Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:882

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
15/02237
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2623, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verjaring van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging rechterlijke uitspraak; art. 3:324 BW. Veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente zonder dat het bedrag bepaald is: valt dit onder de korte verjaringstermijn van lid 3 (‘hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald’)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02237

mr. F.F. Langemeijer

2 september 2016

Conclusie inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiseres 5]

6. [eiseres 6]

7. [eiseres 7]

tegen

Eurowoningen Grondbedrijf B.V.

In deze schadestaatprocedure gaat het voornamelijk om de vraag of de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis in de hoofdprocedure is verjaard.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in het bestreden arrest van 27 januari 2015, onder 1.1 – 1.14. Voor zover hier van belang, houden zij het volgende in:

1.1.1.

Bij vonnis van 4 maart 1976 is ten behoeve van de Gemeente Rotterdam de onteigening uitgesproken van een perceel grond in die gemeente ter grootte van 1.26.90 ha, waarvan [eiser 4] als eigenaar was aangewezen. [eiser 4] is voor deze onteigening schadeloos gesteld.

1.1.2.

Bij dagvaarding van 19 augustus 1988 heeft [eiser 4] gevorderd dat de Gemeente zal worden veroordeeld hem het onteigende perceel terug te geven op de voet van art. 61 Onteigeningswet tegen terugbetaling van de door hem ontvangen schadeloosstelling, in evenredigheid tot de terug te ontvangen waarde.

1.1.3.

Op 19 augustus 1988 was het perceel nog niet door de Gemeente in gebruik genomen. Kort daarna heeft de Gemeente de [a-straat] aangelegd, die ter plaatse dwars over het perceel loopt.

1.1.4.

Nadat de rechtbank bij vonnis van 9 juni 1989 had geoordeeld dat de vordering tot teruglevering niet toewijsbaar was, heeft de Gemeente enkele ten noorden van de [a-straat] gelegen gedeelten van het perceel in erfpacht uitgegeven aan de projectontwikkelaar Eurowoningen (thans gedaagde in het principaal cassatieberoep). Eurowoningen heeft op deze perceelsgedeelten, deels in combinatie met andere gronden, onder meer een appartementengebouw en een aantal eengezinswoningen gebouwd en het erfpachtrecht aan derden overgedragen. Op hetgeen daarna overbleef van dit noordelijk van de [a-straat] gelegen gedeelte van het onteigende perceel heeft Eurowoningen infrastructuur en groenvoorzieningen laten aanleggen.

1.1.5.

In hoger beroep heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage bij tussenarrest van 21 maart 1991 geoordeeld dat de vordering van (de echtgenote van) [eiser 4] tot terugvordering van het perceel in beginsel kan worden toegewezen1.

1.1.6.

Bij arrest van het hof van 17 december 1992, gewezen in een kort geding tussen de echtgenote van wijlen [eiser 4] en anderzijds de Gemeente en Eurowoningen, is geoordeeld dat op de Gemeente een verbintenis tot teruglevering van het perceel is komen te rusten vanaf de voormelde dagvaarding op 19 augustus 1988.

1.1.7.

Bij arrest van het hof van 16 november 2000 is de Gemeente veroordeeld om het perceel (behoudens enkele kleine gedeelten, samengevoegd met buiten het perceel gelegen gronden) aan de erven [eiser 4] over te dragen, tegen terugbetaling van een deel van de destijds ontvangen schadeloosstelling. De teruglevering heeft plaatsgevonden in februari 2004: deels in volle eigendom, deels in blote eigendom met handhaving van de inmiddels tot stand gekomen erfpachtrechten en met behoud van de inmiddels aanwezige infrastructuur waaronder de [a-straat] .

1.1.8.

In een bij dagvaarding van 6 maart 1995 ingeleide procedure van de erven [eiser 4] tegen de Gemeente, strekkende tot vergoeding van de door hen geleden schade, heeft de rechtbank te Rotterdam bij tussenvonnis van 3 januari 2007 geoordeeld dat de Gemeente, door haar verbintenis tot teruglevering niet na te komen en deels de nakoming hiervan onmogelijk te maken, onrechtmatig heeft gehandeld jegens de erven [eiser 4] . Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 4 mei 2007 drie deskundigen had benoemd en nadat dezen rapport hadden uitgebracht, heeft de rechtbank bij vonnis van 22 april 2009 overeenkomstig dat rapport de schade begroot op € 112.703,-. De rechtbank heeft de Gemeente veroordeeld dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2007, aan de erven [eiser 4] te voldoen.

1.1.9.

In hoger beroep heeft het gerechtshof bij arrest van 19 april 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6724) het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd en de Gemeente veroordeeld om aan de erven [eiser 4] € 97.738,- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 maart 2007. Het door de erven [eiser 4] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen2.

1.1.10.

De echtgenote van [eiser 4] heeft (ook) Eurowoningen tot schadevergoeding aangesproken. Zij verweet Eurowoningen onrechtmatig handelen door de bewuste grond in erfpacht aan te nemen ofschoon Eurowoningen bekend was geworden met de door [eiser 4] tegen de Gemeente ingestelde terugvorderingsactie. Bij vonnis van 30 september 1994 heeft de rechtbank Rotterdam Eurowoningen veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser 4] door het hiervoor bedoelde handelen van Eurowoningen heeft geleden, daaronder begrepen de wettelijke rente vanaf de dagvaarding (d.w.z. vanaf 14 mei 1991), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet3.

1.1.11.

Eurowoningen is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 15 oktober 1998 heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage het vonnis bekrachtigd. In dat arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“[…] is het hof met de rechtbank van oordeel dat het bestaan van schade in dit stadium van het geding voldoende aannemelijk is geworden.

De verkrijging van de onbelaste eigendom van het gehele perceel had [eiser 4] in staat gesteld om het bestemmingsplan al dan niet met inschakeling van deskundige derden zelf uit te voeren. […]” (rov. 5.3)

1.1.12.

Na het arrest van 15 oktober 1998 hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd, maar dit heeft niet geleid tot een minnelijke regeling van de schade.

1.2.

In deze, bij dagvaarding van 6 juni 2012 aangevangen procedure hebben de erven [eiser 4] gevorderd dat Eurowoningen zal worden veroordeeld tot betaling van:

(i) primair: € 1.655.200,-, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 1991, doch verminderd met het door de erven [eiser 4] van de Gemeente ontvangen bedrag (€ 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007), zulks op de grondslag dat wijlen [eiser 4] c.q. zijn erfgenamen zelf de bestemming zouden hebben gerealiseerd;

(ii) subsidiair: € 511.836,52, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 1991, doch verminderd met € 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007, zulks op de grondslag dat Eurowoningen de gronden ten noorden van de [a-straat] in eigendom overneemt;

(iii) meer subsidiair: € 185.218,-, zijnde de wettelijke rente van € 97.738,- over de periode 14 mei 1991 – 5 maart 2007.

In de procedure bij de rechtbank zijn partijen het erover eens geworden dat het totaalbedrag van de wettelijke rente in het onder (iii) genoemde tijdvak (niet € 185.218,-, maar) € 107.782,04 is.

1.3.

Bij vonnis van 17 juli 2013 heeft de rechtbank slechts de meer subsidiaire vordering toegewezen en Eurowoningen veroordeeld tot betaling van € 107.782,04. Eurowoningen werd veroordeeld in de proceskosten. Eurowoningen heeft het door de rechtbank toegewezen bedrag betaald.

1.4.

De erven [eiser 4] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. In haar incidenteel hoger beroep heeft Eurowoningen een grief gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering. Eurowoningen heeft tevens het bedrag teruggevorderd dat zij ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank heeft voldaan (inclusief proceskosten € 112.150,68).

1.5.

Bij arrest van 27 januari 2015 heeft het hof op het incidenteel hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de erven [eiser 4] alsnog geheel afgewezen. Het hof heeft de erven [eiser 4] veroordeeld om het door Eurowoningen betaalde bedrag van € 112.150,68 aan Eurowoningen terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2013 tot de dag van betaling.

1.6.

In het kort overwoog het hof dat het derde lid van art. 3:324 BW van toepassing is, waarbij de vordering na vijf jaar verjaart (rov. 3.3). Volgens het hof is de verjaringstermijn aangevangen met het arrest van 15 oktober 1998. Nu de erven bij brief van 17 december 2002 aan Eurowoningen hebben aangekondigd dat bij gebreke van betaling zou worden overgegaan tot dagvaarding, heeft deze brief de lopende verjaring gestuit. Vervolgens begon opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen. Die laatste termijn is verstreken; van een handeling (vóór de dagvaarding van 6 juni 2012) die de verjaring stuit, is volgens het hof niet gebleken. De (meer subsidiaire) vordering van de erven [eiser 4] is daarom verjaard (rov. 3.5).

1.7.

De erven [eiser 4] hebben tegen dit arrest – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Eurowoningen heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De erven [eiser 4] hebben hiertegen verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna de erven [eiser 4] hebben gerepliceerd.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1.

Middel 1 is gericht tegen rov. 2.1 - 2.5, in het bijzonder rov. 2.4 – 2.5, waarin het hof heeft overwogen dat de erven [eiser 4] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij méér schade hebben geleden dan hen reeds is vergoed door de Gemeente. Het middel valt uiteen in drie onderdelen.

2.2.

Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is, dat schade kan worden geschat indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en dat de schadevergoeding de benadeelde zoveel mogelijk moet brengen in de toestand waarin deze zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Indien het hof deze regels niet heeft miskend, klaagt onderdeel 1.2 dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze regels zijn toegepast. Volgens onderdeel 1.3 is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, gelet op de essentiële stellingen en bewijsaanbiedingen van de erven [eiser 4] .

2.3.

Blijkens de toelichting in de cassatiedagvaarding hebben deze klachten betrekking op het standpunt dat [eiser 4] of zijn erfgenamen zelf de aan deze grond gegeven bestemming zouden hebben kunnen realiseren indien Eurowoningen niet onrechtmatig jegens hen had gehandeld zoals in de vordering beschreven (vgl. rov. 2.2). Het hof heeft dat standpunt verworpen. Volgens het hof hebben de erven de door hen gestelde schade als gevolg van het gemis van de mogelijkheid om zelf de aan deze grond gegeven bestemming te realiseren, onvoldoende onderbouwd. Met name hebben zij niet aangegeven hoe zij, gezien het bestemmingsplan, daar vier keer zoveel woningen zouden hebben kunnen realiseren. Ook mist het hof een exploitatiebegroting.

2.4.

Uit de motivering blijkt al dat het hof niet heeft miskend dat schadevergoeding de benadeelde (hier: de erven [eiser 4] ) zoveel mogelijk moet brengen in de toestand waarin zij zouden hebben verkeerd indien Eurowoningen niet onrechtmatig [eiser 4] zou hebben gehandeld. Evenmin heeft het hof de wettelijke regels voor het begroten van schade miskend. Het gaat hier om een oordeel van feitelijke aard, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden getoetst. De beslissing van het hof is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Voor zover onderdeel 1.3 klaagt dat het hof niet op essentiële stellingen van de erven [eiser 4] is ingegaan, voldoet het cassatiemiddel niet aan de eisen van precisie die volgens de wet aan een cassatiemiddel worden gesteld. Het middel vermeldt niet om welke concrete stellingen van de erven [eiser 4] het gaat, noch waar in de gedingstukken deze stellingen te vinden zijn. De slotsom is dat middel 1 faalt; toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

2.5.

Middel 2 valt uiteen in twee onderdelen. De klachten onder a hebben betrekking op de verjaringstermijn. De klachten onder b zien op een door de erven [eiser 4] gestelde afspraak dat de vordering tijdelijk niet-opeisbaar zou zijn.

2.6.

Onderdeel 2.a komt met name op tegen rov. 3.3 − 3.5, waarin het hof heeft beslist dat de aanspraak op vergoeding van vertragingsrente, welke voortvloeit uit het arrest van 15 oktober 1998, is verjaard omdat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. Na de brief van 17 december 2002 is de verjaring niet tijdig gestuit door een schriftelijke aanmaning of op andere geldige wijze. Onderdeel 2a.1 klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de schadestaatprocedure een voortzetting is van de aansprakelijkheidsprocedure die werd ingeleid met de dagvaarding d.d. 14 mei 1991. Onderdeel 2a.2 klaagt dat het hof miskent dat (binnen het bereik van de veroordeling in de aansprakelijkheidsprocedure) een eisende partij nieuwe posten in de schadestaat mag opnemen, onverschillig of in de aansprakelijkheidsprocedure al schadeposten waren gesteld. Onderdeel 2a.3 houdt in dat het hof miskent dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis verjaart na het verstrijken van 20 jaar en dat de termijn vijf jaar bedraagt uitsluitend ten aanzien van hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald. Onderdeel 2a.4 komt neer op de klacht dat het hof heeft miskend dat het dictum van het (voormelde) vonnis van 30 september 1994 niet inhield een veroordeling tot het betalen van een bepaald bedrag: ter zake van de betaling van wettelijke rente kon, volgens de erven [eiser 4] , deze veroordeling niet worden tenuitvoergelegd binnen de door art. 3:324 lid 3 BW genoemde termijn. Mocht het hof deze regels niet hebben miskend, dan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus onderdeel 2a.5. De toelichting op deze klacht houdt kort samengevat in dat de omvang van de wettelijke rente in deze periode nog niet concreet kon worden vastgesteld.

2.7.

Art. 3:324 BW regelt de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken. Lid 1 stelt de verjaringstermijn in beginsel op twintig jaren, óók indien voor de verjaring van de daaraan ten grondslag liggende vordering een kortere verjaringstermijn gold. De tenuitvoerlegging, dus ook de verjaringstermijn van art. 3:324 BW, betreft alleen die uitspraken welke een veroordeling inhouden4. Lid 3 van art. 3:324 BW bepaalt dat de verjaringstermijn vijf jaren bedraagt voor hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. Het gaat om die gevallen waarin sprake is van in een uitspraak vastgelegde periodieke betalingen, zoals huur of pacht, of een bijkomende verplichting, zoals de verplichting tot betaling van rente. Daarachter steekt, net als bij art. 3:308 BW, de gedachte dat – zonder de bescherming van deze verjaringstermijn − voor de schuldenaar het gevaar dreigt dat bij niet-betaling de bedragen tot een onredelijke hoogte zullen oplopen5.

2.8.

Bij vonnis van 30 september 1994 heeft de rechtbank Eurowoningen veroordeeld tot “vergoeding van de schade die [eiser 4] door het hierboven bedoelde handelen van Eurowoningen heeft geleden, deze schade, daaronder begrepen de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, nader op te maken bij staat”. Het ‘hierboven bedoelde handelen’ van Eurowoningen was het afnemen van het perceel van de Gemeente in erfpacht ofschoon zij wist dat [eiser 4] de grond van de Gemeente had teruggeëist ingevolge art. 61 Onteigeningswet. Het hof heeft bij arrest van 15 oktober 1998 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarmee stond de aansprakelijkheid van Eurowoningen vast. De erven [eiser 4] hadden in de hoofdprocedure (meer subsidiair) gevorderd dat Eurowoningen zou worden veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding (14 mei 1991). In de procedure van de erven [eiser 4] tegen de Gemeente heeft het hof in zijn arrest van 19 april 2011 (reeds aangehaald) de schade, welke de Gemeente aan [eiser 4] moet vergoeden, vastgesteld op € 97.738,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2007 tot de dag van betaling. In het onderhavige geding tegen Eurowoningen kon dezelfde schade niet nogmaals aan de erven [eiser 4] worden toegewezen. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering was daarom alleen nog aan de orde zijn: de wettelijke rente over € 97.738,- in het tijdvak tussen 14 mei 1991 en 5 maart 2007 (vgl. rov. 3.1). Dat werd in eerste aanleg toegewezen. Zoals het hof in rov. 3.2 van het bestreden arrest overweegt, heeft de rechtbank de rente op één lijn gesteld met de hoofdsom en ook op de rente de verjaringstermijn van 20 jaar in art. 3:324 lid 1 BW van toepassing geacht. In rov. 3.3 en 3.5 beslist het hof dat op de wettelijke rente de verjaringstermijn van vijf jaar in art. 3:324 lid 3 BW van toepassing is. Het feit dat het schadebedrag – waarover de wettelijke rente vergoed moet worden – pas later is vastgesteld in de schadestaatprocedure, maakt dit niet anders.

2.9.

Hiermee heeft het hof niet miskend dat de schadestaatprocedure een voortzetting van de schadestaatprocedure is, noch dat er in de schadestaatprocedure nieuwe schadeposten kunnen worden opgenomen (vgl. art. 615 Rv). De onderdelen 2a.1 en 2a.2 falen. De met elkaar samenhangende onderdelen 2a.3 en 2a.4 snijden slechts in zoverre hout, dat art. 3:324 lid 3 BW niet van toepassing is indien deze bepaling naar de letter wordt genomen (‘hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald’): het hof heeft in het dictum een vast bedrag (groot € 107.782,04) toegewezen. Op het tijdstip waarop de vordering werd ingesteld moest de hoogte van de schadevordering nog worden vastgesteld en zou, bij toewijzing van enig bedrag aan schadevergoeding, de wettelijke vertragingsrente het karakter hebben van een nevenverplichting (bijv: wijst toe bedrag X, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van betaling); in die situatie is de vijfjaarstermijn van art. 3:324 lid 3 BW van toepassing op de tenuitvoerlegging van het vonnis waarin de vertragingsrente wordt toegewezen. De erven [eiser 4] hebben twee schuldenaren naast elkaar aangesproken − de Gemeente en Eurowoningen – voor schade die gedeeltelijk dezelfde was. De omstandigheden van dit geval brachten mee dat de hoofdsom van de schade (€ 97.738,-) al was betaald door de andere schuldenaar (de Gemeente), zodat tegen Eurowoningen slechts kon worden toegewezen de wettelijke rente over € 97.738,-, vervallen in het tijdvak tussen 14 mei 1991 en 5 maart 2007. Wat aanvankelijk een nevenvordering was, lijkt in de formulering van het dictum de hoofdverplichting van Eurowoningen te zijn geworden. Het ligt m.i. meer voor de hand voor de uitleg van art. 3:324 lid 3 BW aansluiting te zoeken bij art. 3:308 BW. De ratio van die bepaling is de bescherming van de schuldenaar tegen het oplopen van zulke periodiek verschijnende geldelijke nevenverplichtingen. Zo opgevat, geeft de bestreden beslissing geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 3:324 BW. Een zuiver rechtsoordeel kan niet met vrucht worden bestreden via een motiveringsklacht, zodat onderdeel 2a.5 verder onbesproken kan blijven. De klachten onder 2.a falen.

2.10.

Onderdeel 2.b valt uiteen in vier subonderdelen. Onderdeel 2b.1 klaagt dat het hof miskent dat de lopende verjaring wordt gestuit, althans gedurende een bepaalde periode niet doorloopt, indien tussen partijen de afspraak is gemaakt dat de vordering in die periode niet opeisbaar zal zijn. Onderdeel 2b.2 klaagt dat het hof miskent dat een bevrijdende verjaring alleen ziet op de periode waarin de vordering opeisbaar is. Onderdeel 2b.3 voegt hieraan toe dat het hof heeft miskend dat partijen bij overeenkomst een opeisbare vordering niet-opeisbaar kunnen maken. Mocht het hof dit niet hebben miskend, dan is het oordeel volgens onderdeel 2b.5 ontoereikend gemotiveerd, gezien de essentiële stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van de erven.

2.11.

Art. 3:325 lid 2 BW bepaalt hoe de verjaringstermijnen als bedoeld in art. 3:324 BW kunnen worden gestuit. Namelijk door: (a) betekening van de uitspraak of schriftelijke aanmaning; (b) erkenning van de in de uitspraak vastgestelde verplichting; (c) iedere daad van tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet voorgeschreven tijd of, bij gebreke van zodanig voorschrift, met bekwame spoed mededeling aan de wederpartij wordt gedaan.

2.13.

In de onderhavige zaak hebben de erven [eiser 4] de correspondentie tussen partijen overgelegd. Hieruit valt af te leiden dat partijen vergeefs getracht hebben het eens te worden over de schadevergoeding6. De erven [eiser 4] hebben Eurowoningen geïnformeerd over de procedure die zij tegen de Gemeente voerden. Bij brief van 19 februari 2001 heeft Eurowoningen aan de erven [eiser 4] voorgesteld de onrechtmatige daad-procedure tussen de erven en de Gemeente af te wachten. Bij brief van 11 december 2001 heeft Eurowoningen nogmaals aangegeven dat het niet verstandig is om Eurowoningen al in rechte te betrekken. Daarop hebben de erven bij brief van 17 december 2002 aangegeven dat geen regeling tussen de erven en de Gemeente is getroffen en dat Eurowoningen op korte termijn zal worden gedagvaard indien de schadevergoeding uiterlijk 10 januari 2003 niet is betaald. Bij brief van 3 januari 2013 heeft Eurowoningen daarop gereageerd. Het hof stelt in rov. 1.11 – in cassatie onbestreden – vast dat de correspondentie niet tot een minnelijke regeling heeft geleid. In zoverre mist onderdeel 2.b feitelijke grondslag. Daarbij komt dat de gestelde afspraak tussen partijen nog geen erkenning of andere stuitingshandeling is. Voordat de verjaring voltooid is kan geen afstand van verjaring worden gedaan, zo volgt uit art. 3:322 BW7.

2.14.

Dat de omvang van de schade nog moest worden vastgesteld in de schadestaatprocedure, betekent niet dat de verjaringstermijn pas gaat lopen na het aanhangig maken van de schadestaatprocedure. Daarmee zou een schuldeiser zich in een gunstige positie kunnen plaatsen door de schadestaatprocedure niet aanhangig te maken en aldus de rentevordering te laten oplopen. De erven hebben ervoor gekozen de schadestaatprocedure tegen Eurowoningen pas in 2012 te starten. Onderdeel 2.b faalt.

3 Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

3.1.

Nu niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder het beroep is ingesteld, behoeft het incidenteel cassatiemiddel geen behandeling. Ik volsta met een korte bespreking.

3.2.

Het incidenteel middel is gericht tegen rov. 3.4 en 3.5, waarin het hof heeft overwogen dat de brief van 17 december 2002 de verjaring heeft gestuit. In onderdeel 1 klaagt Eurowoningen over een onbegrijpelijke lezing van de processtukken: de erven [eiser 4] hebben in de procedure bij het hof niet aangevoerd dat sprake is van stuiting van de verjaring in de zin van art. 3:325 BW, althans daartoe niet voldoende kenbaar een beroep gedaan op de genoemde brieven. Onderdeel 2 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering, nu de mededeling dat nakoming zal worden gevorderd niet de gevolgtrekking kan dragen dat sprake is geweest van een stuiting in de zin van art. 3:325 BW. Onderdeel 3 klaagt dat, nu de erven [eiser 4] niet (althans niet voldoende kenbaar) hebben gesteld dat de brief van 17 december 2002 de verjaring stuitte, het hof − door niettemin te oordelen dat de brief de verjaring stuitte − in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering heeft aangevuld.

3.3.

Voor zover de Hoge Raad aan het incidenteel middel toekomt, falen de klachten. In rov. 3.4 heeft het hof overwogen dat de erven [eiser 4] de desbetreffende stelling van Eurowoningen hebben tegengesproken en daarbij een beroep hebben gedaan op de correspondentie tussen partijen. Kennelijk heeft het hof het standpunt van de erven [eiser 4] opgevat in zin, dat volgens hen de correspondentie gezien moet worden als even zovele stuitingshandelingen. Nu art. 3:325 BW bepaalt dat een schriftelijke aanmaning de verjaring stuit, is niet onbegrijpelijk dat het hof de brief van 17 december 2002 als een zodanige stuitingshandeling heeft gezien. In de brief wordt door de erven aangedrongen op betaling binnen een bepaalde termijn (10 januari 2003). Indien niet tot betaling wordt overgegaan zouden de erven gaan dagvaarden. Het hof heeft de brief mogen beschouwen als een ‘aanmaning’ in de zin van art. 3:325 BW.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Dit tussenarrest is overgelegd als prod. 2 bij CvA in eerste aanleg; zie rov. 3.6.

2 HR 4 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0973.

3 Het vonnis van 30 september 1994 is overgelegd als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.

4 Parl. Gesch. BW Boek 3, 1981, blz. 941; T&C BW (Stolker), art. 3:324 BW, aant. 1; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, Mon. BW B14, 2010, blz. 89-90; Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-II, 2013/421.

5 Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 2 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4698.

6 Zie de brieven van 13 november 1998 van de erven, 19 november 1998 van Eurowoningen, 10 augustus 1999 van de erven; 10 augustus 1999 van de erven, 12 juli 2000 van Eurowoningen, 2 januari 2001 van de erven.

7 Zie ook Groene Serie, Vermogensrecht, M.W.W. Koopmann, art. 322, aant. 3.2: “Een overeenkomst waarbij partijen overeenkomen de van toepassing zijnde verjaringstermijn te verlengen brengt in een dergelijk geval geen uitkomst, omdat een zodanige overeenkomst in strijd wordt geacht met het voorschrift van art. 322 lid 3 BW.”