Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:844

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-08-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/00593
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2350, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Klachtzaak, art. 41 Wet Bopz. Drugscontrole. Beperking bewegingsvrijheid in afwachting uitslag urineonderzoek, art. 40 lid 3 Wet Bopz. Verzuim gronden beperking schriftelijk vast te leggen, art. 40a Wet Bopz. Duur beperking, tijdstip bekend worden uitslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

16/00593

Mr. F.F. Langemeijer

12 augustus 2016

Conclusie inzake het beroep van:

[verzoeker]

tegen

Staat der Nederlanden

In deze Bopz-klachtzaak gaat het om de rechtmatigheid van de beslissing om de patiënt in zijn bewegingsvrijheid te beperken.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan m.i. worden uitgegaan van de volgende feiten1:

1.1.1.

Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is opgenomen in het Forensisch Psychiatrisch Centrum ‘Oostvaarderskliniek’ te Almere. Deze instelling is op de voet van art. 1 lid 1 Wet Bopz mede aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.

1.1.2.

Tijdens een controle met gebruikmaking van een ‘drugshond’ op 28 juni 2015 in de kliniek is de hond bij betrokkene ‘aangeslagen’. De kliniek heeft dit beschouwd als een aanwijzing dat betrokkene drugs voorhanden heeft gehad of heeft gebruikt, in elk geval met drugs in contact is geweest. Bij betrokkene zijn geen drugs aangetroffen. Van hem is urine afgenomen voor onderzoek.

1.1.3.

Op maandag 29 juni 2015 is aan betrokkene meegedeeld dat zijn ‘kaart’ werd ingetrokken, hetgeen inhoudt dat hij in zijn bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis werd beperkt.

1.1.4.

Betrokkene heeft op 1 juli 2015 een klacht ingediend over de urinecontrole en over de beperking van zijn bewegingsvrijheid. Op 2 juli 2015 is aan betrokkene meegedeeld dat het resultaat van het onderzoek van het urinemonster negatief was. De beperking van zijn bewegingsvrijheid is toen beëindigd.

1.1.5.

In een aanvullend klaagschrift d.d. 3 juli 2015 heeft een advocaat namens betrokkene geklaagd over (de duur van) de beperking van de bewegingsvrijheid en schadeloosstelling verzocht indien de klacht gegrond wordt bevonden.

1.1.6.

De klachtencommissie als bedoeld in art. 41 Wet Bopz heeft deze klacht (nr. 2015/00168) op 10 augustus 2015 aangehouden voor nader onderzoek. Bij beslissing van 8 oktober 2015 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard. Zij overwoog:

“(…) Nu de hond bij klager aansloeg, was actie van de zijde van de kliniek geboden, mede in het kader van de orde en veiligheid binnen de kliniek. Het beperken van klagers bewegingsvrijheid in het kader van het doen van nader onderzoek, door middel van het afwachten van de UC uitslag, is dan ook niet onredelijk (RSJ 15/0417/TA).”2

1.2.

Bij verzoekschrift van 27 oktober 2015 aan de rechtbank Midden-Nederland, op de voet van art. 41a Wet Bopz, is namens betrokkene verzocht de ingediende klacht alsnog gegrond te verklaren en hem een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 6 november 2015 in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat, de behandelend psychiater en een jurist van de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1.3.

Bij beschikking van 6 november 2015 heeft de rechtbank de klacht ongegrond verklaard en het verzoek om schadeloosstelling afgewezen. De rechtbank zag de wettelijke grondslag voor het beperken van de bewegingsvrijheid in art. 40 lid 3 Wet Bopz. Volgens de rechtbank gaat het hier om een fundamenteel recht van een patiënt: beperkingen daarvan dienen te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid3. Na een uiteenzetting van de wederzijdse standpunten overwoog de rechtbank:

“(…) Die grondslag acht de rechtbank, gelet op de toelichting van de psychiater en de inhoud van de beleidsregels, aanwezig door het tekenen van de drugshond. Uit het aanslaan van de drugshond blijkt immers dat betrokkene in contact is geweest met drugs, dan wel drugs voorhanden heeft gehad of drugs heeft gebruikt. Dat betrokkene heeft ontken[d] dat hij drugs heeft gebruikt en dat er op diens kamer geen drugs zijn aangetroffen, zegt immers nog niets over diens mogelijke betrokkenheid bij gebruik, vervoer of handel in drugs binnen de instelling.

De discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of de instelling betrokkene niet te lang heeft beperkt. (…) Ongeacht de vraag wanneer de instelling bekend was met de negatieve UC-uitslag, acht de rechtbank de duur van beperking van de bewegingsvrijheid van vijf dagen (van 29 juni tot en met 2 juli 2015) in dit geval toelaatbaar. De rechtbank is namelijk met de instelling van oordeel dat deze beperking noodzakelijk was gelet op de mogelijke nadelige effecten van drugsgebruik op de gezondheid van betrokkene en/of op de verdenking van betrokkene bij mogelijke verstoring van de orde in de instelling of diens betrokkenheid bij strafbare feiten. De rechtbank acht ook overigens genoemde beperking van de bewegingsvrijheid binnen de kliniek niet onredelijk en niet in strijd met de rechtsbeginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid.”

1.4.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De Staat der Nederlanden heeft in cassatie een verweerschrift ingediend4.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1.

Middel 1 is gericht tegen de ongegrondverklaring van de bij de rechtbank ingediende klacht en in het bijzonder tegen de in alinea 1.3 hiervoor geciteerde overwegingen. Middel 2 betreft een procedurele kwestie.

2.2.

Uit de bestreden beschikking en de gedingstukken blijkt niet op welke grondslag betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen op 29 juni 2015, toen zijn bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis werd beperkt. De beschikking vermeldt wel dat de rechtbank bij beschikking van 6 juli 2015, op een verzoek van de officier van justitie d.d. 25 juni 2015, een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend (art. 15 e.v. Wet Bopz). Klaarblijkelijk is de rechtbank – in zoverre in cassatie onbestreden − ervan uitgegaan dat betrokkene in de periode van 29 juni tot en met 2 juli 2015 krachtens de Wet Bopz onvrijwillig was opgenomen in dit psychiatrisch ziekenhuis en dat op hem de rechtspositieregeling van hoofdstuk III van de Wet Bopz van toepassing is. In het penitentiair recht voorziet de wet in de mogelijkheid van een onvrijwillige urinecontrole5. In de Wet Bopz is een onvrijwillige urinecontrole niet geregeld. Een urinecontrole kan steeds vrijwillig plaatsvinden na ‘informed consent’. Op medische gronden kan een urinecontrole deel uitmaken van een behandelingsplan, bijvoorbeeld bij behandeling van verslaving. Hoe dan ook, de aanvankelijk door betrokkene bij de klachtencommissie ingediende klacht over de urinecontrole is niet meer aan de rechtbank voorgelegd en (dus) ook niet aan de Hoge Raad. Het gaat in dit stadium van de procedure alleen om de beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis gedurende een periode waarin betrokkene onvrijwillig in dat ziekenhuis was opgenomen.

2.3.

Onderdeel 1.1 komt neer op de klacht dat de rechtbank niet heeft uitgesproken wat de grondslag is voor de aan betrokkene opgelegde beperking, zodat de rechtbank haar beslissing onvoldoende controleerbaar heeft gemaakt. Onderdeel 1.2 voegt hieraan toe dat de rechtbank heeft miskend dat een wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in de toelichting van de psychiater en de inhoud van de beleidsregels waarnaar de rechtbank heeft verwezen.

2.4.

Deze klachten berusten m.i. op een onjuiste lezing van de bestreden overwegingen. De rechtbank heeft immers art. 40 lid 3 Wet Bopz vermeld als de wettelijke grondslag voor de onderhavige beperking van de bewegingsvrijheid. Deze bepaling luidt:

“Beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels kunnen, anders dan als middel of maatregel, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 39, tweede lid, worden opgelegd:

a. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

b. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.”

In de redenering van de rechtbank is aan de vereisten in art. 40 lid 3 Wet Bopz voldaan. De beperking berust niet op de huisregels, noch op de toelichting van de psychiater. De wet maakt onderscheid tussen de in het psychiatrisch ziekenhuis (voor een ieder) geldende huisregels, waarvan een overzicht aan de patiënt wordt uitgereikt op de voet van art. 37 lid 1 Wet Bopz, en, anderzijds, een individuele beperking ten opzichte van de bewegingsvrijheid die een patiënt overeenkomstig de huisregels geniet. De rechtbank heeft vastgesteld dat in dit geval sprake is van zo’n individuele beperking6. Over een beslissing als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz kan de betrokken patiënt klagen op de voet van art. 41 lid 1 Wet Bopz. Indien de beslissing van de klachtencommissie niet inhoudt dat de klacht gegrond is, kan de betrokkene zich tot de rechtbank wenden (art. 41a en 41b Wet Bopz). Toepassing van middelen of maatregelen ter overbrugging van een tijdelijke noodsituatie, als bedoeld in art. 39 Wet Bopz, is in deze zaak niet aan de orde. Beide onderdelen falen.

2.5.

Onderdeel 1.3 klaagt dat de rechtbank uit enkel het ‘aanslaan’ van de drugshond logischerwijs niet tot de vaststelling heeft kunnen komen dat betrokkene in contact is geweest met drugs, dan wel drugs voorhanden heeft gehad of heeft gebruikt; althans heeft de rechtbank de hierop gerichte stelling van verzoeker niet besproken.

2.6.

Deze motiveringsklacht hangt samen met de formulering van de tweede, onder 1.3 hiervoor geciteerde volzin (“Uit het aanslaan … heeft gebruikt”). Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat wanneer de rechtbank het ‘aanslaan’ van de drugshond zou hebben gebruikt als enige grond voor een bewezenverklaring dat betrokkene drugs voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt, de motivering daarvan tekort zou schieten: een ‘drugshond’ kan hoogstens ruiken of een geurspoor van verdovende middelen aanwezig is. De aanwezigheid van een geurspoor is op zich nog niet voldoende bewijs van het voorhanden hebben of gebruik van drugs7. Uit het vervolg van de aangehaalde overwegingen blijkt echter dat de rechtbank dit niet zo heeft bedoeld; daarom mist de klacht feitelijke grondslag. De rechtbank spreekt van mogelijke nadelige effecten van drugsgebruik, mogelijke betrokkenheid bij gebruik, vervoer of handel in drugs binnen de instelling en van een verdenking. Zij vermeldt ook het negatieve resultaat van het onderzoek van het urinemonster van betrokkene. Beschouwd in de context, heeft de rechtbank tot uitdrukking willen brengen dat het ‘aanslaan’ van de drugshond feitelijk grondslag bood voor de verdenking van enig contact van betrokkene met drugs. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat die verdenking een tijdelijke beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis, in afwachting van het resultaat van nader onderzoek, rechtvaardigde. Daarmee kwam, zoals uit de beschikking blijkt, de vraag aan de orde naar wat een redelijke duur van die beperking is8.

2.7.

Onderdeel 1.4 klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de voor de behandeling van betrokkene verantwoordelijke persoon een oordeel heeft gegeven over de vraag, genoemd in art. 40, lid 3 onder a, Wet Bopz (te weten: of van de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt). Doordat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste, is ook de motivering van dat oordeel niet bekend.

2.8.

Tussen partijen staat vast9 dat geen schriftelijke beslissing omtrent de beperking van de bewegingsvrijheid aan betrokkene is uitgereikt. Blijkens de bestreden beschikking (blz. 2 onderaan) heeft de rechtbank de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, de psychiater [betrokkene 1] , gehoord, die ter zitting heeft toegelicht waarom betrokkene in zijn vrijheid is beperkt. De rechtbank heeft kennelijk voldoende geacht dat de motivering achteraf mondeling is gegeven. Bij een gegrondbevinding van deze klacht heeft betrokkene geen belang indien de bestreden beslissing standhoudt op de tweede grond (te weten: art. 40, lid 3 onder b, Wet Bopz). Bij de bespreking van onderdeel 1.6 kom ik hierop terug.

2.9.

Onderdeel 1.5 klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft toegelicht waarom zij de beperking van de bewegingsvrijheid niet in strijd heeft geacht met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid en waarom zij niet is ingegaan op de in het aanvullend klaagschrift van 3 juli 2015 naar voren gebrachte stellingen (in het kort: het ontbreken van bewijs van gebruik of voorhanden hebben van drugs; strijd met de onschuldpresumptie; het eerst op 2 juli 2015 bekend maken van de uitslag van het onderzoek van het urinemonster, hoewel aan de advocaat van betrokkene was gezegd dat de uitslag op 29 of 30 juni bekend zou worden en aan betrokkene was gezegd dat de uitslag binnen 2 of 3 dagen bekend zou zijn), noch op het ter zitting naar voren gebrachte argument dat het beperken van de bewegingsvrijheid in verhouding een te zwaar middel is.

2.10.

Deze motiveringsklacht faalt: de rechtbank heeft de in dit middelonderdeel bedoelde stellingen van betrokkene10 samengevat op blz. 3. De rechtbank heeft desniettemin geoordeeld dat de beperking ter voorkoming van de verstoring van de orde in het ziekenhuis zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten, noodzakelijk was. Uit het feit dat de rechtbank de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid van de beperking uitdrukkelijk als toetsingskader noemt, kan de lezer opmaken dat de rechtbank ook deze gezichtspunten in de beoordeling heeft meegewogen. Na de betrekkelijk uitvoerige weergave van de wederzijdse standpunten behoefde het oordeel, om voor de lezer begrijpelijk te zijn, geen verder gaande uitwerking dan de rechtbank heeft gegeven. De duur van de beperking, namelijk tot aan de bekendmaking aan betrokkene van de uitslag van het urine-onderzoek, heeft de rechtbank binnen de grenzen van het redelijke geacht, niettegenstaande hetgeen betrokkene had gesteld over gewekte verwachtingen omtrent de datum waarop de uitslag hem bekend zou worden gemaakt. Ook dat oordeel behoefde geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn.

2.11.

Volgens onderdeel 1.6 heeft de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve onderzocht of betrokkene door de zorg van de geneesheer-directeur schriftelijk is geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid berustte en over de daartegen aan te wenden rechtsmiddelen, zoals artikel 40a Wet Bopz voorschrijft. Onderdeel 1.7 sluit hierbij aan met de klacht dat de maatregel niet is opgelegd op de wijze die in de wet is voorgeschreven.

2.12.

Art. 40a Wet Bopz schrijft voor dat de patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van art. 41 lid 1 een klacht kan worden ingediend, door de zorg van de geneesheer-directeur schriftelijk wordt geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing berust, over de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen en over de mogelijkheid gebruik te maken van de artikelen 41 tot en met 41b11. Betrokkene mist belang bij zijn klacht over de twee laatstgenoemde gebreken in de informatievoorziening: hij heeft immers gebruik gemaakt van de mogelijkheden als bedoeld in art. 41, 41a en 41b Wet Bopz en hij heeft zich in de klachtprocedure laten bijstaan door een advocaat. Wat betreft het eerste punt, de gronden waarop de beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis berustte: tussen partijen staat vast dat geen schriftelijke beslissing aan betrokkene is uitgereikt. Derhalve ontbrak ten tijde van het indienen van het klaagschrift een schriftelijke motivering van de beslissing. Dat is in strijd met het voorschrift in art. 40a Wet Bopz. Het vereiste van bekendmaking en motivering volgt bovendien uit de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, waaronder art. 3:46 en 3:47 Awb, en indirect uit de bepaling over de aantekening (achteraf) in het patiëntenregister12.

2.13.

In het aanvullend klaagschrift (blz. 1 onder a) is namens betrokkene geklaagd over het ontbreken van een schriftelijke, met redenen omklede mededeling van de beslissing. Die klacht is ook vermeld in een tussenbeslissing van de klachtencommissie op 10 augustus 2015, maar door de klachtencommissie verworpen zonder kenbaar daarop in te gaan. In het verzoekschrift dat namens betrokkene bij de rechtbank is ingediend, heeft betrokkene zijn klacht gehandhaafd onder verwijzing naar het (aanvullend) klaagschrift. Derhalve had de rechtbank ook een beslissing behoren te geven op dit gedeelte van de klacht. De rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat de vereiste motivering van de beslissing achteraf alsnog aan betrokkene bekend kon worden gemaakt: de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater heeft ter zitting van de rechtbank mondeling toegelicht waarom betrokkene in zijn bewegingsvrijheid is beperkt (zie blz. 3 van de bestreden beschikking). Indien de rechtbank hierbij een overeenkomstige toepassing van het bepaalde in art. 6:22 Awb voor ogen zou hebben gehad – uit de bestreden beschikking blijkt dat overigens niet −, verdraagt de door art. 40a e.v. Wet Bopz beoogde rechtsbescherming zich daarmee niet: aan een klacht kan door de patiënt en zijn rechtshulpverlener bezwaarlijk inhoud worden gegeven voordat een motivering van de beslissing bekend is. In dit geval was er temeer reden om niet te volstaan met een mondelinge motivering achteraf: de rechtbank richt zich niet alleen op de grond in art. 40, lid 3 onder b (orde binnen de inrichting; voorkómen van strafbare feiten) die tot op zekere hoogte nog kan worden verondersteld door de betrokkene die aan een dergelijk onderzoek is onderworpen, maar ook op art. 40, lid 3 onder a, Wet Bopz. Het middelonderdeel slaagt, zodat de bestreden beschikking op dit punt niet in stand kan blijven. Op zichzelf zou denkbaar zijn dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet, door de inleidende klacht uitsluitend ten aanzien van het geschonden vormvoorschrift (motiveren en bekendmaken van een schriftelijke beslissing) alsnog gegrond te verklaren. Voor een beoordeling van het tevens ingediende verzoek tot schadevergoeding is echter onderzoek van feitelijke aard nodig, zodat verwijzing meer in de rede ligt.

Middel 2

2.14.

Middel 2 behoeft geen bespreking indien middel 1 slaagt.

2.15.

Bij de behandeling in eerste aanleg heeft de jurist van de kliniek gezegd dat de grondslag voor het beperken van de bewegingsvrijheid kan worden gevonden in art. 40 lid 3 Wet Bopz met inachtneming van de huisregels, neergelegd in de beleidsnota BOPZ van deze kliniek13. Omdat de advocaat van betrokkene deze nota niet kende, heeft de rechter bepaald dat dit stuk door de instelling zou worden nagestuurd, waarna de advocaat diezelfde middag daarop zou mogen reageren. Aldus is geschied op 6 november 2015. De rechtbank heeft de reactie (per fax) van betrokkene op de beleidsnota meegewogen in haar beslissing. De rechtbank constateert dat de advocaat de gelegenheid om zich over de beleidsnota uit te laten heeft aangegrepen om “nieuwe argumenten en stellingen aan te dragen die los staan van de inhoud van genoemde beleidsnota”. De rechtbank acht dit laatste in strijd met beginselen van een goede procesorde en heeft, omdat het ziekenhuis geen gelegenheid meer heeft om daarop te reageren, van de inhoud van die brief buiten beschouwing gelaten al hetgeen niet betrekking had op de nagestuurde beleidsnota (blz. 3 Rb).

2.16.

De klacht onder 2.1 houdt in dat het buiten beschouwing laten van hetgeen de advocaat in zijn fax van 6 november 2015 aan de rechtbank meer had aangevoerd dan enkel de reactie op de nagestuurde beleidsnota, in strijd is met een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM: als het ziekenhuis deze beleidsnota eerder in het geding had gebracht (betrokkene denkt hierbij aan de tien dagen-termijn van art. 8:58 Awb), zou er voor betrokkene nog gelegenheid zijn geweest om alle in de fax van 6 november 2015 genoemde argumenten naar voren te brengen en voor het ziekenhuis gelegenheid zijn geweest om daarop te reageren.

2.17.

Dit middelonderdeel faalt. Ingevolge het bepaalde in art. 19 Rv was de rechtbank verplicht, aan elke partij gelegenheid te bieden om zich uit te laten over de standpunten en bescheiden die door een wederpartij ter kennis van de rechtbank zijn gebracht. Aan die verplichting heeft de rechtbank voldaan. Wanneer de rechtbank, zoals in dit geval, een procespartij uitdrukkelijk de gelegenheid biedt om zich uit te laten over één bepaald door de wederpartij overgelegd gedingstuk, wil dat niet zeggen dat deze procespartij recht heeft op een geheel nieuwe schriftelijke ronde. In de eerste termijn heeft betrokkene bij de rechtbank naar voren kunnen brengen wat hij wenste. Overigens is art. 8:58 Awb in deze Bopz-klachtprocedure niet van toepassing14. De vervolgklachten in het middel onder 2.2, 2.3 en 2.4 behoeven na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 De bestreden beschikking bevat geen afzonderlijke feitenvaststelling.

2 De verwijzing ziet op een beslissing van de beroepscommissie Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden d.d. 16 juni 2015, RSJ 15/0417/TA (te raadplegen via www.rsj.nl).

3 Vergelijk, bij de beoordeling van een dwangbehandeling: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5924, NJ 2010/1 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.4.2: “dat wil zeggen dat moet worden volstaan met de minst ingrijpende vorm van dwangbehandeling, die niet langer dan nodig wordt toegepast, en die effectief moet zijn in de gegeven omstandigheden”.

4 De Staat (Dienst Justitiële Inrichtingen) treedt in dit cassatiegeding kennelijk op als de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt en tegen wie het verzoek om schadevergoeding was gericht.

5 Zie art. 30 Penitentiaire beginselenwet; zie ook art. 24 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

6 De rechtbank heeft niet gepreciseerd wat de beperking precies inhield. Volgens het verweerschrift van de kliniek in de procedure bij de klachtencommissie zou de beperking inhouden dat betrokkene zich slechts onder begeleiding over het terrein mocht bewegen.

7 Enkele voorbeelden in het strafrecht, waar een geurspoor slechts in samenhang met andere bewijsmiddelen voor het bewijs is gebruikt: Gerechtshof Den Haag 18 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3262; Rechtbank Noord-Holland 7 mei 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:6094.

8 Zie in het penitentiair recht, naast de door de klachtencommissie genoemde uitspraak onder meer: Beroepscommissie Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden: 2 februari 2016 (15/3451/TA); 25 juli 2014 (14/0949/TA); 17 februari 2014 (13/2729/TA); 23 juni 2009 (09/0720/TA).

9 Verweerschrift in cassatie onder 1.5; verweerschrift van de kliniek d.d. 30 juli 2015 in de procedure bij de klachtencommissie (blz. 1).

10 Met uitzondering van de stelling dat de intrekking van de ‘kaart’ op 29 juni in strijd was met de onschuldpresumptie. Aan die stelling kwam de rechtbank niet toe, omdat zij geen bewijsoordeel gaf over strafbare feiten, maar spreekt over een verdenking. Ook het EVRM maakt onderscheid tussen een verdenking (art. 5 lid 1 onder c) en de vaststelling van de schuld aan een strafbaar feit (art. 6 lid 2 EVRM).

11 Vgl. HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5992, BJ 2010/4 m.nt. T.P. Widdershoven, rov. 3.5. Zie ook: alinea 2.13 van de conclusie vóór HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7126, JVggz 2011/5 m.nt. T.P. Widdershoven; Rb. Haarlem 22 april 2011, JVggz 2011/21. Zie, in het kader van een dwangbehandeling: HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2000, NJ 2013/289 en HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5924, NJ 2010/1 m.nt. J. Legemaate; verweerschrift Staat blz. 8.

12 De beslissing en de gronden waarop deze beslissing zijn genomen moeten, op grond van art. 56 lid 2 Wet Bopz, worden aangetekend in het patiëntendossier.

13 De kwalificatie ‘huisregels’ heeft mij enigszins verbaasd. De overgelegde beleidsnota bevat op dit punt (zie onder 5.3) slechts een samenvatting van de toepasselijke wettelijke regels.

14 Zie art. 8:5 Awb in verbinding met art. 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.