Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:793

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
14/06230
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2527, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige tegoeden en een auto Audi A6; witwassen? Deels slagende kwalificatieklacht. De HR stelt voorop de nadere motiveringseisen die gelden voor het oordeel dat het verwerven of voorhanden hebben van “onmiddellijk” uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (schuld)witwassen oplevert (vgl. ECLI:NL:HR:2013:2001). Het Hof heeft i.c. geoordeeld dat de Audi A6 niet "onmiddellijk" door eigen misdrijf is verkregen. Gelet daarop en op het vooropgestelde, is ’s Hofs oordeel dat het voorhanden hebben van de auto niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, onjuist. ’s Hofs oordeel dat de tegoeden "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig zijn en dat het enkele voorhanden hebben van die tegoeden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, en dat aan e.e.a. niet afdoet dat deze tegoeden op kennelijk op eigen naam staande en in Nederland aangehouden spaarrekeningen zijn ontstaan door omzetting van contante geldbedragen in giraal geld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De HR herhaalt verder ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2014:2913 en merkt op dat en waarom het onderhavige geval verschilt van het geval dat aan de orde was in ECLI:NL:HR:2014:702. Samenhang met 14/06231.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06230

Zitting: 28 juni 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 november 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 en 2 telkens: “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde heeft het hof geoordeeld dat dit feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en heeft het de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van het beslag zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/06230 en 14/06231 P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Door de advocaat-generaal bij het Hof 's-Hertogenbosch mr. G.T. Sta is beroep in cassatie ingesteld. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel keert zich – in het licht van art. 420bis, eerste lid onder b, Sr – met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het kwalificatieoordeel van het hof aangaande het onder 3 sub c en d bewezenverklaarde, meer in het bijzonder wat betreft de Audi A6 Quattro, het banktegoed van € 3.790,10 en het banktegoed van € 9.960,16.

  5. Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 14 juni 2012, in elk geval in of omstreeks de maand juni 2012, in de gemeente Weert, althans in Nederland, (van) een of meer voorwerp(en), te weten:

a. een geldbedrag van euro 18.000,-, in elk geval enig geldbedrag,

b. een geldbedrag van euro 1.150,-, in elk geval enig geldbedrag,

c. een personenauto (merk Audi A6 Quattro, kenteken: [AA-00-BB]), en

d. een tegoed van euro 3.790,10, in elk geval enig geldbedrag, op de Rabo betaalrekening [001], en een tegoed van euro 9.960,16, in elk geval enig geldbedrag, op de Rabo spaarrekening [002],

de herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie die/dat voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad

en/althans

een of meer voorwerp(en), te weten:

a. een geldbedrag van euro 18.000,-, in elk geval enig geldbedrag,

b. een geldbedrag van euro 1.150,-, in elk geval enig geldbedrag,

c. een personenauto (merk Audi A6 Quattro, kenteken: [AA-00-BB]), en

d. een tegoed van euro 3.790,10, in elk geval enig geldbedrag, op de Rabo betaalrekening [001], en een tegoed van euro 9.960,16, in elk geval enig geldbedrag, op de Rabo spaarrekening [002], heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een of meer voormelde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf.”

6. Daarvan is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de maand juni 2012 in de gemeente Weert

a. een geldbedrag van euro 18.000,-,

b. een geldbedrag van euro 1.150,-,

c. een personenauto (merk Audi A6 Quattro, kenteken: [AA-00-BB]) en

d. een tegoed van euro 3.790,10 op de Rabo betaalrekening [001] en een tegoed van euro 9.960,16 op de Rabo spaarrekening [002], voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

7. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidt:

"Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf."

8. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Dat is hier van betekenis, omdat dit eerste gedeelte is gestoeld op het eerste lid onder a van art. 420bis Sr. Daarop heeft de in de toelichting op het middel aangehaalde recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, geen betrekking.1 Wel is deze recente rechtspraak van toepassing op het bewezenverklaarde tweede gedeelte van de tenlastelegging, nu dat is toegesneden op de witwasvariant als omschreven in het eerste lid onder b. In dat licht zal ’s hofs oordeel, voor zover in cassatie bestreden, op juistheid en begrijpelijkheid dienen te worden beschouwd en gewogen.

9. Het hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging ontslagen, en daartoe het volgende overwogen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(...)

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Voorts volgt uit die bewijsmiddelen dat verdachte meer geld heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen contante geldbedragen, de personenauto (middellijk) en de banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn, te weten van overtreding(en) van de Opiumwet.

(…)

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)

Wat betreft het onder 3 bewezen verklaarde overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte contante geldbedragen, een personenauto en banktegoeden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die afkomstig waren uit enig misdrijf; uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat deze voorwerpen afkomstig waren uit overtredingen van de Opiumwet.

Indien evenwel niet kan worden vastgesteld dat het voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat van een zodanig voorhanden hebben sprake is geweest. Het bewaren van een deel van het bewezenverklaarde geld in een oven levert geen “verbergen of verhullen” in de zin der wet op2 en het omzetten van contante geldbedragen in een personenauto en in giraal geld verschilt niet wezenlijk van het enkele voorhanden hebben van die voorwerpen.

Uit dit één en ander trekt het hof het gevolg dat het onder 3 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen noch als enig ander strafbaar feit.

De verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”

10. Het hof heeft aldus het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot de (niet-)strafbaarheid van het tenlastegelegde feit 3 goeddeels gevolgd. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt immers in:

“Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen van contante geldbedragen en banktegoeden vordert de advocaat-generaal dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte die voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren, maar dat hij ten aanzien daarvan zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dat enkele voorhanden hebben geen witwassen in de zin van de wet oplevert.”

11. Kennelijk is het Openbaar Ministerie van inzicht veranderd wat betreft de kwalificeerbaarheid van de banktegoeden als bedoeld in het bewezenverklaarde sub d, in die zin dat het bij nader inzien van mening is dat hier (toch) sprake is van witwassen, en is mede daarin – naast de bestrijding van het oordeel van het hof aangaande de Audi – de reden gelegen om beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het hof.3

12. Ik meen dat in de overwegingen van het hof als zijn oordeel besloten ligt dat de bewezenverklaarde voorwerpen door eigen misdrijf (overtreding(en) van de Opiumwet) verkregen zijn. De vraag of dat genoegzaam uit de bewijsmiddelen volgt, laat ik hier rusten; daarover wordt in cassatie niet geklaagd.4

13. Dat betekent dat het hof met betrekking tot de genoemde banktegoeden (en de contante geldbedragen) terecht heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen, nu het hof (i) tevens (al dan impliciet) heeft overwogen dat déze voorwerpen onmiddellijk door eigen misdrijf zijn verkregen en het (ii) geen gedragingen heeft vastgesteld die (kennelijk) gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. In zoverre geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.5

14. Dat zou anders zijn, indien gezegd moet worden dat uit de overwegingen van het hof niet valt op te maken dat zich hier voordoet het geval waarin kan worden afgeleid dat de banktegoeden6 niet door eigen misdrijf maar uit enig misdrijf zijn verkregen. Dan zou het hof ten onrechte hebben overwogen hetgeen ik hierboven onder 9 heb aangehaald ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Als gezegd, op dat geval heeft de bedoelde recente rechtspraak van de Hoge Raad geen betrekking.

15. Het oordeel van het hof met betrekking tot de Audi getuigt hoe dan ook van een verkeerde rechtsopvatting. Met betrekking tot het “voorhanden” hebben van de auto, heeft het hof vastgesteld dat deze middellijk van misdrijf afkomstig is.7 Voorts lees ik in de door mij aangehaalde overwegingen dat het hof van oordeel is dat de verdachte het door eigen misdrijf verkregen geld heeft omgezet in de aanschaf van de Audi. Op dat geval is de hierboven genoemde recente rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel evenmin van toepassing.8

16. Het middel slaagt deels.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ter zake van de beslissing omtrent de (niet-)strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 m.nt. Keijzer en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80 m.nt. Keulen.

2 Dit oordeel van het hof lijkt mij in zijn algemeenheid niet juist en berust mogelijk op een verkeerde lezing van de in dit verband relevante arresten van de Hoge Raad. Het gaat in deze rechtspraak niet om het verbergen en verhullen van het voorwerp (in een oven), maar om het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan (vgl. HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2974). Het verstoppen in een oven kan witwassen opleveren, indien de bewezenverklaring steunt op de variant als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder a Sr.

3 En mogelijk heeft ook de veroordeling tot slechts een taakstraf van veertig uren een rol gespeeld; de advocaat-generaal had in hoger beroep namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden gevorderd.

4 Klaarblijkelijk is ook de steller van het middel van dat impliciete oordeel van het hof uitgegaan.

5 Zie onder meer HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers, HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77 m.nt. Borgers, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer, HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer, HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340 m.nt. Keijzer en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83 m.nt. Keulen.

6 Hetzelfde geldt dan voor de contante geldbedragen.

7 Zie over “middellijk” in dit verband HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer.

8 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer.