Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:84

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-01-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
15/02902
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:382, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen poging moord. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. medeplegen. De door het Hof in aanmerking genomen f&o zijn onvoldoende om te kunnen aannemen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Ook uit de bewijsmiddelen kan niet een bijdrage van verdachte volgen die als een 'intellectuele of materiële bijdrage' van voldoende gewicht aan het delict kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02902

Zitting: 19 januari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 12 februari 2014 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van poging tot moord”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd.

  4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 24 december 2012 bezocht de verdachte samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] de aangever, [slachtoffer] , teneinde samen te gourmetten. Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte] een woordenwisseling met de aangever, waarop [medeverdachte] kwaad werd en de aangever met kracht duwde en meermalen in het gezicht en tegen het hoofd sloeg. Ook heeft [medeverdachte] meermalen met kracht tegen het bovenlichaam en tegen het hoofd van de aangever geschopt. Bij de aangever zijn onder meer uitgebreide bloeduitstortingen in het (gezwollen) gelaat, in de hals, aan de beide schouders en bovenarmen, in de buikregio en ter hoogte van de scheenbenen en de rechter knie geconstateerd (bewijsmiddel 3). De aangever heeft verklaard dat [medeverdachte] degene was die steeds duwde of sloeg (bewijsmiddel 4). De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] de aangever heeft geduwd, geslagen en getrapt (bewijsmiddelen 7, 8 en 10), hetgeen [medeverdachte] heeft bevestigd (bewijsmiddelen 5 en 6). Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van enig door de verdachte toegepast geweld. Wel heeft de verdachte tegen de aangever gezegd dat hij moest opstaan en toen deze dat niet deed hem geprobeerd overeind te tillen of te trekken teneinde hem op de stoel te zetten (bewijsmiddel 9).

  5. Het openbaar ministerie heeft de tenlastelegging toegesneden op “medeplegen van poging tot moord”. In eerste aanleg is de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. De rechtbank was van oordeel dat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] geen sprake is geweest. Uit de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] en van de aangever leidde de rechtbank af dat de verdachte geen geweld heeft gepleegd, terwijl hij zich tot op zekere hoogte van het geweld heeft gedistantieerd door tegen [medeverdachte] te zeggen dat hij moest stoppen met het geweld tegen de aangever. Tegen dit vrijsprekende vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Tijdens de behandeling van het hoger beroep hebben twee advocaten-generaal een verschillend standpunt ingenomen. Tijdens de terechtzitting van 28 november 2012 heeft de behandelend advocaat-generaal bevestiging van het vrijsprekend vonnis gevorderd. Vervolgens heeft het hof op 12 december 2012 een tussenarrest gewezen, waarbij een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is gelast. De opvolgende advocaat-generaal meende op de terechtzitting van 29 januari 2014 dat een veroordeling wegens medeplegen van poging tot moord wel tot de mogelijkheden behoorde en vorderde vernietiging van het bestreden vonnis.

  6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 24 december 2011 tot en met 25 december 2011 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met kracht die [slachtoffer] heeft geduwd terwijl deze op een stoel zat (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val kwam) en meermalen met kracht in het gezicht en tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen met kracht tegen het bovenlichaam en het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

7. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, op de volgende bewijsmiddelen1:

“4.

Een proces-verbaal van aangifte, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1948, afgelegd op 10 januari 2012:

Ik ben behandeld in verband met letsel aan mijn gezicht, kaak en neus, alsmede mijn ribben. Ik ondervind nog steeds pijn aan mijn ribben ten gevolge van het voorval met de kerst. Ik woon op een kamer van het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds een maand of zes heb ik kennis gemaakt met ene [medeverdachte] , welke in hetzelfde pand woont, alsmede ene [verdachte] . Sinds ik [medeverdachte] en [verdachte] ken, zijn dit eigenlijk mijn enige vrienden.

Ik weet dat [medeverdachte] en [verdachte] met de kerst bij mij waren. Wij dronken bier: Verder deden we gourmetten. Ik weet dat [verdachte] en [medeverdachte] nog wat gesnoven hebben. Ik weet nog dat de muziek hard stond en ik er wat van zei. Op enig moment ben ik toen door [medeverdachte] geduwd.

[medeverdachte] was steeds degene die duwde of sloeg. Ik heb alles maar over me heen laten gaan, ik ben niet tegen ze opgewassen.

5.

Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte van 27 december 2011, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

We zaten te gourmetten op 24 december 2011. Er is iets gebeurd. Ik weet dat mijn vriend erbij was. Hij heet [verdachte] . Ik gebruik weleens een jointje, af en toe gebruik ik eens een snuifje. Af en toe wel een beetje cocaïne.

[slachtoffer] kent [verdachte] via mij. [slachtoffer] en ik zijn bijna dagelijks bij elkaar. [verdachte] komt ongeveer één à twee keer per week bij [slachtoffer] . Ik denk dat ik die avond, kerstavond 24 december.2011, zeker tien flessen bier heb gedronken en ik denk een stuk of vier tot zes kleine flesjes Bonekamp (een soort kruidenbitter). Ik heb die avond ook een stuk of twee jointjes gebruikt en een gram cocaïne. We zaten te gourmetten en toen kregen we een meningsverschil over iets. Er was een leugen, een kleine stommigheid, ik weet niet meer wat. Ik had het idee dat ik belogen werd door [slachtoffer] , terwijl ik altijd alles voor hem doe. Dat komt wel eens vaker voor, dat [slachtoffer] mij beliegt. U vraagt mij of ik de avond van het gourmetten weer het idee had dat [slachtoffer] mij aan het beliegen was. Ja, dat klopt. Toen is de bom ontploft.

Ik kan me herinneren dat ik [slachtoffer] geslagen heb. Ik denk dat ik hem op zijn hoofd heb geslagen. Ik denk dat ik hem een paar keer heb geslagen. Ik ben rechts dus ik denk dat ik met rechts heb geslagen. Ik werd belogen. Dat maakte me kwaad. Ik raakte opgefokt. Ik had de situatie helemaal niet meer onder controle. Ik weet dat ik na het voorval naar mijn eigen kamer ging en de volgende dag om 16.00 uur pas wakker werd.

[verdachte] zette [slachtoffer] op een stoel. Nadat ik [slachtoffer] heb geslagen, is hij gevallen. Hij zat op een stoel toen ik hem sloeg. Ik ben opgestaan en heb [slachtoffer] geslagen terwijl ik stond. Toen viel [slachtoffer] van zijn stoel. Ik zette [slachtoffer] een aantal keren op de stoel samen met [verdachte]. Ik heb hem wel vaker dan één keer geslagen. [slachtoffer] probeerde zich te verweren tegen mijn klappen door zijn handen voor zijn hoofd te doen en hij probeerde mij vast te pakken. Ik ben naar boven gegaan, ik had het helemaal gehad. [verdachte] en ik hebben samen de kamer van [slachtoffer] verlaten. Het was een puinhoop. Er is van alles uit de kast gevallen. Toen wij de kamer verlieten, was [slachtoffer] aan het bloeden in zijn gezicht. Hij had bloed in zijn gezicht. Het was gezwollen en het zag er erg uit.

6.

Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte van 28 december 2011, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

V: vraag verbalisanten.

A: antwoord verdachte.

U vraagt mij of ik [slachtoffer] van de stoel heb geduwd. Dat zou kunnen.

U houdt mij de volgende passages uit de verklaring van mijn medeverdachte [verdachte] voor:

V: Wat gebeurde er toen [slachtoffer] op de grond lag?

A: Ik zag dat [slachtoffer] wilde opstaan en ik zag dat dit niet lukte. Ik zag dat [medeverdachte] naar hem toe liep en zag dat hij [slachtoffer] omver duwde. Ik zag dat [slachtoffer] zijn balans verloor en weer op de grond viel. Ik zag dat [medeverdachte] met kracht duwde. Ik zag dat [medeverdachte] trapte en sloeg.

U vraagt mij wat ik hierover kan verklaren. Dat zou kunnen ja.

U houdt mij voor dat er staat dat ik buiten slaan ook getrapt heb. U vraagt mij wat ik hierover kan verklaren. Het zou best kunnen dat ik hem ook getrapt heb.

V: Hoe ging dat trappen wat [medeverdachte] deed?

A: Ik zag dat [medeverdachte] dat met een gestrekt been deed en met de platte voet tegen het bovenlichaam van [slachtoffer] trapte.

V: Hoe gebeurde dat trappen?

A: Ja, met de wreef en punt van de gymschoen. Ik ben twee keer de kamer uitgelopen. V: Hoeveel keer werd [slachtoffer] geslagen?

A: Ik denk elf à twaalf keer.

V: Waar werd [slachtoffer] geraakt?

A: Ik heb gezien dat [medeverdachte] op het gezicht en hoofd sloeg.

V: Hoe deed [medeverdachte] dit?

A: Met een platte hand.

V: Wat deed [slachtoffer] ?

A: Ik hoorde dat [slachtoffer] riep: 'Laat me opstaan'. Hij is niet zo’n prater.

U vraagt mij wat ik hierover kan verklaren. Dat zou goed kunnen.

U houdt mij voor dat [verdachte] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] recht te zetten op de stoel, maar dat dat [verdachte] niet gelukt is omdat [slachtoffer] zich liet hangen. U houdt mij voor dat [verdachte] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat ik hem hierbij heb geholpen. In mijn beleving heb ik dat wel gedaan. Wat ik me kan voorstellen is dat ik dat wel heb gedaan, ja.

7.

Een proces-verbaal van verhoor van 26 december 2011, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van verdachte:

U heeft mij medegedeeld waarover u mij wenst te horen. Het gaat over de ernstige mishandeling van [slachtoffer] . Ik kan daarover het volgende verklaren.

Ik ben bevriend met [medeverdachte] . Ik ben alleenstaand en dat geldt ook voor [medeverdachte] . We spraken in eerste instantie vorige week af om op kerstavond 24 december 2011 bij mij te gourmetten, doch daarna vroeg [medeverdachte] aan mij of ik met hem meeging om bij [slachtoffer] kerstavond te vieren. Hij woont op hetzelfde adres als [medeverdachte] . Ik ken die man ook en [medeverdachte] en ik komen daar vaker. Ik kwam via [medeverdachte] met die man in contact.

Afgelopen zaterdag, 24 december omstreeks 13.00 uur gingen [medeverdachte] en ik naar die man toe. We troffen voorbereidingen en begonnen rond 19.00 uur met gourmetten. Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte] een woordenwisseling met [slachtoffer] , omdat die man niet naar [medeverdachte] luisterde. [medeverdachte] werd kwaad en verloor de controle. Hij duwde [slachtoffer] en die viel op de grond. Die man was dronken en kon niet meer opstaan. Hij bleef op de grond liggen. Ik zag dat die man in het gezicht aan het bloeden was. Hij bloedde flink. Hij bleef dus op de grond liggen. Ik heb nog tegen hem gezegd dat hij moest opstaan, doch hij lag gewoon daar. [medeverdachte] en ik zijn daarna weggegaan. Het feestje was toen toch al verziekt en die man wilde niet opstaan. [medeverdachte] en ik liepen naar mijn woning toe, doch onderweg merkte [medeverdachte] dat hij zijn sleutels was kwijtgeraakt in de woning van [slachtoffer] . We liepen dus terug. [slachtoffer] lag nog op de grond en bloedde nog steeds. [medeverdachte] heeft de sleutels gevonden. Hierna gingen we terug naar mijn woning en lieten die man in de woning achter. In de woning van die [slachtoffer] lag op diverse plaatsen glas, omdat die man tegen een kast aanviel waarbij van alles en nog wat op de grond van zijn woning viel. [medeverdachte] en ik liepen daarna naar mijn woning. [medeverdachte] bleef een uurtje of twee tot drie bij me en ging daarna alleen terug naar huis. Ik bleef thuis en ging slapen.

8.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 december 2011, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik had eerder moeten ingrijpen. Op de vraag hoe laat het fout is gegaan, antwoord ik dat dat tussen elf uur en twaalf uur 's avonds kan zijn geweest. Ik had het eerder moeten inzien. Ik had eerder naar huis moeten gaan.

[medeverdachte] zat op de bank en [slachtoffer] zat aan de overkant van [medeverdachte] op een stoel. Ik zag dat [medeverdachte] opgefokt was en ik en [medeverdachte] vroegen of [slachtoffer] bij ons kwam zitten. Ik zag dat hij op de stoel bleef zitten. Ik zag dat [medeverdachte] opstond en met zijn beide armen tegen [slachtoffer] duwde. Ik zag dat [slachtoffer] van de stoel viel en op de grond terecht kwam. Hij is heel hard gevallen. Ik zag dat [slachtoffer] wilde opstaan en ik zag dat dit niet lukte. Ik zag dat [medeverdachte] naar hem toe liep en zag dat hij [slachtoffer] omver duwde.

Ik zag dat [slachtoffer] zijn balans verloor en weer op de grond viel. Ik zag dat [medeverdachte] met kracht duwde. Ik zag dat [medeverdachte] trapte en sloeg. Ik heb gezien dat [medeverdachte] meerdere keren heeft getrapt in de rug van [slachtoffer] . Ik heb gezien dat [medeverdachte] stevig getrapt heeft. [medeverdachte] droeg Nike gymschoenen. Toen [medeverdachte] tegen de rug trapte, zag ik dat het shirt omhoog ging en ik zag allemaal blauwe plekken op de rug. Ik zag dat [slachtoffer] probeerde op te staan maar ik zag dat [medeverdachte] hem steeds omver duwde en ik zag dat [slachtoffer] langs de kast viel. Toen hij langs de kast viel, zag ik dat glazen uit de kast vielen en ik zag dat [slachtoffer] glas in het gezicht had. Ik zag dat [medeverdachte] met een gestrekt been en met platte voet tegen het bovenlichaam van [slachtoffer] trapte. Dat trappen gebeurde met de wreef en de punt van de gymschoen. Ik ben twee keer de kamer uit gelopen. Ik denk dat [slachtoffer] elf a twaalf keer werd geslagen. Ik heb gezien dat [medeverdachte] hem in het gezicht en op het hoofd sloeg. Ik hoorde dat [slachtoffer] riep: 'Laat me opstaan'. Het was trappen en slaan. Er zijn veel klappen gevallen. U vraagt mij wat er gebeurde na de eerste keer dat [slachtoffer] op de grond lag. Ik heb gezien dat [medeverdachte] niet constant achter elkaar bleef trappen en slaan. Er waren tussendoor fases. Er volgden tussendoor discussies en tijdens die discussies werd er niet constant getrapt en geslagen. Het slaan en trappen heeft geduurd tot zondag 25 december 03.00 uur. Ik ben om 03.30 uur naar huis gegaan. We zijn samen uit de kamer van [slachtoffer] gelopen en ik ben samen met [medeverdachte] richting mijn woning gelopen. We zijn teruggelopen omdat [medeverdachte] de sleutel was vergeten. De sleutel lag bij [slachtoffer] op de kamer en hij heeft toen de sleutel gepakt en ik ben toen ook vertrokken. Ik zag toen dat [slachtoffer] op de grond lag. Ik zag glas op de grond liggen. Ik zag dat zijn gezicht bebloed was.

U vraagt mij waarom ik niet heb ingegrepen toen [medeverdachte] sloeg en trapte. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik had meer moeten doen. Toen ik terug kwam van het toilet zag ik bloedvlekken tegen de witte muur. Ik heb die bloedvlekken niet eerder gezien. Ik heb gezien dat [slachtoffer] in elkaar gedoken op de grond lag. Ik zag dat [slachtoffer] zijn benen. en armen had ingetrokken. Toen we vertrokken zag ik dat [slachtoffer] bij de muur lag en ik zag plekken van bloed. Wat me het meeste is bijgebleven van het hele gebeuren is dat het zo lang heeft kunnen duren.

9.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 december 2011, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb die nacht nagelaten iets te doen. Ik had moeten ingrijpen. U houdt mij voor dat mijn medeverdachte, [medeverdachte] , heeft verklaard dat ik behulpzaam ben geweest door [slachtoffer] na zijn val van de stoel, opnieuw op die stoel te zetten. Ja, het klopt dat ik een keer geprobeerd heb om hem op de stoel te zetten. Die oude man zat of lag hij op de grond. Ik heb toen tegen die man gezegd dat hij moest opstaan. Dat lukte hem niet. Ik ben toen achter hem gaan staan, heb mijn armen van achteren om zijn middel geslagen en heb geprobeerd hem zo overeind te tillen of te trekken. De man liet zich hangen. Het lukte mij niet om de man overeind te helpen en hem op de stoel te zetten. U vraagt mij of ik die avond lichamelijk contact heb gehad met [slachtoffer] . Ja, met optillen toch. Ik heb [medeverdachte] meermalen gezegd dat hij moest stoppen. U houdt mij voor dat ik ook fysiek had kunnen ingrijpen en [medeverdachte] bij zijn kraag had kunnen pakken. Ik weet niet waarom ik dit niet deed.

10.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 28 november 2012, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van verdachte, wonende te [plaats] :

Op 24 december 2011 ben ik samen met [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Ik weet niet meer hoe laat ik daar ben aangekomen. De bedoeling was dat we daar normaal zouden eten. [medeverdachte] zou eigenlijk bij mij komen eten, maar omdat [slachtoffer] alleen was en het voor hem gezelliger was als we naar hem zouden gaan, hebben we dat gedaan. [medeverdachte] en ik hebben eerst boodschappen gedaan en zijn toen naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Daar hebben we gedronken. Ik had zeven of acht biertjes op, of misschien negen. Ik was niet dronken. Ik kon goed mee krijgen wat er allemaal gebeurde. Er is niets mis met mijn ogen of oren.

Ik denk dat het een uur of elf was toen het mis ging. Het ging allemaal zo snel. [medeverdachte] duwde die man en die man kiepte om.

Er was een discussie ontstaan. [medeverdachte] stoorde zich eraan dat [slachtoffer] niet meehielp en op zijn stoel bleef zitten. [medeverdachte] duwde hem van zijn stoel af. Hij viel op de grond. Hij viel heel gemeen. [medeverdachte] heeft hem geslagen en geschopt. Hij heeft met de vlakke hand geslagen, maar als je die man duwt dan valt hij hard. Het was een zwakke man. Hij was niet zo zwaar. [medeverdachte] heeft hem niet met de vuist geslagen.

Als u mij voorhoudt dat uit het geneeskundig rapport blijkt dat [slachtoffer] meerdere breuken in het gezicht had en dat zijn kaak gebroken was, zeg ik dat [medeverdachte] hem volgens mij in het gezicht heeft geschopt. Hij heeft ook tegen zijn lichaam geschopt en geslagen. Het heeft alles bij elkaar zo’n twee uur geduurd. [medeverdachte] heeft hem niet constant geslagen en geschopt. Af en toe was het wel eens even goed. Dan zat [slachtoffer] weer op zijn stoel en werd er gepraat. Met goed bedoel ik dat er dan niet werd geslagen en geschopt. Ik denk dat [slachtoffer] dan weer op zijn stoel zat, maar ik kan het allemaal niet meer zo goed plaatsen. Ik heb geprobeerd om hem terug op de stoel te krijgen en daar heeft hij ook op gezeten, maar hij werd er telkens weer afgehaald door [medeverdachte] .

Ik was geschokt door wat er gebeurde. Ik ben een aantal keren weggelopen. Dan ging ik naar het toilet, maar dat was meer omdat ik even geen zin had in wat er daar gebeurde. Ik had wel weg kunnen gaan. Ik weet niet waarom ik dat niet gedaan heb.

Ik heb gezien dat er door [medeverdachte] hard geschopt en geslagen werd.

U zegt mij dat ik zojuist verklaarde dat ik een aantal keren naar het toilet ben gegaan, omdat ik er even niet bij wilde zijn, en vraagt mij nogmaals waarom ik dan toch weer terug ben gegaan. Ik weet niet waarom ik teruggegaan ben. Het heeft bij elkaar ongeveer twee uur geduurd. Ik weet niet meer hoe laat het was. Het is niet de hele nacht doorgegaan. Ik ben op een gegeven moment naar huis gegaan. Ik ben samen met [medeverdachte] weggegaan. Even later zijn we weer teruggegaan naar de woning van [slachtoffer] , omdat er een sleutel in de woning was blijven liggen. Ik weet niet hoe Iaat het was toen we daar de eerste keer weggingen. Het was in ieder geval na middernacht. [slachtoffer] lag op de grond, hij was aan het bloeden.

Het was een ravage in de kamer. Toen ik ben weggegaan lag [slachtoffer] bloedend op de grond. Hij lag in elkaar gedoken en hij zei niets meer. Ik heb hem zien liggen. Toen we even later terug kwamen is [medeverdachte] de kamer in gegaan. Daarna is [medeverdachte] naar zijn eigen kamer boven in het pand gegaan en ik ben naar huis gegaan. Ik weet niet waarom ik toen ik thuis kwam niets heb gedaan om [slachtoffer] te helpen.

Ik weet niet waarom ik op het moment dat ik thuis kwam geen politie heb gebeld of een dokter of buren heb gevraagd om te gaan kijken. Het kwam niet in mij op om te bellen. U houdt mij voor dat [medeverdachte] op dat moment niet meer bij mij was. Ik weet niet waarom ik toen niets gedaan heb.

Ik kan me wel een beetje voorstellen dat [slachtoffer] alles maar over zich heen heeft laten komen, omdat hij tegen ons toch niet opgewassen was. Ik had de politie kunnen bellen. Ik had moeten ingrijpen ja. Ik heb hem voor verrot laten liggen.

Ik heb [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten.”

8. Ten aanzien van het medeplegen heeft het hof in het verkorte arrest onder “bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“De volgende vraag die voorligt is of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van deze poging tot moord.

Het hof stelt allereerst vast, dat niet is gebleken dat verdachte enige uitvoeringshandeling in de zin van het schoppen en/of slaan van [slachtoffer] heeft verricht.

Echter, ook zonder dat verdachte een uitvoeringshandeling heeft verricht kan sprake zijn van medeplegen. Het hof overweegt ter zake als volgt.

In de eerste plaats heeft verdachte weliswaar een aantal malen tegen [medeverdachte] gezegd dat hij moest stoppen met het geweld tegen [slachtoffer] , maar verder heeft verdachte zich passief opgesteld en heeft hij in het tijdsbestek van de uren waarin het geweld werd gepleegd geen enkele feitelijke poging ondernomen om het geweld te (laten) stoppen terwijl hij daartoe wel reële mogelijkheden had. Verdachte had, zoals hij zelf ook heeft verklaard, de politie kunnen bellen, of metterdaad in kunnen grijpen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte heeft gelet op de aard en de duur van het uitgeoefende geweld moeten doorzien wat er dreigde te gebeuren als gevolg daarvan, te weten de dood van [slachtoffer] . Toen voor verdachte ook duidelijk werd dat [slachtoffer] weerloos was (gemaakt) en daardoor in hulpeloze toestand verkeerde, had verdachte zelfs in móeten grijpen.

Verdachte heeft zich ook niet van het geweld gedistantieerd, terwijl hij dat wel had kunnen doen. Verdachte is weliswaar een aantal keren weggelopen naar het toilet, maar 'meer omdat hij even geen zin had in wat er daar gebeurde'. Dit terwijl niets hem in de weg stond om helemaal weg te gaan en te blijven. Steeds is hij toch weer teruggegaan. Ook uit de omstandigheid dat verdachte het slachtoffer weer op zijn stoel heeft gezet komt naar voren dat verdachte geen afstand heeft genomen van hetgeen voorviel. Volgens verdachte kwam hij telkens weer terug omdat hij in shock was en niet goed kon handelen, maar dat acht het hof - ook tegen de achtergrond van de door de verdediging gestelde ADHD-problematiek - niet aannemelijk.

Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen - verdachte heeft onder meer verklaard dat [slachtoffer] alles maar over zich heen heeft laten komen omdat hij tegen 'ons' (bedoeld zal zijn: [medeverdachte] en verdachte) toch niet opgewassen was - dat verdachtes aanwezigheid (mede) voorwaarde was om het delict tot uitvoering te brengen. Verder kent het hof betekenis toe aan de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte] op een gegeven moment de woning van [slachtoffer] gezamenlijk hebben verlaten, terwijl - zoals verdachte wist - [slachtoffer] op dat moment bloedend en in elkaar gedoken op de grond lag en niets meer zei. Hij heeft hem naar eigen zeggen 'voor verrot' achter gelaten. Toen verdachte en [medeverdachte] even later terugkwamen bij die woning en [medeverdachte] naar zijn kamer boven in het pand was gegaan, is verdachte naar huis gegaan zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om [slachtoffer] die door hen in hulpeloze toestand was achtergelaten. Ook thuis heeft verdachte niets gedaan om [slachtoffer] alsnog te helpen, bijvoorbeeld door een ambulance te bellen of de politie in te schakelen.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, acht het hof medeplegen bewezen.”

9. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. In geval de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, zal van de feitenrechter die aanneemt dat niettemin sprake is van een dermate bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken mogen worden gevergd dat hij dat oordeel nauwkeurig motiveert. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.2

10. Het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat de verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de geweldshandelingen jegens de aangever zijn begaan door de medeverdachte [medeverdachte] . Uit de bewijsconstructie volgt voorts dat de verdachte en zijn medeverdachte naar de aangever waren gegaan om te gourmetten en dat de medeverdachte [medeverdachte] op enig moment kwaad op de aangever is geworden en geweld jegens hem heeft toegepast. Het hof verwijt de verdachte dat hij geen enkele feitelijke poging heeft ondernomen om het geweld te laten stoppen. Daaruit volgt evenwel nog niet dat de verdachte daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft geleverd om van medeplegen te kunnen spreken. Zoals voorop gesteld, komt aan het zich niet distantiëren in dit verband geen grote betekenis toe. Bovendien heeft de verdachte een aantal malen tegen de medeverdachte gezegd dat hij moest stoppen met het geweld (bewijsmiddel 9) en is hij meermalen weggelopen naar het toilet omdat hij ”even geen zin had in wat er daar gebeurde” en er niet bij wilde zijn (bewijsmiddel 10). Tegen deze achtergrond rijst de vraag of kan worden volgehouden dat de verdachte zich in het geheel niet van het geweld heeft gedistantieerd. Belangrijker is evenwel dat in dezen niet de vraag voorligt of de verdachte moreel verwijtbaar heeft gehandeld door het slachtoffer niet te hulp te schieten en in hulpeloze toestand achter te laten, maar de vraag of de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de poging tot moord.3 Daartoe dient het achterwege blijven van uitvoeringshandelingen te worden gecompenseerd door andere factoren die maken dat niettemin van een nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest.

11. In dit verband heeft het hof overwogen dat de aanwezigheid van de verdachte (mede) voorwaarde was om het delict tot uitvoering te brengen. Dit oordeel steunt kennelijk op de verklaring van de aangever, voor zover inhoudende dat hij alles maar over zich heen heeft laten komen omdat hij niet tegen “ze” is opgewassen en op de verklaring van de verdachte dat hij zich dat wel een beetje kan voorstellen (bewijsmiddelen 4 en 10). Voorafgaand aan dit deel van de verklaring merkt de aangever echter op dat [medeverdachte] steeds degene was die duwde of sloeg. Hieruit kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat de aanwezigheid van de verdachte een voorwaarde is geweest voor het delict, laat staan dat de enkele aanwezigheid van de verdachte als een dermate wezenlijke bijdrage aan het delict kan worden aangemerkt dat de verdachte als medepleger kan worden beschouwd. De omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte het pand gezamenlijk hebben verlaten, maakt zulks niet anders.

12. Ten slotte kan de vraag worden gesteld welke betekenis kan worden toegekend aan het feit dat de verdachte heeft geprobeerd de aangever overeind te helpen en op een stoel te zetten. Tijdens de behandeling van de zaak in feitelijke aanleg is deze handeling door het openbaar ministerie op verschillende manieren geduid: enerzijds als een bijdrage aan de geweldsuitoefening en anderzijds als een de-escalerende handeling.4 Uit het bestreden arrest volgt dat het hof uit de omstandigheid dat de verdachte de aangever weer op zijn stoel heeft gezet, heeft afgeleid dat de verdachte geen afstand heeft genomen van hetgeen voorviel. Het hof heeft deze handeling niet gezien als een uitvoeringshandeling. Ook anderszins kan uit de desbetreffende overweging niet worden afgeleid dat het hof het op de stoel (proberen te) zetten van de aangever heeft aangemerkt als een handeling die van (substantiële) betekenis is geweest voor de totstandkoming van het delict. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat uit de bewijsvoering volgt dat het geweld tegen de aangever zowel plaatsvond op momenten waarop de aangever op zijn stoel zat, als op momenten waarop hij op de grond lag.

14. Gelet op het bovenstaande, meen ik dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. De door het hof in zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte de poging tot moord heeft medegepleegd. Ook anderszins kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte een voor medeplegen vereiste substantiële bijdrage aan het delict heeft geleverd.

15. Het middel treft doel.

16. Gelet op het slagen van het eerste middel, kan het bestreden arrest niet in stand blijven. De bespreking van de overige middelen, die klagen over het opzet (middel 2), de voorbedachte raad (middel 3) en overschrijding van de inzendingstermijn in de cassatiefase (middel 4), kan daaraan niets toe- of afdoen en zal ik vooralsnog achterwege laten. In geval de Hoge Raad anders mocht oordelen en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie waarin de overige middelen alsnog worden besproken, zal ik daartoe overgaan.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De eerste drie bewijsmiddelen, die met name zien op het letsel en de aangetroffen situatie ter plaatse, zijn niet opgenomen. Ook de voetnoten zijn weggelaten.

2 Zie voorts onder meer HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794, NJ 2015/397 m.nt. Mevis. Zie hierover nader A. Postma, Facetten van medeplegen, DD 2015/14.

3 Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel (ECLI:NL:PHR:2008:BC6157) voorafgaand aan HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6157, NJ 2008/209.

4 Uit het requisitoir van de officier van justitie ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg volgt dat deze het op de stoel zetten zag als een handeling die [medeverdachte] hielp, terwijl de (eerste) advocaat-generaal bij het hof, zoals blijkt uit het op de terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2012 overgelegde op schrift gestelde requisitoir, deze handeling juist heeft aangemerkt als een de-escalerende handeling en niet als een bijdrage aan de geweldsuitoefening.