Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:888

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
15/00361
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2063, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Falende klacht m.b.t. de motivering van de vaststelling van het w.v.v. Het middel klaagt dat het w.v.v. is gebaseerd op feiten waarvan betrokkene is vrijgesproken. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/00571, 15/00573 en 15/03296.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00361 P

Zitting: 14 juni 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 8 januari 2015 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 176.383,-- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 150.000,--.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken met nummers 15/00571 P, 15/00573 P en 15/03296 P, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het hof niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het middel wijst er daartoe op dat de betrokkene ten aanzien van de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen is vrijgesproken van het verkopen van hennep.

  5. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen:

“Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2009 is de veroordeelde veroordeeld voor -zakelijk weergegeven- :

- (…);

- het medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf bewerken van grote hoeveelheden hennep in Waddinxveen in de periode van 1 juni 2008 tot en met 1 augustus 2008; concreet gaat het om de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen (in het dossier ook aangeduid als zich bevindende in Moerkapelle);

- (…);

- (…);

- deelneming aan een criminele organisatie (het in de uitoefening van een bedrijf of beroep telen en verkopen en bewerken van grote hoeveelheden hennep) in Anna Paulowna en Waddinxveen en Zoetermeer en elders in Nederland in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 september 2008.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde expliciet is vrijgesproken van de verkoop van hennep in Waddinxveen ( [a-straat] ). Daarnaast is de veroordeelde expliciet vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij (teelt en verkoop) te Made ( [b-straat] ). De rechtbank heeft in zijn ontnemingsvonnis deze verwijten ten grondslag gelegd aan de ontnemingsbeslissing, hetgeen in strijd is met de jurisprudentie als bedoeld in het zogenoemde Geerings- arrest en de onschuldpresumptie. Een en ander moet volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie althans tot afwijzing van de ontnemingsvordering.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging terecht gewezen op de door haar aangeduide vrijspraken. Ten aanzien van de vrijspraak van betrokkenheid bij de zaak [b-straat] te Made betekent dit dat er naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs was dat de veroordeelde bij het telen en/of de verkoop van de hennep op die locatie actieve betrokkenheid heeft gehad. Ten aanzien van de vrijspraak van de verkoop van de hennep van de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen (in het dossier ook aangeduid als zich bevindende in Moerkapelle) betekent dit dat de rechtbank van oordeel was dat er geen bewijs was dat de veroordeelde bij die verkoop actieve betrokkenheid heeft gehad.

Naar het oordeel van het hof is het mogelijk dat de in Waddinxveen aangetroffen hennepplanten of delen daarvan afkomstig zijn uit de hennepkwekerij te Made en/of oorspronkelijk uit de stekkenkwekerij in Anna Paulowna, maar dat is niet van belang voor de beoordeling of de veroordeelde uit zijn bewezen verklaarde betrokkenheid (het bewerken) bij de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen voordeel heeft genoten. Voordeel uit de opbrengst van geknipte hennep is mogelijk zonder dat eigen directe betrokkenheid bij het telen of de verkoop ervan kan worden vastgesteld. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of voor afwijzing van de vordering op de door de verdediging genoemde grond is dan ook geen plaats.

Voordeel uit betrokkenheid bij de hennepknipperij in Waddinxveen ( [a-straat] ).

Het hof neemt als uitgangspunt dat (vrouwelijke) hennepplanten worden geteeld met het oog op de in de toppen van de planten aanwezige THC. Deze (geknipte) toppen zijn handelswaar en vertegenwoordigen een handelswaarde. Het kan dan ook niet anders dan dat de in Waddinxveen geknipte hennep, voor zover niet meer aangetroffen, verhandeld is en geld heeft opgeleverd.”

6. Het hof heeft onder de aanhef “De berekening van het geschatte voordeel” overwogen dat de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen actief is geweest in (ten minste) de periode van 10 juni 2008 tot en met 14 juli 2008. Het hof heeft berekend dat in deze periode op deze locatie 2.000 kilogram (natte) henneptoppen zijn geknipt. Het hof is ervan uitgegaan dat die henneptoppen zijn verkocht en heeft de netto-opbrengst berekend op een bedrag van € 1.058.300,--. Vervolgens heeft het hof het volgende overwogen:

“De volgende vraag is welk deel van deze netto opbrengst aan de veroordeelde moet worden toegerekend.

Uit hetgeen hiervoor aan feiten en omstandigheden is weergegeven leidt het hof af dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene] op een zodanige wijze bij de hennepknipperij in Waddinxveen betrokken zijn geweest dat aangenomen moet worden dat zij in de opbrengst ervan hebben gedeeld. Hoewel uit deze feiten en omstandigheden niet heel erg duidelijk kan worden vastgesteld dat ook [betrokkene 5] eenzelfde betrokkenheid heeft gehad, komt wel naar voren dat hij enige betrokkenheid had die mogelijk verder is gegaan dan het afnemen van de geknipte hennep. In het voordeel van de veroordeelden zal het hof aan [betrokkene 5] een deel toerekenen evenredig aan de delen die aan [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene] moeten worden toegerekend. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat aan [betrokkene 1] de grootste rol en dus ook het grootste belang in de knipperij moet worden toegerekend. Een en ander brengt het hof tot de slotsom dat van het berekende geschatte voordeel aan [betrokkene 1] 2/6 deel moet worden toegerekend, zijnde € 352.766,-, en aan de anderen steeds 1/6 deel, zijnde € 176.383,-.

Aanvullende overwegingen en verweren.

(…) Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden (onder a. tot en met f.) kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat [betrokkene 1] ten aanzien van de gang van zaken in Waddinxveen een grote rol had en dat hij daar min of meer de touwtjes in handen had, met aan zijn zijde [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene] .”

7. De steller van het middel beroept zich op het zogeheten Geerings-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.1 Uit dat arrest volgt dat de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM zich verzet tegen het ontnemen van voordeel dat is verkregen door feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken.2 Het komt daarbij aan op de vraag of de rechter in de ontnemingszaak alsnog de schuld van de betrokkene heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken.3

8. In de hoofdzaak was onder 3, met de vermelding van “[Zaak [a-straat] ]”, aan de betrokkene ten laste gelegd dat hij:

“in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 9 september 2008, te Waddinxveen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden hennep (zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten) en/of delen daarvan, zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

9. Zoals het hof in de bestreden uitspraak heeft overwogen, is van de onder 3 ten laste gelegde handelingen (slechts) het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf bewerken van grote hoeveelheden hennep bewezen verklaard. De betrokkene is in de zaak [a-straat] dus vrijgesproken van onder meer het (medeplegen van) verkopen van hennep.

10. Ten aanzien van de onder 6 ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie, welk organisatie als oogmerk had het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen, verkopen en bewerken van grote hoeveelheden hennep, heeft de rechtbank in de hoofdzaak onder meer het volgende overwogen4:

“Uit het onderzoek “HELP” en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat door medeverdachte [betrokkene 1] en anderen, zoals [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 6] en [betrokkene 9] , in georganiseerd verband grote hoeveelheden hennep zijn geteeld, verkocht en bewerkt.

Binnen de organisatie was er sprake van een onderlinge taakverdeling en van samenwerking. Zo had medeverdachte [betrokkene 1] een leidende rol. Medeverdachte [betrokkene 7] was de huurder van het kassencomplex aan de [d-straat] in Anna Paulowna, alwaar zich een omvangrijke en professionele kwekerij van hennepstekken bevond. Medeverdachte [betrokkene 8] hield zich als professionele kweker bezig met het telen van de hennepstekken. Hij hield toezicht op de kwekerij op de [d-straat] en zorgde ervoor dat het personeel werd uitbetaald. Daarnaast onderhield hij de contacten met [betrokkene 1] . De hennepstekken die op de genoemde locatie werden gekweekt werden (onder andere) door tussenkomst van zowel verdachte als [betrokkene 1] afgezet, vermoedelijk onder meer ten behoeve van growshop “ [A] ” in Delft, waarna vele stekken hun weg naar (thuis)kwekers vonden.

Verdachte en verschillende andere medeverdachten, zoals [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 6] , hielden zich bezig met het bewerken van de hennepplanten, die op de eerdergenoemde locaties werden gekweekt. Er werd daarvoor gebruik gemaakt van een loods in Waddinxveen. Zij regelden de werving, de allocatie, het vervoer en de betaling van personeel en hielden toezicht op de verrichte werkzaamheden.”

11. Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het mogelijk is dat de in Waddinxveen aangetroffen hennepplanten of delen daarvan afkomstig zijn uit de hennepkwekerij te Made en/of oorspronkelijk uit de stekkenkwekerij in Anna Paulowna, maar dat dit niet van belang is voor “de beoordeling of de veroordeelde uit zijn bewezen verklaarde betrokkenheid (het bewerken) bij de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen voordeel heeft genoten”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het in de hoofdzaak bewezen verklaarde. Het hof doelt daarbij kennelijk in ieder geval op het onder 3 bewezen verklaarde medeplegen van het bewerken van hennep. Mogelijk heeft het hof tevens het oog gehad op de onder 6 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie, welke deelneming – zo volgt uit de bewijsoverwegingen in het vonnis in de hoofdzaak – mede betrekking heeft op de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen.

12. Uit het voorgaande volgt dat het hof niet heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het in de hoofdzaak onder 3 ten laste gelegde (medeplegen van) verkopen van hennep, waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Hieraan doet niet af dat het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit de opbrengst van de in de hennepknipperij aan de [a-straat] geknipte en nadien verkochte hennep. Het hof heeft in dit verband immers slechts in algemene zin overwogen dat de in Waddinxveen geknipte hennep, voor zover niet meer aangetroffen, is verhandeld en geld heeft opgeleverd. Het hof heeft voorts overwogen dat de verdediging terecht heeft gewezen op de vrijspraak van de verkoop van de hennep van de hennepknipperij aan de [a-straat] in Waddinxveen, dat deze vrijspraak betekent dat de rechtbank van oordeel was dat er geen bewijs was dat de betrokkene bij die verkoop actieve betrokkenheid heeft gehad en dat voordeel uit de opbrengst van geknipte hennep mogelijk is zonder dat eigen directe betrokkenheid bij het telen of de verkoop ervan kan worden vastgesteld. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de schuld van de betrokkene aan het verkopen van hennep in de zaak [a-straat] juist niet wordt aangenomen. Het hof heeft aldus de Geerings-jurisprudentie niet miskend.

13. Het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de betrokkene op een zodanige wijze bij de hennepknipperij in Waddinxveen betrokken zijn geweest dat aangenomen moet worden dat zij in de opbrengst ervan hebben gedeeld. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de in de bestreden uitspraak onder a. tot en met f. vastgestelde, aan de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. In dit verband heeft het hof overwogen dat [betrokkene 1] ten aanzien van de gang van zaken in Waddinxveen een grote rol had en daar min of meer de touwtjes in handen had, met aan zijn zijde [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de betrokkene. De toelichting op het middel houdt in dat de betrokkene in de door het hof weergegeven feiten en omstandigheden slechts in een tweetal onderdelen wordt genoemd, te weten in de verklaring van [betrokkene 6] dat de betrokkene wel eens in de loods aan de [a-straat] kwam en één van de personen was die het daar voor het zeggen had en voorts als gebruiker van de bestelauto met kenteken [AA-00-AA] , welke auto in de overige door het hof genoemde feiten en omstandigheden niet zou worden vermeld. Het middel mist in zoverre evenwel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers vastgesteld dat de betrokkene erbij was toen de vrouwen de eerste keer werden opgehaald om te gaan werken in de hennepknipperij aan de [a-straat]5, dat op 12 juni 2008 uit een bestelauto met kenteken [BB-00-BB] tien vrouwen zijn uitgestapt, dat om deze vrouwen een sterke henneplucht hing en dat deze auto even later is gestopt voor het perceel [c-straat 1] te Zoetermeer, waarbij het hof heeft opgemerkt dat [c-straat 2] de woning van de betrokkene is6, alsmede dat op 8 juli 2008 de auto met laatstgenoemd kenteken, met [betrokkene 1] als bestuurder en de betrokkene als passagier, de loods aan de [a-straat] is ingereden, dat deze auto even later de loods weer is uitgereden en dat op de Laakkade in Den Haag ongeveer twaalf vrouwen met een Slavisch uiterlijk zijn uitgestapt.7 De steller van het middel ziet er voorts aan voorbij dat het hof heeft vastgesteld dat bij een politiecontrole van de bestelauto met kenteken [AA-00-AA] op 14 juli 2008 op de Laakweg in Den Haag is waargenomen dat onder anderen [betrokkene 3] en [betrokkene 6] nabij dit voertuig stonden en dat in de laadruimte, die met matrassen was ingericht om personen te vervoeren, zich 23 vrouwen bevonden.8 In het licht van de bewezenverklaring in de hoofdzaak en de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, waaronder de verklaring van [betrokkene 6] (onder c.) dat volgens hem [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en de betrokkene in de loods de touwtjes in handen hadden, is het oordeel van het hof dat aangenomen moet worden dat de betrokkene in de opbrengst van de hennepknipperij aan de [a-straat] heeft gedeeld, niet onbegrijpelijk.

14. De rechter zal, in het geval er meer dan één dader is, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend.9 Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een motivering van zijn oordeel dienaangaande is gehouden, komt onder meer gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.10 Het hof heeft overwogen dat het – in het voordeel van de veroordeelden (het hof doelt hier kennelijk op [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de betrokkene) – aan [betrokkene 5] een deel van het voordeel zal toerekenen evenredig aan de delen die aan [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de betrokkene moeten worden toegerekend, dat aan [betrokkene 1] de grootste rol en dus ook het grootste belang in de knipperij moet worden toegerekend en dat op grond van één en ander van het totale voordeel aan [betrokkene 1] 2/6 deel moet worden toegerekend en aan de anderen telkens 1/6 deel, zijnde € 176.383,--. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval tot het laatstgenoemde bedrag daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft behaald. Mede in het licht van de procesopstelling van de betrokkene, was het hof niet gehouden zijn oordeel dienaangaande nader te motiveren.

15. Het hof kon oordelen dat de betrokkene tot dat bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten ‘door middel van’ het in de hoofdzaak onder 3 bewezen verklaarde. Ook indien een bepaald feit, in dit geval het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf bewerken van grote hoeveelheden hennep, op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, doch kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren en dat voordeel ook is genoten, moet dat voordeel worden beschouwd als door middel van dat feit te zijn verkregen in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr.11 Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat in dezen sprake is van het door de genoemde bepaling vereiste verband tussen het ten laste van de betrokkene onder 3 bewezen verklaarde en de door middel van de daarop volgende verkoop van die hennep verkregen opbrengst, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

16. Uit het voorgaande volgt dat het middel geen doel treft.

17. Ten overvloede merk ik op dat het hof de ontneming mede heeft kunnen baseren op de in de hoofdzaak onder 6 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Dat het voordeel voor die organisatie is verkregen uit een concreet strafbaar feit – het verkopen van hennep in de zaak [a-straat] – waarvan de betrokkene zelf is vrijgesproken, doet niet af aan de mogelijkheid van ontneming, omdat voor deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. In een geval als het onderhavige is het voordeel immers aan te merken als verkregen door middel van de deelneming aan een criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane misdrijven waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen.12

18. Een dergelijke, op de deelneming aan de criminele organisatie gebaseerde, ontneming is niet in strijd met het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Geerings. Niet kan worden gezegd dat het hof daarmee alsnog de schuld van de betrokkene aanneemt aan de feitelijke, strafbare betrokkenheid bij het verkopen van hennep in de zaak [a-straat]13, terwijl het hof bovendien – zie hiervoor onder 13 – op grond van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de betrokkene feitelijk deelde in de opbrengst van de hennepknipperij aan de [a-straat] .14

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007/349, m.nt. Borgers.

2 Vgl. HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4270, NJ, 2009/208, rov. 2.6 en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2319, NJ 2008/128, rov. 3.2. Zie voor ontneming na een zogenoemde technische vrijspraak: HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008/497, rov. 4.5.

3 Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG6304, NJ 2009/18, rov. 2.7.

4 Vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage d.d. 19 november 2009, p. 7-8.

5 Verklaringen van [betrokkene 10], onder e.

6 Observatie 12 juni 2008, onder f.

7 Observatie 8 juli 2008, onder f.

8 Controle politie 14 juli 2008, onder f.

9 HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63.

10 HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19.

11 Vgl. HR 25 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AK1546, JOW 1999/43, rov. 3.2 (ten aanzien van handelingen die zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag en de ontvangst van heroïne) en HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2086, NJ 2011/458, rov. 2.4 (ten aanzien van de opslag van ‘biowater’).

12 Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, NJ 2008/495, m.nt. Reijntjes, HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7939, NJ 2009/31 en HR 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1580, NJ 1999/591. Zie voor de spiegelbeeldige situatie: HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4270, NJ 2009/208 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3983, NJ 2011/538, m.nt. Reijntjes.

13 Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, NJ 2008/495, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.

14 Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, NJ 2008/495, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4 en de arresten van de Hoge Raad van 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 (NJ 2015/326, m.nt. Reijntjes), 881, 884 (NJ 2015/325) en 886.