Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:88

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
15/02180
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:712, Contrair
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deze procedure maakt deel uit van een kwartet van proefprocedures over de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van privégebruik van de auto van de zaak, waarin vandaag conclusies worden genomen.

Belanghebbende was ondernemer in de zin van de Wet OB. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het leveren van betonnen systeemvloeren en daarmee samenhangende diensten. Tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoorden in 2011 tien auto’s, te weten vier personenauto’s en zes bestelauto’s met een dubbele cabine. Belanghebbende heeft de aan haar ter zake van de aanschaf en het gebruik van de auto’s in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht.

Belanghebbende heeft de auto’s ter beschikking gesteld aan haar werknemers, die het was toegestaan de auto’s mede voor privédoeleinden te gebruiken. Ter zake van het (privé)gebruik van de auto’s is geen kilometeradministratie bijgehouden.

Voor het privégebruik van twee bestelauto’s hebben twee werknemers een bijdrage van € 100 per vier weken per auto betaald. Belanghebbende heeft daarover omzetbelasting berekend en op aangifte voldaan. De werknemers hadden geen recht op aftrek van de over de bijdragen in rekening gebrachte voorbelasting.

De andere vier bestelauto’s heeft belanghebbende ter beschikking gesteld aan ambulante medewerkers, zonder dat zij daarvoor een vergoeding betaalden. Deze bestelauto’s waren voorzien van een dubbele cabine en ingericht voor het vervoer van gereedschappen en materialen. De werknemers gebruikten deze bestelauto’s voor ritten van hun woonadres naar de plaats waar zij werkzaam waren, en vice versa. Voor de vier personenauto’s heeft belanghebbende evenmin een bijdrage voor het privégebruik van haar werknemers gevraagd.

Bij het Hof was in geschil de hoogte van de over 2011 verschuldigde omzetbelasting in verband met het privégebruik van de auto’s. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de twee bestelauto’s waarvoor van de werknemers een bijdrage is ontvangen, in het eerste halfjaar van 2011 slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage en dat de betaling van de bijdrage in de weg staat aan toepassing van het BUA. Aangaande deze bestelauto’s heeft belanghebbende voorts gesteld dat zij ook in het tweede halfjaar van 2011 slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage van de werknemers. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat ter zake van de acht (bestel- en personen)auto’s waarvoor geen bijdrage is ontvangen, de voldoening op aangifte beperkt dient te blijven tot 3/184 van het over het tweede halfjaar van 2011 voldane bedrag. Verder heeft belanghebbende zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat ter zake van de vier bestelauto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt ontvangen voor het eerste halfjaar geen plaats is voor een correctie op grond van het BUA en voor het tweede halfjaar geen plaats is voor een correctie ingevolge artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB.

Het Hof heeft belanghebbende op alle punten in het ongelijk gesteld. Over het eerste halfjaar van 2011 is belanghebbende ter zake van het privégebruik van twee bestelauto’s waarvoor zij een eigen bijdrage heeft ontvangen, volgens het Hof behalve omzetbelasting over de eigen bijdrage ook omzetbelasting verschuldigd op grond van aftrekbeperking krachtens het BUA. Over het tweede halfjaar van 2011 is belanghebbende ter zake van de genoemde twee bestelauto’s omzetbelasting verschuldigd over de (geforfaiteerde) normale waarde, en niet slechts over de daadwerkelijk betaalde eigen bijdrage. Evenmin behoeft volgens het Hof de verschuldigde omzetbelasting voor het privégebruik van de auto’s over het tweede halfjaar te worden beperkt tot 3/184 deel van het aangegeven bedrag. Verder heeft het Hof geoordeeld dat uitsluiting van de aftrek ter zake van de bestelauto’s waarvoor geen bijdrage is betaald dient plaats te vinden op grond van het BUA dan wel een heffing moet volgen met betrekking tot de fictieve dienst. In cassatie komt belanghebbende met vijf klachten op tegen de Hofoordelen.

Volgens de A-G slaagt alleen de vierde klacht voor zover die ziet op het gebruik van de vier bestelauto’s met dubbele cabine en ingericht voor het vervoer van gereedschappen, waarvoor de ambulante werknemers geen eigen bijdrage hebben betaald. Deze klacht hangt samen met de vraag of de btw-correctie privégebruik auto hier vanwege de bedrijfsmatige noodzaak tot ter beschikking stelling achterwege blijft.

Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat uitsluiting van de aftrek dient plaats te vinden op grond van het BUA dan wel een heffing moet volgen met betrekking tot de fictieve dienst. Belanghebbende heeft daartegen aangevoerd dat het beschikbaar stellen van deze bestelauto’s slechts haar eigen bedrijfseconomische doeleinden dient, zodat voor een heffing over privégebruik geen plaats is.

De A-G ziet als maatstaf voor het achterwege kunnen blijven van een correctie wegens privégebruik of belanghebbende voor een goede bedrijfsvoering geen andere reële keuze had dan de bestelauto’s mede voor privégebruik bestaande uit woon- en werkverkeer, aan zijn werknemers ter beschikking te stellen.

Na verwijzing zal, naar de A-G meent, alsnog moeten worden uitgezocht of belanghebbende hier inderdaad geen andere reële keuze had.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/18.19 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/548
Mr. C.C. van den Berg annotatie in NTFR 2016/912
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.L.H. IJzerman

Advocaat-Generaal

Conclusie van 8 maart 2016 inzake:

Nr. Hoge Raad: 15/02180

Fiscale eenheid [X1] Holding B.V. en [X2] B.V.

Nr. Gerechtshof: 14/00453

Nr. Rechtbank: AWB 13/2858

Derde Kamer A

tegen

Omzetbelasting 2011

Staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 15/02180 naar aanleiding van het beroep in cassatie van Fiscale eenheid [X1] Holding B.V. en [X2] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (hierna: het Hof) van 31 maart 2015.1 Deze procedure maakt deel uit van een kwartet van proefprocedures over de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van privégebruik van de ‘auto van de zaak’, waarin vandaag conclusies worden genomen.2

1.2

Belanghebbende was ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het leveren van betonnen systeemvloeren voor zakelijke, met name industriële doeleinden en het verrichten van daaruit voortvloeiende diensten. Tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoorden in 2011 tien auto’s, te weten vier personenauto’s en zes bestelauto’s met een dubbele cabine (hierna ook: de auto’s). Belanghebbende heeft de aan haar ter zake van de aanschaf en het gebruik van de auto’s in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht.

1.3

Belanghebbende heeft de auto’s ter beschikking gesteld aan haar werknemers, die het was toegestaan de auto’s mede voor privédoeleinden te gebruiken. Ter zake van het (privé)gebruik van de auto’s is geen kilometeradministratie bijgehouden.

1.4

Voor het privégebruik van twee bestelauto’s, waarvan er één niet is gebruikt tussen 1 januari 2011 en 1 september 2011, hebben twee werknemers een bijdrage van € 100 per vier weken per auto betaald. Belanghebbende heeft daarover omzetbelasting berekend en op aangifte voldaan. De werknemers hadden geen recht op aftrek van de over de bijdragen in rekening gebrachte voorbelasting.

1.5

De andere vier bestelauto’s heeft belanghebbende ter beschikking gesteld aan ambulante medewerkers, zonder dat zij daarvoor een vergoeding betaalden. Deze bestelauto’s waren voorzien van een dubbele cabine en ingericht voor het vervoer van gereedschappen en materialen. De werknemers gebruikten deze bestelauto’s voor ritten van hun woonadres naar de plaats waar zij werkzaam waren, en vice versa. Voor de vier personenauto’s heeft belanghebbende evenmin een bijdrage voor het privégebruik van haar werknemers gevraagd.

1.6

Belanghebbende heeft in haar aangifte over het vierde kwartaal van 2011 € 11.550 omzetbelasting aangegeven voor het privégebruik van de auto’s voor het hele jaar 2011. Met betrekking tot het eerste halfjaar van 2011 heeft belanghebbende de omzetbelasting vanwege het privégebruik van de auto’s berekend op 12% van 25% van de cataloguswaarden van de auto’s. Voor het tweede halfjaar van 2011 heeft belanghebbende 6/12 van 2,7% van de cataloguswaarden van de auto’s aangegeven als vanwege het privégebruik verschuldigde omzetbelasting. Het genoemde bedrag van € 11.550 is als volgt berekend:

Eerste halfjaar voor auto’s zonder betaling van een bijdrage € 5.256

Tweede halfjaar voor auto’s zonder betaling van een bijdrage € 5.165

Eerste halfjaar voor bestelauto’s met betaling van de bijdrage € 437

Tweede halfjaar voor bestelauto’s met betaling van de bijdrage € 692

Totaal € 11.550

1.7

Bij (teruggaaf)beschikking heeft de Inspecteur3 over het tijdvak 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 7.442. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt,4 daartoe stellende dat ‘zij voor privégebruik in 2011 minder dan het bedrag van € 11.550 had hoeven aan te geven en af te dragen’. Bij uitspraak op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.8

Bij het Hof was in geschil de hoogte van de over 2011 verschuldigde omzetbelasting in verband met het privégebruik van de auto’s. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de twee bestelauto’s waarvoor van de werknemers een bijdrage is ontvangen in het eerste halfjaar van 2011 ‘slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage en dat de betaling van de bijdrage in de weg staat aan toepassing van het BUA’. Aangaande deze bestelauto’s heeft belanghebbende voorts gesteld dat ‘zij ook in het tweede halfjaar van 2011 slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage van de werknemers’. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat ‘ter zake van de acht (bestel)auto’s waarvoor geen bijdrage is ontvangen de voldoening op aangifte beperkt dient te blijven tot 3/184 van het over het tweede halfjaar van 2011 voldane bedrag’.5 Laatstelijk heeft belanghebbende zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat ‘ter zake van de vier bestelauto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt ontvangen voor het eerste halfjaar geen plaats is voor een correctie op grond van het BUA en voor het tweede halfjaar geen plaats is voor een correctie ingevolge artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB’.

1.9

Het Hof heeft belanghebbende op alle punten in het ongelijk gesteld. Over het eerste halfjaar van 2011 is belanghebbende ter zake van het privégebruik van twee bestelauto’s waarvoor zij een eigen bijdrage heeft ontvangen, volgens het Hof niet slechts omzetbelasting verschuldigd over de bijdrage. Over het tweede halfjaar van 2011 is belanghebbende ter zake van de genoemde twee bestelauto’s omzetbelasting verschuldigd over de (geforfaiteerde) normale waarde, en niet slechts over de daadwerkelijk betaalde eigen bijdrage. Evenmin behoeft volgens het Hof de verschuldigde omzetbelasting voor het privégebruik van de auto’s over het tweede halfjaar te worden beperkt tot 3/184 deel van het aangegeven bedrag. Verder heeft het Hof geoordeeld dat uitsluiting van de aftrek ter zake van de bestelauto’s waarvoor geen bijdrage is betaald dient plaats te vinden op grond van het BUA dan wel een heffing moet volgen met betrekking tot de fictieve dienst. Ten slotte heeft het Hof geen aanleiding gezien de teruggaafbeschikking tot een hoger bedrag vast te stellen.

1.10

In cassatie komt belanghebbende met vijf klachten op tegen de voormelde Hofoordelen.

1.11

De verdere opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop in eerdere instanties weergegeven, gevolgd door een omschrijving van het geding in cassatie in onderdeel 3. De vijf klachten die belanghebbende tegen de Hofuitspraak aanvoert worden achtereenvolgens behandeld in de onderdelen 4 tot en met 8. Ten slotte volgt in onderdeel 9 de conclusie.6

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Het Hof heeft de volgende feiten vastgesteld:

2.1

Belanghebbende is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het leveren van betonnen systeemvloeren voor zakelijke, met name industriële doeleinden en het verrichten van daaruit voortvloeiende diensten. Tot haar bedrijfsvermogen behoren in 2011 tien auto’s, te weten vier personenauto’s en zes bestelauto’s met dubbele cabine (hierna ook: de auto’s).

2.2

In 2011 heeft belanghebbende de auto’s ter beschikking gesteld aan haar werknemers, waarbij zij heeft toegestaan dat de auto’s mede voor privédoeleinden werden gebruikt. Voor het privégebruik van twee bestelauto’s, waarvan er één niet is gebruikt tussen 1 januari en 1 september 2011, hebben twee werknemers een bijdrage van € 100 per vier weken per auto betaald (hierna: de bijdrage). Belanghebbende heeft daarover omzetbelasting berekend en op aangifte voldaan. De werknemers hebben geen recht op aftrek van de over die bijdrage in rekening gebrachte voorbelasting. De andere vier bestelauto’s heeft belanghebbende ter beschikking gesteld aan ambulante werknemers, zonder dat zij daarvoor een vergoeding betaalden. Deze bestelauto’s zijn voorzien van een dubbele cabine en ingericht voor het vervoer van gereedschappen en materialen. De werknemers gebruiken deze bestelauto’s voor ritten van hun woonadres naar de plaats waar zij werkzaam zijn en vice versa. Voor de vier personenauto’s heeft belanghebbende evenmin een bijdrage voor het privégebruik van haar werknemers gevraagd.

2.3

Ter zake van het (privé)gebruik van de auto’s is geen kilometeradministratie bijgehouden.

2.4

Belanghebbende heeft de aan haar ter zake van de aanschaf en het gebruik van de auto’s in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht.

2.5

Belanghebbende heeft in haar aangifte over het vierde kwartaal van 2011 € 11.550 omzetbelasting aangegeven voor het privégebruik van de auto’s voor het gehele jaar 2011. Met betrekking tot het eerste halfjaar van 2011 heeft belanghebbende de omzetbelasting vanwege het privégebruik van de auto’s berekend op 12% van 25% van de cataloguswaarden van de auto’s. Voor het tweede halfjaar van 2011 heeft belanghebbende 6/12 van 2,7% van de cataloguswaarden van de auto’s aangegeven als de vanwege het privégebruik verschuldigde omzetbelasting. Het genoemde bedrag van € 11.550 is als volgt berekend:

Eerste halfjaar voor auto’s zonder betaling van een bijdrage € 5.256

Tweede halfjaar voor auto’s zonder betaling van een bijdrage 5.165

Eerste halfjaar voor bestelauto’s met betaling van de bijdrage 437

Tweede halfjaar voor bestelauto’s met betaling van de bijdrage 692

Totaal € 11.550

Rechtbank 7

2.2

Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het geschil als volgt omschreven en heeft dienaangaande overwogen:

6. In geschil is de voldoening van omzetbelasting op aangifte in verband met privégebruik van de auto’s van eiseres [belanghebbende, AG] door haar werknemers. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

- Is ten aanzien van de auto’s waarvoor een eigen bijdrage wordt ontvangen slechts omzetbelasting verschuldigd over die eigen bijdragen?

- Dient ten aanzien van de auto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt ontvangen de correctie beperkt te blijven tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven en ontvangen bedrag?

(...).

Ten aanzien van het eerste halfjaar van 2011

13. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank volgt partijen daarin ook, dat het aan werknemers ter beschikking stellen van de bij eiseres in eigendom zijnde auto’s een dienst in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet OB (respectievelijk artikel 24 van de Btw-richtlijn) betreft. Eiseres betoogt dat de jurisprudentie op grond waarvan verweerder concludeert dat het BUA kan worden toegepast louter ziet op de situatie dat sprake is van een fictieve dienst in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Wet OB (respectievelijk artikel 26 van de Btw-richtlijn). Artikel 4, tweede lid van de Wet OB is volgens haar echter niet van toepassing. Eiseres stelt zich op het standpunt dat dit op grond van artikel 16a van de Wet OB met zich brengt dat slechts kan worden geheven over de bijdrage van de werknemers.

14. De rechtbank volgt eiseres niet in haar redenering. Eiseres heeft volledige aftrek genoten ter zake van de aanschaf en het gebruik van de auto’s. Voor zover het gebruik van de auto’s niet ondernemings- maar privégerelateerd is, is er gelet op artikel 16 van de Wet OB en het daarop gebaseerde BUA geen recht op aftrek. De Btw-richtlijn, noch artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) staat in de weg aan een uitsluiting of beperking van aftrek voor bepaalde categorieën uitgaven of aan een reeds vóór inwerkingtreding van die richtlijn bestaande nationale regeling op grond waarvan de omzetbelasting op goederen en diensten die zowel voor bedrijfsdoeleinden als privé worden gebruikt slechts naar verhouding van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden aftrekbaar is (Hof van Justitie EU 15 april 2010, X-Holding en Oracle, C‑538/08, ECLI:NL:XX:2010:BM2199).

15. Het feit dat de werknemers een bijdrage hebben voldaan aan eiseres maakt het voorgaande niet anders. Het effect van die bijdrage is slechts dat op grond van artikel 2 van het BUA de aftrekbeperking wordt verminderd met de omzetbelasting die over de bijdrage verschuldigd is. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld (HR 12 juli 2013, nr. 11/03740, ECLI:NL:HR:2013:22) is dit niet in strijd met de Zesde Richtlijn. De stelling van eiseres dat de Hoge Raad hiermee aan de Tweede Richtlijn voorbijgegaan is, acht de rechtbank onjuist. In de Zesde Richtlijn is niet bepaald in welke situaties recht op aftrek bestaat. Zolang daarover op Europees niveau geen afspraken zijn gemaakt, kunnen de lidstaten elke uitsluiting van aftrek handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn voorzag, zij het dat dit niet ruimer kan zijn dan wat op grond van de Tweede Richtlijn was toegestaan.

16. De stelling van eiseres dat de aftrekbeperking in strijd is met de Tweede Richtlijn is gebaseerd op de gedachte dat sprake is van een dubbele correctie, doordat enerzijds omzetbelasting over de werknemersbijdrage verschuldigd is en anderzijds een aftrekbeperking op de vooraftrek wordt toegepast. Van dubbele heffing is echter geen sprake, nu artikel 2 van het BUA de omzetbelasting over de werknemersbijdrage in mindering brengt op de aftrekbeperking. Er wordt uitvoering gegeven aan twee verschillende principes, te weten enerzijds het principe dat wordt geheven over vergoedingen voor diensten (in dit geval de bijdrage van de werknemers) en anderzijds het principe dat indien een goed of dienst deels wordt gebruikt voor andere dan bedrijfsdoeleinden (in dit geval privégebruik van een auto die tot het bedrijfsvermogen behoort) een aftrekbeperking wordt toegepast. In het arrest van 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze beide principes naast elkaar kunnen worden gehanteerd en dat dit geen strijd met de Zesde Richtlijn oplevert. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de Hoge Raad daarbij niet tevens heeft getoetst aan de Tweede Richtlijn, te meer nu artikel 11, vierde lid, van de Tweede Richtlijn rekening houdt met de mogelijkheid van gedeeltelijk gebruik voor privébehoeften.

17. Voor zover eiseres heeft beoogd te stellen dat zij te veel omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, overweegt de rechtbank als volgt. Nu eiseres zich aanvankelijk heeft geconformeerd aan de forfaitaire regeling die is opgenomen in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 9 februari 2009 (nr. CPP2009/109M, V-N 2009/10.30), brengt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat eiseres aannemelijk maakt dat de voldoening van omzetbelasting op aangifte te hoog is geweest. Eiseres is ook de meeste gerede partij om bewijs te leveren, omdat juist zij over de relevante informatie beschikt (vergelijk Hoge Raad 30 november 2012, nr. 08/01579bis, rechtsoverweging 2.4, ECLI:NL:HR:2013:BY4581, Van Laarhoven). Eiseres dient de daadwerkelijk voor het privégebruik van de auto’s gedane uitgaven aannemelijk te maken. Eiseres kan daarbij niet volstaan, gelijk zij heeft gedaan, met verwijzing naar de in de jaarrekening opgenomen kosten. Eiseres is daarmee niet in het op haar rustende bewijs geslaagd. Het beroep wordt in zoverre ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het tweede halfjaar van 2011; auto’s waarvoor een eigen bijdrage wordt betaald

18. Eiseres stelt zich ook ten aanzien van het tweede halfjaar van 2011 op het standpunt dat zij slechts omzetbelasting verschuldigd is over de eigen bijdragen van de werknemers. Een verhoging van de maatstaf van heffing op grond van artikel 8, vierde lid, van de Wet OB, dient volgens eiseres achterwege te blijven.

19. De eerste vraag, die naar het oordeel van de rechtbank in dit kader dient te worden beantwoord, is of artikel 8, vierde lid van de Wet OB is toegestaan op basis van artikel 80 van de Btw-richtlijn. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie wordt de maatstaf van heffing voor onder bezwarende titel verrichte goederenleveringen of diensten gevormd door de daartoe door de belastingplichtige werkelijk ontvangen tegenprestatie. Deze tegenprestatie is dus de subjectieve waarde, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde, en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde (onder meer: Hof van Justitie 20 januari 2005, zaak C-412/03, ECLI:NL:XX:2005:AV2671, Hotel Scandic Gåsabäck AB). De maatstaf van heffing mag ingevolge artikel 80 van de Btw-richtlijn op de normale waarde worden gesteld om belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen indien tussen dienstverrichter en afnemer nauwe betrekkingen bestaan, de tegenprestatie lager is dan de normale waarde en de afnemer geen volledig recht op aftrek heeft. Een dienstverband tussen werknemer en werkgever kan als nauwe betrekking in vorenstaande zin gelden. Het Hof van Justitie heeft voorts geoordeeld dat nationale afwijkende maatregelen waarmee beoogd wordt belastingfraude of -ontwijking te voorkomen, slechts mogen afwijken van de in de richtlijn vastgestelde maatstaf van heffing, voor zover dat strikt noodzakelijk is ter bereiking van dat doel (onder meer: Hof van Justitie 29 mei 1997, zaak C-63/96, Werner Skripalle).

20. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beantwoording van de vraag of het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Wet OB dient ter voorkoming van belastingfraude of -ontwijking niet relevant of tot de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling reeds sprake was van belastingfraude of -ontwijking. Het woord “voorkomen” impliceert dit reeds. De vraag die resteert is of mogelijk belastingontwijking zou optreden als alleen omzetbelasting zou worden geheven over de eigen bijdrage van de werknemer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Als artikel 8, vierde lid, van de Wet OB niet zou gelden, zou in dat geval de verschuldigde omzetbelasting ten aanzien van het privégebruik, hoe omvangrijk ook, beperkt kunnen blijven tot de omzetbelasting over die bijdrage, hoe gering ook. Ingeval de werknemer geen eigen bijdrage betaalt moet op basis van artikel 4, tweede lid, van de Wet OB in beginsel omzetbelasting worden betaald over het daadwerkelijke privégebruik door de werknemer.

21. Voorts is in artikel 2a, eerste lid, onderdeel s, van de Wet OB bepaald dat de maatstaf van heffing niet hoger wordt gesteld dan de vergoeding die door die werknemer op de markt zou moeten worden betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever maatregelen heeft getroffen die niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is om belastingontwijking tegen te gaan (vergelijk: zaak Werner Skripalle, rechtsoverwegingen 17 en 18). Dit geldt temeer nu in onderdeel 2.4.1 van het Besluit van 11 juli 20128 is goedgekeurd dat de forfaitaire regeling die geldt voor het privégebruik van een auto waarvoor een eigen bijdrage wordt ontvangen, ook mag worden toegepast ingeval wel een eigen bijdrage wordt ontvangen en artikel 8, vierde lid, van de Wet OB van toepassing is.

22. De tweede vraag die beantwoord moet worden is of Nederland ingevolge artikel 80, derde lid, van de Btw-richtlijn het BTW-Comité vooraf in kennis had moeten stellen van het voornemen om een maatregel ingevolge artikel 80, eerste lid, van de Btw-richtlijn te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet worden afgeleid uit het bepaalde in artikel 80, derde lid, van de Btw-richtlijn. Er wordt nadrukkelijk gesproken over maatregelen die lidstaten “hebben genomen” in plaats van “gaan nemen”.

23. (...).

24. Voor zover eiseres overigens heeft willen stellen dat zij te veel omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft zich aanvankelijk geconformeerd aan de forfaitaire regeling die is opgenomen in het Besluit 11 juli 2012. Net als het geval is voor het eerste halfjaar van 2011, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat eiseres aannemelijk maakt dat de voldoening van omzetbelasting op aangifte te hoog is geweest. Eiseres dient aannemelijk te maken dat zij een vergoeding in rekening heeft gebracht die overstemde [bedoeld zal zijn ‘overeenstemde’, A-G] met de marktwaarde van het privégebruik door de werknemer. Eiseres kan daarbij niet volstaan met de enkele stelling dat naar haar mening sprake is van een in bedrijfseconomisch opzicht gewenste en verantwoorde eigen bijdrage. Vaststaat immers dat eiseres slechts de overschrijding van de norm voor privégebruik aan haar werknemers heeft doorberekend. Eiseres is daarmee niet in het op haar rustende bewijs geslaagd. Het beroep wordt in zoverre ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het tweede halfjaar van 2011; auto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt betaald

25. Eiseres stelt dat de correctie wegens privégebruik van de auto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt betaald, beperkt dient te worden tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven en voldane bedrag, omdat de Wet van 22 december 20119 pas op 29 december 2011 in het Staatsblad is geplaatst en terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 niet toegestaan is.

26. De rechtbank is van oordeel dat artikel 4, tweede lid, van de Wet OB niet met terugwerkende kracht van toepassing is verklaard ten aanzien van het privégebruik van auto’s door werknemers en overweegt dienaangaande als volgt. De correctie wegens het privégebruik van een auto door een werknemer is tot 1 juli 2011 gebaseerd op het BUA. Met ingang van 1 juli 2011 valt het privégebruik auto niet meer onder het BUA. Dit brengt met zich dat artikel 16a van de Wet OB ook niet meer van toepassing is. Ter zake van het privégebruik van de auto’s door de werknemers is de omzetbelasting dan weer verschuldigd ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet OB. Nu artikel 4, tweede lid, van de Wet OB al sinds 2007 is opgenomen in de Wet OB, is van terugwerkende kracht in zoverre geen sprake.

2.3

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Hof

2.4

Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

3.1

In geschil is de hoogte van de over 2011 verschuldigde omzetbelasting in verband met het privégebruik van de auto’s. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Is met betrekking tot de twee bestelauto’s waarvoor de bijdrage wordt ontvangen in het eerste halfjaar van 2011 enkel omzetbelasting verschuldigd over de bijdrage of is daarnaast een aanvullende heffing verschuldigd op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA)?

2. Is met betrekking tot de twee bestelauto’s waarvoor de bijdrage wordt ontvangen in het tweede halfjaar van 2011 enkel omzetbelasting verschuldigd over de bijdrage of moet een ophoging plaatsvinden tot de normale waarde?

3. Dient met betrekking tot de (bestel)auto’s waarvoor geen bijdrage wordt ontvangen de op aangifte voldane omzetbelasting te worden verminderd tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven bedrag?

4. Dient met betrekking tot de bestelauto’s waarvoor geen bijdrage is ontvangen de correctie wegens privégebruik achterwege te blijven?

2.5

Het Hof heeft inzake het eerste geschilpunt overwogen:

3.2

Partijen zijn het erover eens dat de bijdrage een meer dan symbolische vergoeding is.

(...).

Het eerste halfjaar van 2011; twee bestelauto’s waarvoor een bijdrage wordt betaald

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het aan werknemers tegen betaling van de bijdrage ter beschikking stellen van de bij belanghebbende in eigendom zijnde twee bestelauto’s een dienst is in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet OB (respectievelijk artikel 24 van de Btw-richtlijn) en dat deze dienst niet ook nog een dienst in de zin van artikel 4, lid 2, van de Wet OB kan zijn. Gelet op het arrest Scandic gaan partijen daarbij naar het oordeel van het Hof uit van een juiste rechtsopvatting. Het Hof verwijst daarbij naar de punten 23, 24 en 30 van het arrest:

“23. De artikelen 5, lid 6 en 6, lid 2, van de Zesde richtlijn stellen bepaalde handelingen waarvoor door de belastingplichtige geen werkelijke tegenprestatie wordt ontvangen, gelijk met onder bezwarende titel verrichte goederenleveringen en diensten. Deze bepalingen beogen te verzekeren dat de belastingplichtige die een goed onttrekt of die een dienst voor privé-doeleinden van hemzelf of van zijn personeel verricht, gelijk wordt behandeld als de eindgebruiker die een goed of dienst van hetzelfde type afneemt (…). Ter verwezenlijking van dit doel verhinderen deze artikelen 5, lid 6, en 6, lid 2, sub a, dat een belastingplichtige die de BTW over de aankoop van een voor zijn bedrijf bestemd goed heeft kunnen aftrekken, geen BTW betaalt wanneer hij dit goed voor privé-doeleinden van hemzelf of van zijn personeel aan zijn bedrijfsvermogen onttrekt, en dus ongerechtvaardigde voordelen geniet in vergelijking met een eindgebruiker die het goed koopt en hierover BTW voldoet (….). Ook artikel 6, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn verhindert dat een belastingplichtige, of diens personeelsleden, een belastingvrijstelling krijgt voor diensten van de belastingplichtige waarover een privé-persoon BTW zou hebben moeten betalen.

24. (…) Deze bepalingen [Hof: artikel 5, lid 6 en artikel 6, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn] zien namelijk enkel op handelingen om niet (…).

30. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 2, 5, lid 6 en 6, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die handelingen waarvoor een werkelijke tegenprestatie wordt betaald, als een onttrekking van een goed of een verrichting van een dienst voor privédoeleinden beschouwt, ook indien deze tegenprestatie lager is dan de kostprijs van het geleverde goed of de dienst.”

4.2

Dit leidt het Hof echter niet tot het oordeel dat belanghebbende slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage. Op grond van artikel 1, lid 1, letter c, van het BUA wordt naast de heffing van omzetbelasting over de bijdrage de aftrek van omzetbelasting uitgesloten; ingevolge artikel 2 van het BUA wordt de aftrek echter niet uitgesloten tot het bedrag van de ter zake van de prestatie (de terbeschikkingstelling) verschuldigde belasting. Het Hof verwijst in verband hiermee naar zijn eerdere beslissing in de uitspraak van 25 maart 2014, nrs. 13/00955 en 13/00956, ECLI:NL:GHARL:2014:2578. Daarin overwoog het Hof:

4.4

Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in punt 4.2.2 van [HR 12 juli 2013 nr. 11/03740, ECLI:NL:HR:2013:22], faalt dit betoog. Deze overweging luidt:

“In het hiervoor vermelde arrest [Hof: het arrest Oracle] heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn zich niet verzet tegen een regeling op grond waarvan een belastingplichtige de btw die is betaald bij de aanschaf van bepaalde goederen en diensten die gedeeltelijk voor privédoeleinden en gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden ter beschikking worden gesteld, niet volledig doch slechts naar verhouding van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in aftrek kan brengen. In geval een vergoeding voor het privégebruik in rekening wordt gebracht, leidt dit op grond van artikel 2 van het BUA tot een verdere beperking van de aftrekuitsluiting. Gelet op hetgeen in voormeld arrest is overwogen in punt 59 tast dit de verenigbaarheid van dit onderdeel van het BUA met artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn niet aan.”

4.5

De omstandigheid dat in de tweede prejudiciële vraag in de zaak Oracle Nederland artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn wordt genoemd, leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof van Justitie betrekt die bepaling immers niet in de beantwoording van die vraag, doch acht daarvoor kennelijk slechts artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn bepalend.

4.3

De desbetreffende belanghebbende heeft tegen de in 4.2 genoemde uitspraak van het Hof beroep in cassatie aangetekend. A-G Van Hilten heeft in haar conclusie van 9 oktober 2014, nr. 14/02014, ECLI:NL:PHR:2014:189 geconcludeerd dat het Hof - uitgaande van een juiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd - terecht heeft geoordeeld dat het BUA in casu van toepassing is. In punt 6.20 van de conclusie concludeert zij dat uit het arrest Oracle volgt dat het Nederland is toegestaan op grond van het BUA de aftrek op personeelsvoorzieningen-waarvoor-betaald-wordt (deels) uit te sluiten. Zij acht de beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2013, nr. 11/03740, ECLI:NL:HR:2013:22, juist.10

4.4

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de aftrekbeperking op grond van het BUA feitelijk neerkomt op het stellen van de maatstaf van heffing op de voor de dienst gemaakte kosten in de zin van artikel 75 van de Btw-richtlijn en dat dat normaliter alleen aan de orde kan komen wanneer fraude of ontwijking voorkomen moet worden (en de lidstaat in bepalingen ter zake voorziet; vgl. artikel 80 van de Btw-richtlijn).

4.5

Dit betoog faalt eveneens. In zijn hiervoor genoemde arrest van 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad overwogen dat de verdere beperking van de aftrekuitsluiting ingevolge artikel 2 van het BUA, gelet op hetgeen in punt 59 van het arrest Oracle is overwogen, de verenigbaarheid van dit onderdeel van het BUA met artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 176 van de Btw-richtlijn) niet aantast. Nederland mocht deze nationale regeling, die vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn is vastgesteld, dus handhaven. Dat brengt mee dat niet behoeft te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 80 van de Btw-richtlijn.

4.6

Voor wat betreft dit eerste geschilpunt faalt het hoger beroep derhalve.

2.6

Het Hof heeft aangaande het tweede geschilpunt overwogen:

Het tweede halfjaar van 2011; twee bestelauto’s waarvoor een bijdrage wordt betaald

4.7

Belanghebbende stelt zich ook met betrekking tot het tweede halfjaar van 2011 op het standpunt dat zij slechts omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage van de werknemers. Een verhoging van de maatstaf van heffing op grond van artikel 8, lid 4, van de Wet OB, dient volgens belanghebbende achterwege te blijven. Ter onderbouwing voert zij aan dat geen sprake is van een maatregel ter voorkoming van belastingontwijking of belastingfraude, zodat niet wordt voldaan aan artikel 80 van de Btw-richtlijn.

4.8

Te dezen staat vast dat de werknemers die de auto’s ter beschikking hebben gekregen geen recht op aftrek van voorbelasting hebben. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige transacties zijn gesloten tussen personen met onderlinge banden als die welke in artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn zijn bedoeld.

4.9

Artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn geeft de lidstaten de mogelijkheid de maatstaf van heffing voor goederenleveringen of diensten op de normale waarde vast te stellen. Daarin is vermeld dat in deze afwijkingsmogelijkheid is voorzien teneinde “belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen”. Deze doelstelling wordt nader toegelicht in punt 3 van de considerans van de Btw-richtlijn (“teneinde te voorkomen dat zij, doordat via het inschakelen van verbonden partijen een belastingvoordeel wordt behaald, belastinginkomsten derven”)11 en in punt 26 van de considerans van de Btw-richtlijn (“teneinde te voorkomen dat zij, doordat via het inschakelen van verbonden partijen een belastingvoordeel wordt behaald, belastinginkomsten derven”).

4.10

In het arrest van het HvJ van 26 april 2012, C-621/10 en C-129/11, Balkan and Sea Properties, ECLI:EU:C:2012:248 heeft het HvJ met betrekking tot reikwijdte van artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn het volgende overwogen:

“46. Het moet worden benadrukt dat artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn volgens de bewoordingen van punt 26 van de considerans van deze richtlijn strekt tot het voorkomen van belastingfraude en belastingontwijking.

47. Wanneer goederen of diensten tegen een kunstmatig lage of hoge prijs worden geleverd of verricht tussen partijen die met betrekking tot de transactie allebei een recht op volledige aftrek genieten, kan er echter in deze fase, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, geen sprake zijn van belastingfraude of belastingontwijking. Een kunstmatig lage of hoge prijs kan enkel bij de eindverbruiker of in het geval van een gemengde belastingplichtige die slechts een recht op evenredige aftrek geniet, tot derving van belastinginkomsten leiden.

48. Bijgevolg bestaat enkel gevaar voor belastingfraude of belastingontwijking, waarvoor de lidstaten op grond van artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn maatregelen ter voorkoming mogen treffen, wanneer de bij de handeling betrokken persoon geen recht op volledige aftrek heeft.”

In punt 47 verwijst het HvJ naar punt 30 van de Conclusie van A-G Sharpston van 26 januari 2012, C-621/10 en C-129/11, ECLI:EU:C:2012:41 waarin zij onder meer vermeldt:

“30. Wanneer goederen of diensten tegen een kunstmatig lage of hoge prijs worden geleverd of verricht tussen partijen die met betrekking tot de transactie allebei een volledig recht op aftrek genieten, met andere woorden wanneer zowel de leverancier of de dienstverrichter als de afnemer enkel belastbare handelingen verrichten, is er in deze fase geen sprake van belastingfraude of ‑ontwijking. Wat de transactie in kwestie betreft, is de belasting volstrekt neutraal voor beide partijen en blijft zij, ongeacht de overeengekomen prijs, neutraal. Evenmin kunnen er in deze fase belastinginkomsten worden “gederfd”. Een kunstmatig lage of hoge prijs kan slechts tot een derving van belastinginkomsten leiden wanneer de toeleveringsketen eindigt, hetzij volledig - dus bij de eindverbruiker -, hetzij gedeeltelijk - bij een “gemengde” belastingplichtige die een recht op evenredige aftrek geniet. Pas in die fase wordt het volledige bedrag van de over de gehele toeleveringsketen verschuldigde btw definitief “gekristalliseerd” - en dit bedrag wordt louter aan de hand van de uiteindelijke prijs bepaald, ongeacht de bedragen die eerder in de keten in rekening zijn gebracht.”

4.11

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 8, lid 4, van de Wet OB een maatregel is ter voorkoming van belastingfraude of belastingontwijking in de zin van artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn. De Rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat als deze maatregel niet zou gelden, de verschuldigde omzetbelasting met betrekking tot het privégebruik, hoe omvangrijk ook, beperkt zou kunnen blijven tot de omzetbelasting over de bijdrage, hoe gering ook [Hof: met als ondergrens de symbolische vergoeding]. Ingeval de werknemer echter geen bijdrage betaalt, moet op basis van artikel 4, lid 2, van de Wet OB in beginsel omzetbelasting worden betaald over het daadwerkelijke privégebruik door de werknemer. Het Hof sluit zich bij dit oordeel van de Rechtbank en deze redengeving aan.

4.12

Een symbolische vergoeding vormt immers geen vergoeding voor een economische activiteit (vgl. onder meer HR 29 juni 2012, nr. 10/00786, ECLI:NL:HR:2012:BR4525). In gevallen waarin geen bijdrage voor het privégebruik wordt gevraagd zou - zonder het bepaalde in artikel 8, lid 4, van de Wet OB - omzetbelasting kunnen worden ontgaan door net iets meer dan een symbolische vergoeding voor dat privégebruik te vragen. Uit het hiervoor genoemde arrest Balkan and Sea Properties volgt dat artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn ziet op deze vorm van belastingontwijking. Het Hof wijst daarbij erop dat de in dat arrest bedoelde “kunstmatige vergoeding” niet zo laag zal zijn dat de vergoeding een symbolische is, omdat in het arrest uitgangspunt is dat de vergoeding een belastbare prestatie is.

4.13

Uit zijn brief van 17 juni 2011 aan de Tweede Kamer, nr. DV2011/318, waarin een wetswijziging wordt aangekondigd die terugwerkt tot 1 juli 2011, volgt dat de staatssecretaris van Financiën voorkoming van deze vorm van belastingontwijking voor ogen heeft gehad:

“Om te voorkomen dat de btw-heffing ontgaan kan worden door de auto niet kostenloos, maar tegen een te lage vergoeding ter beschikking te stellen voor het privé gebruik, zal een anti-misbruikmaatregel getroffen worden.

(…) de beoogde wetswijziging ziet op een aanvulling in de Wet OB in die zin dat - gebaseerd op een kan-bepaling in de BTW-richtlijn - de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting op de zogenoemde normale waarde kan worden vastgesteld, dit ter voorkoming van het ontgaan van een reële heffing voor het privégebruik van de auto.”

4.14

In het persbericht van dezelfde datum wordt dit bevestigd:

“Om te komen tot een reële btw-heffing in geval de auto voor het privé gebruik kosteloos ter beschikking wordt gesteld of tegen een lage vergoeding zal een maatregel getroffen worden.”

4.15

Belanghebbende heeft in dit kader een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 29 mei 1997, C-63/96, Skripalle, ECLI:EU:C:1997:263 (hierna: het arrest Skripalle). Het arrest Skripalle betrof de vraag of Duitsland in het kader van op de voet van artikel 27 Zesde richtlijn (thans: artikel 395 Btw-richtlijn) getroffen maatregelen, in geval van (huur)transacties tussen familieleden of nauw met elkaar verbonden personen een fictieve maatstaf mag hanteren. Op grond van de Duitse regeling vormden de gemaakte kosten de maatstaf van heffing zelfs in de gevallen waarin het duidelijk was dat de overeengekomen tegenprestatie minder bedroeg dan deze kosten en die tegenprestatie overeenkwam met de huurprijs die op de markt gebruikelijk was. Het Hof van Justitie oordeelde dat de Duitse regeling verder ging dan noodzakelijk voor bestrijding van misbruik of fraude.

4.16

Ook voor maatregelen op de voet van artikel 27 Zesde richtlijn geldt de beperking dat de voorwaarden moeten strekken tot het voorkomen van belastingfraude of belastingontwijking. In zoverre is het genoemde arrest Skripalle dus ook van belang voor de beoordeling van het onderhavige geschil.

4.17

Artikel 2a, lid 1, aanhef en letter s, van de Wet OB luidt:

1. In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder: s. normale waarde:

1°. het volledige bedrag, de omzetbelasting niet daaronder begrepen, dat de afnemer van goederen of diensten, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen, in dezelfde handelsfase als waarin de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht, op het tijdstip van die levering of van die verrichting en bij vrije mededinging daarvoor zou moeten betalen aan een zelfstandige leverancier of dienstverrichter in Nederland;

2°. indien geen vergelijkbare levering of verrichting als bedoeld onder 1° voorhanden is: (...)

4.18

Indien te dezen vast zou komen te staan dat de bijdrage van € 100 overeenkomt met de (huur)prijs die in de tweede helft van 2011 op de markt gebruikelijk was, kan - gelet op de voornoemde wetsbepaling - de maatstaf van heffing niet op een hoger bedrag worden vastgesteld. De situatie van Skripalle doet zich dus niet in de Nederlandse situatie voor.

4.19

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de melding in de zin van artikel 80, lid 3, van de Btw-richtlijn te laat heeft plaatsgevonden c.q. dat het BTW-Comité voorafgaand aan de invoering van de maatregel in kennis had moeten worden gesteld van het voornemen de maatregel te treffen, heeft de Rechtbank geoordeeld dat dit niet kan worden afgeleid uit het bepaalde in artikel 80, lid 3, van de Btw-richtlijn. De Rechtbank wijst erop dat daarin nadrukkelijk wordt gesproken over maatregelen die lidstaten “hebben genomen” in plaats van “gaan nemen”. Het Hof sluit zich bij dit oordeel van de Rechtbank aan en maakt dit tot het zijne. Het Hof wijst in verband hiermee voorts op de beslissing van het Hof van Justitie in het arrest Heintz van Landewijck (HvJ 15 juni 2006, C-494/04, ECLI:EU:C:2006:407). Dit arrest betrof de toepassing van artikel 27, lid 5, van de Zesde richtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten bepaalde bijzondere maatregelen mochten handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie voor 1 januari 1978 van de maatregelen in kennis stelden. Die bepaling is in die zin strikter dan artikel 80, lid 3, Btw-richtlijn dat daarin is bepaald dat de desbetreffende maatregel voor een bepaalde datum moet worden gemeld. Het Hof van Justitie oordeelt dat een melding na de genoemde datum nog mogelijk is. De niet-inachtneming van de termijn voor kennisgeving vormt volgens het Hof van Justitie geen schending van een wezenlijk procedureel voorschrift, die tot niet‑toepasselijkheid van de te laat meegedeelde afwijkende maatregel leidt.

2.7

Het Hof heeft ook belanghebbendes stelling verworpen dat de terugwerkende kracht van de Wet uitwerking autobrief in strijd zou zijn met de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM:

4.20

Voorts meent belanghebbende dat toepassing van artikel 8, lid 4, van de Wet OB in de periode vanaf 1 juli 2011 tot 29 december 2011 in strijd is met de Grondwet, omdat de Wet van 22 december 2011 op 29 december 2011 in het Staatsblad is geplaatst. Eerst met ingang van laatstgenoemde datum is volgens belanghebbende sprake van een geldige rechtsgrond voor de heffing van omzetbelasting over de normale waarde.

4.21

Het Hof merkt allereerst op dat in de regel aangesloten moet worden bij het moment van inwerkingtreding van de wet - in casu 1 januari 2012 - en niet bij het moment van publicatie daarvan (29 december 2011), waarvan belanghebbende uitgaat. Pas vanaf de inwerkingtreding geldt een wet, al dan niet met terugwerkende kracht. Voorts merkt het Hof op dat artikel 8, lid 4, van de Wet OB, anders dan belanghebbende betoogt, niet op die datum is ingevoerd maar is gewijzigd. Per 1 januari 2012 is daaraan toegevoegd dat de vergoeding wordt gesteld op de normale waarde van de dienst indien een auto tegen een lagere vergoeding dan de normale waarde voor andere dan bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt gegeven aan een verbonden afnemer die geen volledig recht op aftrek heeft uit hoofde van artikel 15 van de Wet OB.

4.22

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel zich in het algemeen ertegen verzet dat een nationale regeling die onder het unierecht valt, reeds vóór de publicatie ervan van kracht is. Hiervan kan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (vgl. HvJ 26 april 2005, Goed Wonen, C-376/02, ECLI:EU:C:2005:251, punten 33 en 34 en de daarin genoemde jurisprudentie). Met betrekking tot het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel wordt in punt 45 van het arrest Goed Wonen overwogen dat deze beginselen zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat, bij uitzondering en om te voorkomen dat tijdens de wetgevingsprocedure op grote schaal financiële constructies ter vermindering van de last van de belasting over de toegevoegde waarde worden toegepast die een wijzigingswet nu juist beoogd te bestrijden, aan deze wet terugwerkende kracht toekent, indien de marktdeelnemers die de economische handelingen waarop de wet doelt verrichten, van de komende vaststelling van deze wet en de voorgenomen terugwerkende kracht op zodanige wijze in kennis zijn gesteld dat zij in staat zijn te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor hun handelingen heeft.

4.23

In zijn brief van 17 juni 2011, nr. DV2011/318, aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën de onderhavige wetswijziging aangekondigd:

“(...) informeer ik u dat de ministerraad vandaag ingestemd heeft met het treffen van wet- en regelgeving om het privégebruik van een auto van de zaak op een andere wijze in de btw-heffing te betrekken. Aanleiding hiervoor is de uitspraak van de Rechtbank Haarlem van 1 juni 2011 (...) die in het uiterste geval tot gevolg zou kunnen hebben dat er geen btw geheven kan worden over het privégebruik van een auto van de zaak. Dit zou leiden tot een budgettaire derving van circa € 0,5 mld. per jaar (...)”

4.24

In de memorie van toelichting bij de Wet van 22 december 2011 is over deze wetswijziging vermeld:

3.5.

Btw-heffing privégebruik auto van de zaak

Bij brief van 17 juni 2011 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal* [noot: Kamerstukken II 2010/11,32 800, nr. 3] is een aantal wijzigingen aangekondigd wat betreft de btw-heffing over het privégebruik van een personenauto en bestelauto van de zaak. Het gaat daarbij met name om het privégebruik, inclusief woon-werkverkeer, door een ondernemer zelf en door zijn werknemers. (…)

Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel, met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011, in een bepaling voor de gevallen waarin de auto niet kosteloos in gebruik wordt gegeven, maar tegen een lagere vergoeding dan de zogenoemde «normale waarde». In die situatie wordt de grondslag voor de btw-heffing gecorrigeerd door deze te verhogen naar de normale waarde. In een nog te nemen beleidsbesluit zal worden goedgekeurd dat in plaats van btw-heffing over de normale waarde, het hiervoor genoemde forfait van 2,7% van de catalogusprijs (incl. btw en BPM) ook in deze situatie toegepast mag worden.

(…)

Zoals beschreven in de brief van 17 juni 2011, zijn deze wijzigingen nodig om de btw-heffing over het privégebruik van de auto van de zaak veilig te stellen. Directe aanleiding voor deze wijzigingen is de uitspraak van Rechtbank Haarlem [Rechtbank Haarlem, 1 juni 2011, zaaknr. AWB 09/3866], maar ook heeft hierbij een rol gespeeld de lopende procedure voor het Hof van Justitie C-594/10, Van Laarhoven, waarin de koppeling aan de bijtelling c.q. onttrekking voor privégebruik in de loon- en inkomstenbelasting ter discussie staat. Verlies in deze zaken tot in de hoogste rechtsinstantie had namelijk in het uiterste geval tot gevolg kunnen hebben dat er geen btw over het privégebruik van een auto van de zaak geheven zou kunnen worden. Dit zou leiden tot een dermate grote budgettaire derving dat het onacceptabel was dit risico te lopen. Eerdere jurisprudentie bood in deze geen zekerheid op een goede afloop, zeker nu anders dan toen de milieudifferentiatie een rol speelt. Daarnaast speelt in deze keuze de enorme onzekerheid mee die langdurig zou blijven bestaan als eerst het oordeel van de hoogste rechtsinstantie zou worden afgewacht. Deze onzekerheid zou dan naar verwachting wederom gepaard gaan met massale bezwaarschriftenstromen hetgeen voor zowel de Belastingdienst als het bedrijfsleven een onwenselijke extra last betekent.

4.25

Uit de memorie van toelichting bij de Wet van 22 december 2011 (Kamerstukken 33.007, nr. 3, punt 3.5) volgt dat de wetgever bij het tot stand brengen van de wetswijziging ervan is uitgegaan dat als gevolg van het ontbreken van terugwerkende kracht het risico zou bestaan dat in de periode tussen de aankondiging van de wetswijziging en het van kracht worden ervan, op grond van de bestaande bepalingen van de Wet OB geen omzetbelasting over het privégebruik van een auto van de zaak geheven zou kunnen worden en dat dit zou leiden tot een dermate grote budgettaire derving (van 0,5 miljard euro per jaar) dat het onacceptabel was dit risico te lopen. De directe aanleiding voor de wetswijziging was de uitspraak van Rechtbank Haarlem en de lopende procedure voor het Hof van Justitie C-594/10, Van Laarhoven (HR 29 oktober 2010, nr. 08/01579, ECLI:NL:HR:2010:BH6453). Voorts werd gevreesd voor massale bezwaarschriftenstromen die voor zowel de Belastingdienst als het bedrijfsleven een onwenselijke extra last meebrengen.

4.26

Naar het oordeel van het Hof zijn deze argumenten steekhoudend. Gelet op de genoemde lopende procedures, was het risico dat na de aankondiging van de wetswijziging en vóór het van kracht worden daarvan geen of beduidend minder omzetbelasting geheven kon worden ter zake van privégebruik van auto’s, naar het oordeel van het Hof voldoende groot om de terugwerkende kracht van de Wet van 22 december 2011 te rechtvaardigen. Hoewel de genoemde lopende procedures - anders dan te dezen - over het privégebruik door ondernemers handelden, lag het niet in de rede bij het verlaten van het van de Btw-richtlijn afwijkende correctiemechanisme met betrekking tot privégebruik van auto’s door ondernemers de nieuwe regeling niet ook te laten gelden voor werknemers.

4.27

In de tweede plaats is het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar het oordeel van het Hof naar behoren in acht genomen. Het Hof wijst in dat verband erop dat in het genoemde persbericht van 17 juni 2011 is vermeld dat de wet- en regelgeving met betrekking tot de heffing van omzetbelasting ter zake van het privégebruik van een auto per 1 juli 2011 zal wijzigen, dat het kosteloos ter beschikking stellen van een auto aan ondernemers en werknemers voortaan als fictieve dienst wordt aangemerkt en belast naar het werkelijke privégebruik van de auto en dat een maatregel zal worden getroffen voor het tegen een lage vergoeding ter beschikken stellen van een auto. Details over de wijzigingen in de wet- en regelgeving zijn opgenomen in de in 4.23 genoemde brief van de staatssecretaris van dezelfde datum aan de Tweede Kamer. Gelet op de inhoud van het persbericht en de brief had [belanghebbende, A-G] moeten begrijpen dat de voorgenomen wetswijziging op haar situatie betrekking zou hebben.

4.28

Belanghebbende heeft met betrekking tot het tweede geschilpunt voorts een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Belanghebbende stelt dat artikel 8, lid 4, van de Wet OB in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, omdat artikel 8, lid 4, van de Wet OB met terugwerkende kracht is ingevoerd. Belanghebbende gaat daarbij ervan uit dat de verschuldigde omzetbelasting vanwege het privégebruik van de bestelauto(’s) over het eerste halfjaar 2011 moet worden berekend op € 104 (19/119 x € 650 (de bijdrage)) en over het tweede halfjaar 2011 op € 491 (6/12 x 2,7% x €36.372 (cataloguswaarde). Gelet op hetgeen met betrekking tot het eerste geschilpunt is overwogen, is het uitgangspunt van belanghebbende met betrekking tot het eerste halfjaar echter onjuist. Daaruit volgt namelijk dat belanghebbende over het eerste halfjaar 2011 terecht een bedrag heeft aangegeven en voldaan met betrekking tot het privégebruik van een bestelauto (door belanghebbende berekend op € 541). In het tweede halfjaar 2011 heeft belanghebbende € 692 (zie 2.5) aangegeven en voldaan voor het privégebruik gedurende een half jaar voor de ene bestelauto en gedurende vier maanden voor de andere bestelauto. Zoals hierna in 4.38 is overwogen heeft belanghebbende dat bedrag terecht aangegeven en voldaan. Nu de heffing in het eerste halfjaar één bestelauto betrof en in het tweede halfjaar (deels) twee bestelauto’s, en de heffing in het tweede halfjaar ongeveer 30% hoger is dan de heffing over het eerste halfjaar, kan het Hof belanghebbende niet volgen in haar betoog dat te dezen sprake is van een lastenverzwaring die voor haar een “individual and excessive burden” vormt als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

4.29

Belanghebbende betoogt voorts dat op haar een onredelijke last wordt gelegd waarbij het ontbreekt aan een “fair balance” tussen de met de terugwerking beoogde belangen en de gevolgen ervan voor de positie van de belanghebbende, en dat die beoordeling in het onderhavige geval moet leiden tot de conclusie dat voor de terugwerkende kracht geen rechtvaardiging bestond. Nu slechts de wijze van heffing met ingang van 1 juli 2011 is gewijzigd, faalt dit betoog eveneens.

4.30

Met betrekking tot het tweede geschilpunt faalt het hoger beroep van belanghebbende derhalve.

2.8

Het Hof heeft omtrent het derde geschilpunt overwogen:

Het tweede halfjaar van 2011; (bestel)auto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt betaald

4.31

Belanghebbende stelt dat de correctie wegens privégebruik van de (bestel)auto’s waarvoor geen bijdrage wordt betaald, beperkt dient te worden tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven en voldane bedrag, omdat de Wet van 22 december 2011 pas op 29 december 2011 in het Staatsblad is geplaatst en terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 niet toegestaan is.

4.32

Op de gronden als vermeld in 4.21 en volgende faalt ook dit standpunt van belanghebbende.

2.9

Het Hof heeft inzake het vierde geschilpunt overwogen:

Het jaar 2011; bestelauto’s waarvoor geen bijdrage wordt betaald

4.33

Tussen partijen staat vast dat belanghebbende haar werknemers toestaat de bestelauto’s mede te gebruiken voor privédoeleinden. Dat brengt mee dat uitsluiting van de aftrek dient plaats te vinden op grond van het BUA (eerste halfjaar 2011) dan wel een heffing moet volgen met betrekking tot de fictieve dienst (artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB; tweede halfjaar).

4.34

Indien belanghebbendes betoog met betrekking tot de heffing van omzetbelasting ter zake van het (privé)gebruik van leaseauto’s al juist zou zijn12, brengt dat niet mee dat deze gevolgen eveneens hebben te gelden voor de terbeschikkingstelling van auto’s die tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer behoren. Elke ondernemer heeft de keuze bij de terbeschikkingstelling van een auto aan zijn werknemer daarvoor een tot zijn bedrijfsvermogen behorende auto te gebruiken danwel de auto van een derde te leasen. Beide handelingen dienen voor toepassing van de omzetbelasting op hun eigen merites te worden beoordeeld. De terbeschikkingstelling van een “eigen” auto kan niet worden gelijkgesteld met andere naar nationale recht in aanmerking komende oplossingen die niet tot een correctie wegens privégebruik zouden leiden, maar die belanghebbende zelf niet heeft gekozen (vgl. HvJ 13 maart 2014, C-204/13, Malburg, ECLI:EU:C:2014:147, punt 46).

4.35

Ook met betrekking tot dit geschilpunt faalt het hoger beroep van belanghebbende.

2.10

Het Hof heeft aangaande de verschuldigde belasting overwogen:

Berekening van de verschuldigde belasting

4.36

Op de Inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat en in hoeverre de bestelauto’s voor privédoeleinden van de werknemers worden gebruikt (vgl. HR 12 juli 2013 nr. 11/03740, ECLI:NL:HR:2013:22, punt 5.2.1 en HR 15 maart 2000, nr. 35208, ECLI:NL:HR:2000:AA5138).

4.37

Te dezen is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van privégebruik van de (bestel)auto’s. Het is aan belanghebbende de benodigde gegevens te verstrekken voor de vaststelling van de voor het privégebruik van de auto’s gedane uitgaven (zie punt 2.4 van het eindarrest in de zaak Van Laarhoven; HR 30 november 2012, nr. 08/1579bis, ECLI:NL:HR:2012:BY4581). Vaststaat dat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden. Zij heeft aangevoerd dat zij zich in verband daarmee aanvankelijk heeft geconformeerd aan de berekening zoals die voortvloeit uit het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 9 februari 2009, nr. CPP2009/109M (eerste halfjaar 2011) en het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M (tweede halfjaar 2011). Zij heeft nadien geen gegevens verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke uitgaven zijn gedaan voor het privégebruik van de (bestel)auto’s danwel welk lagere bedrag aan omzetbelasting is verschuldigd dan op aangifte is voldaan.

4.38

Gelet daarop ziet het Hof geen aanleiding de teruggaafbeschikking op een hoger bedrag vast te stellen.

2.11

Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.

Het beroepschrift in cassatie

3.2

In cassatie voert belanghebbende vijf klachten aan. De eerste vier klachten hangen samen met de volgende vragen:

1. Is belanghebbende ter zake van het privégebruik van twee bestelauto's gedurende het eerste halfjaar 2011 naast de omzetbelasting over de eigen bijdrage door de werknemers ook omzetbelasting verschuldigd op grond van een aanvullende aftrekbeperking krachtens het BUA?

2. Is belanghebbende voor het privégebruik van die twee bestelauto’s gedurende de tweede helft van 2011 omzetbelasting verschuldigd over de daadwerkelijk betaalde eigen bijdrage van werknemers of is omzetbelasting verschuldigd over de normale waarde (die forfaitair op 2,7% van de cataloguswaarde van de auto’s kan worden gesteld)?

3. Kan belanghebbende de omzetbelasting voor privégebruik personen- of bestelauto’s gedurende het tweede halfjaar - waarvoor de werknemers geen eigen bijdrage verschuldigd waren - beperken tot 3/184 deel van het aangegeven bedrag?

4. Kan de btw-correctie privégebruik auto - vanwege de bedrijfsmatige noodzaak tot ter beschikking stelling - achterwege blijven bij de vier bestelauto’s waarvoor geen eigen bijdrage van de werknemers is ontvangen?

3.3

De eerste vraag licht belanghebbende als volgt toe:

Belanghebbende kan zich niet verenigen met de beslissing van het Gerechtshof dat naast de omzetbelasting over de eigen bijdrage ruimte is voor een aftrekbeperking op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter c van het BUA.

Deze bepaling zag weliswaar in de eerste helft van 2011 onder andere op “privé-vervoer” van personeel per auto, maar daar wordt naar de mening van belanghebbende niet aan toegekomen. De beslissing van het Gerechtshof is naar de mening van belanghebbende namelijk in strijd met de door het Gerechtshof aangehaalde rechtsoverweging 30 uit het arrest ‘Hotel Scandic Gåsabäck’ van het Hof van Justitie (zaak C-412/03 d.d. 20 januari 2005), die letterlijk luidt: “Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 2, 5, lid 6 en 6, lid 2 sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die handelingen waarvoor een werkelijke tegenprestatie wordt betaald, als een onttrekking van een goed of een verrichting van een dienst voor privédoeleinden beschouwt, ook indien deze tegenprestatie lager is dan de kostprijs van het geleverde goed of de dienst”.

In het onderhavige geval is sprake van een werkelijke tegenprestatie. Zie onderdeel 3.2 van de uitspraak van het Gerechtshof. In de optiek van het Hof van Justitie kan dus geen sprake zijn van “privé-vervoer” in de zin van het BUA.

Verder sluit belanghebbende zich aan bij hetgeen namens de belastingplichtige in de al bij uw raad voorliggende procedure met zaaknummer F14/02014 is opgemerkt in zowel het cassatieberoepschrift als in de reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal. (...).

Uit die opmerkingen kan worden geconcludeerd dat het primaire geschilpunt in de procedure F14/02014 en het eerste geschilpunt in de onderhavige procedure gelijkluidend zijn. Verschillend is echter dat in die andere procedure als uitgangspunt heeft te gelden dat sprake is van een kostendekkende eigen bijdrage, terwijl in de onderhavige procedure partijen het er niet alleen over eens zijn dat de eigen bijdrage een meer dan symbolische vergoeding is (zie onderdeel 3.2 van de uitspraak van het Gerechtshof), maar ook dat deze niet kostendekkend is.

3.4

In de toelichting op de eerste vraag verzoekt belanghebbende de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:13

Over de toepassing van het bekende arrest ‘Oracle Nederland’ van het Hof van Justitie op de onderhavige casus en in het bijzonder de eerste rechtsvraag, merkt belanghebbende nog het volgende op.

In de onderhavige procedure zijn partijen het er over eens dat de dienst waarover de eerste rechtsvraag gaat, er een is die uitsluitend onder de werking van artikel 4, lid 1 Wet OB (artikel 24 btw-richtlijn) valt en niet onder werking van artikel 4, lid 2 Wet OB (artikel 26 btw- richtlijn). Het Gerechtshof acht dit een juiste rechtsopvatting, die overigens aansluit bij rechtsoverweging 24 van het arrest ‘Hotel Scandic Gåsabäck’ van het Hof van Justitie. In zijn algemeenheid kan dus worden geconcludeerd dat één bepaalde dienst niet onder zowel het bereik van artikel 24 als dat van artikel 26 van de btw-richtlijn kan vallen.

Het Hof van Justitie heeft in rechtsoverweging 39 van het arrest ‘PreussenElektra A.G.’ (zaak C-379/98 d.d. 13 maart 2001) kenbaar gemaakt geen antwoord te hoeven te geven op hypothetische vragen. Dit brengt met zich mee dat als een bepaald feitencomplex (dienst) leidt tot een prejudiciële vraag over bijvoorbeeld de toepassing van artikel 26 btw‑richtlijn en door het Hof van Justitie binnen die gegeven uitgangssituatie wordt beantwoord, dit antwoord niet kan worden beschouwd als een antwoord op een vraag over de toepassing van bijvoorbeeld artikel 24 btw-richtlijn op hetzelfde feitencomplex (dienst). Immers, de niet gestelde prejudiciële vraag over artikel 24 van de btw-richtlijn zou feitelijk als een hypothetische vraag moeten worden beschouwd.

Derhalve is belanghebbende van mening dat het arrest 'Oracle Nederland’ van het Hof van Justitie over artikel 26 btw-richtlijn - waar u in uw arrest van 12 juli 2013 (nummer 11/03740) ook naar verwijst - niet van toepassing kan zijn op de onderhavige casus waarvan niet ter discussie staat dat deze onder de werking van artikel 24 btw-richtlijn valt.

Belanghebbende concludeert dan ook dat rechtsoverweging 30 uit het arrest ‘Hotel Scandic Gåsabäck’ niet is achterhaald. Hetgeen naar haar mening betekent dat er geen plaats is voor een BUA-correctie naast het verschuldigd worden van omzetbelasting over een reële (meer dan symbolische) vergoeding. Zij meent dan ook dat de beslissing van het Gerechtshof op dit onderdeel een schending van het recht oplevert.

Als u van mening bent dat onduidelijk is of in deze situatie het arrest ‘Oracle Nederland’ dient te prevaleren boven het arrest ‘Hotel Scandic Gåsabäck’, vraagt dit naar de mening van belanghebbende om een nadere uitleg van de btw-richtlijn. Zij verzoekt u dan om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

3.5

De tweede vraag wordt als volgt toegelicht:

Het Gerechtshof heeft verder beslist dat de btw-correctie voor het privégebruik van twee bestelauto's gedurende het tweede halfjaar van 2011 en waarvoor de werknemers een vergoeding hebben betaald, dient te worden gebaseerd op de normale waarde van dat privégebruik en niet op de daadwerkelijk betaalde vergoeding.

Belanghebbende meent dat de beslissing van het Gerechtshof ook op dit onderdeel een schending van het recht impliceert en niet in stand kan blijven. Deze mening is gebaseerd op het volgende:

1. De regeling omtrent de normale waarde kan slechts worden toegepast indien de feitelijke situatie voldoet aan artikel 8, lid 4 Wet OB. Binnen de context van deze procedure brengt dat met zich mee dat dient te worden voldaan aan het vereiste dat de auto “voor andere dan bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt gegeven”. Aan dit vereiste wordt per definitie niet voldaan als sprake is van een prestatie tegen een reële/werkelijke vergoeding. Dit heeft het Hof van Justitie immers overwogen en beslist in rechtsoverweging 30 van het arrest ‘Hotel Scandic Gåsabäck’.

2. Het Gerechtshof stelt dat tussen partijen sprake is van verbonden partijen in de zin van artikel 8, lid 4 Wet OB c.q. artikel 80 btw-richtlijn. Dit is echter pas het geval vanaf het moment dat een werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Het beschikbaar stellen van een bestelauto is (ook in de onderhavige casus) een secundaire arbeidsvoorwaarde die feitelijk tussen belanghebbende en de berijder wordt overeengekomen vóórdat de arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Tot het moment van het sluiten van die overeenkomst handelen belanghebbende en de berijder als onafhankelijke partijen, waarvan kan worden aangenomen dat zij op zakelijke basis met elkaar handelen, bijvoorbeeld over de hoogte van de eigen bijdrage. Daarmee wordt niet voldaan aan de letterlijke vereiste voor de toepassing van artikel 80 btw-richtlijn en daarop gebaseerde nationaalrechtelijke bepalingen.

3. Hoewel partijen veronderstellen dat de vergoeding lager is dan de normale waarde zoals omschreven in artikel 2a, lid 1, letter s Wet OB, dan nog acht belanghebbende de toepassing van een op artikel 80 btw-richtlijn gebaseerde bepaling niet van toepassing. Zoals het Hof van Justitie in het arrest d.d. 26 april 2012 over de gevoegde zaken ‘Balkan and Sea Properties’ (zaak C-621/10) en ‘Provadinvest’ (zaak C-129/11) in de onderdelen 43 en 44 overweegt, leidt een fundamenteel beginsel er toe dat in het algemeen de maatstaf van heffing de werkelijk ontvangen tegenprestatie is en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Dit beginsel is in artikel 73 van de btw-richtlijn tot uiting gebracht. De uitzondering hierop in de vorm van artikel 80 btw-richtlijn, dient strikt te worden uitgelegd (rechtsoverweging 45). Uit rechtsoverweging 46 volgt naar de mening van belanghebbende dat die uitzondering alleen bestaat als daadwerkelijk sprake is van belastingfraude of ontwijking. Preventieve werking - dat wil zeggen de uitzondering ook toepassen indien fraude of ontwijking mogelijk is - op grond van de woorden “te voorkomen” in artikel 80 van de btw-richtlijn, lijkt belanghebbende niet toegestaan omdat dit in strijd is met het fundamentele beginsel dat in artikel 73 btw-richtlijn tot uiting is gebracht en geen strikte uitleg is van de uitzondering zoals het Hof van Justitie in rechtsoverweging 45 gebood.

Gelet op de hiervoor vermelde overwegingen van het Hof van Justitie en meer in het algemeen het evenredigheidsbeginsel, dient nog te worden beoordeeld of de vergoeding kunstmatig laag is. Immers, alleen dan is sprake van te bestrijden belastingontwijking. Gelet op de tegengestelde financiële belangen tussen een werkgever en diens (toekomstige) werknemers, is daarvan normaliter geen sprake. Naar de mening van belanghebbende is het daarom de taak van de inspecteur om het tegendeel te bewijzen, hetgeen hij i.c. niet heeft gedaan.

Aan het feit dat de vergoeding niet kostendekkend is, kan overigens niet het vermoeden worden ontleend dat sprake is van een kunstmatig lage vergoeding. Zie rechtsoverweging 26 van zowel het arrest ‘Skripalle’ van het Hof van Justitie (zaak C-63/96 d.d. 29 mei 1997) als het arrest ‘Hotel Scandic Gäsabäck’.

Naar aanleiding van onderdeel 4.19 van de uitspraak van het Gerechtshof merkt belanghebbende op dat zij constateert dat het Gerechtshof haar beroep op een te late melding ex artikel 80, lid 3 btw-richtlijn afwijst op basis van een taalkundige uitleg van de btw-richtlijn, zonder te reageren op haar stelling dat de stelling dat een wezenlijk procedureel voorschrift is geschonden.

De verwijzing door het Gerechtshof naar het arrest ‘Heintz van Landewijck SARL’ van het Hof van Justitie (zaak C-494/04 d.d. 15 juni 2006) kan niet als een reactie worden beschouwd. Uit rechtsoverweging 49 van dat arrest blijkt namelijk dat die casus ging om een maatregel die bestond vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn en waarvan de Europese Commissie in eerste instantie niet de mening was toegedaan dat sprake was van een afwijking van de Zesde richtlijn. Het arrest van het Hof van Justitie ziet dus op een andere situatie dan die in de onderhavige procedure aan de orde is. Zelfs als aan dat verschil voorbij zou was mogen worden gegaan, meent belanghebbende nog dat het arrest niet van toepassing kan zijn omdat in de onderhavige procedure handelen van een belastingplichtige als belastingontwijking of -fraude wordt gekwalificeerd, terwijl in het arrest geen sprake was van het kwalificeren van handelingen van een ondernemer. Vanwege de hiervoor bedoelde kwalificatie is het van wezenlijk belang dat de lidstaten maatregelen op grond van artikel 80 van de btw-richtlijn vooraf melden. Dit maakt dat de meldingsprocedure qua strekking, naar de mening van belanghebbende, een wezenlijk procedureel voorschrift is.

Belanghebbende concludeert derhalve dat dit onderdeel van de uitspraak een schending van het recht dan wel een motiveringsgebrek behelst.

Zelfs indien u van oordeel bent dat met het bovenstaande het gelijk niet aan de zijde van belanghebbende is, meent belanghebbende dat de regeling over het hanteren van de normale waarde in plaats van de daadwerkelijke vergoeding, niet kan worden toegepast in het tweede halfjaar van 2011.

Het Gerechtshof constateert in onderdeel 4.21 van de uitspraak terecht dat geen sprake was van inwerkingtreding van artikel 8, lid 4 Wet OB maar van een wijziging. Per 1 januari 2012 en met terugwerkende kracht naar 1 juli 2011. Vervolgens wijst het Gerechtshof in onderdeel 4.22 van de uitspraak eveneens terecht op de het arrest ‘Goed Wonen’ van het Hof van Justitie (zaak C-376/02 d.d. 26 april 2005) geformuleerde voorwaarde voor het mogen hanteren van terugwerkende kracht, namelijk: “om te voorkomen dat tijdens de wetgevingsprocedure op grote schaal financiële constructies ter vermindering van de last van de belasting over de toegevoegde waarde worden toegepast die een wijzigingswet nu juist beoogt te bestrijden”. Belanghebbende constateert dat het hanteren van terugwerkende kracht bij de wijziging van artikel 8, lid 4 Wet OB niet aan deze voorwaarde voldoet. In de artikelsgewijze toelichting op artikel XXXII van kortweg de Wet uitwerking autobrief (Wet van 22 december 2011) leest zij namelijk: “Er is voor terugwerkende kracht gekozen om rekening te houden met de gevolgen indien de hoogste rechtsinstantie in de procedures genoemd in paragraaf 3.5 van de Algemene toelichting onverhoopt tot het oordeel zou komen, dat er voor de correctie privégebruik auto voor de omzetbelasting geen onderscheid mag worden gemaakt naar milieudifferentiatie. Een zodanig oordeel zou betekenen dat elke ondernemer een beroep zou kunnen doen op het laagste percentage. Dit laagste percentage is in 2011 0%”.

Belanghebbende ziet niet in hoe het gebruik maken van een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën uit diens besluit van 9 februari 2009 (CPP 2009/109M) kan worden beschouwd als het toepassen van een financiële constructie zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie.

Bovendien constateert belanghebbende dat de omzetbelasting over een vergoeding altijd meer bedraagt dan de omzetbelasting over 0% van de cataloguswaarde van de auto, zodat evenmin sprake kan zijn van een (beoogde) vermindering van de last van de belasting over de toegevoegde waarde zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie. Belanghebbende concludeert dan ook dat de uitspraak van het Gerechtshof op ook dit punt een schending van het recht behelst.

3.6

De toelichting op de derde vraag luidt:

Zoals het Gerechtshof in de onderdelen 4.31 en 4.32 van de uitspraak vermeldt, is belanghebbende de mening toegedaan dat de correctie wegens privégebruik van de personen- en bestelauto's waarvoor geen bijdrage wordt betaald, beperkt dient te blijven tot 3/184 van het over het tweede halfjaar 2011 aangegeven en voldane bedrag, omdat de wijziging van de Wet OB [met] terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 niet is toegestaan.

Het in onderdeel 4.32 van de uitspraak geformuleerde oordeel van het Gerechtshof op dit geschilpunt, is naar de mening van belanghebbende in strijd met het recht. Voor de onderbouwing van deze mening verwijst belanghebbende u naar hetgeen hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van onderdeel 4.21 van de uitspraak. Anders geformuleerd: omdat het gebruik maken van een goedkeuring van de staatssecretaris niet als een financiële constructie kan worden gekwalificeerd, is op grond van het arrest ‘Goed Wonen’ terugwerkende kracht niet toegestaan.

Belanghebbende concludeert hieruit dat op zijn vroegst 29 december 2011 sprake is van een nationaalrechtelijke grondslag voor het heffen van omzetbelasting over het gebruik van personen of bestelauto’s voor privédoeleinden van de werknemers gedurende het tweede halfjaar 2011, zodat deze beperkt dient te blijven tot hooguit 3/184 deel van het aangegeven en voldane bedrag.

3.7

Op de vierde vraag geeft belanghebbende de volgende toelichting:

De laatste rechtsvraag die in onderhavige procedure aan de orde is, betreft het gebruik van bestelauto’s waarvoor de werknemers/berijders geen vergoeding hebben betaald. Belanghebbende heeft bij het Gerechtshof een tweetal argumenten aangedragen waarom naar haar mening voor deze bestelauto’s geen btw-correctie voor zogenoemd privégebruik hoeft te worden aangegeven en te worden voldaan.

Het eerste argument (kort samengevat: geen aftrekbeperking of fictieve dienst voor bestelauto’s die belanghebbende zou leasen; op grond van het neutraliteitsbeginsel ook niet voor bestelauto's die belanghebbende in eigendom heeft) is door het Gerechtshof terzijde geschoven, enkel met de overweging dat de ter beschikkingstelling van een auto aan een werknemer die bij de werkgever tot het bedrijfsvermogen behoort en ter beschikkingstelling van een auto aan een werknemer die bij de werkgever van een derde leaset, twee handelingen zijn die voor toepassing van de omzetbelasting op eigen merites dienen te worden beoordeeld.

Het Gerechtshof gaat hierbij naar de mening van belanghebbende voorbij aan het arrest ‘The Rank Group’ van het Hof van Justitie (zaak C-259/10 d.d. 10 november 2011), met name rechtsoverweging 36. Deze rechtsoverweging impliceert naar de mening van belanghebbende dat het zogenoemde privégebruik vanuit de optiek van de werknemer dient te worden beoordeeld, dat het vanuit die optiek niet uitmaakt of de auto tot het bedrijfsvermogen van de werkgever behoort of wordt geleased en de ter beschikkingstelling van ‘een eigen auto of leaseauto’ voor de heffing van de omzetbelasting gelijk dient te worden verwerkt.

Belanghebbende meent derhalve dat het Gerechtshof met dit onderdeel van de uitspraak het recht schendt.

Als tweede argument is aangedragen dat ook uit de Hof van Justitie arresten ‘Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co KG’ (zaak C-258/95 d.d. 16 oktober 1997), ‘Danfoss A/S en AstraZeneca A/S’ (zaak C-371/07 d.d. 11 december 2008) en ‘EON Aset Menidjmunt’ (zaak C-118/11 d.d. 16 februari 2012) voortvloeit dat geen btw-correctie hoeft plaats te vinden.

Belanghebbende stelt zich namelijk op het standpunt, dat het beschikbaar stellen van de bedrijfsauto’s slechts haar eigen bedrijfseconomische doeleinden dient. Het zogenoemde privégebruik van de bestelauto’s is ondergeschikt aan en onzelfstandig ten opzichte van het gebruik voor zakelijke doeleinden. In een dergelijke situatie is voor een heffing over privégebruik geen plaats. Belanghebbende verwijst u daarvoor naar de op één na laatste alinea van bladzijde 3 van het Proces-verbaal van het Gerechtshof in de zaken 14/00452 tot en met 14/00455.

Dit tweede argument is door het Gerechtshof naar de mening van belanghebbende niet meegenomen bij het doen van de uitspraak. Belanghebbende heeft geen argumenten gelezen in de uitspraak van het Gerechtshof die haar tot de conclusie hebben gebracht dat het door haar aangebrachte argument rechtens niet juist zou zijn, zodat zij meent dat in zoverre sprake is van een schending van het recht en anders een motiveringsgebrek.

Verder meent belanghebbende, dat hetgeen de belanghebbende in de procedure met zaaknummer F 15/02240 als cassatiemiddel heeft ingebracht tegen de beslissing van het Gerechtshof over de gevolgen van het neutraliteitsbeginsel (eerste rechtsvraag), waar naar wordt verwezen, eveneens van toepassing is op de onderhavige rechtsvraag in deze procedure. Zij concludeert hieruit dat de uitspraak van het Gerechtshof over de onderhavige rechtsvraag een schending van het recht behelst.

3.8

De vijfde klacht ziet op ’s Hofs oordeel aangaande de berekening van de verschuldigde belasting.14 Belanghebbende merkt in verband met de bewijslastverdeling op:

Bij het Gerechtshof is belanghebbende beargumenteerd opgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank, dat de bewijslast dat de forfaitaire berekening van de btw-correctie, bij belanghebbende ligt. (...) het Gerechtshof [schendt] naar haar mening in de onderdelen 4.37 en 4.38 het recht (...).

3.9

Belanghebbende sluit af:

Belanghebbende verzoekt u op grond van het bovenstaande om de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen en te beslissen dat ter zake van:

 gebruik van een bestelauto tegen vergoeding door een werknemer gedurende het eerste halfjaar 2011 € 437 omzetbelasting aan belanghebbende wordt gerestitueerd (eerste geschilpunt);

 gebruik van twee bestelauto’s tegen vergoeding door werknemers gedurende het tweede halfjaar 2011 € 512 omzetbelasting aan belanghebbende dient te worden gerestitueerd (tweede geschilpunt);

 privégebruik van personen- en bestelauto’s zonder vergoeding gedurende het tweede halfjaar 2011 € 5.081 aan belanghebbende dient te worden gerestitueerd (derde geschilpunt);

 ondergeschikt en onzelfstandig privégebruik van bestelauto’s zonder vergoeding gedurende het hele jaar 2011 € 4.151 aan belanghebbende dient te worden gerestitueerd (vierde geschilpunt).

Tevens verzoekt belanghebbende u om de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van de gemaakte proceskosten.

Het verweerschrift in cassatie

3.10

Aangaande belanghebbendes eerste klacht merkt de Staatssecretaris op:

In dit kader is in geschil of naast de verschuldigdheid van omzetbelasting over de eigen bijdrage de aftrek van omzetbelasting kan worden uitgesloten op de voet van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA). Het antwoord is relevant voor het eerste halfjaar van 2011 ten aanzien van één (i.p.v. door het Hof vermelde twee) bestelauto waarvoor een bijdrage wordt betaald.

De beantwoording van deze rechtsvraag is mede onderwerp van de bij uw Raad lopende zaak, bekend onder nummer 14/02014. De stand van zaken in die procedure is op dit moment een door de Advocaat-Generaal genomen conclusie op 9 oktober 2014, waarvan door het Hof in r.o. 4.3 van de onderhavige uitspraak ook melding wordt gemaakt.

De door het Hof op dit punt getrokken conclusie in r.o. 4.6 en de daartoe gebezigde gronden in r.o. 4.1 tot en met 4.5 worden door mij volledig onderschreven. Het door belanghebbende gestelde vindt mijns inziens dan ook geen steun in het recht op de hierna volgende gronden.

Onder verwijzing naar het arrest van het hof van Justitie EU van 15 april 2010, C-538/08 en C-33/09, BNB 2010/220 (X Holding BV en Oracle Nederland BV), punten 59 en 60, heeft uw Raad bij arrest van 12 juli 2013, nr. 11/03740, r.o. 4.2.2, dit betoog van belanghebbende al verworpen. Hierbij dient te worden bedacht dat het bepaalde in artikel 2 van het BUA, dat betrekking heeft op eigen bijdragen van bijvoorbeeld personeelsleden, al sinds jaar en dag in het BUA is opgenomen. Het betreft een bepaling die voorziet in een beperking van de reikwijdte van de uitsluiting van het recht op aftrek. De wijze van toepassing van genoemd artikel 2 van het BUA als zodanig is niet in geschil in cassatie.

In feite bepleit belanghebbende met dit cassatiemiddel dat uw Raad terugkomt van het voormelde arrest. Daartoe bestaat echter geen enkele noodzaak c.q. aanleiding. De uitsluiting van de aftrek van omzetbelasting op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel c, in samenhang met artikel 2 van het BUA ter zake van het privégebruik van bedrijfsauto’s, waarvoor door de werknemers een eigen bijdrage wordt betaald, voor zover deze aftrek de verschuldigde omzetbelasting overtreft over de door de werknemers betaalde vergoeding, is in overeenstemming met artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn (thans: artikel 176 van de btw- richtlijn).

3.11

Als verweer op de tweede klacht voert de Staatssecretaris aan:

Hierbij is in geschil of de maatstaf van heffing voor het tweede halfjaar van 2011 op de voet van artikel 8, vierde lid van de Wet OB 1968 kan worden bepaald op de normale waarde van de terbeschikkingstelling voor privégebruik. Deze vraag wordt door belanghebbende betrokken op de twee bestelauto's waarvoor de werknemers in die periode een vergoeding hebben betaald.

Voor zover belanghebbende onder punt 1 op bladzijde 3 meent te constateren dat niet zou zijn voldaan aan de in artikel 8, vierde lid, van de Wet OB 1968 vermelde situatie, nu sprake is van een prestatie tegen vergoeding, kan ik dat betoog niet volgen. Uit de tekst van de bepaling en de wetsgeschiedenis is duidelijk dat deze bepaling ziet op gevallen waarin een auto tegen vergoeding in gebruik wordt gegeven aan o.m. een werknemer ten behoeve van privégebruik van de auto en/of gebruik van woon-werkverkeer. De omschrijving ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ omvat voormeld gebruik. In dat verband kan ook nog worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie EU van 13 maart 2008, C-437/06 (Securenta).

Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Wet OB 1968 vindt zijn basis in de ‘kan-bepaling’ van artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn. Dienaangaande dient te worden gebleven binnen de reikwijdte van die bepaling.

Het Hof heeft op overtuigende wijze, in het bijzonder met de verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie EU van 26 april 2012, C-621/10 en C-129/11 (Balkan and Sea Properties), in samenhang met punt 30 van de conclusie van A-G Sharpston, overwogen op welke wijze in deze context het voorkomen van belastingontwijking dient te worden begrepen.

In gevallen waarin (iets) meer dan een symbolische vergoeding voor het privégebruik zal worden gevraagd - die (beduidend) lager ligt dan het bedrag van de gemaakte uitgaven - aan een werknemer, niet aftrekgerechtigde persoon, zou indien de heffing van omzetbelasting beperkt blijft tot het bedrag van de vergoeding een aanzienlijk belastingvoordeel kunnen worden bewerkstelligd. In dat geval wordt omzetbelasting bespaard ten opzichte van het geval dat de terbeschikkingstelling van de auto om niet geschiedt, waarbij de heffingsmaatstaf immers bestaat uit de omvang van de gemaakte uitgaven voor het privégebruik. Om deze ontwijking te voorkomen kent art. 8, vierde lid, Wet OB 1968 vanaf 1 juli 2011 een maatstaf van heffing voor de onderhavige gevallen die gelijk is aan de normale waarde van de terbeschikkingstelling.

Mitsdien geeft de door belanghebbende voorgestane stringente uitleg van het begrip voorkomen van belastingontwijking als bedoeld in artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts staat vast dat Nederland het BTW-Comité in kennis heeft gesteld van het gewijzigde artikel 8, vierde lid, van de Wet OB 1968. Van een verdergaande betrokkenheid van het BTW-Comité blijkt geenszins uit de tekst van artikel 8 van de btw-richtlijn. Derhalve is ook in zoverre schending van artikel 80 van de btw-richtlijn niet aan de orde. Dit wordt nog versterkt tegen de achtergrond van het door het Hof aangehaalde arrest van het Hof van Justitie EU van 15 juni 2006, C-494/04 (Heintz van Landewijck). De door belanghebbende op dit punt ingediende rechtsklacht acht ik dan ook onterecht.

3.12

Inzake de derde klacht merkt de Staatssecretaris op:

Dit betreft het antwoord op de vraag of in dezen de terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 is toegestaan.

Het Hof heeft zich blijkens de r.o. 4.22 tot en met 4.27 rekenschap gegeven van het unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en het in acht te nemen rechtmatige vertrouwen van betrokkenen bij onder het unierecht vallende nationale regelingen, die reeds voor de publicatie ervan van kracht worden. De door de wetgever gemaakte afweging, in het bijzonder gelet op het algemeen belang, in combinatie met het uitgebrachte persbericht en de briefwisseling met de Tweede Kamer op 17 juni 2011 geven blijken van een zorgvuldig en verantwoord afwegingsproces. Het risico van een omvangrijke derving van omzetbelasting over het privégebruik van een auto van de zaak in de periode tussen de aankondiging van de wetswijziging en het van kracht worden ervan, mag in dit kader niet worden onderschat.

De mate van gedetailleerdheid van de openbare berichtgeving medio juni 2011 rechtvaardigt ook het oordeel dat belanghebbende op de hoogte kon zijn van de gevolgen van de voorgenomen wetswijziging.

De door belanghebbende opgeworpen klachten tegen de terugwerkende kracht acht ik dan ook niet steekhoudend. Het Hof heeft rechtens een juiste afweging gemaakt en vervolgens deze op grond van de vaststaande feiten en wetgevende gang van zaken correct en geenszins onbegrijpelijk toegepast.

3.13

Het verweer op de vierde klacht luidt:

Hierin bepleit belanghebbende het geheel achterwege laten van een correctie omzetbelasting wegens privégebruik voor de bestelauto's waarvoor geen bijdrage is ontvangen. Daarbij beroept belanghebbende zich met name op het in acht te nemen neutraliteitsbeginsel in relatie tot de fiscale behandeling bij leaseauto’s.

Een vergelijkbare stelling wordt door de gemachtigde ook betrokken in de reeds genoemde zaak met nummer 14/02014.

Belanghebbende miskent in dezen dat het neutraliteitsbeginsel niet zo ver strekt dat economisch niet gelijke situaties een gelijke fiscale behandeling dienen te krijgen. Het is een eigen keuze c.q. afweging van belanghebbende om de prestaties te verrichten met eigen middelen (eigen auto’s) of met ingehuurde middelen (geleasede auto’s). Daargelaten of hieraan verschillende fiscale gevolgen zijn verbonden, is daarmee van strijd met het neutraliteitsbeginsel echter nog geen sprake.

Voorts voert het door het Hof in acht te nemen motiveringsvereiste niet zo ver dat alle gebezigde argumenten ter onderbouwing van een stelling expliciet in de uitspraak dienen te worden opgenomen.

3.14

Aangaande de vijfde klacht voert de Staatssecretaris het volgende verweer:

Met het bepaalde in de r.o. 4.36 en 4.37 hanteert het Hof een redelijke verdeling van de bewijslast, die ook gegeven het vaststaan van het privégebruik en het conformeren aan de berekeningen van het Besluit van 9 februari 2009, nr. CPP2009/109M (eerste halfjaar 2011), en het Besluit van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M (tweede halfjaar 2011), in lijn is met het arrest van uw Raad van 30 november 2012, nr. 08/01579bis.

Het Hof heeft in casu geoordeeld dat belanghebbende geen gegevens heeft verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke uitgaven zijn gedaan voor het privégebruik van de (bestel)auto's dan wel welk lager bedrag aan omzetbelasting is verschuldigd dan op aangifte is voldaan. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd. Het Hof ziet geen aanleiding de teruggaafbeschikking op een hoger bedrag vast te stellen.

De conclusie van repliek

3.15

Belanghebbende repliceert ter zake van de eerste klacht als volgt:

Belanghebbende benadrukt nogmaals dat (...) sprake is van een feitelijke situatie die valt onder de werking van artikel 24 btw-richtlijn en niet onder de werking van artikel 26 btw- richtlijn. Zoals u bekend zijn deze richtlijnbepalingen uitgewerkt in artikel 4, lid 1, respectievelijk artikel 4, lid 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Artikel 16a Wet OB verwijst uitsluitend naar artikel 4, lid 2 Wet OB. Dit heeft naar de mening van belanghebbende tot gevolg dat het op artikel 16 Wet OB gebaseerde koninklijke besluit (het BUA) niet prevaleert op de werking van artikel 4, lid 1 Wet OB.

Voor de onderhavige casus betekent dit, dat de heffing van omzetbelasting over het privé- gebruik van de bestelauto waarvoor de werknemer de bijdrage betaalde, beperkt kan blijven tot de omzetbelasting uit die bijdrage.

3.16

Met betrekking tot de tweede klacht repliceert belanghebbende:

De Staatssecretaris geeft onderaan bladzijde 2 van het verweerschrift aan, dat hij het namens belanghebbende in het cassatieberoepschrift op bladzijde 3, punt 1, gevoerde betoog met betrekking tot het niet voldaan zijn aan de in artikel 8, lid 4, Wet OB bedoelde situatie, niet kan volgen. Naar zijn mening blijkt uit de tekst van de bepaling en de wetgeschiedenis duidelijk, dat artikel 8, lid 4, Wet OB ziet op gevallen waarin een auto tegen vergoeding wordt gegeven aan onder meer een werknemer ten behoeve van privégebruik van de auto en/of het gebruik van woon-werkverkeer.

Nu er sprake is van ter beschikking stelling van een auto tegen een niet symbolische bijdrage, is er sprake van een echte dienst in de zin van artikel 4, lid 1, Wet OB en artikel 24 btw-richtlijn. Er kan dan naar de mening van belanghebbende geen sprake zijn van een “in gebruik geven voor andere dan bedrijfsdoeleinden”.

Bovendien is belanghebbende van mening dat artikel 8, lid 4, onderdeel a, Wet OB alleen aan de orde kan komen, indien er sprake is van een fictieve dienst als bedoeld in artikel 4, lid 2, Wet OB.

De staatssecretaris vermeldt expliciet dat artikel 8, vierde lid, van de Wet OB zijn basis vindt in artikel 80, lid 1 van de btw-richtlijn. Belanghebbende is het daar mee eens maar meent ook dat artikel 80 btw-richtlijn niet van toepassing is. Onderdeel 26 van de considerans bij de btw-richtlijn spreekt over het “inschakelen” van verbonden partijen. Dit “inschakelen” veronderstelt een actief handelen van beide partijen, dat gericht is op belastingontwijking. Daarvan is in een situatie tussen werkgever en een (toekomstige) werknemer geen sprake.

Evenmin is sprake van een kunstmatig lage prijs als bedoeld in rechtsoverweging 47 van het arrest ‘Balkan and Sea Properties’ van het Hof van Justitie EU (zoals aangehaald in rechtsoverweging 4.10 van de uitspraak van het Gerechtshof). Dit is althans door werkgever en werknemer niet overeengekomen. Verder is er - als gevolg van de tegengestelde financiële belangen tussen werkgever en (toekomstige) werknemers - sprake van zakelijk handelende partijen, zodat van een kunstmatige lage prijs sowieso geen sprake zal zijn.

3.17

Belanghebbende heeft verder alleen nog inzake de vierde klacht gerepliceerd:

De staatssecretaris merkt op dat ondergetekende een vergelijkbare stelling ook heeft betrokken in de reeds genoemde zaak met nummer 14/02014. In deze zaak - waarvoor u op 11 september jl. arrest heeft gewezen - was uitsluitend sprake van auto’s die door middel van lease-overeenkomsten aan de werkgever ter beschikking waren gesteld. Een vergelijking met de fiscale behandeling van auto’s die tot het ondernemingsvermogen van de werkgever behoren, is daar dus niet aan de orde geweest. Vermoedelijk bevat het verweerschrift dus een verschrijving door de staatssecretaris en bedoelde hij de procedure met zaaknummer 15/02240. (...).

4 De eerste klacht en het verzoek om prejudiciële vragen te stellen

Wet- en regelgeving

4.1

Artikel 1, lid 1, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA) luidde in het eerste halfjaar van 2011:

1. De in artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde aftrek wordt uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor:

(…).

c. het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel.

4.2

Artikel 2 van het BUA luidt:

Ingeval de ondernemer ter zake van een prestatie als is bedoeld in artikel 1, eerste lid, letter b of c, een vergoeding in rekening heeft gebracht en deswege omzetbelasting is verschuldigd, wordt de aftrek niet uitgesloten tot het bedrag van de ter zake van die prestatie verschuldigde belasting.

Jurisprudentie van het HvJ

4.3

In het arrest Hotel Scandic Gåsabäck15 ging het om de vraag wanneer sprake is van verrichting van een levering of dienst om niet (artikel 5, lid 6 en artikel 6, lid 2, letter b, van de Zesde richtlijn16). Dienaangaande heeft het HvJ voor recht verklaard:

De artikelen 2, 5, lid 6, en 6, lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die handelingen waarvoor een werkelijke tegenprestatie wordt betaald, als een onttrekking van een goed of een verrichting van een dienst voor privé‑doeleinden beschouwt, ook indien deze tegenprestatie lager is dan de kostprijs van het geleverde goed of de dienst.

4.4

In het arrest X Holding BV en Oracle Nederland BV ging het om de vraag of het BUA als zodanig in strijd is met het Unierecht.17 Het HvJ heeft in dat arrest onder andere overwogen en voor recht verklaard:

57. Gelet op het bovenstaande dient op de eerste in elk van de twee zaken gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn en artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een belastingregeling van een lidstaat waarbij de aftrek van de btw op de categorieën van uitgaven voor, enerzijds, het verstrekken van „privévervoer”, „spijzen”, „dranken”, „huisvesting” alsmede „het geven van gelegenheid tot ontspanning” aan de personeelsleden van de belastingplichtige en, anderzijds, het verstrekken van „relatiegeschenken” of „andere giften”, is uitgesloten.

(…).

61. Derhalve moet op de tweede in elk van de twee zaken gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn is vastgesteld en op grond waarvan een belastingplichtige de btw die is betaald bij de aanschaf van bepaalde goederen en diensten die gedeeltelijk voor privédoeleinden en gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, niet volledig doch slechts naar verhouding van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in aftrek kan brengen.

(…).

71. Bijgevolg moet artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat, na de inwerkingtreding van die richtlijn, in een uitsluiting van het recht op aftrek een wijziging aanbrengt die, in beginsel, is bedoeld om de draagwijdte ervan te beperken, maar waarvan niet kan worden uitgesloten dat zij, in een individueel geval en voor een bepaald belastingjaar, de werkingssfeer van die uitsluiting uitbreidt vanwege het forfaitaire karakter van die gewijzigde regeling.

(…).

1) Artikel (...) 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een belastingregeling van een lidstaat waarbij de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde op de categorieën van uitgaven voor (...) het verstrekken van “privévervoer” (...) aan de personeelsleden van de belastingplichtige (...) is uitgesloten.

2) Artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling, die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn is vastgesteld en op grond waarvan een belastingplichtige de belasting over de toegevoegde waarde die is betaald bij de aanschaf van bepaalde goederen en diensten die gedeeltelijk voor privédoeleinden en gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, niet volledig doch slechts naar verhouding van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in aftrek kan brengen.

Jurisprudentie van de Hoge Raad

4.5

De Hoge Raad heeft in de in de onderhavige procedure meermaals aangehaalde zaak met nummer 14/02014 op 11 september 2015 arrest gewezen.18 De zaak betrof een belastingplichtige die van leasemaatschappijen auto’s huurde. Die auto’s stelde hij aan zijn personeel ter beschikking. Het personeel betaalde hem een eigen bijdrage wegens privégebruik van de auto’s. De Hoge Raad heeft overwogen:

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat niettegenstaande het van de werknemers bedongen hebben van de eigen bijdragen voor privégebruik van de personenauto’s, artikel 1, lid 1, letter c, en artikel 2 van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA) in samenhang gelezen met artikel 176 van BTW-richtlijn 2006 meebrengen dat belanghebbende de hiervoor in 2.1.3 bedoelde, in aftrek gebrachte bedragen aan omzetbelasting vanwege het privégebruik door de werknemers dient te corrigeren.

(...).

2.3.1.

De middelen 1 en 3 zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2.1 vermelde oordeel van het Hof. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat, uitgaande van de voor het Hof onbestreden gebleven stelling dat de eigen bijdragen kostendekkende vergoedingen betreffen voor alle kosten die zijn gemoeid met het privégebruik van de personenauto’s, gelet op in het bijzonder artikel 1, lid 2, eerste volzin, artikel 24, artikel 73 en artikel 80 van BTW-richtlijn 2006 voor een aftrekbeperking als neergelegd in artikel 1, lid 1, letter c, en lid 2, van het BUA geen plaats is.

2.3.2.

Vooropgesteld wordt dat wanneer de door een werknemer aan de ondernemer betaalde bijdrage voor privégebruik van een personenauto ten minste gelijk is aan de aan de ondernemer in rekening gebrachte kosten die zijn toe te rekenen aan dat privégebruik, toepassing van artikel 2 van het BUA ertoe leidt dat geen aftrekbeperking plaatsvindt. Wel dient ter zake van het ter beschikking stellen van de personenauto aan de werknemer over de daarvoor gevraagde vergoeding omzetbelasting op aangifte te worden voldaan. Dit een en ander tezamen levert geen strijd op met BTW-richtlijn 2006. Voor zover de middelen inhouden dat dit anders is, falen zij.

(…).

2.4.1.

De middelen 1 en 3 betogen voor het overige met een beroep op BTW-richtlijn 2006 dat het enkele feit dat belanghebbende ter zake van het privégebruik door de werknemers een vergoeding in rekening brengt, ook wanneer deze niet kostendekkend is, meebrengt dat zij alle in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, en slechts omzetbelasting is verschuldigd over de eigen bijdragen.

2.4.2.

In het arrest van 12 juli 2013, nr. 11/03740, ECLI:NL:HR:2013:22, BNB 2013/212, onderdeel 4.2.2, heeft de Hoge Raad geoordeeld – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 april 2010, X Holding B.V. en Oracle Nederland B.V., gevoegde zaken C-538/08 en C-33/09, ECLI:EU:C:2010:192, BNB 2010/220 – dat artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn een aftrekbeperking zoals is neergelegd in artikel 2 van het BUA toelaat. De wetswijzigingen met ingang van 1 januari 2007 waaronder de invoering van artikel 4, lid 2, van de Wet in overeenstemming met artikel 26, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 leiden niet tot een ander oordeel, een en ander op de gronden vermeld in de onderdelen 7.4 en 7.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Ook voor de situatie dat een werknemer aan zijn werkgever voor het privégebruik een (meer dan symbolische) vergoeding betaalt, heeft naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is te gelden, dat een lidstaat op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn en artikel 176 van BTW-richtlijn 2006 een nationale regeling mag handhaven op grond waarvan de aftrek van omzetbelasting wordt beperkt.

De middelen 1 en 3 falen derhalve ook voor het overige.

Hummel heeft bij dit arrest in BNB 2015/233 geannoteerd:

1. Er zijn al veel procedures gevoerd over het BUA, dat is gebaseerd op art. 17 lid 6 Zesde richtlijn, thans art. 176 BTW-richtlijn 2006. Daarin is bepaald dat een lidstaat elke uitsluiting van het recht op aftrek van BTW waarin zijn wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn voorzag, kan handhaven. Bepalingen die op deze leest zijn geschoeid, hebben wel een zogenoemd standstillkarakter. Dat houdt in dat wijzigingen enkel zijn toegestaan als zij leiden tot een meer richtlijnconform resultaat (lees in het geval van het BUA: leiden tot minder uitsluiting). De geschillen over het BUA gaan vaak over de vraag of wijzigingen in het BUA zich wel verhouden tot het hiervoor beschreven standstillkarakter. Ook zijn er twijfels geweest over het antwoord op de vraag of een aantal in het BUA genoemde categorieën goederen en diensten voldoende bepaald waren. Daarover hebben de Hoge Raad en Hof Amsterdam prejudiciële vragen gesteld. De arresten van het Hof van Justitie die de rechters deden twijfelen waren Charles en Charles-Tijmens en Uudenkaupungin kaupunki. Uit die arresten trok de Hoge Raad de conclusie dat het BUA alleen zou kunnen gelden voor (wel)bepaalde goederen en diensten en dat de categorie ‘loon in natura’ te ruim en onbepaald was geformuleerd om verbindend te zijn. In de arresten naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad en Hof Amsterdam in de gevoegde zaken X Holding en Oracle Nederland BV is evenwel geoordeeld dat het Nederland is toegestaan om op grond van het BUA de aftrek van BTW ter zake van het verstrekken van privévervoer, spijzen, dranken, huisvesting alsmede het geven van gelegenheid tot ontspanning aan personeelsleden van belastingplichtige enerzijds en het verstrekken van relatiegeschenken en andere giften anderzijds (welke geschenken en giften op allerlei goederen en diensten kunnen zien), te beperken, dan wel uit te sluiten. Uit die arresten kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de lat voor de verbindendheid van het BUA te hoog had gelegd. In zijn einduitspraak is de Hoge Raad hier dan ook van teruggekomen en heeft hij de BUA-categorie ‘loon in natura’ alsnog verbindend geacht. Het BUA heeft dus gewankeld, maar is overeind gebleven.

2. Ook in deze zaak, over tijdvakken in de jaren 2008 en 2009, komt de verbindendheid van het BUA weer langs. De Hoge Raad verwijst in dat kader kort naar het arrest X Holding en Oracle Nederland BV en oordeelt op grond daarvan tot verbindendheid van (art. 2 van) het BUA. Dat mag niet verbazen. In de hier besproken zaak wordt de ‘auto van de zaak’ tegen vergoeding ter beschikking gesteld, zodat er geen sprake is van een fictieve, maar van een ‘echte’ dienst. Voor die gevallen voorziet art. 16 Wet OB 1968 in een speciale regeling: het BUA. Eenmaal in het BUA beland, is een beroep op een richtlijnconforme uitleg tamelijk kansloos omdat het BUA gelet op art. 176 BTW-richtlijn 2006 een status aparte heeft, waardoor de regeling bijna onaantastbaar is.

De redactie van Vakstudie Nieuws heeft aangetekend in V-N 2015/44.20:

In het arrest-Hotel Scandic Gåsabäck (HvJ EG 20 januari 2005, nr. C-412/03, V-N 2005/8.22) oordeelt het Hof van Justitie EU dat, als werknemers een niet-symbolische eigen bijdrage betalen voor personeelsvoorzieningen, een onttrekking of fictieve diensten voor privédoeleinden van art. 26 lid 1 onderdeel a BTW-richtlijn niet aan de orde kan zijn. Dit geldt ook wanneer de betaalde eigen bijdrage lager is dan de kostprijs. Hoewel de onttrekking en art. 26 BTW-richtlijn voorzien in een correctie voor privégebruik in de heffing en het BUA in de aftrek, zijn de resultaten vergelijkbaar. Belanghebbende neemt dan ook een vergelijkbare stelling in als in de zaak Hotel Scandic Gåsabäck in deze procedure: zij zou kunnen volstaan met btw te voldoen over de eigen bijdrage op grond van de BTW-richtlijn. De Hoge Raad wijst hierbij op de arresten X Holding BV en Oracle Nederland BV (…). In deze procedure hadden belanghebbenden onder meer dezelfde stelling ingenomen naar aanleiding van het arrest-Hotel Scandic Gasabäck, hetgeen niet tot het gewenste resultaat leidde bij het Hof van Justitie EU: het BUA bleek niet in strijd te zijn met de BTW-richtlijn. Anders dan in het tijdvak in de onderhavige procedure kende Nederland in het tijdvak dat aan de orde was in de zaken X Holding en Oracle Nederland nog niet de fictieve dienst van art. 26 BTW-richtlijn. Volgens de Hoge Raad maakt dit het oordeel niet anders. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar punt 7.4 en 7.5 uit de conclusie van A-G Van Hilten. Hierin wijst de A-G op art. 16a Wet OB 1968. Uit deze bepaling blijkt dat het BUA voorrang heeft op de fictieve diensten voor privégebruik. Wij delen deze visie. Omdat art. 16a Wet OB 1968 bepaalt dat het BUA voorrang heeft, is het BUA en niet de fictieve dienst van art. 4 lid 2 Wet OB 1968 aan de orde. Over het BUA is al geoordeeld in de arresten X Holding en Oracle Nederland.

Beoordeling van de eerste rechtsvraag

4.6

Belanghebbendes eerste klacht is vervat in de door haar voorgelegde vraag of zij ‘ter zake van het privégebruik van twee bestelauto’s gedurende het eerste halfjaar 2011 naast de omzetbelasting over de eigen bijdrage door de werknemers ook omzetbelasting verschuldigd [is, A-G] op grond van een aanvullende aftrekbeperking krachtens het BUA’.19

4.7

Belanghebbende bestrijdt ’s Hofs oordeel ‘dat naast de omzetbelasting over de eigen bijdrage ruimte is voor een aftrekbeperking op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter c van het BUA’.20 Ik merk op dat deze klacht enkel betrekking heeft op de twee bestelauto’s waarvoor belanghebbende bijdragen van haar werknemers heeft ontvangen. Voorts ziet de onderhavige klacht alleen op het eerste halfjaar van 2011, toen het BUA nog van toepassing kon zijn op de terbeschikkingstelling van een ‘auto van de zaak’.21

4.8

Partijen hebben in de gedingstukken meermaals verwezen naar de destijds bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nummer 14/02014.22 Op 11 september 2015 heeft de Hoge Raad in deze zaak arrest gewezen.23 Gelet op de rechtsoverwegingen 2.3.2 en 2.4.2 van dat arrest,24 meen ik dat ‘s Hofs oordeel juist is.25 De omstandigheid dat in de onderhavige procedure volgens belanghebbende vaststaat dat de bijdrage van de werknemers niet kostendekkend is, maakt dat naar mijn mening niet anders.26 De Hoge Raad heeft zijn oordeel in rechtsoverweging 2.3.3 ’vooropgesteld‘, zodat het als van algemene strekking kan worden beschouwd. Dat de in r.o. 2.3.1 van dat arrest weergegeven middelen uitgaan van een kostendekkende eigen bijdrage, doet daaraan mijns inziens niet af.

4.9

Belanghebbende stelt voorts dat ’s Hofs oordeel in strijd is met het arrest Hotel Scandic Gåsabäck van het HvJ.27 Ik meen dat dit niet het geval is. In dat arrest wordt naar mijn mening namelijk alleen iets gezegd over de vraag wanneer een levering of dienst in de zin van de (toenmalige) Zesde richtlijn, thans Btw-richtlijn, niet kan worden beschouwd als onttrekking van een goed of verrichting van een dienst voor privédoeleinden. Uit het arrest kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een aftrekbeperking wordt gehanteerd naast heffing ter zake van een reële dienst.28

4.10

Aldus kan de eerste klacht niet tot cassatie leiden.

Beoordeling van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen

4.11

Belanghebbende heeft verzocht dat de Hoge Raad prejudiciële vragen zou stellen nu kennelijk naar de mening van belanghebbende ‘onduidelijk is of in casu het arrest Oracle Nederland dient te prevaleren boven het arrest Hotel Scandic Gåsabäck’.29

4.12

Ik meen echter dat aan het stellen van dergelijke prejudiciële vragen geen behoefte bestaat, gezien het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 11 september 2015.30 In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld: ‘Ook voor de situatie dat een werknemer aan zijn werkgever voor het privégebruik een (meer dan symbolische) vergoeding betaalt, heeft naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is te gelden, dat een lidstaat op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn en artikel 176 van Btw-richtlijn 2006 een nationale regeling mag handhaven op grond waarvan de aftrek van omzetbelasting wordt beperkt’.31

4.13

De eerste klacht faalt ook in dit opzicht.

5 De tweede klacht

Btw-richtlijn

5.1

Artikel 26, lid 1, aanhef en letter a, van de Btw-richtlijn (voorheen: artikel 6, lid 2, aanhef en letter a van de Zesde richtlijn) luidt:

1. Met diensten verricht onder bezwarende titel worden de volgende handelingen gelijkgesteld:

a) het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan;

5.2

Artikel 72 van de Btw-richtlijn luidt:

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt als “normale waarde” beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen, in dezelfde handelsfase als waarin de goederenlevering of de dienst wordt verricht, op het tijdstip van die verrichting en bij vrije mededinging zou moeten betalen aan een zelfstandige leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van de lidstaat waar de verrichting belastbaar is.

(…).

5.3

Artikel 73 van de Btw-richtlijn luidt:

Voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 omvat de maatstaf van heffing alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.

5.4

Artikel 75 van de Btw-richtlijn luidt:

Voor de in artikel 26 bedoelde diensten [fictieve diensten; AG], waarbij een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden wordt gebruikt of diensten om niet worden verricht, is de maatstaf van heffing het bedrag van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de diensten gemaakte kosten.

5.5

Artikel 80 van de Btw-richtlijn luidde in 2011:

1. Om belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen, kunnen de lidstaten in de volgende gevallen bepalen dat voor goederenleveringen of diensten waarbij familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden zoals omschreven door de lidstaat bestaan, de maatstaf van heffing de normale waarde is:

a) wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde en de afnemer geen volledig recht op aftrek (...) heeft;

b) wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, degene die de handeling verricht geen volledig recht op aftrek (...) heeft en de handeling (...) is vrijgesteld;

c) wanneer de tegenprestatie hoger is dan de normale waarde en degene die de handeling verricht geen volledig recht op aftrek (...) heeft.

Voor de toepassing van de eerste alinea kan een dienstverband tussen werkgever en werknemer, het gezin van de werknemer of andere personen die nauwe banden met hem hebben, als nauwe betrekkingen gelden.

2. Wanneer zij gebruik maken van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid, kunnen de lidstaten de categorieën van leveranciers, dienstverrichters of afnemers waarop de maatregelen van toepassing zijn, omschrijven.

3. De lidstaten stellen het BTW-Comité in kennis van de nationale maatregelen die zij uit hoofde van lid 1 hebben genomen indien het geen maatregelen betreft die voor 13 augustus 2006 door de Raad overeenkomstig artikel 27, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 77/388/EEG zijn toegestaan en uit hoofde van lid 1 van dit artikel worden behouden.

Wetgeving – de Wet OB

5.6

Artikel 2a, lid 1, aanhef en letter s, van de Wet OB luidt sinds 1 januari 2011 tot op heden:

1. In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

(...);

s. normale waarde:

1°. het volledige bedrag, de omzetbelasting niet daaronder begrepen, dat de afnemer van goederen of diensten, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen, in dezelfde handelsfase als waarin de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht, op het tijdstip van die levering of van die verrichting en bij vrije mededinging daarvoor zou moeten betalen aan een zelfstandige leverancier of dienstverrichter in Nederland;

2° indien geen vergelijkbare levering of verrichting als bedoeld onder 1° voorhanden is:

— met betrekking tot goederen: een waarde die niet lager is dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, dan de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht;

— met betrekking tot diensten: een waarde die niet lager is dan de door de ondernemer voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven.

(...).

5.7

Artikel 8, lid 4, van de Wet OB luidde, zoals het gold in het eerste halfjaar 2011:

4. Ten aanzien van de handelingen, bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt de vergoeding gesteld op de normale waarde van de dienst.

Als gevolg van inwerkingtreding van de Wet uitwerking autobrief32 luidde artikel 8, lid 4, van de Wet OB, zoals de bepaling met terugwerkende kracht gold, in het tweede halfjaar van 2011:

4. De vergoeding wordt gesteld op de normale waarde van de dienst indien:

a. een auto tegen een lagere vergoeding dan de normale waarde voor andere dan bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt gegeven aan een verbonden afnemer die geen volledig recht op aftrek heeft uit hoofde van artikel 15;

b. het gaat om handelingen als bedoeld in artikel 4, derde lid.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onderdeel a, wordt onder een verbonden afnemer verstaan een werknemer, een afnemer die een bestuurlijke verhouding met de ondernemer heeft en een afnemer waarmee de ondernemer een familiale band heeft.

Artikel 4, lid 3, van de Wet OB, waarnaar in bovenstaande wettelijke bepalingen is verwezen, luidt sinds 1 januari 2007 tot op heden:

3. Ter voorkoming van ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen worden voorts met een dienst verricht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, gelijkgesteld de bij ministeriële regeling aan te wijzen verrichtingen door ondernemers binnen hun bedrijf, in gevallen waarin die ondernemers, indien zij die verrichtingen door andere ondernemers zouden laten doen, de belasting niet of niet geheel in aftrek zouden kunnen brengen.

5.8

In de memorie van toelichting bij de Wet uitwerking autobrief is vermeld over de in dat wetsvoorstel voorgenomen wijziging van artikel 8, lid 4, van de Wet OB:33

Het nieuwe onderdeel a van artikel 8, vierde lid, heeft betrekking op een dienst waarbij een ondernemer een personen- of bestelauto tegen een vergoeding in gebruik geeft aan een verbonden afnemer die geen volledig recht heeft op aftrek van de voorbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet OB 1968. Het gebruik van die auto door de afnemer vindt daarbij plaats voor andere dan bedrijfsdoeleinden van de ondernemer. Doorgaans gaat het daarbij om woon-werkverkeer of overig privégebruik door de afnemer.

Wanneer de vergoeding die ter zake van het hiervoor bedoelde gebruik aan de afnemer in rekening wordt gebracht lager is dan de zogenoemde «normale waarde», dan wordt de vergoeding voor de btw-heffing vastgesteld op de die normale waarde. Deze nieuwe regeling is gebaseerd op artikel 80, lid 1, onder a, van de BTW-Richtlijn 2006. Op basis van genoemd artikel kunnen de lidstaten van de EU om belastingfraude en ontwijking te voorkomen, bepalen dat in verschillende gevallen van verbondenheid tussen de leverancier en de afnemer, de maatstaf van heffing voor de btw wordt verhoogd naar de normale waarde. Het begrip normale waarde is reeds gedefinieerd in artikel 2a, eerste lid, onderdeel s, van de Wet OB 1968. Bij het in gebruik geven van een auto aan een verbonden afnemer als hiervoor bedoeld, wordt de normale waarde van deze dienst gevormd door het volledige bedrag dat de afnemer zou moeten betalen indien hij een zelfde auto onder de zelfde voorwaarden in gebruik zou willen krijgen van een zelfstandige leverancier bij vrije mededinging. In de gevallen waarin er geen met de onderhavige dienst vergelijkbare dienst voorhanden is, wordt de normale waarde op een ander bedrag vastgesteld. Dat bedrag mag ingevolge voornoemde bepaling echter nooit lager zijn dan het totale bedrag van alle door de ondernemer ter zake van het in gebruik geven van de desbetreffende auto gemaakte uitgaven. Bij het vaststellen van de normale waarde moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen zakelijke kilometers en privé kilometers, zodat vaste kostencomponenten slechts voor het privéaandeel in het totale autogebruik in de btw-heffing betrokken worden.

Over ‘verbonden’ in de zin van artikel 8, lid 4, van de Wet OB is geschreven (p. 28):

In artikel 8, vierde lid, laatste alinea, is aangegeven wat in het kader van deze bepaling wordt bedoeld met een verbonden afnemer. Onder een verbonden afnemer wordt verstaan een werknemer, een afnemer waarmee de ondernemer een familiale band heeft en een afnemer die een bestuurlijke band met de ondernemer heeft. Een familiale band moet ruim uitgelegd worden, en beperkt zich derhalve niet tot het gezin van de ondernemer. Bij afnemers met een bestuurlijke band met de ondernemer kan gedacht worden aan vennoten, firmanten, maten en leden van het bestuur van een onderneming.

De hiervoor beschreven regeling heeft, zoals gezegd, betrekking op situaties waarin een auto in gebruik wordt gegeven tegen een vergoeding die lager is dan de normale waarde. Daarbij wordt echter niet gedoeld op de gevallen waarin niet meer dan een symbolische vergoeding in rekening wordt gebracht. Laatstbedoelde situaties worden gelijkgesteld met het kosteloos in gebruik geven van de auto.

Voor de volledigheid wordt in dit verband nog opgemerkt dat het gebruik van een personen- of bestelauto die door een ondernemer kosteloos ter beschikking wordt gesteld, met ingang van 1 juli 2011 wordt belast als een fictieve dienst op de voet van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968. Voor een fictieve dienst wordt de vergoeding ingevolge artikel 8, zevende lid, van die wet gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven. Artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, waarin nader is uitgewerkt welke kosten tot deze uitgaven behoren, zal met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011 worden aangepast in verband met het onder de heffing voor fictieve diensten brengen van een kosteloos in gebruik gegeven auto. (…). De strekking van artikel 5a, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, waarin het in aanmerking te nemen bedrag voor de kosten van de verwerving of de vervaarding van het goed is bepaald, blijft ongewijzigd. Omdat de wijziging van artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 niet vóór 1 juli 2011 gecommuniceerd was, zal worden geregeld of goedgekeurd dat tot 31 december 2011 gehandeld mag worden naar de tekst van artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 zoals deze op 30 juni 2011 luidde.

(...).

In artikel 8, vierde lid, onderdeel b, is bepaald dat met betrekking tot handelingen, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet OB 1968 de vergoeding wordt gesteld op de normale waarde van die dienst. Deze bepaling was reeds opgenomen in dit artikellid en leidt derhalve niet tot een materiële wijzing voor genoemde handelingen.

5.9

In zijn brief van 17 juni 2011 heeft de staatssecretaris van Financiën onder andere geschreven:34

Door middel van deze brief informeer ik u dat de ministerraad vandaag ingestemd heeft met het treffen van wet- en regelgeving om het privégebruik van een auto van de zaak op een andere wijze in de btw-heffing te betrekken. Aanleiding hiervoor is de uitspraak van de Rechtbank Haarlem van 1 juni 2011 die in het uiterste geval tot gevolg zou kunnen hebben dat er geen btw geheven kan worden over het privégebruik van een auto van de zaak. Dit zou dan leiden tot een budgettaire derving van circa € 0,5 mld. per jaar. Het risico dat de btw-correctie voor privégebruik van de auto van de zaak niet kan worden gehandhaafd terwijl de Europese regelgeving daartoe wel dwingt, acht ik - mede gelet op de grote budgettaire gevolgen - onacceptabel. Ik heb u hierover reeds bericht in mijn reactie d.d. 14 juni 2011, kenmerk DV/2011-307 U op uw verzoek 2011D30573.

Om de mogelijke budgettaire derving zo snel als mogelijk een halt te kunnen toeroepen zal per vrijdag 1 juli a.s. wet- en regelgeving wijzigen. Onderdeel van die aanpassingen is een wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 waartoe later dit jaar een wetsvoorstel zal worden ingediend. Daarbij zal er in worden voorzien dat die wijziging bij de inwerkingtreding zal terugwerken tot 1 juli 2011.

Met ingang van 1 juli 2011 verdwijnt het onderscheid in de btw-heffing tussen het privégebruik van een auto van de zaak door ondernemers en werknemers. Het privégebruik van een auto van de zaak wordt voortaan - als deze kostenloos ter beschikking wordt gesteld - als fictieve dienst belast naar het werkelijke privégebruik van de auto. Daarbij wordt woon-werkverkeer conform de BTW-Richtlijn gezien als privégebruik. De btw-heffing is vanaf 1 juli 2011 dus niet langer gekoppeld aan de hoogte van de bijtelling en onttrekking in de loon- en inkomstenbelasting, zoals nu nog het geval is. Om de administratieve lasten en uitvoeringskosten te verminderen, wordt goedgekeurd dat een forfaitair percentage van de catalogusprijs (incl. btw en bpm) van de auto als btw-correctie in aanmerking genomen mag worden. Dit nog voor 1 juli 2011 te bepalen forfaitaire percentage zal overeenkomen met de verschuldigde btw op het gemiddelde werkelijke privégebruik. Om te voorkomen dat de btw-heffing ontgaan kan worden door de auto niet kostenloos, maar tegen een te lage vergoeding ter beschikking te stellen voor het privé gebruik, zal een antimisbruikmaatregel getroffen worden. Deze zal eveneens per 1 juli 2011 gaan gelden.

Voor bovenstaande maatregelen worden in wet- en regelgeving de volgende wijzigingen aangebracht:

1. het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 wordt gewijzigd in die zin dat het ter beschikking stellen van een personenauto en bestelauto aan het personeel van de aftrekbeperking van dit besluit zal worden uitgezonderd. Conform artikel 16, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), zal deze wijziging met een voorstel van wet tot goedkeuring van dat besluit voor het eind van het jaar aan de Tweede Kamer worden gezonden;

2. artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt gewijzigd in die zin dat de koppeling met de onttrekking voor de inkomstenbelasting komt te vervallen. Door de wijzigingen onder 1 en 2 genoemd, wordt conform de BTW-richtlijn zowel voor het privé gebruik, waaronder woon-werkverkeer, van de auto door de ondernemer als zijn personeel aangesloten bij de correctie via de fictieve dienst van artikel 4, tweede lid, van de Wet OB, in geval deze auto om niet ter beschikking wordt gesteld. De aftrek van voorbelasting wordt dan via de heffing over deze dienst gecorrigeerd naar het werkelijke gebruik dat van de auto voor privédoeleinden wordt gemaakt;

3. uit oogpunt van het beperken van administratieve lasten en uitvoeringskosten wordt tegelijkertijd via een beleidsbesluit de mogelijkheid geboden om voor deze fictieve dienst de verschuldigde btw niet op basis van het werkelijk gebruik, maar via een forfait te laten plaatsvinden. Dit forfait zal een forfaitair percentage van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm) van de auto zijn dat overeenkomt met de verschuldigde btw op het gemiddelde werkelijke privégebruik.

4. de beoogde wetswijziging ziet op een aanvulling in de Wet OB in die zin dat – gebaseerd op een kan-bepaling in de BTW-Richtlijn - de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting op de zogenoemde normale waarde kan worden vastgesteld, dit ter voorkoming van het ontgaan van een reële heffing voor het privé gebruik van de auto.

Jurisprudentie van het HvJ

5.10

Het arrest Skripalle, genoemd in r.o. 4.15 van de Hofuitspraak, ziet op een Duitse regeling voor verbonden personen. Deze regeling hield in dat ook in gevallen waarin de tegenprestatie (in casu de overeen gekomen huurprijs) weliswaar zakelijk was maar niet kostendekkend, de maatstaf van heffing werd bepaald op de gemaakte kosten. Het HvJ heeft overwogen:35

25. Dienaangaande wordt niet betwist, dat er tussen familieleden of tussen nauw met elkaar verbonden personen een gevaar voor belastingfraude of -ontwijking kan bestaan dat maatregelen rechtvaardigt als die welke volgens artikel 27 van de Zesde richtlijn mogen worden getroffen.

26. Dit gevaar bestaat evenwel niet wanneer uit objectieve gegevens blijkt dat de belastingplichtige correct heeft gehandeld. De Duitse regeling, volgens welke de gemaakte kosten de maatstaf van heffing vormen in geval van betrekkingen tussen nauw met elkaar verbonden personen, zelfs in de gevallen waarin het duidelijk is dat de overeengekomen tegenprestatie, die overeenkomt met de huurprijs die op de markt gebruikelijk is, minder bedraagt dan deze kosten, beperkt zich derhalve niet tot het invoeren van afwijkingen die strikt noodzakelijk zijn om belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. Zij wordt derhalve niet gedekt door artikel 27 van de Zesde richtlijn.

5.11

Het door het Hof in r.o. 4.21 genoemde arrest Goed Wonen betrof een wijziging van de Wet OB in verband met de bestrijding van ‘financiële constructies met betrekking tot onroerende zaken’. Deze wijziging werd ingevoerd bij Wet van 18 december 1995, maar kreeg in verband met gevreesde aankondigingseffecten terugwerkende kracht tot en met 31 maart 1995, de dag waarop de wijziging bij persbericht was aangekondigd.36 Het HvJ heeft overwogen:37

33. Ofschoon het rechtszekerheidsbeginsel zich er in het algemeen tegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór de publicatie ervan van kracht is, kan hiervan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (...).

34. Hetzelfde beginsel moet door de nationale wetgever worden nageleefd wanneer hij een regeling vaststelt die onder het gemeenschapsrecht valt.

(...).

38. In dit verband blijkt uit het perscommuniqué van 31 maart 1995 dat de terugwerkende kracht van de wijzigingswet niet werd ingegeven door het streven om een einde te maken aan de sinds vele jaren toegepaste financiële constructies, maar juist door de vrees dat dergelijke constructies op grote schaal in het leven zouden worden geroepen tussen het tijdstip waarop tot een wetswijziging was besloten en het tijdstip waarop die wijziging in werking zou treden.

39. Deze vrees lijkt niet ongefundeerd en de voorkoming van dergelijke constructies kan een algemeen belang vormen dat er een rechtvaardiging voor vormt dat een lidstaat uitzonderlijkerwijs de techniek van de terugwerkende kracht van een wet hanteert mits het gewettigd vertrouwen van de belastingplichtigen naar behoren in acht wordt genomen. Het staat echter aan de nationale rechter, die het beste met de omstandigheden van het concrete geval bekend is, om te beoordelen of het risico dat in de tussentijd financiële constructies worden opgezet, voldoende groot is om de terugwerkende kracht van de wet te rechtvaardigen.

(...).

43. Daar het in casu om een nationale regeling gaat, moet voor de concrete beoordeling of het gewettigd vertrouwen van de met deze regeling beoogde marktdeelnemers naar behoren in acht is genomen, rekening worden gehouden met de informatiemethoden die normaliter worden gebruikt in de lidstaat die deze regeling heeft vastgesteld, en met de omstandigheden van het concrete geval.

44. Blijkens het verwijzingsarrest heeft de Staatssecretaris van Financiën bij de perscommuniqués van 31 maart en 3 april 1995 officieel aangekondigd dat de ministerraad het voornemen had om bij het Nederlandse Parlement een voorstel tot wijziging van de Wet OB 1968, onder meer van de artikelen 3, lid 2, en 11, lid 1, sub b, punt 5, daarvan, in te dienen, en om de wijzigingswet op 31 maart 1995, om 18.00 uur in werking te laten treden. Het staat echter aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze teksten voldoende duidelijk waren om een marktdeelnemer die economische handelingen verricht zoals die waarop de wet doelt, in staat te stellen te begrijpen wat de gevolgen van de voorgenomen wetswijziging zouden zijn voor zijn handelingen.

45. Gelet op een en ander, dient de vraag als volgt te worden beantwoord:

“Het vertrouwens‑ en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich er niet tegen dat een lidstaat, bij uitzondering en om te voorkomen dat tijdens de wetgevingsprocedure op grote schaal financiële constructies ter vermindering van de BTW-last worden toegepast die een wijzigingswet nu juist beoogt te bestrijden, aan deze wet terugwerkende kracht toekent, indien, in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, de marktdeelnemers die de economische handelingen waarop de wet doelt verrichten, van de komende vaststelling van deze wet en de voorgenomen terugwerkende kracht op zodanige wijze in kennis zijn gesteld dat zij in staat zijn te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor hun handelingen heeft.

(...).”

5.12

In het door het Hof in r.o. 4.10 aangehaalde arrest Balkan and Sea Properties heeft het HvJ overwogen en voor recht verklaard:38

42. Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in dit artikel neergelegde voorwaarden uitputtend zijn geregeld, of kan worden aanvaard dat ook in andere gevallen dan de gevallen waarin deze bepaling uitdrukkelijk voorziet, met name wanneer de belastingplichtige wel recht op volledige aftrek heeft, de maatstaf van heffing van de transactie tussen verbonden personen de normale waarde is.

43. Overeenkomstig de algemene regel van artikel 73 van de btw-richtlijn is de maatstaf van heffing voor een levering van goederen of een dienstverrichting onder bezwarende titel de daartoe door de belastingplichtige werkelijk ontvangen tegenprestatie. Deze tegenprestatie is dus de subjectieve waarde, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde, en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde (zie in die zin arresten van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats, 154/80, Jurispr. blz. 445, punt 13; 20 januari 2005, Hotel Scandic Gåsabäck, C‑412/03, Jurispr. blz. I‑743, punt 21, en 9 juni 2011, Campsa Estaciones de Servicio, C‑285/10, Jurispr. blz. I-5059, punt 28).

44. Artikel 73 van de btw-richtlijn is de uitdrukking van een fundamenteel beginsel dat tot gevolg heeft dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd (zie in die zin arrest van 3 juli 1997, Goldsmiths, C‑330/95, Jurispr. blz. I‑3801, punt 15).

45. Door in bepaalde gevallen toe te staan dat de maatstaf van heffing de normale waarde van de handeling is, voert artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn een uitzondering op de algemene regel van artikel 73 van deze richtlijn in, die als zodanig strikt moet worden uitgelegd (zie arresten van 21 juni 2007, Ludwig, C‑453/05, Jurispr. blz. I‑5083, punt 21, en 3 maart 2011, Commissie/Nederland, C‑41/09, Jurispr. blz. I-831, punt 58 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

46. Het moet worden benadrukt dat artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn volgens de bewoordingen van punt 26 van de considerans van deze richtlijn strekt tot het voorkomen van belastingfraude en belastingontwijking.

47. Wanneer goederen of diensten tegen een kunstmatig lage of hoge prijs worden geleverd of verricht tussen partijen die met betrekking tot de transactie allebei een recht op volledige aftrek genieten, kan er echter in deze fase, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, geen sprake zijn van belastingfraude of belastingontwijking. Een kunstmatig lage of hoge prijs kan enkel bij de eindverbruiker of in het geval van een gemengde belastingplichtige die slechts een recht op evenredige aftrek geniet, tot derving van belastinginkomsten leiden.

48. Bijgevolg bestaat enkel gevaar voor belastingfraude of belastingontwijking, waarvoor de lidstaten op grond van artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn maatregelen ter voorkoming mogen treffen, wanneer de bij de handeling betrokken persoon geen recht op volledige aftrek heeft.

49. Deze vaststelling doet niet af aan de mogelijkheid voor de lidstaten om overeenkomstig en met inachtneming van de voorwaarden van artikel 273 van de btw-richtlijn andere verplichtingen ter voorkoming van fraude vast te stellen.

50. Die uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 11, A, lid 6, van de Zesde richtlijn 77/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/69/EG van de Raad van 24 juli 2006 (PB L 221, blz. 9), waarvan de bepalingen in wezen zijn overgenomen in artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn (zie derde overweging van deze richtlijn), dat bepaalt dat de bedoelde afwijking „slechts in de volgende gevallen toepasselijk is”.

51. Uit een en ander volgt dat de in artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn neergelegde toepassingsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld en dat een nationale wettelijke regeling dus niet op grond van deze bepaling kan vaststellen dat de maatstaf van heffing de normale waarde van de handeling is in gevallen die niet in deze bepaling zijn opgesomd, met name wanneer de dienstverrichter, de leverancier of de afnemer recht op volledige btw-aftrek heeft.

52. Bijgevolg moet op de vragen 1 tot en met 4 in zaak C‑621/10 en op de vragen 1 tot en met 5 in zaak C‑129/11 worden geantwoord dat artikel 80, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in dit artikel neergelegde toepassingsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld en dat een nationale wettelijke regeling dus niet krachtens deze bepaling kan vaststellen dat de maatstaf van heffing de normale waarde van de handeling is in gevallen die niet in deze bepaling zijn opgesomd, met name wanneer de belastingplichtige recht heeft op volledige btw-aftrek, hetgeen de nationale rechter dient te verifiëren.

(…).

Het Hof (Tweede Kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 80, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat de in dit artikel neergelegde toepassingsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld en dat een nationale wettelijke regeling dus niet krachtens deze bepaling kan vaststellen dat de maatstaf van heffing de normale waarde van de handeling is in gevallen die niet in deze bepaling zijn opgesomd, met name wanneer de belastingplichtige recht heeft op volledige aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde, hetgeen de nationale rechter dient te verifiëren.

Literatuur

5.13

Van Doesum heeft over het neutraliteitsbeginsel geschreven:39

Het begrip neutraliteit heeft niet slechts de hiervoor beschreven economische dimensie. Het neutraliteitsbeginsel is tevens een bijzondere verschijningsvorm van het gelijkheidsbeginsel. Het is de uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de btw. Het bijzondere gelijkheidsbeginsel (in de verschijning van het neutraliteitsbeginsel) vindt toepassing in gevallen waarin sprake is van “concurrerende ondernemers die handelen in soortgelijke goederen en / of diensten die (dus) met elkaar concurreren”.

5.14

Van Hilten en Van Kesteren hebben geschreven over de normale waarde bij privégebruik van de ‘auto van de zaak’:40

Indien (en doordat) sprake is van een eigen bijdrage kan in beginsel geen btw-correctie op grond van een heffing over de fictieve prestatie plaatsvinden. Dit heeft het HvJ uitgemaakt in HvJ 20 januari 2005, Hotel Scandic Gåsabäck, C-412/03. Zodra een kleine vergoeding in rekening wordt gebracht kan er geen sprake meer zijn van een fictieve levering of dienst omdat er dan reeds een handeling onder bezwarende titel bestaat en fictieve prestaties slechts aan de orde kunnen komen in situaties waarbij geen sprake is van een handeling onder bezwarende titel. Zonder nadere regelgeving zou dit betekenen dat ondernemers die een kleine eigen bijdrage berekenen voor het privégebruik van de auto van de zaak, geen btw-correctie zouden behoeven te maken en slechts btw verschuldigd zouden zijn over deze kleine vergoeding. Om dit tegen te gaan is in de wet in art. 8 lid 4 onder a een bepaling opgenomen over de ‘normale waarde’. Dit betekent dat de ondernemer moet beoordelen of de vergoeding voor het privégebruik hoog genoeg is (de normale waarde). Indien de vergoeding voor het privégebruik lager blijkt te zijn dan de kosten van het ter beschikking stellen van de auto voor privégebruik, is sprake van een ‘te lage’ vergoeding die moet worden verhoogd tot de ‘normale waarde’.

5.15

Sanders heeft in zijn commentaar in het NTFR bij het arrest Balkan and Sea Properties geschreven over artikel 80 Btw-richtlijn:41

Als antimisbruikbepaling lijkt de rol uitgespeeld indien recht op aftrek bestaat. Dat klopt (zie ook punt 47), maar we moeten wel rekening houden met de herzieningsbepalingen. Het btw-beeld kan aldus worden vertekend.

5.16

Vroon heeft in BtwBrief geschreven over het arrest Balkan and Sea Properties:42

Het HvJ legt (…) welwillend uit dat de subjectieve vergoeding de hoofdregel vormt bij het bepalen van de maatstaf van heffing en niet de volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Het hof noemt art. 73 Btw-richtlijn zelfs een fundamenteel beginsel. De fiscus mag nooit meer ontvangen aan btw dan de belastingplichtige heeft geïnd. Art. 80 breekt daarop in en moet daarom strikt worden uitgelegd. De bedoeling van het artikel is het voorkomen van belastingfraude en belastingontwijking. Daarvan kan echter geen sprake zijn bij transacties tussen partijen met volledig aftrekrecht. Het antwoord van het HvJ is dan ook dat art. 80 een uitputtende regeling bevat. Een nationale regeling kan de maatstaf van heffing niet op grond van deze bepaling vaststellen op de normale waarde in andere gevallen dan in dat artikel omschreven. Met name niet wanneer de belastingplichtigen recht hebben op volledige btw-aftrek.

(...).

Dit arrest zal geen rimpeling in de Nederlandse btw-vijver tot gevolg hebben. De beperkte nationale bepalingen ten aanzien van de normale waarde zoals die zijn opgenomen in de Wet OB lijken mij volledig richtlijnconform. (...). Het arrest illustreert weer eens het belang van de fundamentele beginselen van het btw-stelsel. Elke inbreuk daarop, of het nu een vrijstelling betreft of antimisbruikbepaling, moet strikt worden uitgelegd om die inbreuk te minimaliseren. Niet elke vermeende misstand kan met toepassing van de normale waarde worden bestreden. Het moet gaan om situaties waarin sprake is van belastingfraude of belastingontwijking in gelieerde verhoudingen. Veel van dergelijke gevallen zullen ook bestreden kunnen worden met de normale middelen waarover de fiscus kan beschikken, met als uiterste middel het inroepen van misbruik van recht. Breed invoeren van de normale waarde zal daaraan, vermoed ik, niet veel toevoegen, temeer omdat daarmee ook discussies worden binnengehaald over het vaststellen van de normale waarde. (...). De subjectieve maatstaf van heffing kan zo af en toe best tot verbaasd opgetrokken wenkbrauwen leiden, zolang geen sprake is van fraude of ontwijking is die maatstaf gewoon de economische realiteit waarbij een verbruiksbelasting dient aan te sluiten en heeft de ondernemer de vrijheid om zijn prijzen te bepalen naar eigen inzicht zonder tegen een btw-claim aan te lopen. Ten slotte is ‘wat een gek er voor geeft’ meestal hetzelfde als ‘wat een gek ervoor vraagt’. De nationale behoefte om normaal te doen (denk aan de wederzijde oproep daartoe tussen een lid van de Tweede Kamer en de premier), kunnen we in de btw dus rustig naast ons neerleggen.

Beoordeling van de tweede klacht

5.17

De tweede klacht ziet op het tweede halfjaar van 2011 en heeft betrekking op de twee bestelauto’s waarvoor belanghebbende eigen bijdragen heeft ontvangen. De klacht is vervat in de vraag of ‘belanghebbende voor het privégebruik van die twee bestelauto’s gedurende de tweede helft van 2011 omzetbelasting [is] verschuldigd over de daadwerkelijk betaalde eigen bijdrage van werknemers of (…) over de normale waarde (die forfaitair op 2,7% van de cataloguswaarde van de auto’s kan worden gesteld)’.43

5.18

Ik zal belanghebbendes onderverdeling volgen, in drie genummerde en twee ongenummerde punten.44

Punt 1

5.19

Belanghebbende heeft gesteld dat ‘per definitie’ niet wordt voldaan aan het voor toepassing van artikel 8, lid 4, letter a, van de Wet OB vereiste dat de auto ’voor andere dan bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt gegeven’45 indien, zoals in casu, ‘sprake is van een prestatie tegen een reële/werkelijke vergoeding’.46

5.20

Dat lijkt mij niet juist. De werknemers die een eigen bijdrage hebben betaald kunnen, naar ik meen, worden beschouwd als verbonden afnemers zonder volledig recht op aftrek (zie ook punt 2 hieronder), als bedoeld in artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn en artikel 8, lid 4, letter a, van de Wet OB.47 Althans, uit het dossier blijkt niet dat zij wel (volledig) recht op aftrek zouden hebben.48 Evenmin betwist belanghebbende dat de eigen bijdragen niet kostendekkend zijn.49 Gelet op zowel de tekst van voornoemde bepalingen als de bedoeling daarvan,50 vallen de werknemers mijns inziens binnen de reikwijdte van de onderhavige bepalingen. Daaraan doet niet af dat artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn beperkt moet worden uitgelegd.51 De verwijzing van belanghebbende naar r.o. 30 van het arrest Hotel Scandic Gåsabäck52 treft geen doel, omdat dit arrest niet ziet op de maatstaf van heffing, maar op het karakter van de fictieve dienst. In zoverre faalt de tweede klacht dus.

Punt 2

5.21

In punt 2 betoogt belanghebbende dat zij en haar werknemers niet ‘verbonden’ zijn in de zin van artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn dan wel artikel 8, lid 4, letter a, van de Wet OB,53 omdat het beschikbaar stellen van een bestelauto ‘een secundaire arbeidsvoorwaarde [is] die feitelijk tussen belanghebbende en de berijder wordt overeengekomen vóórdat de arbeidsovereenkomst wordt gesloten’.54 Belanghebbende en de berijder zouden daarom ‘tot het moment van het sluiten van die overeenkomst (…) als onafhankelijke partijen [handelen], waarvan kan worden aangenomen dat zij op zakelijke basis met elkaar handelen, bijvoorbeeld over de hoogte van de eigen bijdrage’.55 Naar de mening van belanghebbende wordt ‘daarmee (…) niet voldaan aan de letterlijke vereiste voor de toepassing’ van genoemde bepalingen.56

5.22

Uit de tekst van artikel 80 van de Btw-richtlijn volgt dat lidstaten zelf invulling mogen geven aan ‘categorieën van leveranciers, dienstverrichters of afnemers waarop de maatregelen [als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, A-G] van toepassing zijn’.57 De ‘verbondenheid’ waarvan belanghebbende spreekt, is dus geen communautair begrip, maar kan door lidstaten zelf worden ingevuld. De Nederlandse wetgever heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. In de memorie van toelichting bij Wet uitwerking autobrief is (onder andere) de werknemer aangemerkt als verbonden partij.58

5.23

Voorts merk ik op dat het beschikbaar stellen van een bestelauto, ook al zou dat zijn overeengekomen vóór formalisering van de (uiteindelijke) arbeidsovereenkomst, onlosmakelijk met de arbeidsovereenkomst verbonden is en daarvan deel gaat uitmaken.59 Ook in zoverre faalt de tweede klacht dus.

Punt 3

5.24

In punt 3 betoogt belanghebbende met een beroep op het arrest Balkan and Sea Properties van het HvJ60 dat artikel 73 juncto artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn,61 meebrengt dat alleen ‘als daadwerkelijk sprake is van belastingfraude of -ontwijking’ de normale waarde (in plaats van de werkelijk ontvangen tegenprestatie) de maatstaf van heffing vormt.62 Preventieve werking kan volgens belanghebbende niet worden toegekend aan de woorden ‘te voorkomen’ zoals gebezigd in artikel 80 van de Btw-richtlijn. Voorts zal de vergoeding, ‘gelet op de tegengestelde financiële belangen tussen een werkgever en diens (toekomstige) werknemers’, normaliter niet kunstmatig laag zijn, ten aanzien waarvan de bewijslast naar de mening van belanghebbende overigens bij de Inspecteur ligt. Dat kunstmatige karakter is, tot slot, niet gegeven door de omstandigheid dat de vergoeding (de eigen bijdrage) niet kostendekkend is, zo zou volgen uit de arresten Skripalle63 en Hotel Scandic Gåsabäck.64

5.25

De strikte uitleg van het arrest Balkan and Sea Properties die belanghebbende lijkt voor te staan, volgt naar ik meen niet uit dat arrest. Daarbij moet opgemerkt dat de betrokken werknemers in casu geen recht hadden op aftrek. Overigens komt het Hofoordeel hier mij niet onjuist voor. In dit opzicht faalt de tweede klacht.

Ongenummerd: ten eerste

5.26

In aanvulling op de drie genummerde punten neemt belanghebbende de stelling in dat het Hof ten onrechte belanghebbendes ‘beroep op een te late melding ex artikel 80, lid 3 btw-richtlijn afwijst op basis van een taalkundige uitleg van de btw-richtlijn, zonder te reageren op haar stelling dat (…) een wezenlijk procedureel voorschrift is geschonden’.65 De verwijzing door het Hof naar het arrest Hentz van Landewijck SARL66 van het HvJ EU kan volgens belanghebbende ‘niet als een reactie worden beschouwd’.67

5.27

Deze stelling zou een ongeoorloofd novum in cassatie kunnen opleveren.68 Afgezien daarvan lijkt de stelling mij inhoudelijk onjuist. Daartoe zou ik mij willen aansluiten bij het Hofoordeel in r.o. 4.1969 en het desbetreffende verweer van de Staatssecretaris.70 Ook in zoverre faalt de tweede klacht.

Ongenummerd: ten tweede

5.28

Ten tweede betoogt belanghebbende dat ‘het hanteren van terugwerkende kracht bij de wijziging van artikel 8, lid 4 Wet OB niet (…) voldoet’ aan de voorwaarde die het HvJ daarvoor in het arrest Goed Wonen heeft geformuleerd.71 Belanghebbende vermag namelijk niet in te zien ‘hoe het gebruik maken van een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën uit diens besluit van 9 februari 2009 (CPP 2009/109M) kan worden beschouwd als het toepassen van een financiële constructie’ zoals bedoeld in het arrest Goed Wonen. Bovendien kan, nu ‘de omzetbelasting over een vergoeding altijd meer bedraagt dan de omzetbelasting over 0% van de cataloguswaarde van de auto (…) evenmin sprake (…) zijn van een (beoogde) vermindering van de last van de belasting over de toegevoegde waarde’, zoals eveneens bedoeld in het arrest Goed Wonen.72

5.29

Ik merk op dat uit het arrest Goed Wonen blijkt dat het HvJ terugwerkende kracht van een regeling die onder het gemeenschapsrecht valt accepteert indien (i) ‘dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is’ en (ii) ‘het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen’.73

5.30

Aan het vereiste van aanwezigheid van een algemeen belang (i) is in casu, naar ik meen, voldaan, omdat met artikel 8, lid 4, letter a, van de Wet OB, dat is gebaseerd op artikel 80, lid 1, van de Btw-richtlijn,74 is beoogd belastingfraude en -ontwijking te voorkomen.75 Hierin is mijns inziens het algemeen belang te zien.

5.31

Wat voorwaarde (ii) betreft, is het aan de ‘verwijzende rechter’ om na te gaan of de manier waarop de nationale wetgever de voorgenomen wetswijzingen heeft aangekondigd ‘voldoende duidelijk [was] om een marktdeelnemer die economische handelingen verricht zoals die waarop de wet doelt, in staat te stellen te begrijpen wat de gevolgen van de voorgenomen wetswijziging zouden zijn voor zijn handelingen’.76

5.32

Ook aan deze voorwaarde is in casu naar mijn mening voldaan; zie de Hofuitspraak r.o. 4.23 tot en met 4.27.77 Belanghebbende gaat er bovendien aan voorbij dat de staatssecretaris van Financiën reeds bij brief van 17 juni 2011 had aangekondigd voornemens te zijn ‘het privégebruik van een auto van de zaak op een andere wijze in de btw-heffing te betrekken’, onder andere in de vorm van ‘een aanvulling in de Wet OB’ op basis waarvan ‘de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting op de zogenoemde normale waarde kan worden vastgesteld, dit ter voorkoming van het ontgaan van een reële heffing voor het privé gebruik van de auto’.78

5.33

Een en ander betekent dat de tweede klacht niet tot cassatie kan leiden.

6 De derde klacht

6.1

De derde klacht ziet op het tweede halfjaar van 2011 en betreft de vier personenauto’s en de vier bestelauto’s die belanghebbende om niet aan haar werknemers ter beschikking had gesteld. De klacht strekt ter beoordeling van de vraag of ‘belanghebbende de omzetbelasting voor [het] privégebruik [van de] personen- of bestelauto’s gedurende het tweede halfjaar - waarvoor de werknemers geen eigen bijdrage verschuldigd waren - [kan] beperken tot 3/184 deel van het aangegeven bedrag’.79 Belanghebbende stelt dat zulks het geval is. Zij heeft onder andere aangevoerd dat ‘het gebruik maken van een goedkeuring van de staatssecretaris niet als een financiële constructie kan worden gekwalificeerd’, zodat op grond van het arrest Goed Wonen80 ‘de wijziging van de Wet OB (…) [met] terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 niet is toegestaan’.81

6.2

De derde klacht faalt in zoverre als hierboven reeds is uiteen gezet in onderdeel 5. Ik merk hierbij op dat ten aanzien van deze acht auto’s de maatstaf van heffing wordt bepaald door artikel 8, lid 7, van de Wet OB juncto artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (zijnde de gemaakte uitgaven), welke bepalingen zijn gebaseerd op artikel 75 van de Btw-richtlijn.82 Niet aan alle aspecten van de wetswijziging was overigens terugwerkende kracht verleend.83

6.3

Voor zover de derde klacht moet worden geacht mede te zijn gericht tegen ’s Hofs oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM,84 faalt zij eveneens omdat de Nederlandse wetgever in dit kader naar mijn mening zijn ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden.

6.4

Ook de derde klacht faalt derhalve.

7 De vierde klacht

Btw-richtlijn

7.1

Artikel 176 van de Btw-richtlijn luidt sinds 1 januari 2007 tot op heden:

De Raad bepaalt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat. In ieder geval zijn uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek uitgesloten.

Totdat de in de eerste alinea bedoelde bepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving op 1 januari 1979 dan wel, voor de lidstaten die na die datum tot de Gemeenschap zijn toegetreden, op de datum van hun toetreding voorzag.

De rechtsvoorganger van artikel 176 van de Btw-richtlijn was artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn. De tekst van deze bepaling luidde laatstelijk tot 1 januari 2007:

6. Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten.

Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lid-Staten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag.

Jurisprudentie van het HvJ

7.2

Het arrest Fillibeck van 16 oktober 1997 betrof een bouwondernemer die met voertuigen die hij in eigendom had een aantal van zijn werknemers kosteloos vervoerde van hun woning naar de verschillende plaatsen waar zij werkzaam waren.85 Het Bundesfinanzhof stelde dienaangaande de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ:

2. Valt onder artikel 6, lid 2, van richtlijn 77/388/EEG, het gebruik van een goed van de onderneming of een gratis dienstverrichting, wanneer zoals bij het gratis vervoer van werknemers van hun woning naar de plaats van tewerkstelling en terug met een voertuig van de onderneming de werkgever hiermee geen andere dan bedrijfsdoeleinden nastreeft, doch wel de privédoeleinden van de werknemers daarmee worden gediend zonder dat de werknemer (omdat het gaat om gratis vervoer) hierover omzetbelasting moet betalen?

Het HvJ heeft daarop overwogen:

23 Ter terechtzitting heeft Julius Fillibeck Söhne onder meer uitgelegd, dat zij verschillende uit elkaar gelegen bouwplaatsen had, die dikwijls niet met het openbaar vervoer bereikbaar waren, en dat de werknemers bij toerbeurt op de verschillende bouwplaatsen werkzaam waren.

24 Zij stelde voorts, dat het vervoer van de werknemers rechtstreeks de bedrijfsdoeleinden dient, zodat het kadert in de arbeidsverhouding en bijgevolg niet binnen de privésfeer van de werknemers valt. Bovendien wordt het vervoer overeenkomstig een collectieve arbeidsovereenkomst verricht.

25. Er zij aan herinnerd, dat artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn de gelijke behandeling van de belastingplichtige en van de eindverbruiker beoogt te verzekeren (...). Deze bepaling beoogt te voorkomen, dat een voor privédoeleinden gebruikt bedrijfsgoed en een door de belastingplichtige voor privédoeleinden om niet verrichte dienst onbelast blijven (...).

26. Dienaangaande zij opgemerkt, dat het normalerwijze aan de werknemer is om zijn woonplaats te kiezen, waarbij hij in voorkomend geval rekening houdt met zijn plaats van tewerkstelling, die bepalend is voor de lengte van het traject en voor de aard van het vervoermiddel dat hij van plan is te gebruiken. De werkgever komt niet tussen in deze keuzes, aangezien de werknemer gewoon verplicht is op de overeengekomen uren op zijn plaats van tewerkstelling aanwezig te zijn. In normale omstandigheden dient het aan de werknemers aangeboden vervoer derhalve privédoeleinden van de werknemer in de zin van artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn.

27. Uit de omstandigheid dat het zich verplaatsen van de woning naar de plaats van tewerkstelling een noodzakelijke voorwaarde is voor de aanwezigheid op het werk en bijgevolg voor de uitvoering ervan, kan niet zonder meer worden geconcludeerd, dat het vervoer van de werknemer tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling de privédoeleinden van de werknemer in de zin van artikel 6, lid 2, niet dient. Het zou immers in strijd zijn met het doel van deze bepaling, dat een dergelijk onrechtstreeks verband op zichzelf zou volstaan om de gelijkstelling van het vervoer met een onder bezwarende titel verrichte dienst uit te sluiten.

28. Een dergelijke uitlegging van artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn is geboden in de normale gevallen waarin de werknemer voor het afleggen van het traject tussen zijn woning en zijn vaste plaats van tewerkstelling de gewone vervoermiddelen kan gebruiken.

29. Daarentegen moet worden erkend, dat het in bijzondere omstandigheden wegens de behoeften van de onderneming nodig kan zijn dat de werkgever zelf voor het vervoer van zijn werknemers tussen hun woning en hun plaats van tewerkstelling zorgt. Zo kan de omstandigheid, dat enkel de werkgever een passend vervoermiddel kan verstrekken, of dat de plaats van tewerkstelling niet vaststaat, maar verandert, de werkgever verplichten in te staan voor het vervoer van zijn werknemers.

30. In dergelijke bijzondere omstandigheden dient het door de werkgever georganiseerde vervoer geen andere dan bedrijfsdoeleinden. Het persoonlijk voordeel voor de werknemer is dan slechts ondergeschikt aan de bedrijfsdoeleinden.

31. (...).

32. De bijzondere kenmerken van bouwondernemingen, zoals die welke in casu met name door Julius Fillibeck Söhne zijn omschreven, wijzen erop, dat het vervoer niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt georganiseerd.

33. Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van de door het Hof aangereikte uitleggingsgegevens vast te stellen, of de bijzondere kenmerken van de bij hem aanhangige zaak, gelet op de behoeften van de onderneming, eisen dat de werkgever het vervoer van de werknemers tussen hun woning en de plaats van tewerkstelling verzorgt.

34. Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het gratis vervoer van werknemers van hun woning naar hun plaats van tewerkstelling en terug, dat door de werkgever met een voertuig van de onderneming wordt verricht, in beginsel privédoeleinden van de werknemers en dus andere dan bedrijfsdoeleinden dient. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de behoeften van de onderneming, gelet op een aantal bijzondere omstandigheden zoals de moeilijkheid om andere geschikte vervoermiddelen te gebruiken en het veranderen van de plaats van tewerkstelling, eisen dat het vervoer van de werknemers door de werkgever wordt verzorgd, aangezien deze dienst in die omstandigheden niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht.

In de Duitse taal versie luidt r.o. 30 van dit arrest:

30 Unter solchen besonderen Umständen erfolgt die Organisation der Beförderung durch den Arbeitgeber nicht zu unternehmensfremden Zwecken. Der persönliche Vorteil, den der Arbeitnehmer dadurch hat, erscheint gegenüber dem Bedarf des Unternehmens nur als nebensächlich.

7.3

In het arrest Metropol en Stadler van 8 januari 2002 ging het onder meer over ten tijde van inwerkingtreding van de Zesde richtlijn bestaande nationaalrechtelijke aftrekbeperkingen.86 Dienaangaande heeft het HvJ overwogen dat die niet werden aangetast door artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn:

44. Het beginsel van het recht op BTW-aftrek is echter onderworpen aan de afwijkende bepaling in artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, en met name de tweede alinea daarvan. Op grond hiervan zijn de lidstaten bevoegd om hun bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn bestaande regelingen inzake uitsluiting van het aftrekrecht te handhaven totdat de Raad de bij dit artikel bedoelde voorschriften vaststelt (zie arrest van 14 juni 2001, Commissie/Frankrijk, C-345/99, Jurispr. blz. I-4493, punt 19). Het staat immers aan de gemeenschapswetgever om een gemeenschappelijke regeling voor de uitsluitingen van het recht op BTW-aftrek vast te stellen en aldus de nationale BTW-wetgevingen geleidelijk te harmoniseren (zie arrest van 5 oktober 1999, Royscot e.a., C-305/97, Jurispr. blz. I‑6671, punt 31).

7.4

Het arrest Danfoss A/S en AstraZeneca A/S van 11 december 2008 betrof een Deense regeling.87 In de kantine van Danfoss werden tijdens zakelijke bijeenkomsten op de bedrijfslocaties ook maaltijden om niet verstrekt aan zakenrelaties en aan het eigen personeel. In Denemarken bestond een wettelijke uitsluiting van aftrek op om niet aan personeel en zakenrelaties verstrekte kantinemaaltijden sinds de invoering van de btw in dat land in 1967. De Deense fiscus verleende echter sinds inwerkingtreding van de Zesde richtlijn op grond van een contra legem administratieve praktijk aftrek voor alle kantine-uitgaven enerzijds en heffing over de kostprijs van de verstrekkingen anderzijds. Toen deze praktijk in 1999 door de Deense rechter ongeldig werd verklaard, viel de Deense belastingdienst terug op de wettelijke aftrekbeperking. Deze ‘herinvoering’ van de wettelijke aftrekbeperking vond geen genade in de ogen van het HvJ:

1) Artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat na de inwerkingtreding van deze richtlijn toepassing maakt van een uitsluiting van het recht op aftrek van de voorbelasting op uitgaven in verband met maaltijden die door bedrijfskantines in het kader van zakelijke bijeenkomsten om niet worden verstrekt aan zakenrelaties en personeel, terwijl die uitsluiting ten tijde van die inwerkingtreding niet daadwerkelijk van toepassing was op die uitgaven wegens een administratieve praktijk op grond waarvan de door deze kantines verrichte diensten werden belast uitgaande van de kostprijs daarvan, berekend op basis van de productiekosten, dat wil zeggen de prijs van de grondstoffen en de loonkosten voor de bereiding en de verkoop van het voedsel en de drank alsmede voor het kantinebeheer, onder volledige aftrek van de voorbelasting.

Een andere prejudiciële vraag van de Deense rechter was of de onderhavige verstrekkingen om niet moesten worden aangemerkt als te zijn gericht op ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ in de zin van (thans) artikel 26, lid 1, van de Btw-richtlijn, bij bevestigende beantwoording waarvan sprake zou zijn van een fictieve dienst. Bij de beantwoording van die vraag liep het HvJ de bijzonderheden van de voorliggende casus na, waarbij het in r.o. 58 ‘naar analogie’ verwees naar het arrest Fillibeck. Het HvJ heeft overwogen:

45 Met zijn vierde en vijfde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een btw-plichtige onderneming waarvan de kantine in het kader van zakelijke bijeenkomsten die binnen het bedrijf worden gehouden, om niet maaltijden verstrekt aan zakenrelaties of personeelsleden, diensten om niet verricht voor andere dan bedrijfsdoeleinden die moeten worden gelijkgesteld met belastbare, onder bezwarende titel verrichte diensten in de zin van artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn.

(…).

56 In de tweede plaats moet worden onderzocht of het in het kader van zakelijke bijeenkomsten om niet verstrekken van maaltijden door kantines van ondernemingen aan het personeel van deze ondernemingen moet worden aangemerkt als het verrichten van diensten door de belastingplichtige voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan beroepsdoeleinden.

57 Vaststaat dat de werknemer normaal gezien zelf uitmaakt wat, wanneer precies, en ook waar hij eet. De werkgever bemoeit zich niet met deze keuzes, daar de werknemer als enige verplichting heeft op de overeengekomen tijdstippen naar zijn werkplaats terug te keren en daar zijn gebruikelijke arbeid te verrichten. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, dient bijgevolg het verstrekken van maaltijden aan de werknemers in beginsel privédoeleinden en gaat het daarbij om een zaak van persoonlijke keuze van die werknemers waarin de werkgever zich niet mengt. Daaruit volgt dat dienstverrichtingen bestaande in het om niet verstrekken van maaltijden aan werknemers in normale omstandigheden privédoeleinden van die werknemers in de zin van artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn dienen.

58 Daarentegen moet worden erkend, dat het in bijzondere omstandigheden wegens de behoeften van de onderneming nodig kan zijn dat de werkgever zelf voor maaltijden zorgt (zie naar analogie, met betrekking tot door de werkgever georganiseerd vervoer van werknemers naar hun plaats van tewerkstelling, arrest Fillibeck, reeds aangehaald, punten 29 en 30).

59 Enerzijds heeft Danfoss, zonder door de Deense regering te zijn weersproken, gepreciseerd dat de betreffende maaltijden, die minder dan 1 % vertegenwoordigen van de aan het personeel geserveerde maaltijden, welke voor het overige tegen betaling worden verstrekt, uitsluitend worden aangeboden in het kader van bijeenkomsten op de bedrijfszetel voor werknemers uit verschillende landen. Zoals die onderneming ter terechtzitting heeft betoogd, bestaat haar belang om in het specifieke kader van binnen de onderneming georganiseerde bijeenkomsten maaltijden en drank aan haar werknemers te verstrekken erin, dat zij die maaltijden dan rationeel en doeltreffend kan organiseren en kan controleren met wie, waar en wanneer die werklunches worden gehouden.

60 Erkend moet worden dat de werkgever, door zelf maaltijden aan zijn werknemers te verstrekken, met name de redenen voor onderbreking van de bijeenkomsten kan beperken. Zo kan het feit dat alleen de werkgever de continuïteit en het goede verloop van de bijeenkomsten kan garanderen, hem ertoe verplichten maaltijden te verstrekken aan de werknemers die daaraan deelnemen.

61 Anderzijds bestaan de betrokken maaltijden, zoals Danfoss ter terechtzitting heeft uiteengezet, uit sandwiches en koude schotels, die in specifieke omstandigheden in de vergaderruimte worden opgediend. Uit deze verklaring blijkt dat de werknemers plaats, uur noch aard van de maaltijden kunnen kiezen, aangezien die keuzes door de werkgever zelf worden gemaakt.

62 In die bijzondere omstandigheden dient het verstrekken van maaltijden aan de werknemers door de werkgever niet de privédoeleinden van die werknemers noch andere dan bedrijfsdoeleinden. Het persoonlijke voordeel ervan voor de werknemers is slechts bijkomstig ten opzichte van de behoeften van de onderneming.

63 De specifieke wijze waarop de onderneming is georganiseerd vormt dus een aanwijzing dat dienstverrichtingen bestaande in het om niet verstrekken van maaltijden aan werknemers niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden plaatsvinden.

64 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om aan de hand van de door het Hof aangereikte uitleggingsgegevens vast te stellen, of de bijzondere kenmerken van de bij hem aanhangige zaken, gelet op de behoeften van de betrokken ondernemingen, verlangen dat de werkgever tijdens zakelijke bijeenkomsten die plaatsvinden binnen zijn onderneming, maaltijden om niet verstrekt aan zakenrelaties en aan het personeel.

65 Gelet op het voorgaande moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling geen betrekking heeft op het om niet verstrekken van maaltijden in de bedrijfskantine aan zakenrelaties in het kader van bijeenkomsten die plaatsvinden binnen de onderneming, wanneer uit objectieve gegevens blijkt – wat door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd – dat die maaltijden uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden verstrekt. Voorts is deze bepaling in beginsel van toepassing op het om niet verstrekken van maaltijden door een onderneming aan haar personeel in haar bedrijfsruimten, tenzij – wat eveneens door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld – de behoeften van de onderneming, zoals de noodzaak de continuïteit en het goede verloop van de zakelijke bijeenkomsten te garanderen, verlangen dat die maaltijden door de werkgever worden verstrekt.

Het HvJ heeft onder meer voor recht verklaard:

2) Artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op het om niet verstrekken van maaltijden in de bedrijfskantine aan zakenrelaties in het kader van bijeenkomsten die plaatsvinden binnen de onderneming, wanneer uit objectieve gegevens blijkt – wat door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd – dat die maaltijden uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden verstrekt. Voorts is deze bepaling in beginsel van toepassing op het verstrekken om niet van maaltijden door een onderneming aan haar personeel in haar bedrijfsruimten, tenzij – wat eveneens door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld – de behoeften van de onderneming, zoals de noodzaak de continuïteit en het goede verloop van de zakelijke bijeenkomsten te garanderen, verlangen dat die maaltijden door de werkgever worden verstrekt.

7.5

Het arrest The Rank Group van 10 november 2011 betrof heffing van btw in het Verenigd Koninkrijk ter zake van gokautomaten.88 Eén type gokautomaat was vrijgesteld van btw maar een ander type gokautomaat niet, terwijl laatstgenoemd type in de ogen van de gokkende consument vergelijkbaar, zo niet identiek, was aan het vrijgestelde type. De verwijzende rechter stelde vanwege deze ongelijke behandeling de volgende prejudiciële vragen:

1) Wanneer er verschillen zijn in de btw-behandeling

- tussen prestaties die identiek zijn vanuit het oogpunt van de consument, of

- tussen gelijksoortige prestaties die in dezelfde consumentenbehoeften voorzien,

vormt dat dan op zichzelf een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit of dienen tevens in aanmerking te worden genomen (en zo ja, op welke wijze):

a) de wettelijke en economische context;

b) of er al dan niet sprake is van mededinging tussen de identieke diensten, respectievelijk de betrokken gelijksoortige diensten; en/of

c) of de verschillende btw-behandeling vervalsing van de mededinging tot gevolg heeft gehad?

Het HvJ heeft hieromtrent overwogen:

36. Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, sub b en c, in zaak C‑259/10 worden geantwoord dat het beginsel van fiscale neutraliteit aldus moet worden uitgelegd dat een verschil in behandeling voor de btw van twee verrichtingen van diensten die vanuit het oogpunt van de consument gelijk of soortgelijk zijn en aan dezelfde behoeften van deze laatste voldoen, volstaat om te kunnen spreken van schending van dat beginsel. Om van schending te kunnen spreken hoeft dus niet tevens te worden aangetoond dat daadwerkelijk sprake is van mededinging tussen de betrokken diensten of verstoring van de mededinging wegens dat verschil in behandeling.

7.6

Het arrest EON Aset Menidjmunt van 16 februari 2012 betrof een belastingplichtige die een motorvoertuig huurde en een ander motorvoertuig leasete. Hij had ter zake alle btw afgetrokken. Het HvJ betrok in zijn overwegingen het arrest Fillibeck:89

50. In casu heeft Eon Aset voor de verwijzende rechter aangevoerd dat de op grond van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde huur- respectievelijk leaseovereenkomst gehuurde motorvoertuigen werden gebruikt voor het vervoer van haar bedrijfsleider tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling.

51. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat uit de omstandigheid dat het zich verplaatsen van de woning naar de plaats van tewerkstelling een noodzakelijke voorwaarde is voor de aanwezigheid op het werk en bijgevolg voor de uitvoering ervan, niet zonder meer kan worden geconcludeerd, dat het vervoer van de werknemer tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling, de privédoeleinden van de werknemer in de zin van artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn niet dient. Het zou immers in strijd zijn met het doel van deze bepaling, dat een dergelijk indirect verband op zichzelf zou volstaan om de gelijkstelling van het vervoer met een onder bezwarende titel verrichte dienst uit te sluiten (zie in die zin arrest van 16 oktober 1997, Fillibeck, C-258/95, Jurispr. blz. I-5577, punt 27).

52. Integendeel, het kan in bijzondere omstandigheden wegens de behoeften van het bedrijf nodig zijn dat de werkgever zelf voor het vervoer van zijn werknemers tussen hun woning en hun plaats van tewerkstelling zorgt, zodat het vervoer door de werkgever niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt georganiseerd (zie in die zin arrest Fillibeck, reeds aangehaald, punten 29-30).

(…).

54. Indien de belastingplichtige ervoor kiest een investeringsgoed dat zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden wordt gebruikt, te behandelen als een bedrijfsgoed, is de voorbelasting die is verschuldigd voor de verkrijging van dat goed in beginsel volledig en onmiddellijk aftrekbaar. In die omstandigheden wordt, wanneer voor een voor het bedrijf bestemd goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van voorbelasting is ontstaan, het gebruik daarvan voor privédoeleinden van de belastingplichtige of zijn personeel of voor andere dan bedrijfsdoeleinden, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Charles en Charles-Tijmens, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, punt 37).

Jurisprudentie van de Hoge Raad inzake persoonlijk voordeel

7.7

Een arrest van 25 maart 1998 betrof een belastingplichtige die in het kader van een sociaal plan outplacementbureaus had ingeschakeld om werknemers te helpen bij het vinden van een passende werkkring buiten het bedrijf.90 De Hoge Raad betrok het arrest Fillibeck in zijn overwegingen:

3.3. (...).

Het staat vast dat belanghebbende om een noodzakelijke personeelsreductie te bereiken en daarbij conflicten met de werknemers te vermijden, een sociaal plan heeft opgesteld waarvan onderdeel uitmaakt dat zij zich heeft verplicht outplacementbureaus in te schakelen ten einde werknemers te helpen bij het vinden van een passende werkkring buiten het bedrijf. De Inspecteur heeft in het vertoogschrift erkend dat het verstrekken van de diensten van de bureaus voor de werknemers niet tot een besparing heeft geleid, kennelijk omdat werknemers geen uitgaven voor dergelijke doeleinden plegen te doen. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de uitgaven primair in het belang van de onderneming zijn gedaan en dat het persoonlijk voordeel voor de werknemers, zo al aanwezig, van ondergeschikt belang is. (Zie het arrest van het Hof van Justitie van 16 oktober 1997, zaak C-258/95, r.o. 30, V-N 1998, blz. 233). Alsdan is van een bezigen van de diensten van de bureaus voor het uitkeren van loon in natura of voor andere persoonlijke doeleinden van het personeel - in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het BUA - geen sprake.

7.8

Een arrest van 8 oktober 2004 betrof een werkgever die de verhuizing van de persoonlijke inboedel van zijn uit het buitenland afkomstige werknemers regelde.91 Ook in dit arrest betrok de Hoge Raad het arrest Fillibeck in zijn overwegingen:

3.3.1.

Het Hof heeft (...) overwogen dat belanghebbende de onderwerpelijke omzetbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht, omdat de prestaties van de verhuizers - op de wijze als bedoeld in artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: BUA) - zijn gebezigd voor persoonlijke doeleinden van werknemers, ook al zouden de betreffende uitgaven voor belanghebbende dienen te worden aangemerkt als zakelijke kosten. Van bijzondere omstandigheden waaronder aan het zakelijke motief van de prestaties een dusdanige betekenis dient te worden toegekend dat een eventuele bijkomstige bevoordeling van het personeel niet tot uitsluiting van aftrek van belasting hoeft te leiden, is naar 's Hofs oordeel geen sprake.

(...).

3.4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het BUA wordt de in artikel 15, lid 1, van de Wet bedoelde aftrek van omzetbelasting uitgesloten voorzover de goederen of diensten worden gebezigd voor persoonlijke doeleinden van personeel. Onder dergelijke diensten zijn in beginsel begrepen het vervoeren en opslaan van persoonlijke inboedels van werknemers in verband met hun door hun werkzaamheden opgeroepen verhuizing (HR 1 november 1989, nr. 25 755, BNB 1990/9). De uitsluiting van de aftrek is echter niet van toepassing, indien een bijzondere omstandigheid de werkgever dwingt tot het voor zijn rekening doen verrichten van de diensten (zie het Hof van Justitie in de reeds aangehaalde zaak Fillibeck), zodat de uitgaven voor die diensten primair worden gedaan in het belang van de onderneming en het persoonlijke voordeel voor de werknemers, zo al aanwezig, van ondergeschikt belang is (HR 25 maart 1998, nr. 33 096, BNB 1998/181, onderdeel 3.3). Daarvoor is met betrekking tot de onderwerpelijke verhuizingen beslissend of de noodzaak van die verhuizingen geheel en al wordt opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming, zonder dat er - in juridische of in feitelijke zin - ruimte is voor keuzebeslissingen van de betrokken werknemers met betrekking tot de plaats van hun tewerkstelling.

3.4.2.

Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld dat de komst van de buitenlandse werknemers noodzakelijk was voor haar onderneming, dat in de omstandigheden van de betrokken werknemers de verhuiskosten naar maatschappelijke opvattingen voor rekening van de werkgever komen, en dat geen sprake was van een vrije keuze van de werknemers om al dan niet naar Nederland te komen.

Nu het Hof niet is ingegaan op deze stellingen, heeft het zijn hiervóór in 3.3.1 vermelde oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt niet is na te gaan of, en zo ja, welke betekenis het Hof - in het licht van hetgeen hiervóór in 3.4.1 is overwogen - aan de gestelde feiten en omstandigheden heeft gehecht. De middelen slagen derhalve in zoverre.

7.9

In een arrest van 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad overwogen:92

4.2. (...).

De omstandigheid dat eventueel gebruik van de goederen of diensten voor de in het BUA vermelde doeleinden voor de ondernemer geen enkele rol speelt of heeft gespeeld bij zijn overweging de goederen aan te schaffen of de diensten af te nemen, kan aan de toepasselijkheid van de regeling van het BUA niet afdoen, omdat het feitelijk bezigen van de goederen en diensten voor die doeleinden in dezen bepalend is. De omzetbelasting begrepen in de aan dat bezigen toe te rekenen uitgaven kan op de voet van artikel 16 van de Wet niet in aftrek worden gebracht. (...).

Literatuur

7.10

Van Kesteren heeft over het arrest Fillibeck geschreven:93

De (…) vraag is (…) of wellicht de gelijkschakeling (een fictie) met een prestatie onder bezwarende titel heeft plaatsgevonden op basis van dit artikellid. Hier speelt de cruciale vraag of een bepaalde dienst (in casu het aangeboden vervoer) de privé-doeleinden van de werknemer dient. In onze nationale jurisprudentie heeft de Hoge Raad beslist dat in het geval dat met een bepaalde voorziening naast bedrijfsdoeleinden mede privé-doeleinden worden gediend, altijd het BUA van toepassing is. De Hoge Raad stelde: ‘De omstandigheid dat met de uitgaven dienstbaar zijn aan het bedrijf van belanghebbende staat er niet aan in de weg dat de prestaties waarvoor die uitgaven zijn gedaan, betrekking hebben op persoonlijke doeleinden van de werknemers.’ (HR 1 november 1989, nr. 25 755, BNB 1990/9).

Dit arrest werd door de belastingdienst menigmaal in stelling gebracht als de belastingplichtige stelde, dat hij weliswaar met zijn prestaties mede de belangen van zijn personeel diende, doch dat toch met name bij hem de bedrijfsbelangen op de voorgrond stonden. Het Hof van Justitie stelt nu in het onderhavige geval, dat vervoer van personeel door de werkgever onder normale omstandigheden moet worden gezien als geschied ten aanzien van de privé-belangen van de werknemer.

Volgens het Hof van Justitie moet echter worden erkend dat het in bijzondere omstandigheden wegens de behoeften van de onderneming nodig kan zijn, dat de werkgever zelf voor het vervoer van zijn werknemers tussen hun woning en hun plaats van tewerkstelling zorgt. Zo kan de omstandigheid dat enkel de werkgever een passend vervoermiddel kan verstrekken, of dat de plaats van tewerkstelling niet vaststaat, maar verandert, de werkgever verplichten in te staan voor het vervoer van zijn werknemers. In dergelijke bijzondere omstandigheden dient het door de werkgever georganiseerde vervoer geen andere dan bedrijfsdoeleinden. Het persoonlijke voordeel van de werknemer is dan slechts ondergeschikt aan de bedrijfsdoeleinden.

Dit is een belangrijke constatering. De in Nederland gangbare gedachte bij de rechter en de belastingdienst, dat in elke situatie waarbij een privé-belang wordt gediend er automatisch een correctie dient plaats te vinden, staat op de helling. Het blijkt wel degelijk zo te zijn dat wanneer het bedrijfsbelang meer gewicht in de schaal legt dan de privé-belangen, er geen aftrek-correctie voor de BTW dient plaats te vinden. Het belang van HR 12 juni 1974, nr. 17 295, BNB 1974/203 komt daarmee te vervallen. De Hoge Raad achtte in een gelijke situatie het BUA van toepassing, waaraan volgens de Hoge Raad niet afdeed dat de werkgever, gezien de omstandigheid dat werknemers vanwege de afstanden en het voor hen ontbreken van passend openbaar vervoer, zonder deze voorziening niet naar de plaats van de arbeid zouden kunnen komen.

(…).

Meer algemeen kan nu worden geconcludeerd dat op basis van het Julius Fillibeck-arrest onder omstandigheden in geval van gemengde kosten aan het zakelijke motief een dusdanig doorslaggevende betekenis moet worden toegekend, dat een eventuele bijkomstige bevoordeling van het personeel niet zonder meer tot uitsluiting van de aftrek behoeft te leiden. Dit is het geval als de omstandigheden - gelet op de behoeften van de onderneming - de ondernemer ‘verplichten’ de faciliteit aan de werknemers aan te bieden. Dit is aan de orde als het de werkgever en niet de werknemer is die voor de invulling van de voorziening dient zorg te dragen (eventueel met behulp van derden), omdat hij - van beiden - in alle redelijkheid de meest gerede partij blijkt te zijn om die voorziening in een passende vorm aan te bieden.

7.11

De redactie van Vakstudie Nieuws heeft bij het arrest Fillibeck aangetekend:94

Deze Duitse casus kunnen we zo overplaatsen naar Nederland. Ook Nederlandse bouwvakkers worden vaak naar de plaats van hun tewerkstelling vervoerd vanwege de werkgever (...).

Het lijkt verleidelijk om de uitgangspunten van het Hof van Justitie voortaan zonder meer als richtsnoer te nemen voor de uitleg van onze regels voor de beperking van de aftrek. Enige voorzichtigheid is daarbij echter geboden. Op grond van art. 17, zesde lid, van de Zesde richtlijn mag Nederland immers zijn regels voor de beperking van de aftrek vooralsnog blijven toepassen. Dat betekent dat deze nationale regels en hun uitleg los van de bepalingen van de Zesde richtlijn toepasbaar zijn. Die beperking van de aftrek kan dus ook wat verder gaan dan art. 6 van de Zesde richtlijn, de heffingsbepaling voor dit soort situaties. Belangrijk daarbij is de erkenning, ook in de rechtspraak, dat in Nederland prestaties tegelijk zowel persoonlijke doeleinden van het personeel als ondernemersdoeleinden kunnen betreffen. Dat door resoluties daarin voor de praktijk reeds enigszins ordening in is aangebracht, doet daar niet aan af.

7.12

Nieuwenhuizen denkt een relevant vertaalverschil te hebben aangetroffen:95

De Nederlandse tekst van rechtsoverweging 30 (...) bestaat uit twee zinnen die elkaar tegenspreken. In de eerste zin constateert het hof dat er situaties zijn waarin ‘geen andere dan bedrijfsdoeleinden’ wordt gediend. In de tweede zin wordt vervolgens gezegd dat dan het persoonlijke voordeel ondergeschikt is aan de bedrijfsdoeleinden. Hoe moet dat nu? Moet er nu ‘geen andere dan bedrijfsdoeleinden’ in het spel zijn om art. 6, tweede lid, buiten werking te laten zijn, of is het voldoende dat de bedrijfsdoeleinden de privé-doeleinden overheersen? Het antwoord meen ik af te kunnen leiden uit de Duitse tekst, de procestaal en daarmee de authentieke tekst van het arrest: ‘30. Unter solchen besonderen Umständen erfolgt die Organisation der Beförderung durch den Arbeitgeber nicht zu unternehmensfremden Zwecken. Der persönliche Vorteil, den der Arbeitnehmer dadurch hat, erscheint gegenüber dem Bedarf des Unternehmens nur als nebensächlich.’ In het Duits staat dus helemaal niet ‘geen andere dan bedrijfsdoeleinden’, maar dat onder die omstandigheden het vervoer een niet-bedrijfsvreemd doel dient! Dit is duidelijk een andere formulering, welke veel meer ruimte overlaat dan de Nederlandse tekst doet vermoeden. Het dient er dus om te gaan dat het persoonlijke voordeel van de arbeider van minder belang is (‘nebensächlich’) dan het bedrijfsbelang.

(…).

Het Julius Fillibeck-arrest leert ons naar mijn mening dat voor de beoordeling of bedrijfsdoeleinden danwel privé-doeleinden worden gediend, een economische en maatschappelijke benadering gekozen dient te worden, en niet een strikt juridische. Nog belangrijker is de conclusie van het arrest dat wanneer het persoonlijke voordeel van de arbeider van minder belang is (‘nebensächlich’; bijkomstig) dan het bedrijfsbelang, er geen plaats is voor een correctie. Het BUA, zoals zich dat heeft ontwikkeld in Nederland, respecteert dit niet.

7.13

Van Brederode heeft over het arrest Fillibeck opgemerkt:96

Wat betekent dit arrest voor de praktijk? Duidelijk is dat de benadering van het Fillibeck-arrest ook in Nederland gevolgd moet worden. Bij gelijktijdige aanwending voor zowel zakelijke als privé-doeleinden, dient een afweging van belangen plaats te vinden. Toerekening dient plaats te vinden aan de aanwending welke dominant is. Dat sluit naar mijn mening niet uit dat in een concreet geval een compromis met de Belastingdienst wordt gesloten over de grootte van de aftrek bij gemengd gebruik.

7.14

De redactie Vakstudie Nieuws heeft onder andere het volgende bij het arrest Danfoss A/S en AstraZeneca A/S aangetekend:97

De laatste twee vragen betreffen de toepasbaarheid van een fictieve heffing ter zake van het gratis verstrekken van maaltijden aan personeel en zakenrelaties. Die vragen vallen samen te vatten tot de vraag of de verstrekte maaltijden voor het personeel en de zakenrelaties privé worden verschalkt, of dat het verstrekken van de maaltijden zakelijke doeleinden dient. Aan een fictieve heffing in de zin van art. 6, tweede lid, Zesde richtlijn wordt namelijk alleen toegekomen als de verstrekkingen voor andere dan bedrijfsdoeleinden zijn gedaan.

Bij de beoordeling van deze vraag grijpt het Hof van Justitie EG terug op het arrest Fillibeck van 16 oktober 1997, C-258/95, V-N 1998/2.35. Hierin oordeelde het Hof van Justitie EG dat de behoeften van de onderneming er toe kunnen leiden dat het gratis vervoer van werknemers (woon-werkverkeer) niet als een privé-aangelegenheid van die werknemers, maar als een dienst voor bedrijfsdoeleinden moest worden aangemerkt, namelijk als de omstandigheden het bedrijf verplichten om het woon-werkverkeer voor die werknemers te verzorgen. Op dezelfde wijze oordeelt het Hof van Justitie EG nu dat het verschaffen van een gratis maaltijd vanuit de bedrijfskantine aan relaties of personeel in principe een uitgaaf voor privédoeleinden van het personeel/relaties is, doch dat bijzondere omstandigheden er toe kunnen leiden dat het nuttigen van een door de werkgever aangeboden maaltijd primair toch als een uitgaaf voor bedrijfsdoeleinden moet worden aangemerkt, waarvan het privé-element (een mens moet toch eten) dan bijkomstig is. Die bijzondere omstandigheden moeten volgens het Hof van Justitie EG objectief kunnen worden vastgesteld. Als wij het goed lezen is echter al sprake van een bijzondere omstandigheid - en dus van een ‘bedrijfsbehoefte’ - als met de voedselverstrekking het goede (efficiënte) verloop van zakelijke bijeenkomsten gegarandeerd wordt. Met andere woorden: de private consumptie van spijzen en dranken tijdens het werk is in die gevallen zakelijk noodzakelijk. Naar wij vermoeden zal deze open-norm-achtige uitleg van het Hof van Justitie EG in menig lidstaat de nodige discussies opleveren. Is er wel sprake van een privébehoefte als er méér dan het spreekwoordelijke broodje kaas in de vergaderruimte wordt geserveerd? En wat als buiten de deur gegeten wordt? En voorts: wat zijn de uitstralingseffecten naar andere goederen? (...).

Praktijkgevolgen voor Nederland

Voor de Nederlandse praktijk is dit arrest vooral van belang bij de uitlegging van met name art. 4, tweede lid, onderdeel a en b, Wet OB 1968, waarin sinds 2007 - kort gezegd - het gebruik van zakelijke goederen voor privédoeleinden als (fictieve) dienst belast wordt met btw. Het heffingsbereik van die bepaling is ingeperkt voor de hiervoor beschreven situaties van gratis diensten aan personeel als daarmee hoofdzakelijk aan een bedrijfsbehoefte wordt voldaan. Op grond van art. 16a Wet OB 1968 komt die heffingssystematiek overigens pas in beeld als het om verstrekkingen gaat waarvoor het BUA of art. 15 Uitv.Besch. OB 1968 niet geldt. Door de aftrekbeperking van art. 15, vijfde lid, Wet OB 1968 voor horeca-uitgaven, en het BUA, lijkt het arrest vooralsnog dan ook geen onmiddellijk effect op bedrijfskantine-uitgaven in Nederland te hebben, afgezien van de hiervóór opgeworpen vraag of art. 3 BUA de 'richtlijntoets' doorstaat. Het is wel verleidelijk om de uitgangspunten die het Hof van Justitie EG hanteert bij de vraag of een uitgave bedrijfsdoeleinden dient, als richtsnoer te nemen bij de uitlegging van het BUA. Wij achten daarbij voorzichtigheid geboden, omdat het BUA een aftrekbeperking is die gebaseerd is op art. 17, zesde lid, Zesde richtlijn. Dat betekent dat deze nationale regels en hun uitlegging in beginsel los van art. 5, zesde lid en art. 6, tweede lid, onder a of b, Zesde btw-richtlijn moeten worden gezien.

Beoordeling van de vierde klacht

7.15

De vierde klacht betreft het gehele jaar 2011 en ziet op het gebruik van de vier bestelauto’s waarvoor de werknemers geen eigen bijdrage hebben betaald. Deze klacht hangt samen met de vraag of ‘de btw-correctie privégebruik auto - vanwege de bedrijfsmatige noodzaak tot ter beschikking stelling - achterwege [kan] blijven bij de vier bestelauto’s waarvoor geen eigen bijdrage van de werknemers is ontvangen’.98

7.16

Het Hof heeft in r.o. 4.33 ten aanzien van voornoemde vier bestelauto’s geoordeeld dat ‘uitsluiting van de aftrek dient plaats te vinden op grond van het BUA (eerste halfjaar 2011) dan wel een heffing moet volgen met betrekking tot de fictieve dienst (artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB; tweede halfjaar).’99 Voorts heeft het hof in r.o. 4.34 onder andere geoordeeld dat terbeschikkingstelling van een auto die tot het bedrijfsvermogen behoort aan een werknemer dan wel het leasen van een auto twee handelingen zijn die ‘voor toepassing van de omzetbelasting op hun eigen merites [dienen] te worden beoordeeld’.100 Naar het oordeel van het Hof kan ‘de terbeschikkingstelling van een “eigen” auto (…) niet worden gelijkgesteld met andere naar nationale recht in aanmerking komende oplossingen die niet tot een correctie wegens privégebruik zouden leiden, maar die belanghebbende zelf niet heeft gekozen (…)’.101

Ten eerste

7.17

Belanghebbende betoogt ten eerste dat het Hof met zijn oordeel voorbijgaat aan het arrest The Rank Group, en dan met name aan r.o. 36 daarvan.102 Volgens belanghebbende impliceert die rechtsoverweging ‘dat het zogenoemde privégebruik vanuit de optiek van de werknemer dient te worden beoordeeld, dat het vanuit die optiek niet uitmaakt of de auto tot het bedrijfsvermogen van de werkgever behoort of wordt geleased en de ter beschikkingstelling van een “eigen auto of leaseauto” voor de heffing van de omzetbelasting gelijk dient te worden verwerkt’.103

7.18

Uit het arrest The Rank Group volgt naar mijn mening dat een verschil in behandeling voor de omzetbelasting van ‘twee verrichtingen van diensten die vanuit het oogpunt van de consument gelijk of gelijksoortig zijn en aan dezelfde behoeften van deze laatste voldoen’ een schending van het neutraliteitsbeginsel kan opleveren.104 In casu komt daarmee de vraag op wie als ‘consument’ kan worden aangemerkt. Is dat belanghebbende of zijn dat diens werknemers? Het belang van deze vraag is te bepalen vanuit welk gezichtspunt (van belanghebbende of van de werknemers) de neutraliteitstoets moet worden aangelegd.

7.19

Indien belanghebbende in casu als referentiepunt wordt gekozen, wordt de aanschaf van een auto door belanghebbende (levering), vergeleken met de lease van een voertuig (dienst). Dat lijken mij geen gelijke gevallen.

7.20

Bezien vanuit de positie van de werknemers aan wie een auto ter beschikking is gesteld is er, naar mijn mening, geen relevant verschil tussen het ter beschikking krijgen van een auto die eigendom is van de werkgever dan wel een door deze geleasete auto. Beide ‘varianten’ voldoen bovendien aan dezelfde behoeften, te weten vervoer en transport van de werknemer.

7.21

Maar zelfs indien sprake zou zijn van gelijke gevallen, is het de vraag of ook een ongelijke behandeling aanwijsbaar is welke een schending van het neutraliteitsbeginsel oplevert. Het had mijns inziens op de weg van belanghebbende gelegen te onderbouwen en te kwantificeren waarin de vermeende materieel ongelijke behandeling gelegen zou zijn. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dat gedaan noch gebleken, zodat moet worden geconstateerd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Aldus faalt in zoverre de vierde klacht.

Ten tweede

7.22

Belanghebbende voert voorts aan dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan haar beroep op de arresten Fillibeck,105 Danfoss A/S en AstraZeneca A/S106 en EON Aset Mendijmunt107 van het HvJ.108 Volgens belanghebbende dient ‘het beschikbaar stellen van de bedrijfsauto’s slechts haar eigen bedrijfseconomische doeleinden’, zodat ‘voor een heffing over privégebruik geen plaats [is]’.109110

7.23

Ik meen echter dat die arresten de laatstgenoemde conclusie niet kunnen dragen. In artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, dat ongewijzigd is voortgezet in artikel 176 van de Btw-richtlijn, is bepaald dat de regels betreffende de uitgaven waarvoor geen recht op aftrek bestaat, kunnen worden geharmoniseerd.111 Dat zou gevolgen kunnen hebben voor het (effectief) voortbestaan van het BUA.112 Echter, een dergelijke harmonisatie heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

7.24

Het BUA is per 1 januari 1969 in werking getreden, zodat het reeds gold op het moment dat de Zesde richtlijn in 1977 in werking trad.113 Het BUA is blijkens jurisprudentie van het HvJ als zodanig Unierechtelijk houdbaar.114 Bovendien is artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, eerste volzin, van het BUA sinds 1 januari 1969 niet gewijzigd.115 De standstill-bepaling van (thans) artikel 176 van de Btw-richtlijn tast voormelde bepaling van het BUA dan ook niet aan.116 Anders dan in het arrest Danfoss A/S en AstraZeneca A/S, is ter zake geen sprake van een na inwerkingtreding van de Zesde richtlijn doorgevoerde wijziging in de relevante nationale wetgeving.117

7.25

De arresten Fillibeck en Danfoss A/S en AstraZeneca A/S zien ook op de reikwijdte van de fictieve dienst, die in Nederland zijn beslag heeft gekregen in artikel 4, lid 2, van de Wet OB. Tot 1 juli 2011 was deze bepaling op grond van artikel 16a van de Wet OB effectief niet van toepassing op het privégebruik van de ‘auto van de zaak’. Per 1 juli 2011, dus ook gedurende het tweede halfjaar van 2011, is zij als gevolg van een wetswijziging wel effectief van toepassing.118 Dat brengt, naar ik meen, mee dat ook de arresten Fillibeck en Danfoss A/S en AstraZeneca A/S vanaf die datum van belang zijn voor de onderhavige kwestie. Opmerking verdient hierbij dat de reikwijdte van beide arresten is beperkt tot verstrekkingen ‘om niet’, zodat zij in casu niet van toepassing zijn op de twee bestelauto’s waarvoor wel een eigen bijdrage is betaald.119

7.26

In lijn van de arresten Fillibeck120 en Danfoss A/S en AstraZeneca A/S121 meen ik dat ook de onderhavige terbeschikkingstelling om niet van bestelauto’s aan werknemers die worden gebruikt voor ritten tussen woonplaats en plaats van tewerkstelling, in principe ‘privédoeleinden van de werknemers, en dus andere dan bedrijfsdoeleinden dient’.122 Artikel 4, lid 2, van de Wet OB zou dan van toepassing zijn. In het licht van voornoemde arresten lijdt zulks evenwel uitzondering indien ‘de behoeften van de onderneming, gelet op een aantal bijzondere omstandigheden (…) eisen’ dat de bestelauto’s ter beschikking worden gesteld.123 Alsdan zou de terbeschikkingstelling ‘niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ worden verricht.124

7.27

De bijzondere omstandigheden die het HvJ in die arresten heeft genoemd, zijn ‘de moeilijkheid om andere geschikte vervoermiddelen te gebruiken en het veranderen van de plaats van tewerkstelling’125 alsmede het belang ‘de continuïteit en het goede verloop van de bijeenkomsten te garanderen’.126 In het arrest Fillibeck leidde één en ander ertoe dat het ‘door de werkgever georganiseerde vervoer geen andere dan bedrijfsdoeleinden’ diende. Een eventueel persoonlijk voordeel voor de werknemers was ‘slechts ondergeschikt aan de bedrijfsdoeleinden’.127

7.28

In het arrest Danfoss A/S en AstraZeneca A/S werd overwogen dat ‘het verstrekken van maaltijden aan de werknemers door de werkgevers niet de privédoeleinden van die werknemers noch andere dan bedrijfsdoeleinden [diende, A-G]’.128 Het persoonlijke voordeel dat werknemers genoten was ‘slechts bijkomstig ten opzichte van de behoeften van de onderneming’.129 Het ging daar om maaltijden, sandwiches en dergelijke, welke gedurende vergaderingen werden verstrekt om de continuïteit en het efficiënte verloop daarvan te bevorderen.

7.29

Uit de arresten Fillibeck en Danfoss A/S en AstraZeneca A/S volgt dat het ter beoordeling van de nationale rechter staat of ‘de bijzondere kenmerken van de bij hem aanhangige zaak, gelet op de behoeften van de onderneming, eisen dat de werkgever’130 zijn werknemers bestelauto’s ter beschikking stelt en deze dienst dus niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht.

7.30

Zie ook de arresten BNB 1998/191131 en BNB 2005/6,132 waarin de Hoge Raad heeft verwezen naar het arrest Fillibeck, echter met hantering van een wat striktere maatstaf. Uit BNB 2005/6 volgt kennelijk dat de noodzaak van de terbeschikkingstelling ‘geheel en al wordt opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming, zonder dat er – in juridische of in feitelijke zin – ruimte is voor keuzebeslissingen van de betrokken werknemers met betrekking tot de plaats van hun tewerkstelling’.133

7.31

Aldus wordt mijns inziens de aan te leggen maatstaf of belanghebbende voor een goede bedrijfsvoering geen andere reële keuze had dan de bestelauto’s mede voor privégebruik bestaande uit woon- en werkverkeer, aan zijn werknemers ter beschikking te stellen.

7.32

Mijns inziens heeft het Hof die maatstaf niet aangelegd, zodat de vierde klacht in zoverre slaagt.

7.33

Of het in casu inderdaad zo is dat belanghebbende voor haar goede bedrijfsvoering geen andere reële keuze had dan de bestelauto’s mede voor privégebruik bestaande uit woon- en werkverkeer, aan haar werknemers ter beschikking te stellen, is in deze (proef)procedure naar mijn mening niet vastgesteld. Dat zal dus nog moeten worden uitgezocht na verwijzing.

8 De vijfde klacht

Jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bewijslastverdeling

8.1

De Hoge Raad heeft in een arrest van 29 juni 1994 overwogen:134

4.4. (...).

Het verwijzingshof zal een onderzoek dienen in te stellen naar de vraag in welke mate de aftrek van voorbelasting op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het BUA, gelet op het in feite van de auto's gemaakte privé-gebruik, is uitgesloten. Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat de bewijslast rust op de Inspecteur, hetgeen belanghebbende evenwel niet ontlast van de verplichting dienaangaande gemotiveerd stelling te nemen.

8.2

De Hoge Raad heeft overwogen in een arrest van 15 maart 2000:135

3.3.

Het middel klaagt erover dat het Hof niet heeft vastgesteld dat het jacht werd gebezigd voor persoonlijke doeleinden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel c, van het BUA, maar dat het een eigen criterium voor de toepassing van deze bepaling heeft gehanteerd, te weten of er een vermoeden was dat belanghebbende haar directeur in de gelegenheid heeft gesteld het jacht aan te wenden voor persoonlijke doeleinden.

3.4.

Het is aan de inspecteur aannemelijk te maken dat en in hoeverre een ondernemer een door hem in het kader van zijn onderneming aangeschaft goed bezigt voor persoonlijke doeleinden van zijn personeel in de zin van artikel 1, lid 1, aanhef en onderdeel c, van het BUA. Daartoe is echter onvoldoende dat hij slechts feiten en omstandigheden naar voren brengt, die het vermoeden wettigen dat de ondernemer zijn personeel in de gelegenheid heeft gesteld het goed aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. De inspecteur dient aannemelijk te maken - eventueel met behulp van vermoedens - dat en in hoeverre de ondernemer het goed feitelijk bezigt voor persoonlijke doeleinden van het personeel. Van zodanig bezigen is sprake indien het goed feitelijk wordt gebruikt door het personeel voor persoonlijke doeleinden, alsmede indien dat goed aan dat personeel met uitsluiting van anderen ter beschikking staat voor persoonlijke doeleinden. Daarbij dient het gebruik in de gehele bezitsperiode in aanmerking te worden genomen naar de verwachtingen ten tijde dat de belasting ter zake van de levering in rekening wordt gebracht. Bij het vorenstaande verdient opmerking dat de wetgever bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn de uitsluiting van de aftrek van omzetbelasting als geregeld in artikel 16 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en het BUA op de voet van artikel 17, lid 6, van deze richtlijn in stand heeft gelaten en geen uitvoering heeft gegeven aan artikel 6, lid 2, van de richtlijn op grond waarvan heffing van omzetbelasting plaatsvindt ter zake van het in een tijdvak plaatsgehad hebbende privé-gebruik van door de ondernemer aangeschafte goederen of diensten.136

Aangezien uit 's Hofs hiervóór in 3.2 weergegeven oordelen niet is op te maken of die berusten op vorenstaand uitgangspunt, slaagt het middel in zoverre. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. (...).

8.3

De Hoge Raad heeft op 30 november 2012 zijn eindarrest in de zaak Van Laarhoven gewezen.137 Hij heeft als volgt overwogen:

2.3.1.

Middel 3 stelt de vraag aan de orde of de toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking zich verdraagt met artikel 6, lid 2, en artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn.

Gelet op de beantwoording van de prejudiciële vragen dient in dit verband te worden onderzocht of de forfaitaire berekeningsmethode die is vervat in artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking, op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van het privégebruik van de in geding zijnde auto’s.

2.3.2.

Het bedrag van de ter zake van privégebruik van een auto verschuldigde omzetbelasting wordt ingevolge artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking berekend aan de hand van een vast percentage van het forfaitaire bedrag aan kosten die voor de heffing van inkomstenbelasting worden geacht niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Dit forfaitaire bedrag wordt vastgesteld op basis van een percentage van de catalogusprijs van de auto, behoudens een thans niet ter zake doende uitzondering voor auto’s die meer dan 15 jaar geleden in gebruik zijn genomen. Dit een en ander komt erop neer dat bij de vaststelling van de voor het privégebruik van een auto gemaakte uitgaven in het algemeen geen onderscheid wordt gemaakt naargelang van de ouderdom van de auto of de mate waarin de auto voor privédoeleinden wordt gebruikt. Aangezien het onmiskenbaar is dat de omvang van de aan het privégebruik van de auto toe te rekenen uitgaven substantieel mede wordt beïnvloed door laatstgenoemde factoren, kan niet worden gezegd dat de forfaitaire berekeningsmethode van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van het privégebruik. Die berekeningsmethode verdraagt zich derhalve niet met de Zesde richtlijn.

2.3.3.

Naar nationaal recht bezien heeft de omstandigheid dat artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking door de daarin neergelegde forfaitaire berekeningsmethode strijdig is met de Zesde richtlijn, geen gevolg voor de geldigheid van het in dat artikellid bepaalde als zodanig (...). Die strijdigheid heeft wel gevolg voor de mogelijkheid artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking toe te passen, namelijk in die gevallen waarin een belastingplichtige met recht aanvoert dat die toepassing ertoe leidt dat meer belasting ter zake van het privégebruik van een auto wordt geheven dan volgens de in de Zesde richtlijn neergelegde maatstaf toelaatbaar is. Hierbij is van belang dat de in artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn neergelegde maatstaf voor de heffing ter zake van het gebruik van een tot het bedrijf van een belastingplichtige behorend goed voor privédoeleinden van die belastingplichtige voldoende nauwkeurig is bepaald om aan het bepaalde in de Zesde richtlijn in zoverre rechtstreekse werking te kunnen toekennen.

Voor een toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking die in andere gevallen ertoe leidt dat minder belasting wordt geheven dan volgens evengenoemde maatstaf is voorgeschreven, geldt dat aan een verplichting in een richtlijn van de Europese Unie geen werking ten nadele van een burger toekomt. In de laatstbedoelde gevallen belemmert derhalve de Zesde richtlijn de volle toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringbeschikking niet.

2.4. (…).

Verwijzing moet volgen voor de vaststelling van de in 2006 voor het privégebruik van de onderhavige auto's gedane uitgaven. Daarbij verdient opmerking dat het aan belanghebbende is de voor die vaststelling benodigde gegevens te verstrekken

8.4

De Hoge Raad heeft in een arrest van 12 juli 2013 overwogen:138

5.2.1.

Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het aan de inspecteur is aannemelijk te maken dat en in hoeverre een ondernemer door hem in het kader van zijn onderneming aangeschafte goederen of diensten bezigt voor persoonlijke doeleinden van zijn personeel (HR 15 maart 2000, nr. 35 208, LJN AA5138, BNB 2000/241).

5.2.2.

Belanghebbende heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de uitgaven het BUA van toepassing was en op grond daarvan de in rekening gebrachte en eerder in aftrek gebrachte omzetbelasting bij de onderwerpelijke aangifte gecorrigeerd. In bezwaar en beroep bestreed belanghebbende echter de geldigheid van het BUA en op die grond de juistheid van de correctie. Belanghebbende heeft in bezwaar noch beroep gesteld waarop de uitgaven zien, anders dan door de enkele hiervoor in 5.1 vermelde aanduiding.

5.2.3.

Tijdens de nadere zitting van het Hof (...) heeft belanghebbende erkend dat haar standpunt met betrekking tot de geldigheid van het BUA gelet op inmiddels gepubliceerde jurisprudentie van de Hoge Raad onjuist is. Daarbij heeft zij voor het Hof gesteld dat de uitgaven - anders dan zij voordien verdedigde - geen goederen of diensten betreffen als bedoeld in het BUA. Voorts heeft zij gesteld dat, zo dit wel het geval zou zijn, het gaat om goederen en diensten die vallen onder de categorie ‘andere persoonlijke doeleinden van dat personeel’ in de zin van artikel 1, lid 1, letter c, van het BUA, en over welke categorie de Hoge Raad in zijn arrest van 14 november 2008, nr. 43 185, LJN BG4322, BNB 2009/38, heeft geoordeeld dat deze niet verenigbaar is met de Zesde richtlijn.

Onder de hiervoor omschreven omstandigheden mag van een belanghebbende worden gevergd dat hij zijn stellingname vergezeld doet gaan van een zodanige feitelijke onderbouwing dat de Inspecteur over voldoende aanknopingspunten kan beschikken om daartegen verweer te voeren. Deze uitgebreide stelplicht brengt in het onderhavige geval mee dat van belanghebbende een nadere omschrijving mag worden gevergd van de desbetreffende uitgaven en het doel waartoe deze waren gedaan. Pas nadat aan die uitgebreide stelplicht was voldaan rustte op de Inspecteur de last feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die meebrengen dat het uitgaven betreft als bedoeld in het BUA.

Het Hof is bij zijn oordeel dat de Inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, ten onrechte aan hetgeen hiervoor is overwogen voorbijgegaan. Mitsdien slaagt het middel.

8.5

De Hoge Raad heeft in een arrest van 11 september 2015 overwogen:139

2.3.4. (...).

Als uitgangspunt heeft te gelden dat belanghebbende aannemelijk dient te maken in hoeverre zij ter zake van het gebruik van de personenauto’s op de voet van artikel 15, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) recht heeft op aftrek van haar in rekening gebrachte omzetbelasting. Zoals hiervoor (...) is vermeld, heeft belanghebbende ter zake van het gebruik van de personenauto’s geen kilometerregistratie bijgehouden. Belanghebbende heeft met betrekking tot de berekening van de aftrekbeperking gebruikgemaakt van de in het Besluit 2004 gegeven goedkeuring. In de uitspraak op bezwaar is dit herzien op de voet van het Besluit 2011.140 De Rechtbank heeft - in hoger beroep door belanghebbende niet bestreden - geoordeeld dat geen kilometeradministratie is bijgehouden zodat niet kan worden uitgegaan van de werkelijke kosten van het privégebruik en - naar belanghebbende ter zitting van de Rechtbank heeft bevestigd - aansluiting kan worden gezocht bij het percentage van 27. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de eigen bijdragen ten minste gelijk zijn aan de door belanghebbende gedragen kosten van het privégebruik door de werknemers zodat haar volledig recht op aftrek toekomt. Aangezien belanghebbende aannemelijk dient te maken in hoeverre zij ter zake van het gebruik van de personenauto’s op de voet van artikel 15, lid 1, van de Wet recht heeft op aftrek van haar in rekening gebrachte omzetbelasting, kon belanghebbende voor het Hof niet volstaan met die stelling. Omdat belanghebbende ter zake van dit een en ander voor het Hof geen bewijsmiddelen heeft ingebracht, is zij niet geslaagd in het hiervoor bedoelde bewijs.

2.3.5.

Voor een situatie als hiervoor in 2.3.4 bedoeld (dat wil zeggen dat de omvang van de aftrek niet wordt aangetoond) behelzen het Besluit 2004 en het Besluit 2011 elk een tegemoetkomende regeling. (...).

Beoordeling van de vijfde klacht

8.6

Het Hof heeft in r.o. 4.37 en 4.38 geoordeeld ‘geen aanleiding [te zien] de teruggaafbeschikking op een hoger bedrag vast te stellen’.141 Belanghebbendes klacht komt er kennelijk op neer dat het Hof in dat kader de bewijslast onjuist zou hebben verdeeld.142

8.7

Dienaangaande merk ik op dat de belastingplichtige de omvang van het zakelijke gebruik van de ‘auto van de zaak’ aannemelijk moet maken,143 en de inspecteur de omvang van het privégebruik.144 De bewijslast van de inspecteur laat onverlet dat de belastingplichtige gelet op het arrest BNB 1994/243 ‘de verplichting [heeft] dienaangaande gemotiveerd stelling te nemen’,145 of, zoals het in het arrest BNB 2013/52146 is overwogen, ‘het aan belanghebbende is de voor die vaststelling benodigde gegevens te verstrekken’.147

8.8

Naar mijn mening is de bewijslastverdeling als toegepast door het Hof daarmee in overeenstemming, zodat de vijfde klacht faalt.

9 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden 31 maart 2015, nr. 14/00453, ECLI:NL:GHARL:2015:2588, V-N 2011/29.1.3, FutD 2015/1058.

2 Nummers 15/02004, 15/02180, 15/02212 en 15/02240.

3 Belastingdienst / [P] .

4 Ter informatie: de voldoening op aangifte bedroeg € 7.442 negatief, waardoor de Inspecteur een teruggaafbeschikking heeft afgegeven. Het bezwaarschrift heeft de Inspecteur daarom aangemerkt als te zijn gericht tegen deze beschikking. Zie de brief van de Inspecteur van 3 april 2013, opgenomen als bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg.

5 In r.o. 4.31 van de Hofuitspraak is inzake deze breuk vermeld: ‘Belanghebbende stelt dat de correctie wegens privégebruik van de (bestel)auto’s waarvoor geen bijdrage wordt betaald, beperkt dient te worden tot 3/184 van het over het tweede halfjaar aangegeven en voldane bedrag, omdat de Wet van 22 december 2011 pas op 29 december 2011 in het Staatsblad is geplaatst en terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 niet toegestaan is.’ Zie ook onderdeel 2.8 van deze conclusie.

6 De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn veelal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.

7 Rechtbank Gelderland 3 april 2014, nr. AWB 13/2858, ECLI:NL:RBGEL:2014:2200, FutD 2014/775.

8 Noot A-G: Besluit van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M, Stcrt. 2012, 14822, V-N 2012/40.16 met aantekening van de redactie.

9 Noot A-G: Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief), Stb. 2011, 642.

10 Noot A-G: inmiddels heeft de Hoge Raad in deze zaak met nummer 14/04012 arrest gewezen (zie Hoge Raad 11 september 2015, nr. 14/02014, ECLI:NL:HR:2015:2492, na conclusie A-G Van Hilten, BNB 2015/233 met noot Hummel), en daarbij de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van Hilten gevolgd. Zie voor dit arrest 4.5.

11 Noot A-G: dit staat niet in punt 3 van de considerans bij de Btw-richtlijn, maar in punt 26 daarvan.

12 Noot A-G: dit betoog heeft het Hof in r.o. 3.6 weergegeven, en luidt aldus: ‘Belanghebbende stelt zich met betrekking tot het in 3.1, onder 4. genoemde geschilpunt op het standpunt dat ter zake van de vier bestelauto’s waarvoor geen eigen bijdrage wordt ontvangen voor het eerste halfjaar geen plaats is voor een correctie op grond van het BUA en voor het tweede halfjaar geen plaats is voor een correctie ingevolge artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB. Belanghebbende betoogt in verband hiermee dat uit de uitspraak van de Rechtbank volgt dat bij door een ondernemer ingekochte diensten, zoals een leaseauto, een correctie wegens privégebruik door de werknemers dient plaats te vinden op grond van artikel 15, lid 1, van de Wet OB en niet wordt toegekomen aan een correctie als hiervoor bedoeld. De terbeschikkingstelling van een leaseauto om niet moet volgens belanghebbende als een “onzelfstandige niet-economische handeling” worden aangemerkt, hetgeen meebrengt dat recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor zover de economische handelingen waarmee deze handelingen nauw zijn verbonden zijn aan te merken als belaste handelingen.’

13 Thans op grond van artikel 19 VEU het van het Hof van Justitie van de Europese Unie deel uitmakende Hof van Justitie. De afkorting ‘HvJ’ wordt in deze conclusie gehanteerd voor zowel arresten (respectievelijk beschikkingen) die zijn gewezen toen het Hof van Justitie nog ‘van de Europese Gemeenschappen’ was, als voor arresten en beschikkingen die het HvJ als onderdeel van het HvJ EU heeft gewezen.

14 Zie 2.10.

15 HvJ 20 januari 2005, Hotel Scandic Gåsabäck, C-412/03, ECLI:EU:C:2005:47, V-N 2005/8.22. Van prestaties ‘om niet’ is volgens de Hoge Raad sprake ‘indien de vergoeding slechts symbolisch is, zodat in wezen sprake is van vrijgevigheid’, zie Hoge Raad 11 februari 2005, nr. 38.022, ECLI:NL:HR:2005:AQ0284, BNB 2005/223 met noot Van Kesteren.

16 Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977.

17 HvJ 15 april 2010, X Holding BV en Oracle Nederland BV, gevoegde zaken C-538/08 en C-33/09, ECLI:EU:C:2010:192, BNB 2010/220 met noot Hummel.

18 Hoge Raad 11 september 2015, nr. 14/02014, ECLI:NL:HR:2015:2492, na conclusie A-G Van Hilten, BNB 2015/233 met noot Hummel, V-N 2015/44.20 met aantekening van de redactie.

19 Zie 3.2 en 3.3.

20 Zie 3.3.

21 Met ingang van 1 juli 2011 is de terbeschikkingstelling van een ‘auto van de zaak’ van toepassing van het BUA uitgezonderd. Zie het Besluit van 23 juni 2011 tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting, Stb. 2011, 321, dat voorzag in toevoeging van een nieuwe laatste volzin aan artikel 1, lid 1, letter c, van het BUA, luidende: ‘De terbeschikkingstelling van een auto wordt van het vorenstaande uitgezonderd.’ Zie inzake de relevante regelgeving betreffende de ‘auto van de zaak’ nader mijn conclusie met nummer 15/02004.

22 Zie ook 3.2 tot en met 3.17.

23 Zie 4.5.

24 Zie 4.5.

25 Zie r.o. 4.2 tot en met 4.6 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.5.

26 Zie 3.3. Volgens belanghebbende zijn partijen ‘het er niet alleen over eens (…) dat de eigen bijdrage een meer dan symbolische vergoeding is (…), maar ook dat deze niet kostendekkend is’.

27 Zie 3.4. Zie voor het arrest Hotel Scandic Gåsabäck onderdeel 4.3 van deze conclusie. Zie ook r.o. 4.1 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.5.

28 Gelet op dit arrest vormt de eigen bijdrage van de werknemers, die niet symbolisch is, een reële dienst in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet OB, zoals het Hof ook heeft overwogen in r.o. 4.1 van zijn uitspraak zoals opgenomen in 2.5.

29 Zie 3.4. Zie voor de genoemde arresten 4.3 en 4.4.

30 Zie 4.5.

31 Zie r.o. 2.4.2 in 4.5.

32 Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief), Stb. 2011, 642.

33 Kamerstukken II 2011/12, 33 007, nr. 3, p. 27.

34 Brief van de staatssecretaris van Financiën van 17 juni 2011, nr. DV2011/318, V-N 2011/32.18 met aantekening van de redactie.

35 HvJ 29 mei 1997, Skripalle, C-63/96, ECLI:EU:C:1997:263.

36 Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken, Stb. 1995, 659.

37 HvJ 26 april 2005, Goed Wonen, C-376/02, ECLI:EU:C:2005:251, NTFR 2005/600 met commentaar Sanders.

38 HvJ 26 april 2012, Balkan and Sea Properties ADSITS en Provadinvest, gevoegde zaken C-621/10 en C‑129/11, ECLI:EU:C:2012:248, V-N 2012/25.15 met aantekening van de redactie, NTFR 2012/1329 met commentaar Sanders.

39 A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Fiscale Monografieën nr. 133, Deventer: Kluwer 2009, p. 32.

40 M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, p. 236-237.

41 NTFR 2012/1329.

42 T. Vroon, ‘Normaal doen’, BtwBrief 2012/74.

43 Zie 3.2.

44 Zie 3.5.

45 Zie 5.7.

46 Zie ook 3.5.

47 Zie 5.5 en 5.7.

48 Zie ook r.o. 2.2 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.1.

49 Zie p. 2 en 4 van de motivering van haar cassatieberoepschrift (zie 3.5). Volledigheidshalve merk ik op dat ter zake van de werknemers die geen eigen bijdrage betalen, niet artikel 8, lid 4, van de Wet OB maar artikel 8, lid 7, van de Wet OB de maatstaf van heffing bepaalt.

50 Zie 5.5, 5.7, 5.12, 5.15 en 5.16. Zie ook r.o. 4.10 van de Hofuitspraak zoals genomen in 2.6.

51 Zie 5.12. Zie ook 5.16.

52 Zie 4.3.

53 Zie 5.5 en 5.7.

54 Zie 3.5.

55 Zie 3.5.

56 Zie 3.5.

57 Zie 5.5.

58 Zie 5.9.

59 Overigens blijkt uit het dossier ook niet dat belanghebbende vóór het sluiten van de arbeidsovereenkomst iets heeft afgesproken met haar toekomstige werknemers over het privégebruik van de auto’s, zodat in zoverre sprake is van een ontoelaatbaar novum in cassatie.

60 Zie voor dit arrest 5.12.

61 Zie 5.3 en 5.5.

62 Zie 3.5.

63 Zie 5.10.

64 Zie 4.3.

65 Zie 3.5.

66 HvJ 15 juni 2006, Heintz van Landewijck SARL, C-494/04, ECLI:EU:C:2006:407, BNB 2007/16 met noot Van Slooten.

67 Zie 3.5.

68 Ik trof de stelling ‘dat een wezenlijk procedureel voorschrift is geschonden’ althans niet aan in (de motivering van) het (hoger) beroepschrift, de conclusie van repliek of de pleitnota. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft belanghebbende enkel gesteld dat de ‘melding’ als bedoeld in artikel 80, lid 3, van de Btw-richtlijn een ‘wezenlijk procedureel voorschrift is’. Zie, bijvoorbeeld, p. 7 resp. 6 van (de motivering van) het (hoger)beroepschrift.

69 Zie 2.6.

70 Zie de laatste alinea van p. 3 van het cassatieverweerschrift zoals opgenomen in 3.11.

71 Zie 3.5. Zie ook 5.7 en r.o. 45 in 5.11.

72 Zie 3.5.

73 Zie r.o. 33, 39 en 44 in 5.11.

74 Zie 5.5, 5.7 en 5.8.

75 Zie ook 5.8 en 5.12. Zie ook, onder andere, r.o. 38 en 39 in 5.12. Zie inzake het risico op budgettaire derving tevens r.o. 4.23 tot en met 4.27 van de Hofuitspraak en de daar aangehaalde parlementaire stukken, zoals opgenomen in 2.7.

76 Zie onder andere r.o. 43 en 44 in 5.11.

77 Zie 2.7.

78 Zie 5.9. Zie ook het in r.o. 4.13 van de Hofuitspraak weergegeven en in 2.6 opgenomen citaat.

79 Zie 3.2.

80 Zie 5.11.

81 Zie 3.5.

82 Zie 5.4.

83 Zie 5.9. Zie inzake deze regelgeving vóór en na 1 juli 2011 nader mijn conclusies met nummers 15/02004 en 15/02212.

84 Zie r.o. 4.28 en 4.29 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.7.

85 HvJ 16 oktober 1997, Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co. KG, C-258/95, ECLI:EU:C:1997:491, V-N 1998/2.35, FED 1997/819 met aantekening Van Kesteren.

86 HvJ 8 januari 2002, Metropol en Stadler, C-409/99, ECLI:EU:C:2002:2, V-N 2002/8.33 met aantekening van de redactie.

87 HvJ 11 december 2008, C-371/07, Danfoss A/S en AstraZeneca A/S, ECLI:EU:C:2008:711, V-N 2009/3.24 met aantekening van de redactie.

88 HvJ 10 november 2011, The Rank Group, gevoegde zaken C-259/10 en C-260/10, ECLI:EU:C:2011:719, V-N 2011/62.20 met aantekening van de redactie, NTFR 2011/2930 met commentaar Sanders.

89 HvJ 16 februari 2012, Eon Aset Menidjmunt OOD, C-118/11, ECLI:EU:C:2012:97, V-N 2012/17.18 met aantekening van de redactie.

90 HR 25 maart 1998, nr. 33.096, ECLI:NL:HR:1998:AA2468, BNB 1998/181 met noot Van Hilten.

91 HR 8 oktober 2004, nr. 38.482, ECLI:NL:HR:2004:AO3176, BNB 2005/6 met noot Van Hilten.

92 HR 25 februari 2011, nr. 44.007, ECLI:NL:HR:2011:BN7274, BNB 2011/137 met noot Hummel.

93 FED 1997/819.

94 V-N 1998/2.35.

95 W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘BUA: een Nederlandse zenuwinzinking?’, WFR 1998/32.

96 R.F.W. van Brederode, ‘De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW’, WFR 1998/1577.

97 V-N 2009/3.24.

98 Zie 3.2.

99 Zie r.o. 4.33 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.9.

100 Zie r.o. 4.34 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.9.

101 Zie r.o. 4.34 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.9.

102 Zie 3.7. Zie 7.5 voor het arrest The Rank Group.

103 Zie 3.7.

104 Zie r.o. 36 in 7.5. Zie inzake het neutraliteitsbeginsel ook de conclusie van A-G Wattel van 11 februari 2016, nr. 15/03805, ECLI:NL:PHR:2016:67.

105 Zie 7.2. Zie ook 7.10, 7.11 en 7.13.

106 Zie 7.4. Zie ook 7.14.

107 Zie 7.6.

108 Zie 3.7.

109 Zie 3.7.

110 In hoger beroep heeft belanghebbende zich bij repliek beroepen op de voornoemde arresten Danfoss A/S en AstraZeneca A/S en EON Aset Mendijmunt (opvallend genoeg niet ook op het arrest Fillibeck, al komt dat arrest via het arrest Danfoss en AstraZeneca ook aan de orde). Aldaar heeft zij op p. 3 onder punt 7 geschreven: ‘Zelfs als het neutraliteitsbeginsel onvoldoende grond zou vormen voor de (…) vermelde conclusie, brengen de bedrijfseconomische noodzaak om een bestelauto ter beschikking [te] stellen en het feit dat belanghebbende slechts één en door haar op bedrijfsmatige overwegingen bepaald merk en type bestelauto ter beschikking stelt aan die werknemers, nog met zich mee dat het beschikbaar stellen van de bestelauto’s slechts de bedrijfseconomische doeleinden van belanghebbende dient en is het persoonlijk voordeel voor de werknemers slechts bijkomstig ten opzichte van de behoeften van de onderneming. Zie rechtsoverweging 62 van het arrest “Danfoss A/S” van het Hof van Justitie (…) en rechtsoverweging 52 van het arrest ‘Eon Aset Menidjmunt OOD’ (…). Uit de slotzin van rechtsoverweging 50 van het eerder aangehaalde arrest “Danfoss A/S” vloeit voort dat artikel 6, lid 2 Zesde richtlijn (thans artikel 26 btw-richtlijn) en artikel 4, lid 2 Wet omzetbelasting dan niet aan de orde zijn.’ Gelet op r.o. 3.6 van zijn uitspraak heeft het Hof dat late beroep beoordeeld en aldus niet in strijd met een goede procesorde geacht, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat het Hof de Inspecteur de gelegenheid heeft gegeven te dupliceren. Daaraan doet niet af dat het Hof belanghebbende er ter zitting op heeft gewezen ’dat in de conclusie van repliek een extra geschilpunt is toegevoegd’. (zie p. 3 van het proces-verbaal van het ter zitting verhandelde).

111 Zie 7.1.

112 Zie ook 7.3.

113 Zie artikel 4 van het oorspronkelijke BUA (Besluit van 23 september 1968, Stb. 1968, 473).

114 Zie 4.4.

115 Zie ook 4.1.

116 Zie in dat verband ook 7.1 en 7.3.

117 Zie 7.2 en 7.4.

118 Zie daarover nader mijn conclusie in zaken 15/02004.

119 Met betrekking tot die twee bestelauto’s staat immers vast dat de eigen bijdrage een meer dan symbolische vergoeding is, wat gelet op het arrest Hotel Scandic Gåsabäck betekent dat sprake is van een reële dienst. Zie ook 4.3.

120 Zie, met name, r.o. 26 en 34 in 7.2.

121 Zie 7.4.

122 Zie r.o. 34 in 7.2. Zie in dat verband ook r.o. 51 in 7.6.

123 Zie 29 t/m 34 in 7.2. Zie ook r.o. 58 tot en met 65 in 7.4.

124 Zie r.o. 34 in 7.2.

125 Zie r.o. 34 in 7.2.

126 Zie r.o. 60 in 7.4.

127 Zie r.o. 30 in 7.2.

128 Zie r.o. 62 in 7.4.

129 Zie r.o. 62 in 7.4.

130 Zie, bijvoorbeeld, r.o. 33 in 7.2. Zie ook r.o. 64 in 7.4.

131 Zie, met name, r.o. 3.3 in 7.7.

132 Zie, met name, r.o. 4.3.1 in 7.8.

133 Zie r.o. 3.4.1 in 7.8.

134 Hoge Raad 29 juni 1994, nr. 29.780, ECLI:NL:HR:1994:ZC5704, BNB 1994/243.

135 Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 35.208, ECLI:NL:HR:2000:AA5138, BNB 2000/241 met noot Van Hilten.

136 Noot A-G: met het Belastingplan 2007 heeft de wetgever met introductie van de fictieve dienst in artikel 4, lid 2, van de Wet OB inmiddels wel uitvoering gegeven aan artikel 6, lid 2, van de Zesde Richtlijn.

137 Hoge Raad 30 november 2012, nr. 08/01579bis, ECLI:NL:HR:2012:BY4581, BNB 2013/52 met noot Hummel.

138 Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 11/03470, ECLI:NL:HR:2013:22, BNB 2013/212 met noot Hummel.

139 Hoge Raad 11 september 2015, nr. 14/02014, ECLI:NL:HR:2015:2492, na conclusie A-G Van Hilten, BNB 2015/233 met noot Hummel, V-N 2015/44.20 met aantekening van de redactie, NTFR 2015/2512 met commentaar Van Doesum.

140 Noot A-G: dit is het Besluit van 20 december 2011.

141 Zie r.o. 4.37 en 4.48 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.10.

142 Zie 3.8.

143 Zie 8.5.

144 Zie 8.1, 8.2 en 8.4.

145 Zie 8.1.

146 Zie 8.3.

147 Zie inzake de bewijslastverdeling in verband met de btw-behandeling van de auto van de zaak nader mijn conclusies met nummer 15/02004 en 15/02212.