Knigge concludeerde: HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5768, NJ 2009/284.

11 Met weglating van voetnoten.

12 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358 m.nt. Keijzer, punt 21.

13 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (bew. door M.J. Borgers), achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 705-707.

14 HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607, m.nt. Borgers.

15 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7952, NJ 2012/384, onder verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga.

16 Zie bijv. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7952.

17 HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5707.

18 Zie kritisch over dergelijke algemene vermeldingen de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 12 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358 m.nt. Keijzer, punt 22. Zie ook de conclusie van wnd. A-G Keijzer voor HR 6 oktober 1998, NJ 1998/881, punt 9.

19 HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358 m.nt. Keijzer, rov. 3.4 en 3.5.

20 Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5707. Ik merk daarbij nog op dat de raadsman drie stukken heeft genoemd. Het laatste stuk heeft het hof niet in de bewijsvoering betrokken, terwijl het hierbij kennelijk gaat om een verklaring van een getuige ter terechtzitting van de rechtbank afgelegd. De eerste twee stukken zijn door het hof wel tot het bewijs gebezigd (voetnoten 7,8 en 30).

21 Zie ten aanzien van de verhouding tussen art. 301 Sv en het beginsel van interne openbaarheid in dezelfde zin: Corstens/Borgers, 2014, p. 704-705.

22 Zie onder meer HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2579, NJ 2016/97 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, NJ 2016/98 m.nt. Keulen en voor een uitgebreid overzicht van de rechtspraak de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, NJ 2016/98 m.nt. Keulen, punt 19.

23 Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4870, NJ 2009/226 m.nt. Buruma, waarin de Hoge Raad aangaf dat het hof met de woorden dat, en waarom niet kon worden volstaan met een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, voldaan had aan de motiveringsverplichting van art. 359, zesde lid, Sv.

24 HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:635, 636 en 637.