Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:808

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
15/04455
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2190, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. ’s Hofs vaststellingen dat verdachte "ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk" en dat verdachte "niet [heeft] kunnen aangeven waarom hij ondanks deze gunstige omstandigheden deze feiten heeft begaan en hoe herhaling kan worden voorkomen", zijn niet z.m. begrijpelijk aangezien noch het p-v van de tz. in h.b. noch de overige stukken waarvan de HR kennisneemt daarvoor steun bieden. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04455

Zitting: 28 juni 2016 (bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 2 september 2015 het vonnis van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2014 met overneming van gronden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf, de motivering daarvan en de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerleggingen. Het hof heeft de verdachte wegens 1. “Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd”, 2. primair “Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” en 3. primair “Diefstal”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Bovendien heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de beslissing van het hof om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden op te leggen niet toereikend of onbegrijpelijk is gemotiveerd.

  4. Het middel heeft in het bijzonder betrekking op de navolgende overweging uit ’s hofs strafmotivering:

Oplegging van straf en/of maatregel

(…)

Gebleken is dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk. Verdachte heeft, hoewel hem daar uitdrukkelijk ter zitting van het hof naar is gevraagd, niet kunnen aangeven waarom hij ondanks deze gunstige omstandigheden deze feiten heeft begaan en hoe herhaling kan worden voorkomen.”

5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2015 blijkt dat de verdachte onder meer het volgende heeft verklaard:

“De periode oktober/november 2013 was een slechte periode in mijn leven. Ik gebruikte veel drugs en had geen vaste woon- of verblijfplaats. Dan doe je domme dingen. Ik dacht nergens over na in die periode.

Een maand of drie geleden ben ik voor het laatst in aanraking geweest met de politie. Dat was op 6 maart 2015 in Heerde. Ik had nooit een stabiele thuissituatie en sinds een halfjaar heb ik dat wel. Ik ben een beetje weg uit die omgeving.”

6. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de overweging van het hof, inhoudende dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk, geen steun vindt in het hierboven aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof. Aldus is volgens de steller van het middel “een belangrijk deel van de overwegingen omtrent de strafmaat” niet begrijpelijk en berust dit op omstandigheden die niet uit het proces-verbaal van de zitting blijken.

7. Uitgangspunt is dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Die keuze behoeft geen motivering.1 De oplegging van een straf wordt door de Hoge Raad terughoudend getoetst. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de (hoogte van de) straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.2 Alleen wanneer de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en daardoor onbegrijpelijk is, is er in cassatie reden voor ingrijpen.3 In het algemeen komt cassatie omtrent de straftoemeting dan ook niet vaak voor.

8. De overweging van het hof dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk, strookt inderdaad niet met de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 augustus 2015 voor zover het gaat om de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte. Deze heeft immers op die terechtzitting verklaard dat hij (toen) pas sinds een halfjaar een stabiele thuissituatie had, maar dat hij ten tijde van de bewezenverklaarde strafbare feiten (die zien op de periode oktober en november 2013) in een slechte periode zat, veel drugs gebruikte en geen vaste woon- of verblijfplaats had. Daarbij komt dat ik uit het genoemde zittingsverbaal niet kan afleiden dat toen aan de verdachte uitdrukkelijk zou zijn gevraagd waarom hij ondanks de (vermeende) gunstige omstandigheden de hem verweten strafbare feiten heeft begaan. Een blik over de papieren muur biedt evenmin aanknopingspunten die de strafmotivering van het hof op dat onderdeel kunnen onderbouwen.

9. Tegen deze achtergrond is ’s hofs motivering van de straf niet begrijpelijk. Naar mijn inzicht kan niet worden gezegd dat de gewraakte overweging een ondergeschikt onderdeel van de strafmotivering vormt, nu daarin toch duidelijk een specifiek verwijt jegens de verdachte doorklinkt dat meer in het bijzonder de strafmaat heeft bepaald.

10. Op grond van het voorgaande meen ik dat in het onderhavige geval de uitspraak van het hof niet voldoet aan de motiveringseisen die ingevolge art. 359, achtste lid, Sv op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.

11. Het middel slaagt mitsdien.

12. Ambtshalve gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing naar het hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 313. Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

2 Van Dorst, a.w., p. 310.

3 Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190, NJ 2006/578 en HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313, NJ 2009/283.