Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:87

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
14/05231
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:389, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO. Conclusie AG over 1) criteria voor de beantwoording van de vraag of anoniem aan de politie verstrekte informatie een redelijk vermoeden van overtreding van de WWM oplevert, en 2) het geven van de cautie, de vraag wanneer sprake is van een verhoor a.b.i. art. 29 Sv en een uit eigen initiatief door de verdachte afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05231

Zitting: 2 februari 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 september 2014 de verdachte ter zake van ‘de voortgezette handeling van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van 500 euro subsidiair 10 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere, namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

hij op 27 januari 2014 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een gaspistool, merk Umarex, kaliber 9mm PAK en een schietbeker, merk onbekend, en munitie van categorie III, te weten vier Walther 9mm PAK patronen, voorhanden heeft gehad.

4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer PL 132G-2014023111-5 van 27 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 5-7.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van een of meer van deze verbalisanten:

Op maandag 27 januari 2014 omstreeks 16.30 uur bevonden wij ons in uniform gekleed en in een als zodanig herkenbare politiebestelbus op de Heusweg te Duivendrecht. Wij waren belast met de opdracht een woonboot, welke vermoedelijk zou zijn gelegen op adres [a-straat 1] te [plaats] of in ieder geval gelegen nabij deze woonboot, te doorzoeken in verband met een tip dat er een vuurwapen in de woonboot aanwezig zou zijn. Er was informatie dat in de boot meerdere personen woonachtig waren, waaronder een man, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] en een vrouw, welke later bleek te zijn genaamd [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] . Tevens zouden er ook meerdere kinderen in de woonboot wonen, waaronder een tweeling van twee maanden oud en een jongetje van ongeveer vijf jaar oud.

De doorzoeking zou plaatsvinden met als doel het opsporen en in beslag nemen van het vermoedelijk aanwezig zijnde vuurwapen.

Op maandag 27 januari 2014 te 16.31 uur stonden wij tezamen met de hulpofficier van Justitie H.R. Keijzer voor de voordeur van een woonboot, welke is gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] . Ik, [verbalisant 1] , zag dat er werd opengedaan door een slecht ter been zijnde bejaarde man, welke verklaarde dat hij alleen in de woning woonde. Ik, [verbalisant 1] , vermoedde dat we niet bij de juiste woonboot aanwezig waren.

Op datzelfde moment zagen wij uit het zijraam van een andere woonboot gelegen naast de woonboot van nummer [2] , een jonge vrouw met een baby op haar arm. Wij hoorden dat de vrouw ons vroeg of ze wat voor ons kon doen. Gezien de voorinformatie over de bewoners van de woonboot, waar we naar het vuurwapen wilde zoeken, leek het ons aannemelijk dat we bij die woonboot moesten zijn.

Wij zijn vervolgens naar de woonboot, waar de vrouw uit het raam ons had toegesproken, toegelopen. Ik, [verbalisant 1] , belde bij de woonboot, welke voorzien bleek te zijn van perceelnummer [3] aan. De vrouw opende de voordeur van de woonboot. Deze vrouw bleek later de eerdergenoemde [betrokkene 1] te zijn. Ik, [verbalisant 1] deelde [betrokkene 1] mee dat we in verband met een tip op zoek waren naar een vuurwapen dat in de woonboot aanwezig zou zijn. Ik heb [betrokkene 1] de uitlevering van het vuurwapen gevorderd. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat ze niets van een vuurwapen wist. Ik heb [betrokkene 1] vervolgens gevraagd of we met haar toestemming de woning in mochten om deze te doorzoeken. Ik vertelde [betrokkene 1] dat ik een machtiging tot binnentreden had. Ik hoorde dat [betrokkene 1] aan mij verklaarde dat ze niets te verbergen had en dat we naar binnen mochten en mochten doorzoeken. Ik hoorde [betrokkene 1] tevens verklaren dat ze de machtiging niet hoefde te zien.

Nadat wij binnen waren gelaten door [betrokkene 1] , gaf [betrokkene 1] aan mij, [verbalisant 1] , de telefoon en zei tegen mij dat [verdachte] met mij wilde spreken. Nadat ik de telefoon had aangenomen, hoorde ik [verdachte] aan mij verklaren dat er geen vuurwapen in de woonboot aanwezig was, maar er wel een blauwe doos van een vuurwerkpistool op het keukenkastje lag.

Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , hebben vervolgens bovenop de keukenkastjes een blauwe kunststof doos van een (nep-)vuurwapen, merk Colt Government en een kartonnen doos met meerdere knalpatronen van het merk Pyro aangetroffen. De genoemde goederen zijn in beslag genomen.

Ik, [verbalisant 1] , hoorde [verdachte] aan de telefoon mij tevens verklaren dat het pistool, dat bij de blauwe doos hoorde, niet in de woonboot aanwezig was, maar in zijn auto lag, die in Amsterdam-Noord staat. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij naar de woonboot toe zou komen.

Wij, [verbalisant 2] , [verbalisant 4] , [verbalisant 3] en [verbalisant 5] , zijn vervolgens de woonboot systematisch gaan doorzoeken. Daarbij werd door mij, [verbalisant 5] , in een keukenkastje een doosje met daarin drie knalpatronen van het merk Walther aangetroffen. Dit doosje met knalpatronen is in beslag genomen.

Tijdens de doorzoeking arriveerde [verdachte] in de woonboot. [verdachte] verklaarde mij, [verbalisant 1] , desgevraagd nogmaals dat er in zijn auto, die in Amsterdam-Noord in een garage zou staan, het pistool lag, welke bij het blauwe doosje hoorde. Ik hoorde dat [verdachte] mij verklaarde mee te werken en met ons mee te willen gaan naar de garage, teneinde het pistool aan ons uit te leveren.

2. Een proces-verbaal met nummer PL132G-2014023111-14 van 28 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 11-12.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op maandag 27 januari 2014 omstreeks 17.35 uur bevonden wij ons, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] , op de [b-straat 1] te [plaats] waar in het pand diverse garageboxen zijn ondergebracht.

Ik, [verbalisant 5] , liep achter [verdachte] aan en hij verklaarde mij dat in die auto het vuurwapen lag. Ik zag dat [verdachte] met zijn hand naar een donkerblauwe Volkswagen Golf cabriolet wees die rechts achter in de hoek stond. Ik vroeg aan [verdachte] waar het vuurwapen precies lag. Ik hoorde hem verklaren dat het vuurwapen aan de achterzijde van de bijrijdersstoel in een opbergvak lag. Ik haalde de onderdelen uit het opbergvak en zag dat het onderdelen waren die van een vuurwapen afkomstig waren. Ik zag dat het vuurwapen gedemonteerd was en uit verschillende onderdelen bestond. Ik voelde ook diverse schroeven, deze heb ik in het opbergvak laten liggen. Ik vroeg aan [verdachte] waar de patroonhouder was. [verdachte] verklaarde mij dat hij dacht dat deze in het dashboardkastje lag. Ik opende het dashboardkastje en zag daar een patroonhouder liggen die vermoedelijk afkomstig was van het aangetroffen vuurwapen. Ik zag ook dat er twee patronen in de patroonhouder zaten. Vermoedelijk waren dit knalpatronen.

3. Een proces-verbaal met nummer 2014023111-10 van 27 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , doorgenummerde pagina’s 16-19.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 januari 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

In de woonboot lagen wat vuurwerkpatronen. Ik heb de agenten een nepwapen overhandigd waar je vuurwerk mee afkan schieten. Ik ben de eigenaar van dat wapen en die munitie. Ik had dat in december 2013 voor oud- en nieuw in Duitsland gekocht.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 132K-2014023111-13 van 28 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], doorgenummerde pagina’s 9-10.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op maandag 27 januari 2014 werd ik aangesproken door collega [verbalisant 8] die mij vertelde dat er een vuurwapen was aangetroffen naar aanleiding van een CIE melding. Hij vroeg mij naar het wapen te kijken. Het wapen zat in een plastic waardenzak. Ik zag dat in de zak diverse losse onderdelen zaten en een blauw koffertje. In dit koffertje zat nog een schietbeker.

5. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2014023111 van 29 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9], doorgenummerde pagina’s 39-45.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Naar aanleiding van binnengekomen CIE-informatie werd op dinsdag 27 januari 2014 een doorzoeking verricht in perceel [a-straat 3] te Amsterdam en in een personenauto van het merk Volkswagen Golf, blauw van kleur.

Tijdens deze doorzoekingen werd een vuurwapen in losse onderdelen, munitie, vuurwerk en een transportkoffertje voor een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen.

Op woensdag 28 januari 2013 werden door mij de inbeslaggenomen goederen nader onderzocht. Daaruit bleek mij het volgende:

Itemnummer 4692605 – pistool SIN:[…]

Voorwerp: gaspistool

Merk: Umarex

Model: Colt Government 1911A

Kaliber: 9 mm PAK

Serienummer: […]

Herkomst: Duitsland

Bijzonderheden: Vuurwapen werd in onderdelen aangetroffen.

Dit vuurwapen was voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn en verder voorzien van het in Duitsland aangebracht PTB-nummer […], afgegeven aan Umarex voor de Colt Government 191 IA, kaliber 9 mm PAK.

Tijdens het onderzoek van de onderdelen bleek mij dat het vuurwapen op 1 onderdeel na compleet was. De terugstootveerdop ontbreekt. Hierdoor werkt het vuurwapen niet naar behoren. Na het afvuren zal het vuurwapen zich zelf vermoedelijk niet doorladen.

Het vuurwapen heeft een gedeeltelijk open loop. Inwendig is in de loop een langwerpige metalen sper aangebracht. Deze sper voorkomt dat met dit gaspistool kogelprojectielen kunnen worden verschoten. Echter de gassen en/of deeltje van een afgevuurde traangas en/of peperpatroon kunnen deze sper ongehinderd passeren en het pistool gericht via de loop verlaten.

Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 (...) onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 4e van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 4692699 - munitie SIN: […]

Voorwerp: patroon

Merk: Walther

Kaliber: 9 mm PAK

Aantal: 1

Bodemstempel: Walther 9 mm PAK

Bijzonderheden: uit patroonmagazijn van vuurwapen

Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het onder itemnummer 4692605 inbeslaggenomen vuurwapen van het merk Umarex model Colt Government 191 I A De patroon is munitie in de zin van artikel 1(...) onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 4692602 - munitie in doosje SIN: […]

Voorwerp: patroon

Merk: Walther

Kaliber: 9 mm PAK

Aantal: 3

Bodemstempel: Walther 9 mm PAK

Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het onder itemnummer 4692605 inbeslaggenomen vuurwapen van het merk Umarex model Colt Government 191 IA De patroon is munitie in de zin van artikel 1(...) onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer: schietbeker

Voorwerp: schietbeker

Bijzonderheden: de schietbeker is middels schroefdraad te bevestigen op de loop van helgaspistool en bestemd om vuurwerk of noodseinmiddelen te verschieten.

Deze schietbeker (loop) is een vuurwapen in de zin van artikel 1 (....) onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 e van de Wet wapens en munitie.”

5. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof het dat er sprake was van een redelijk vermoeden zoals bedoeld in art. 49 Wet wapens en munitie (WWM), terwijl het vermoeden enkel is gebaseerd op CIE-informatie die onvoldoende concreet en specifiek was en waarvan over de betrouwbaarheid geen oordeel kon worden gegeven, terwijl er desondanks geen nadere onderzoekshandelingen zijn verricht ter verificatie van de informatie.

6. Het Hof heeft, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, het volgende vastgesteld en overwogen:

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat het bewijsmateriaal dat is aangetroffen op de woonboot waar de verdachte verbleef en - op aanwijzing van de verdachte - in een auto in een garage, onrechtmatig is verkregen en van het bewijs moet worden uitgesloten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

(i) de onderhavige CIE-melding onvoldoende concrete informatie bevatte, om op grond daarvan zonder nadere verificatie de machtiging tot doorzoeking te kunnen verstrekken, mede omdat de redenen van wetenschap niet zijn vermeld en een oordeel over de betrouwbaarheid niet kon worden gegeven;

(ii) (…);

(iii) (…);

(iv) het in de auto aangetroffen bewijsmateriaal is verkregen als gevolg van het feit dat verzuimd is de verdachte tijdig de cautie te geven.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Blijkens een proces-verbaal van de CIE van 23 januari 2014 is in de maand januari van 2014 via een informant de volgende informatie binnengekomen: “[verdachte] woont op een woonboot op de [a-straat 1] te Amsterdam. In deze woonboot heeft [verdachte] een vuurwapen liggen. Dit vuurwapen is van [verdachte]”. In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kan worden gegeven en dat uit onderzoek is gebleken dat met [verdachte] wordt bedoeld: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977 ingeschreven op het adres [c-straat 1] te Almere ingeschreven, doch verblijvende op een woonboot aan de [a-straat 1] te Amsterdam.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 27 januari 2014 is er naar aanleiding van de CIE- informatie op 27 januari 2014 een onderzoek ingesteld naar een woonboot welke vermoedelijk zou zijn gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Aan de verbalisanten was door hulpofficier van justitie H.R. Keijzer een machtiging tot binnentreden verstrekt. Daarin is de woning waarop de machtiging betrekking heeft als volgt omschreven: “In de woning gelegen aan het adres [a-straat 1], de woonboot gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam”. De verbalisanten beschikten voorts over informatie dat in de boot de verdachte, een vrouw, een jongetje van ongeveer vijfjaar oud en een tweeling van twee maanden oud woonachtig waren. De verbalisanten hebben in het bijzijn van hulpofficier van justitie H.R. Keijzer aangebeld bij de woonboot aan de [a-straat 2] te Amsterdam, alwaar de deur werd geopend door een oudere man. Op dat moment zien de verbalisanten in de woonboot gelegen naast de woonboot van [a-straat 2] een jonge vrouw met een baby op haar arm. Gelet op de voorinformatie belde verbalisant [verbalisant 1] aan bij [a-straat 3] en deelde aan een,-vrouw, welke later [betrokkene 1] bleek te zijn, mede dat de verbalisanten in verband met een tip op zoek waren naar een vuurwapen dat in de woonboot aanwezig zou zijn. Verbalisant [verbalisant 1] gaf aan te beschikken over een machtiging tot binnentreden en vroeg [betrokkene 1] of met haar toestemming de woonboot mocht worden doorzocht. [betrokkene 1] verklaarde dat ze niets te verbergen had en dat ze naar binnen mochten om de woonboot te doorzoeken.

Tijdens de doorzoeking kreeg verbalisant [verbalisant 1] de verdachte aan de telefoon. De verdachte verklaarde dat er geen vuurwapen in de woonboot aanwezig was. De verdachte verklaarde dat er wel een doos van een vuurwerkpistool op het keukenkastje lag. Die doos met inhoud is gevonden en in beslag genomen. De verdachte deelde tevens telefonisch mee dat het pistool dat bij de blauwe doos hoorde, niet in de woonboot, maar in zijn auto in Amsterdam Noord lag. Vervolgens arriveerde de verdachte in de woonboot. De verdachte verklaarde desgevraagd nogmaals dat het pistool dat bij het blauwe doosje hoorde in zijn auto lag, die in Amsterdam Noord in een garage zou staan. De verdachte verklaarde mee te werken en met de verbalisanten mee te willen gaan naar de garage teneinde het pistool uit te leveren. Vervolgens zijn op aanwijzen van de verdachte door de verbalisanten uit voornoemde auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald.

In het licht van deze feiten en omstandigheden faalt het verweer in al zijn onderdelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat

(i) aan de ClE-informatie — bestaande in de anonieme tip, die in zoverre is geverifieerd dat uit onderzoek bleek dat de verdachte (die [verdachte] heet) aan de [a-straat 1] verbleef- een redelijk vermoeden kon worden ontleend in de zin van art. 49 Wet wapens en munitie ten aanzien van de woonboot aan de [a-straat 1] die tot verblijfplaats van de verdachte diende.

Dat door de CIE geen uitspraak kon worden gedaan over de betrouwbaarheid van de informatie en dat de redenen van wetenschap niet blijken, doet hieraan niet af.

(ii) (…).

(iii) (…).

(iv) de verdachte aan de telefoon spontaan heeft verteld over de spullen die in de woonboot en over het pistool dat in zijn auto in Amsterdam Noord lagen. Op aanwijzen van de verdachte zijn door verbalisanten uit deze auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald. Nu door de verdachte spontaan is verklaard over de later aangetroffen goederen, is het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het op de woonboot en in de auto aangetroffen bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voor het bewijs kan worden gebezigd.

(…)”

7. Vooropgesteld moet worden dat anoniem aan de politie verstrekte informatie aanleiding kan zijn voor een redelijk vermoeden van overtreding van de WWM.1 Reijntjes heeft er in zijn noot bij de nader te vermelden rechtspraak uit 2013 op gewezen dat drie vragen relevant kunnen zijn voor de vraag of op basis van dergelijke informatie mag worden opgetreden: 1. Is de informatie voldoende concreet en specifiek?; 2. Bevat de informatie een oordeel over de betrouwbaarheid? ; 3. Is de informatie geverifieerd? Het accent ligt in de rechtspraak van de Hoge Raad op de eerste vraag.

8. Over de tweede en derde vraag verschaft het arrest van het Hof expliciet duidelijkheid. In de onderhavige zaak bevatte het proces-verbaal waarin de CIE-informatie was opgenomen de mededeling dat de betrouwbaarheid van de anoniem verschafte informatie niet kon worden vastgesteld. Dat betekent volgens de Hoge Raad niet zonder meer dat dergelijke informatie onbruikbaar is.2 Ook het ontbreken van verificatie behoeft nog niet aan het gebruik daarvan in de weg te staan.3 Anders dan de steller van het middel meent, heeft echter in de onderhavige zaak enige verificatie door de politie plaatsgevonden. Immers de voornaam uit de informatie komt, zoals het Hof heeft overwogen, overeen met de voornaam die uit adresverificatie blijkt. Ik voeg daaraan toe dat er ook nog voorinformatie over de bewoners van de (doorzochte) woonboot was die (hoewel kennelijk bij toeval) in zekere mate werd bevestigd voorafgaande aan de daadwerkelijke doorzoeking.

9. Het Hof heeft niet uitdrukkelijk overwogen dat de CIE informatie voldoende concreet en specifiek was. In het oordeel van het Hof ligt dit mijns inziens echter wel besloten temeer nu het informatie betrof die op een onderdeel is geverifieerd. In zoverre is het oordeel van het Hof dat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat derhalve de verklaring van de verdachte van het bewijs had moeten worden uitgesloten ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

12. Ingevolge art. 29 Sv dient de verhorende ambtenaar vóór aanvang van het verhoor aan de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Voor de bepaling van de aanvang van het verhoor zijn de feitelijke omstandigheden van doorslaggevende betekenis. De Hoge Raad omschrijft een verhoor in de zin van art. 29 Sr als ‘alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit’.4 Van een verhoor is echter geen sprake indien de verdachte geheel op eigen initiatief en zonder dat hem dienaangaande een vraag is gesteld ten overstaan van een niet met het onderzoek belaste politieman een bekentenis aflegt.5

13. Uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen, opgenomen onder 4, volgt dat nadat de verbalisanten de woning van de verdachte binnenkwamen, de partner van de verdachte, die de deur had opengedaan, de telefoon aan een van de verbalisanten gaf met de mededeling dat de verdachte met de verbalisant wilde spreken. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte vervolgens telefonisch heeft meegedeeld waar het wapen zich bevond. Weliswaar is de verklaring van de verdachte afgelegd ten overstaan van een met het onderzoek belaste verbalisant, maar uit het proces-verbaal blijkt niet van vragen van de zijde van de verbalisant. Gelet op de door het Hof feitelijk vastgestelde spontane mededeling die overigens ook in cassatie niet wordt betwist, is het oordeel van het Hof dat de politie niet gehouden was de in art. 29 Sv bedoelde cautie te geven en het bewijsmateriaal in zoverre eveneens rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt dat het bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben’ niet volgt uit de bewijsmiddelen.

16. Uit de bewijsmiddelen kan mijns inziens zonder meer worden afgeleid dat de verdachte het aangetroffen wapen evenals de aangetroffen munitie voorhanden heeft gehad. Nu het middel, voor zover daarvan al kan worden gesproken, op geen enkele manier nader is onderbouwd, faalt het.

17. De middelen falen en het tweede en derde middel kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8622. Zie over de startinformatie voor doorzoeking al bedoeld in art. 49 WWM H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer 2012, p. 270 e.v. alsmede kritisch S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces, diss. RUN 2014, p. 348/349.

2 Hoge Raad 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, NJ 2013/307 m.nt. Reijntjes.

3 Hoge Raad 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, NJ 2013/306 m.nt. Reijntjes.

4 HR 2 oktober 1979, NJ 1980, NJ 1980/243 m.nt. G.E. Mulder.

5 HR 8 maart 1988, NJ 1988/ 795.