Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:78

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-02-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
15/02092
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1061, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Onrechtmatige daad. Opzegging lidmaatschap in strijd met art. 2:8 BW tevens onrechtmatig? Invloed achterwege laten van vernietiging (art. 2:15 BW). Verrassingsbeslissing. Termijn van opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/126 met annotatie van E. Baghery
JOR 2016/233 met annotatie van mr. K.A.M. van Vught
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02092

mr. J. Spier

Zitting 26 februari 2016 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

Internationale Meubel Groep Holding B.V.1

(hierna: IMG)

tegen

[verweerster]

(hierna: [verweerster])

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.2

1.2

[verweerster] voert een onderneming waarin de detailhandel in meubelen wordt uitgeoefend. De aandelen van [verweerster] worden gehouden door [A] B.V. (verder: [A]). [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]) is enig aandeelhouder van [A].

1.3

IMG is bij notariële akte opgericht als vereniging. Leden van de vereniging zijn, kort samengevat, (eigenaren van) detailhandelszaken in meubelen, woningtextiel en aanverwante zaken die een lidmaatschapsovereenkomst zijn aangegaan met Euretco N.V., dan wel een met Euretco N.V. verbonden onderneming.3 Doel van de vereniging is onder meer het behartigen van de belangen van de aangesloten leden. Ten behoeve van dat doel hield IMG zich onder meer bezig met “het gezamenlijk ten behoeve van en voor rekening van de individuele leden afzonderlijk plaatsen van orders, het doen produceren van meubelen en woningtextielzaken (…).” [verweerster] was lid van IMG.

1.4

[A] had aanvankelijk 60% van de aandelen in Mondial Keukens Benelux B.V. (hierna: MKB BV) en Euretco Wonen B.V.4 (hierna: Euretco) en IMG beide afzonderlijk 20%. Bij koopovereenkomst van 13 oktober 2004 heeft [A] “voornoemde aandelen” aan Euretco verkocht voor een koopsom van € 2.700.000. De aandelen zijn op 12 november 2004 aan Euretco geleverd.

1.5

Euretco heeft de juistheid van de overeengekomen koopprijs voor de 60% aandelen in MKB BV bestreden op de grond dat [betrokkene 1] bonusbetalingen in MKB BV had gelaten die aan leden van IMG hadden moeten worden uitgekeerd en dat dientengevolge sprake was van een te hoog voorgestelde vermogenspositie van MKB BV. Volgens Euretco5 diende die koopprijs nader op € 500.000, te worden bepaald.6

1.6

Bij brief van 18 maart 2005 heeft IMG aan [betrokkene 1] meegedeeld dat zij er rekening mee dient te houden “dat het bestuur ertoe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [verweerster]”

1.7

Bij brief van 20 juli 2005 heeft IMG het lidmaatschap van [verweerster] met onmiddellijke ingang opgezegd met als reden “(…) dat van ons als vereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd het lidmaatschap langer te laten voortduren (…)” IMG voerde vier gronden aan die volgens haar zowel ieder voor zich als gezamenlijk tot dat standpunt leidden, te weten:

(1) dat zij had vernomen dat [verweerster] lid van een andere inkoopgroep zou worden;

(2) dat [betrokkene 1] bonusbetalingen in MKB BV had gelaten die volgens IMG aan leden van IMG hadden moeten worden uitgekeerd;

(3) dat dientengevolge sprake was van een te hoog voorgestelde vermogenspositie van MKB BV;

(4) dat [betrokkene 1] zich ten koste van andere IMG leden had verrijkt met betalingen die in verband met de toewijzing van meubelverkooppunten aan IMG-leden waren bedongen.

1.8

[verweerster] heeft tegen de onder 1.7 genoemde opzegging bezwaar gemaakt en daartegen op de in de statuten voorgeschreven wijze beroep aangetekend. Dit beroep is door de ledenvergadering verworpen, naar [verweerster] bij brief van 17 oktober 2005 door IMG is meegedeeld.

1.9

[verweerster] heeft zich niet in rechte op vernietigbaarheid van het besluit tot opzegging als voorzien in art. 2:15 BW beroepen.

1.10

Tussen Euretco en [A] is een arbitrageprocedure gevoerd over de vraag of ten onrechte bonusbetalingen binnen MKB BV zijn gehouden die tot een groter eigen vermogen van MKB BV in de jaarrekening over 2003 heeft geleid en daarmee tot een (onterechte en te corrigeren) hogere waardering van de door [A] aan Euretco verkochte aandelen.

1.11

Bij eindvonnis van 11 februari 2013 hebben de arbiters het verzoek van Euretco om aanpassing van de koopsom voor de aandelen afgewezen.

1.12

De discussie tussen Euretco en [A] over het al dan niet juist zijn van de koopprijs voor de aandelen is eveneens onderwerp van discussie geweest in een procedure tussen hen waarin Euretco zich met een beroep op de volgens haar te corrigeren waarde van de aandelen op opschorting van haar betalingsverplichtingen (aflossingen op een door [A] aan Euretco verstrekte lening ter hoogte van de koopprijs) heeft beroepen. In zijn arrest van 5 november 2013 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden, gezien de uitspraak in de arbitrageprocedure, het zojuist genoemde beroep van Euretco verworpen en de in die procedure door [A] gevorderde verklaring voor recht toegewezen.

2 Procesverloop

2.1

Na wijziging van eis in eerste aanleg heeft [verweerster]7 een verklaring voor recht gevorderd houdende dat de opzegging van het lidmaatschap d.d. 20 juli 2005 door IMG ongeldig en onrechtmatig is jegens [verweerster] en dat IMG aansprakelijk is voor alle schade, nader is op te maken bij staat, die [verweerster] dientengevolge heeft geleden, zulks met nevenvorderingen.8

2.2.1

In ’s Hofs weergave heeft de Rechtbank Breda de gevorderde verklaring voor recht in haar tussenvonnis van 29 juli 2009 “als tweeledig beschouwd” in die zin dat (i) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van het lidmaatschap ongeldig was en (ii) een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de opzegging van 20 juli 2005 jegens [verweerster] onrechtmatig was. Volgens de Rechtbank houdt eerstgenoemde vordering materieel een beroep op de vernietigbaarheid van het besluit als bedoeld in art. 2:15 BW in en moet zij worden afgewezen omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW een vordering tot vernietiging van het besluit heeft ingesteld.9

2.2.2

De Rechtbank overwoog, in ’s Hofs samenvatting, voorts dat zij de tweede vordering aldus begreep dat [verweerster] stelde dat de opzegging onrechtmatig was omdat de gehanteerde opzeggingsgronden onjuist en ongefundeerd waren dan wel de beëindiging van het lidmaatschap redelijkerwijs niet konden dragen. Zij oordeelde dat de opzeggingsgronden 1 en 4 de opzegging inderdaad niet konden dragen. Het oordeel over de opzeggingsgronden 2 en 3 is aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch in het op dat moment aanhangige hoger beroep in het geschil tussen [A] en Euretco betreffende de betalingsverplichtingen van Euretco voor de door [A] aan Euretco overgedragen aandelen MKB BV.10

2.2.3

In haar eindvonnis van 18 december 2013 overwoog de Rechtbank, nog steeds in ’s Hofs samenvatting, dat, nu door [verweerster] niet de nietigheid van het opzeggingsbesluit is ingeroepen, van de rechtmatigheid van dat besluit moet worden uitgegaan en dat voor een toetsing van de rechtmatigheid van dat besluit alsnog op de voet van onrechtmatige daad geen plaats was. Daarom achtte de Rechtbank ook de tweede vordering niet toewijsbaar. Zij overwoog dat [verweerster] zich voor de gestelde onrechtmatigheid van de opzegging alleen had beroepen op het voor het opzeggingsbesluit gehanteerd zijn van onjuiste en ongefundeerde redenen. Uit de wetsgeschiedenis bij art. 2:8 BW blijkt weliswaar dat een beroep op dat artikel ook mogelijk is ten aanzien van besluiten waarvan de vernietiging had kunnen worden gevorderd maar die door het verstrijken van de vervaltermijn onherroepelijk zijn geworden, doch dan moet wel sprake zijn van bijkomende omstandigheden die maken dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens de Rechtbank zijn zodanige bijkomende omstandigheden onvoldoende gesteld en is niet gebleken dat IMG, rekening houdend met alle betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het opzeggingsbesluit van 20 juli 2005 heeft kunnen komen. De Rechtbank heeft de vorderingen van [verweerster] daarom afgewezen.11

2.3

[verweerster] is van het eindvonnis van 18 december 2013 bij het Hof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep is slechts gericht tegen de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van 20 juli 2005 jegens [verweerster] onrechtmatig was.12 Na aanvulling van haar in de appeldagvaarding geformuleerde eis heeft [verweerster] gevorderd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- voor recht zal verklaren dat IMG zich jegens [verweerster] onrechtmatig, althans onzorgvuldig heeft gedragen, althans niet heeft gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, door haar lidmaatschap van IMG per 20 juli 2005 met onmiddellijke ingang op te zeggen en bij die opzegging te volharden;

- IMG zal veroordelen tot vergoeding van alle schade, nader op te maken bij staat, die [verweerster] dientengevolge heeft geleden;

- IMG zal veroordelen tot terugbetaling aan [verweerster] van hetgeen [verweerster] ter uitvoering van dat vonnis aan IMG heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling,

een en ander met nevenvorderingen.13

2.4

In zijn arrest van 27 januari 201514 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende voor recht verklaard dat IMG door de opzegging op 20 juli 2005 van het lidmaatschap van [verweerster] “met onmiddellijke ingang onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld” en IMG veroordeeld tot vergoeding van de nader bij staat op te maken schade die [verweerster] dientengevolge heeft geleden. Daarnaast is IMG veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [verweerster] ingevolge het vernietigde vonnis aan haar heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van die betaling tot de dag van terugbetaling. Het meer of anders door [verweerster] gevorderde is afgewezen. De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor zover in cassatie van belang, heeft het Hof als volgt overwogen:

“3.4.1. In grief III bestrijdt [verweerster] zowel het oordeel van de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op art. 2:8 lid 2 bijkomende omstandigheden vereist zijn die meebrengen dat toepassing van het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als het oordeel van de rechtbank dat door [verweerster] onvoldoende rechtens relevante omstandigheden voor de toepasselijkheid van art. 2:8 lid 2 zijn gesteld. [verweerster] heeft de volgens haar relevante omstandigheden herhaald en stelt dat IMG zich jegens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op het opzeggingsbesluit kan (lees:) beroepen omdat: (a) dit besluit is genomen teneinde te bewerkstelligen dat [A] genoegen zou nemen met een koopprijs van € 500.000,= voor de 60% aandelen van [A] in MKB B.V. in plaats van met de overeengekomen € 2.700.000,=, (b) voorzitter [betrokkene 2] van IMG een persoonlijk belang had bij beëindiging van het lidmaatschap van [verweerster], (c) (d) en (e) [verweerster] door de opzegging in ernstige mate werd benadeeld omdat zij in een verregaande afhankelijkheidsverhouding tot IMG was komen te verkeren, haar bedrijfsruimte geheel naar de formule van IMG had ingericht en door de - door IMG direct aan alle leveranciers kenbaar gemaakte opzegging - van de ene dag op van de andere haar voorraden moest afstoten, haar bedrijfsruimtes moest aanpassen en niet meer voor naleveringen kon zorgen, zulks terwijl in Nederland geen vergelijkbare inkooporganisaties bestonden die voor [verweerster] de plaats van IMG konden innemen.

3.4.2.

Deze grief slaagt in zoverre dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel tot invoering van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW en de daarmee samenhangende invoering van art. 2:8 lid 2 BW op de vraag, of voor toepassing van het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW om te bereiken dat een besluit jegens een bij een rechtspersoon betrokkene die niet tijdig een initiatief tot vernietiging heeft genomen buiten beschouwing wordt gelaten, sprake zou moeten zijn van bijzondere omstandigheden, is geantwoord dat art. 2:8 lid 2 BW zelf al vereisten stelt die een lichtvaardig beroep op die bepaling uitsluiten.

3.4.3.

De vraag òf [verweerster] al dan niet voldoende omstandigheden heeft gesteld voor een terecht beroep op art. 2:8 lid 2 BW is echter in zoverre niet relevant dat [verweerster] naar het oordeel van het hof met een beroep op het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW niet kan bewerkstelligen dat zij ondanks het niet vernietigd zijn van het besluit vergoeding van schade kan vorderen als ware sprake van een (ver)nietig(d)e opzegging. Met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW kan een bij de rechtspersoon betrokkene slechts bewerkstelligen dat een krachtens het besluit geldende regel ondanks de rechtskracht van het besluit jegens hem buiten toepassing wordt gelaten. Het hof verwijst naar de memorie van toelichting bij het betreffende wetsartikel: “Art 2:8 lid 2 bevat een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het stemt wat dit betreft overeen met de leden 2 van art. 6:2 en 6:248. Het is vooral van belang omdat art. 2:15, anders dan art. 11 (oud), niet de mogelijkheid kent van een beroep op vernietigbaarheid van een onbillijk werkend besluit bij wijze van verweer (....)” (MvT, Kamerstukken II 17 725, nr. 1-3, p. 58).

3.4.4.

Het voorgaande laat onverlet dat een opzegging ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit daartoe in strijd met het bepaalde in art 2:8 lid 1 BW c.q. onrechtmatig kan zijn. Nu [verweerster] met haar hoger beroep gewijzigde vordering een verklaring voor recht vordert van de onrechtmatigheid van de opzegging met onmiddellijke ingang en vergoeding van de dientengevolge geleden schade, zijn de door [verweerster] in de toelichting op grief III opgesomde feiten en omstandigheden wel relevant voor die vordering.

3.4.5.

Naar het oordeel van het hof stelt [verweerster] terecht dat zij voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd voor haar stelling dat IMG met de abrupte beëindiging van het lidmaatschap van [verweerster] in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zo heeft [verweerster] gesteld dat voor IMG bij de opzegging van het lidmaatschap van [verweerster] (mede) andere motieven hebben voorgezeten dan de in het besluit tot opzegging aangegeven gronden. Het hof is met [verweerster] van mening dat de inhoud van de brief van IMG aan [betrokkene 1] (prod. 9 concl. na comparitie [verweerster]) daarvan blijk geeft. De zinsnede in die brief: “Daarnaast dient u er rekening mee te honden, dat het bestuur er toe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [verweerster]” - in welke zinsnede wordt gedoeld op de discussie tussen [A] en Euretco over de koopprijs voor de door [A] overgedragen 60% van de aandelen MKB BV - laat daarover geen twijfel bestaan. In het licht van voormelde productie heeft IMG haar betwisting van die andere motieven onvoldoende gemotiveerd betwist.

3.4.6.

[verweerster] heeft eveneens voldoende onderbouwd gesteld dat de opzegging van het lidmaatschap van IMG voor haar aanzienlijke consequenties had, onder meer omdat zij zich jarenlang had toegelegd op de verkoop van via IMG en Euretco ingekochte meubelen van merken die zij alleen als lid van IMG in haar assortiment kon voeren. Het hof acht die stelling door IMG niet (voldoende) gemotiveerd betwist. Voorts acht het hof het aannemelijk dat de beëindiging van het lidmaatschap per direct voor [verweerster] de impact van die consequenties heeft vergroot. Het hof is met [verweerster] van oordeel dat, mede gelet op de lange duur van het lidmaatschap van [verweerster] en de actieve betekenis die [betrokkene 1] binnen IMG heeft gehad, IMG in de abrupte beëindiging van het lidmaatschap van [verweerster] een handelen in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig handelen jegens [verweerster] moet worden verweten. Naar het oordeel van het hof had IMG [verweerster] minst genomen een termijn van een halfjaar behoren te gunnen voor de overgang naar een situatie waarin zij haar onderneming niet meer onder het verband van IMG kon voeren. Het hof acht het aannemelijk dat [verweerster] dientengevolge mogelijk schade heeft geleden.

3.4.7.

Gezien voorgaande rechtsoverwegingen faalt grief III voor zover deze is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van een beroep van [verweerster] op het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW maar treft deze grief ten aanzien van de nadere vordering van [verweerster] in hoger beroep doel voor zover [verweerster] zich in de toelichting op die grief beroept op feiten en omstandigheden die tot toewijzing van die vordering leiden en voor zover de grief daarmee impliciet gericht is tegen het oordeel van de rechtbank aan het slot van r.o. 2.12, dat [verweerster] ‘haar stelling dat IMG in strijd met art. 2:8 BW heeft gehandeld althans onrechtmatig heeft gehandeld, dan ook onvoldoende feitelijk (heeft) onderbouwd’. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de in hoger beroep gewijzigde vordering II toewijzen als in het dictum nader aan te geven.

3.5.1.

Uit het gedeeltelijk slagen van grief III vloeit voort dat ook grief IV, die is gericht tegen de veroordeling van [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, doel treft. Nu beide partijen op enig onderdeel in het ongelijk zijn gesteld (tegen de afwijzing van vordering I is geen grief gericht en vordering II wordt alsnog toegewezen ten behoeve van slechts een deel van de door [verweerster] gevorderde schade), zullen de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen in die zin worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.5.2.

Gezien de in hoger beroep andersluidende beslissing ten aanzien van de proceskosten van de eerste aanleg, is de vordering van [verweerster] tot terugbetaling van hetgeen zij ingevolge het vonnis in eerste aanleg aan IMG heeft voldaan toewijsbaar.

3.5.3.

Ook in hoger beroep zijn partijen over en weer op enig punt in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten van het hoger beroep eveneens tussen partijen zullen worden gecompenseerd.”

2.5

IMG heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en op haar beurt deels voorwaardelijk, deels onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. IMG heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Vervolgens is nog gere- en gedupliceerd.

3 Inleiding

3.1

Deze procedure roept talloze vragen op. In cassatie komen de meeste niet aan de orde. Om de zaak niet onnodig te compliceren, ga ik daarop niet in. Maar het leek me wel noodzakelijk om erop te wijzen omdat mogelijk ook argeloze lezers van deze conclusie zich de vraag zullen stellen – kort gezegd – hoe het zo gekomen is.

3.2

Ook los van niet aan de orde gestelde kwesties roept ’s Hofs arrest vragen op. Ten dele worden deze door de klachten aangeroerd.

4 Bespreking van de principale klachten

4.1

Onderdeel 1.1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat het enkele feit dat een (opzeggings)besluit jegens een lid van een vereniging in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW nog niet zonder meer meebrengt dat die vereniging ook onrechtmatig jegens dat lid heeft gehandeld. Dat het besluit in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW vormt ten hoogste een omstandigheid die bij de beoordeling van de onrechtmatigheid relevant is.

4.2.1

Anders dan IMG meent, heeft het Hof m.i. geen oordeel als vermeld onder 4.1 geveld. Dat blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.4.4. Of een op onrechtmatige daad gestoelde vordering in een geval als het onderhavige met vrucht kan worden ingesteld, hangt in ’s Hofs visie kennelijk af van de omstandigheden van het geval; dit wordt met name uitgewerkt in rov. 3.4.5 en vooral15 rov. 3.4.6.16 De inleiding op het onderdeel (1.0) wijst trouwens zelf op een reeks door het Hof verdisconteerde omstandigheden.

4.2.2

IMG kan intussen worden toegegeven dat rov. 3.4.5 eerste volzin anders doet vermoeden.

4.3

Onderdeel 1.2 verwijt het Hof in ieder geval te hebben miskend dat een door een vereniging jegens een lid genomen (opzeggings)besluit dat - naar Rechtbank en Hof in casu hebben vastgesteld en in cassatie dus tot uitgangspunt dient - niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW door dat lid krachtens een vordering tot vernietiging (wegens strijd met art. 2:8 lid 1 BW) is bestreden jegens haar voor geldig moet worden gehouden en daarom niet - althans niet enkel - wegens strijd met art. 2:8 lid 1 BW voor een onrechtmatig daad jegens dat lid kan worden gehouden.

4.4

Deze klacht strandt op dezelfde klip als onderdeel 1.1. Zoals onder 4.2.1 reeds vermeld, is ’s Hofs oordeel, n’en déplaise de ongelukkige formulering van rov. 3.4.5, niet gegrond op de “enkele omstandigheid” dat sprake is van een met art. 2:8 BW strijdig besluit.

4.5

Ten overvloede: uit het arrest Tuin Holding/X17 volgt dat de norm van art. 2:8 BW betrokken dient te worden bij de beoordeling of van een onrechtmatige daad sprake is.18 De vraag of de enkele schending van art. 2:8 BW voldoende is, ook wanneer tegen het desbetreffende besluit niet tijdig is opgekomen, kan blijven rusten omdat het Hof zijn oordeel niet op die enkele schending baseert.

4.6 (

Ook) de onderdelen 1.3, 1.4 en 1.7 kanten zich tegen rov. 3.4.4-3.4.6; voor onderdeel 1.7 is niet helemaal duidelijk tegen welke rechtsoverweging(en) het is gericht. Ze berusten op de onjuiste veronderstelling dat ’s Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat de uitvoering van het opzeggingsbesluit in strijd was met art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig is. ’s Hofs oordeel ziet niet op de uitvoering van het opzeggingsbesluit, maar op het opzeggingsbesluit zelf.19 Deze klachten ontberen dus feitelijke grondslag.

4.7

De onderdelen 1.5 en 1.6 voeren aan - kort gezegd - dat het Hof door zijn oordeel te baseren op art. 2:8 lid 1 BW20 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven. [verweerster] heeft zich volgens IMG in hoger beroep enkel op het standpunt gesteld dat het opzeggingsbesluit onrechtmatig is, omdat gehoudenheid daaraan op grond van art. 2:8 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.8

Volgens het Hof ligt met de in hoger beroep gewijzigde vordering de vraag voor of de opzegging, ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit, in strijd met het bepaalde van art. 2:8 lid 1 BW c.q. onrechtmatig kan zijn (rov. 3.4.4). Het Hof neemt verder aan dat grief III impliciet ook is gericht tegen het ruim geformuleerde oordeel van de Rechtbank aan het slot van rov. 2.12 dat [verweerster] “haar stelling dat IMG in strijd met art. 2:8 BW heeft gehandeld althans onrechtmatig heeft gehandeld, dan ook onvoldoende feitelijk (heeft) onderbouwd” (rov. 3.4.7).

4.9

Deze klachten zijn geen beter lot beschoren dan de eerdere behandelde omdat ze opnieuw zijn gebaseerd op de, zoals hiervoor uiteengezet, onjuiste gedachte dat ’s Hofs oordeel over de onrechtmatigheid alleen is gebaseerd op (strijd met) art. 2:8 BW.

4.10.1

Ten overvloede: in de memorie van grieven memoreert (o.m.) [verweerster] dat in prima een procesafspraak is gemaakt dat de opzegging onrechtmatig was en dat daartoe de aan de opzegging ten grondslag gelegde gronden moeten worden beoordeeld (onder 1.5 en 1.6). Uit hetgeen daarop volgt blijkt duidelijk dat (o.m.) [verweerster] wenst dat de onrechtmatigheid van de opzegging wordt beoordeeld. Dat blijkt ook uit grief I.

4.10.2

De bijkomende omstandigheden waarop ’s Hofs oordeel is gebaseerd worden in de toelichting op grief III ten tonele gevoerd, met name onder a, b, c, d en e zomede p. 12 laatste alinea.

4.11

IMG kan worden toegegeven dat grief III (vooral) is gesteld in de sleutel van art. 2:8 lid 2 BW, welke bepaling een en andermaal wordt genoemd. Het is inderdaad aan twijfel onderhevig of alleen uit (de toelichting op) grief III de conclusie kan worden getrokken die het Hof in zijn bestreden oordeel heeft getrokken.

4.12

M.i. is niet onverdedigbaar dat het Hof uit de enigszins warrige toelichting op grief III en de daarin voorkomende krachttermen heeft kunnen afleiden dat [verweerster] mede het oog had op de grondslag onrechtmatige daad. Het is m.i. lood om oud ijzer om drie zelfstandige redenen:

a) in het licht van de memorie in zijn geheel, met name ook hetgeen hiervoor onder 4.10 werd vermeld, heeft het Hof die conclusie m.i. kunnen trekken;

b) ware dat al anders, dan kan de verwijzingsrechter tot dezelfde slotsom komen op basis van de onder a bedoelde uiteenzettingen;

c) het Hof had de vrijheid (zoal niet de plicht) om de rechtsgronden aan te vullen. Er is geen reden aan te nemen dat [verweerster] haar vordering alleen beoordeeld wilde zien op de voet van art. 2:8 lid 2 BW, wat andermaal blijkt uit het hierboven onder 4.10 weergegevene.

4.13

Voor zover de hier besproken klachten zo moeten worden begrepen dat zij het Hof niet verwijten de vordering op de grondslag van onrechtmatige daad te hebben beoordeeld, maar slechts dat het deze vordering op meer dan alleen de opzeggingsgronden heeft beoordeeld, falen ze eveneens omdat het Hof de onder 4.10.2 vermelde omstandigheden kennelijk en niet onbegrijpelijk mede heeft beschouwd als stellingen die in de ogen van [verweerster] de pretense onrechtmatigheid schraagden,

4.14

Voor zover onderdeel 1.6 tot uitdrukking wil brengen dat het Hof in de stellingen van [verweerster] geen koppeling met art. 2:8 lid 1 BW heeft kunnen lezen, wordt eraan voorbijgezien dat uit de mva onder 32 valt op te maken dat IMG (voldoende) duidelijk was dat die koppeling wél werd gelegd.

4.15

Onderdeel 2.0 behelst een inleiding die annonceert dat de vervolgklachten opkomen tegen rov. 3.4.5.

4.16

Volgens onderdeel 2.1 zou het Hof stelplicht en bewijslast hebben miskend. Het onderdeel geeft niet aan waar het Hof dat zou hebben gedaan en het is ook niet in te zien.21 Voor zover deze klacht al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. mist zij feitelijke grondslag.

4.17

De onderdelen 2.2 – 2.4 komen er naar de kennelijke strekking – kort samengevat – op neer dat het Hof onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verschillende opzeggingsgronden.

4.18

De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 29 juli 2009 overwogen dat de hiervoor onder 1.7 weergegeven, door IMG gehanteerde opzeggingsgronden (1) en (4) de opzegging niet kunnen dragen (rov. 3.11 en 3.12). Een oordeel over de beide andere opzeggingsgronden heeft de Rechtbank niet gegeven. In haar eindvonnis van 18 december 2013 is de Rechtbank tot het oordeel gekomen dat de vorderingen van [verweerster] moeten worden afgewezen. Begrijpelijkerwijs is alleen [verweerster] van dat oordeel in hoger beroep gekomen. De devolutieve werking bracht evenwel mee dat de vraag of de door IMG aangevoerde opzeggingsgronden de opzegging konden dragen in volle omvang voorlag. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de geïntimeerde die in het dictum van het vonnis van de eerste rechter in het gelijk is gesteld, de stellingen die hij in dit verband in eerste instantie had verdedigd, maar die door de eerste rechter buiten behandeling zijn gelaten of verworpen, niet opnieuw door een incidenteel appel aan het oordeel van de appelrechter behoeft te onderwerpen. Zodra één of meer grieven doel treffen en op zichzelf tot vernietiging van het bestreden vonnis moeten leiden, moeten de niet prijsgegeven stellingen die geïntimeerde in dit verband in eerste instantie heeft verdedigd alsnog, dan wel wederom worden beoordeeld.22

4.19

Het Hof had de aangevoerde opzeggingsgronden dus uitdrukkelijk in zijn beoordeling moeten betrekken. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof dit heeft gedaan.23 Als de opzegging gedragen kan worden door één of meer van deze opzeggingsgronden, kan de omstandigheid dat zij abrupt was en dat andere motieven daarbij ook een rol hebben gespeeld niet, of in elk geval niet zonder meer, de door het Hof getrokken slotsom rechtvaardigen dat de abrupte beëindiging van het lidmaatschap van [verweerster] in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig was. Dat brengt mee dat de onderdelen 2.2, 2.3 en 2.4 slagen.

4.20

Anders dan onderdeel 2.5 meent, heeft het Hof in rov. 3.1.1 onder c niet geoordeeld dat [verweerster] volgens opzeggingsgrond (1) nog geen lid was van Masterclass. Evenmin heeft het Hof geoordeeld dat de aangedragen opzeggingsgronden in het licht van de 18 maart-brief ongeloofwaardig waren (onderdeel 2.6).

4.21

Met het gedeeltelijk slagen van het tweede onderdeel draagt ook onderdeel 3 vrucht.

4.22

Voor zover de s.t. van IMG nog één of meer andere klachten postuleert, blijven deze onbesproken omdat het onderdeel daarop niet inhaakt.24

5 Behandeling van de incidentele klachten

5.1

Het incidenteel cassatieberoep is opgebouwd uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel (genummerd 2.1 - 3) is gericht tegen rov. 3.4.3; het wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep op één of meer onderdelen slaagt. Aan die voorwaarde is m.i. voldaan.

5.2

Onder 2.1 klaagt [verweerster] - kort gezegd - dat het Hof heeft miskend dat indien het opzeggingsbesluit in verband met het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing wordt gelaten IMG haar verplichtingen jegens [verweerster] had dienen na te komen zo lang geen (rechtsgeldige) opzegging had plaatsgevonden en dat IMG derhalve gehouden is de door [verweerster] geleden schade te vergoeden wegens het toerekenbaar niet nakomen van die verplichtingen.

5.3

Als ik het goed begrijp dan strekt de klacht, mede in het licht van de s.t. onder 5.1.1, ten betoge dat IMG geen toepassing mag geven aan de opzegging zo lang niet rechtsgeldig is opgezegd. Of, anders gezegd, dat [verweerster] tot dat tijdstip moet worden behandeld als ware zij nog lid.

5.4

Wat er zij van rov. 3.4.3, de klacht is tot mislukken gedoemd omdat na een eventuele verwijzing geen oordeel als door het onderdeel gepropageerd zou mogen worden geveld. Immers gaat hetgeen het Hof in de visie van [verweerster] had moeten oordelen buiten de vordering in appel, zoals in cassatie niet bestreden door het Hof in rov. 3.2 samengevat, om. Die vordering scharniert geheel en uitsluitend om beweerdelijk onrechtmatig handelen en de dientengevolge geleden schade.25

5.5

De klacht onder 2.2 mist zelfstandige betekenis en moet het lot van haar voorganger delen.

5.6

De klacht onder 3.1 (hetgeen daaraan voorafgaat behelst een inleiding) is gekant tegen rov. 3.4.5; zij wordt onvoorwaardelijk voorgesteld. [verweerster] voert aan dat in rov. 3.4.5 besloten ligt dat IMG misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid, omdat zij deze bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. In het licht daarvan zou onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt onbegrijpelijk zijn dat het Hof in rov. 3.4.6 vervolgens heeft beslist dat de opzegging van het lidmaatschap klaarblijkelijk wel toelaatbaar is met inachtneming van een termijn van tenminste een half jaar voor de overgang naar een situatie waarin [verweerster] haar onderneming niet meer onder het verband van IMG kan voeren. De klacht waaiert uit in een aantal subklachten die m.i. niet veel toevoegen.

5.7

Ik kan in rov. 3.4.5 niet lezen dat het Hof zou hebben geoordeeld dat sprake zou zijn van “misbruik van bevoegdheid”, daargelaten of het uitgaande van hetgeen het onderdeel aanvoert niet veeleer zou gaan om détournement de pouvoir (aanwending van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven) en of dat laatste er rechtens toe zou doen. Het Hof heeft niet meer of anders geoordeeld dan dat bij de opzegging van het lidmaatschap “(mede) andere motieven hebben voorgezeten”. Uit het arrest valt zeker niet af te leiden dat het Hof hierin alleen voldoende grond heeft gezien voor zijn onrechtmatigheidsoordeel. Integendeel: de meest voor de hand liggende lezing van het arrest is dat het Hof de onrechtmatigheid zoekt in een combinatie van de in rov. 3.4.5 en 3.4.6 genoemde factoren; blijkens het dictum ligt het zwaartepunt kennelijk bij rov. 3.4.6. Hierin vindt het onderdeel zijn Waterloo.

5.8

Er is nog een tweede en zelfstandige grond waarom de klacht mislukt. Het Hof spreekt van een termijn van “minstgenomen (..) een half jaar”. Het endosseert daarmee aan de rechter in de schadestaatprocedure om de precieze lengte te bepalen.

5.9

Onder 3.2 wordt ’s Hofs oordeel aan de kaak gesteld omdat het Hof zou hebben miskend dat de genoemde termijn van een half jaar in het licht van een aantal door [verweerster] opgesomde omstandigheden niet zonder meer toereikend is en het zeer wel denkbaar is dat de opzegtermijn aanzienlijk langer moet zijn.

5.10

Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen omdat zij ontoelaatbaar vaag is (zij blijft steken in de opmerking dat de termijn niet zonder meer toereikend is en dat het zeer wel denkbaar is dat de termijn langer moet zijn); zij doet geen beroep op nuttige stellingen die het Hof enig aanknopingspunt boden voor een ander oordeel. Een partij die zelf geen enkel concreet inzicht biedt in de beweerde schade en die zelfs geen bewijsaanbod doet (in elk geval wordt daarop geen beroep gedaan) kan zich er moeilijk over beklagen dat de rechter met zijn handen in het haar zit. Een rechter moet dan een knoop doorhakken.26 Bovendien miskent het onderdeel andermaal hetgeen onder 5.8 werd opgemerkt.

5.11

In het kielzog van het voorafgaande mislukt de klacht dat het Hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven door, zonder dat partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten, uit te gaan van een opzegtermijn van (minimaal) een half jaar.

5.12

Onder 3.3 komt [verweerster] ten slotte op tegen rov. 3.4.6 voor zover zij inhoudt dat alleen de schade voor vergoeding in aanmerking komt die [verweerster] heeft geleden doordat niet tenminste een termijn van een half jaar in acht is genomen.

5.13

Deze klacht komt op tegen een niet gegeven oordeel. Een beperking als daarin verwoord is in het dictum niet te lezen.

5.14

Ten overvloede: met IMG27 komt het mij voor dat wanneer er van zou moeten worden uitgegaan dat de opzegtermijn zes maanden (of een andere periode) had moeten bedragen de rechtens relevante schade (in beginsel) niet groter kan zijn dan hetgeen [verweerster] als gevolg van de onrechtmatige opzegging in die periode aan winst heeft gederfd of aan extra kosten heeft gemaakt.28 Als ik goed zie dan beaamt mr. Scheltema dat in zijn “nota van dupliek” onder 12.

5.15

De bezemklacht onder 4 ontbeert zelfstandige betekenis en wordt meegezogen in de val van haar voorgangers.

Conclusie

Deze conclusie strekt:

* in het principale beroep tot vernietiging en verwijzing;

* in het incidentele beroep tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Voorheen vereniging Internationale Meubel Groep; blijkens de partijaanduiding van het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West Brabant van 18 december 2013 is deze verenging per 10 april 2009 omgezet in de in de hoofdtekst genoemde B.V.

2 Ontleend aan rov. 3.1.1 van het thans bestreden arrest.

3 Zie art. 4 lid 1 van de statuten van IMG. In het onderhavige geval lijkt [verweerster] de lidmaatschapsovereenkomst te zijn aangegaan met Euretco Wonen B.V. en Euretco Finance B.V. Zie in dit verband de als productie 4 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde aan [verweerster] gerichte opzeggingsbrief van deze beide vennootschappen. In het als productie 2 overgelegde lidmaatschapsdocument wordt gesproken van ‘Inkoopcombinatie “Nederland” B.V. en/of Samen Sterk Retailservices B.V. (hierna al of niet tezamen te noemen Euretco)’.

4 Uit het als productie 10 bij de conclusie van antwoord overgelegde due diligence rapport maak ik op dat Euretco Wonen B.V. aandeelhouder in MKB is.

5 Uit de als productie 9 bij conclusie na comparitie door [verweerster] overgelegde brief van 18 maart 2005 van IMG aan [betrokkene 1] en hetgeen in de nadere conclusie, tevens houdende wijziging van eis zijdens [verweerster], onder 6 wordt opgemerkt, lijkt te volgen dat het niet Euretco, maar IMG is die wilde dat de koopprijs nader op € 500.000 werd bepaald. In ieder geval heeft IMG in deze discussie een prominente rol gespeeld. Zie ook de nadere conclusie II van [verweerster] onder 2.1 en 2.2. Uit het als productie 15 bij deze nadere conclusie overgelegde vonnis in arbitrage van 11 februari 2013 volgt dat Euretco de koopprijs wilde laten bepalen op € 110.400.

6 Anders dan het Hof heb ik geprobeerd de feiten zoveel mogelijk chronologisch weer te geven. Uit de inhoud van de als productie 9 bij conclusie na comparitie door [verweerster] overgelegde brief van 18 maart 2005 van IMG aan [betrokkene 1] maak ik op dat de hier genoemde discussie van vóór die datum dateert. Het Hof maakt in rov. 3.1.1 onder f (en nadien onder h) in verband met deze discussie melding van een arbitrageprocedure tussen Euretco en [A]. Deze arbitrageprocedure is evenwel eerst op 23 november 2010 aangevangen - zie het tussenvonnis in arbitrage d.d. 19 mei 2011 onder ‘de procedure’, overgelegd als productie 12 bij genoemde nadere conclusie - en is hier verderop onder de vaststaande feiten opgenomen.

7 Aanvankelijk traden ook [betrokkene 1] en [A] B.V. als eisers op. Bij nadere conclusie, tevens houdende wijziging van eis hebben deze partijen hun vorderingen ingetrokken omdat zij niet zijn aan te merken als (opgezegd) lid van IMG en dus geen belang bij hun vorderingen hebben; zie rov. 2.3 van het eindvonnis van 18 december 2013.

8 Zie ’s Hofs weergave van de vordering van [verweerster] in rov. 3.1.2 van het bestreden arrest.

9 Zie ’s Hofs weergave van het oordeel van de Rechtbank in rov. 3.1.3 van het bestreden arrest.

10 Het betreft de hiervoor onder 1.12 genoemde procedure, waarin na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad door het Hof Arnhem-Leeuwarden arrest is gewezen.

11 Zie ’s Hofs weergave van het oordeel van de Rechtbank in rov. 3.1.5 van het bestreden arrest.

12 Zie de slotzin van rov. 3.1.3 van het bestreden arrest.

13 Zie rov. 3.2 van het bestreden arrest.

14 ECLI:NL:GHSHE:2015:228, JOR 2015/132, m.nt. C.J. Groffen.

15 Zie het dictum van ’s Hofs arrest.

16 In die zin ook de s.t. van mr. Scheltema onder 4.1.3.

17 HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, NJ 2007/256 J.M.M. Maeijer; OR 2007/68, m.nt. M.J. Kroeze rov. 3.6; uit het tussen haakjes geplaatste woordje “terecht” blijkt dat in deze rechtsoverweging ook een eigen oordeel van Uw Raad wordt gegeven.

18 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Timmerman voor het in noot 16 genoemde arrest onder 4.13 waar met instemming Van Schilgaarde wordt geciteerd en de annotatie van Maeijer. A-G Timmerman meent – een oordeel waarbij ik graag aansluit – dat “art. 2:8 BW (...) geen zelfstandige grondslag biedt voor een wettelijke schadevergoedingsverplichting”. In de literatuur wordt verschillend gedacht over het antwoord op de vraag of schending van de norm van art. 2:8 lid 1 BW moet worden aangemerkt als wanprestatie dan wel als een onrechtmatige daad. Zie Assink/Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, 2013, p. 198; J.B. Huizink, in GS Rechtspersonen, art. 2:8 BW, aant. 8. Zie voor de opvatting dat voor een vordering uit onrechtmatige daad als regel geen ruimte meer zal zijn Raaijmakers onder HR 17 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0242, AA-40 (1991), II, 1013 onder 5; m.i. kan uit dat laatste arrest die conclusie evenwel niet worden getrokken; zie met name de vierde alinea van rov. 3.2.

19 Wederom: eender de s.t. van mr. Scheltema onder 4.1.6 en 4.1.11.

20 Ter zijde, in haar nota van dupliek onder 1 tot en met 5 lijkt [verweerster] te veronderstellen dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op art. 2:8 lid 2 BW. Dat is niet juist.

21 Met de s.t. van IMG acht ik de onder 4.2.2 vermelde lezing van ’s Hofs arrest te artificieel.

22 Onder veel meer HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514, NJ 2012/583, m.nt. H.B. Krans; JIN 2012/102, m.nt. M.A.J.G. Janssen rov. 3.3.2.

23 Hetgeen de s.t. van [verweerster] hiertegen onder 4.2.5 en 4.2.8 inbrengt, is m.i. teveel gebaseerd op wishful thinking. hoe creatief het betoog ook is.

24 Dat geldt met name voor de s.t. onder 4.3.1 met verdere uitwerking in hetgeen daarop volgt.

25 IMG heeft de vordering ook in die zin verstaan, getuige hetgeen is opgemerkt in de pleitnota ten behoeve van het op 6 januari 2015 gehouden pleidooi onder 19 in fine. In vergelijkbare zin de s.t. van mrs. Fruytier en Knigge onder 5.1.2.

26 Zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai rov. 3.6.2.

27 S.t. onder 5.4.3.

28 Over de lengte van die termijn onthoud ik me van een eigen oordeel; het vellen daarvan ligt, ingeval van vernietiging, op de weg van de feitenrechter als hij aan deze vraag toekomt.