Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:747

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
15/03182
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2058, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag. OM-cassatie en cassatieberoep vd. Art. 359.2 Sv, uos. Falende klacht m.b.t. een door het OM naar voren gebracht uos ertoe strekkende dat het hof heeft verzuimd i.h.b. de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het standpunt inzake de voorbedachte raad, althans een onjuiste maatstaf m.b.t. de voorbedachte raad heeft aangelegd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963 m.b.t. het bewijs van voorbedachte raad en uit ECLI:NL:HR:2006:AV8527 m.b.t. de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. CAG: anders. Middelen van de vd: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02279.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03182

Zitting: 7 juni 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 8 mei 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van poging tot doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 60.253,51 hoofdelijk toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals in het arrest is vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 15/02279. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Beoordeling van de omvang en de ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde cassatieberoep

3.1. Namens de verdachte heeft Mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.2. Het aanvankelijk onbeperkt ingestelde cassatieberoep van verdachte is bij akte van 1 oktober 2015 partieel ingetrokken ‘ten aanzien van de vrijspraak en de beslissingen ten aanzien van het eerste feit op de tenlastelegging en/of het primair ten laste gelegde feit, namelijk de poging tot moord onder parketnummer 21/003841-13, alsmede ten aanzien van de overige onder dat parketnummer tenlastegelegde feiten waarvoor een vrijspraak is gevolgd en alle beslissingen hieromtrent”.

3.3. Partieel cassatieberoep is mogelijk, aldus art. 429 Sv, maar daarbij hanteert de Hoge Raad zekere grenzen. Zo mag het cassatieberoep in zaken met, kort gezegd, een primaire en subsidiaire tenlastelegging waarin de verdachte is veroordeeld ter zake van het subsidiair tenlastegelegde met (bijvoorbeeld) vrijspraak van het primair tenlastegelegde, worden beperkt tot die veroordeling.1 Gelet hierop is de door de raadsman aangebrachte beperking van de omvang van het cassatieberoep voor zover deze is gericht tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit toelaatbaar2 zodat het cassatieberoep van de verdachte zich niet uitstrekt tot de vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot moord.

3.4. Over de beperking van de omvang van het cassatieberoep, zoals deze voor het overige volgt uit de akte, te weten “ten aanzien van de overige onder dat parketnummer tenlastegelegde feiten waarvoor een vrijspraak is gevolgd” het volgende. Het lijkt mij dat de raadsman hier kennelijk doelt op de feiten, die als derde en vierde feit - net als de eerste twee feiten onderling gescheiden door “en/of” – in de dagvaarding zijn opgenomen.3 Het betreft als derde feit zware mishandeling (al dan niet met voorbedachte raad) en als vierde feit de poging daartoe. Die feiten dienen mijns inziens in dit verband als subsidiaire onderdelen van de tenlastelegging te worden aangemerkt: het betreft (steeds) hetzelfde feitelijke substraat, maar dan voorzien van een minder zware juridische kwalificatie. Voor zover het hof deze feiten bij de opname van de bewezenverklaring uit de tenlastelegging heeft ‘weggestreept’ strookt dat niet helemaal met dat uitgangspunt, maar uit het arrest blijkt voor het overige – en dat bevestigt de aanname dat het in wezen subsidiairen betreft - dat het hof bij zijn oordeel over de tenlastelegging aan dat derde en vierde feit niet is toegekomen, omdat het is ‘blijven steken’ bij een bewezenverklaring van het tweede feit. Welnu, ten aanzien van subsidiaire feiten geldt – zie het onder voetnoot 1 genoemde arrest – dat deze niet van het cassatieberoep kunnen worden uitgesloten door middel van een beperking van het beroep. Dat zou ook in strijd zijn met de achterliggende regel zoals de Hoge Raad die formuleert in het genoemde arrest: “in het algemeen moet worden vermeden dat de verwijzingsrechter als gevolg van het beperkte cassatieberoep niet meer in staat zou zijn het beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv in acht te nemen of anderszins niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan doen op het bestaande hoger beroep. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de Hoge Raad ontoelaatbaar. Nu in zoverre van een ontoelaatbare beperking sprake is, acht ik het – net als de Hoge Raad sinds enige tijd doet – het meest juist ervan uit te gaan dat de verdachte zonder die beperkingen zijn cassatieberoep wil doorzetten en dat aldus bij de beoordeling van de zaak in cassatie aan de bij akte aangebrachte, ontoelaatbare beperkingen ten aanzien van de omvang van het cassatieberoep zal worden voorbijgegaan.4

4. Namens het Openbaar Ministerie heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket, mr. M. van der Horst, één middel van cassatie voorgesteld.

5. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de relevante onderdelen van de bestreden uitspraak weer.

5.1. Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in/Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- heeft uitgenodigd om naar haar/een woning (aan de [a-straat 1] te Arnhem) te komen en/of [slachtoffer] naar die woning heeft gelokt en/of [slachtoffer] aldaar heeft opgewacht, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en/of in die woning was binnengelaten- meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd en/of naar een bosgebied te Rheden hebben/heeft vervoerd en/of [slachtoffer] aldaar op een (afgelegen) plek, zwaargewond en/of in hulpeloze toestand, hebben/heeft achtergelaten en/of [slachtoffer] (aldus) hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- heeft uitgenodigd om naar haar/een woning (aan de [a-straat 1] te Arnhem) te komen en/of [slachtoffer] naar die woning heeft gelokt en/of [slachtoffer] aldaar heeft opgewacht, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en/of in die woning was binnengelaten- meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd en/of naar een bosgebied te Rheden hebben/heeft vervoerd en/of [slachtoffer] aldaar op een (afgelegen) plek, zwaargewond en/of in hulpeloze toestand, hebben/heeft achtergelaten en/of [slachtoffer] (aldus) hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- hebben/heeft uitgenodigd om naar een woning (aan de [a-straat 1] te Arnhem) te komen en/of [slachtoffer] naar die woning hebben/heeft gelokt en/of [slachtoffer] aldaar hebben/heeft opgewacht en/of -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en/of in die woning was binnengelaten- meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd en/of naar een bosgebied te Rheden hebben/heeft vervoerd en/of [slachtoffer] aldaar op een (afgelegen) plek, zwaargewond en/of in hulpeloze toestand, hebben/heeft achtergelaten en/of [slachtoffer] (aldus) hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, naar een woning (aan de [a-straat 1] te Arnhem) is gegaan en/of aldaar [slachtoffer] heeft opgewacht (zulks terwijl [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- was uitgenodigd om naar die woning te komen en/of naar die woning was gelokt), waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en/of in die woning was binnengelaten- meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd en/of naar een bosgebied te Rheden hebben/heeft vervoerd en/of [slachtoffer] aldaar op een (afgelegen) plek, zwaargewond en/of in hulpeloze toestand, hebben/heeft achtergelaten en/of [slachtoffer] (aldus) hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s) opzettelijk, [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- heeft uitgenodigd om naar een woning aan de [a-straat 1] te Arnhem te komen en/of [slachtoffer] naar die woning heeft gelokt en/of [slachtoffer] aldaar heeft opgewacht, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en in die woning was binnengelaten- meermalen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd en naar een bosgebied te Rheden hebben/heeft vervoerd en [slachtoffer] aldaar op een afgelegen plek, zwaargewond en in hulpeloze toestand, hebben/heeft achtergelaten en [slachtoffer] (aldus) hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5.3. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. Voor het bewijs zijn gebezigd: de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 1, 4 en 10), de verklaring van de getuige [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2), de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 2] afgelegd bij de politie en het hof (bewijsmiddel 3, 6, 12 en 13), [betrokkene 4] (bewijsmiddel 5, 9 en 14) en [medeverdachte] (bewijsmiddel 7), de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten (bewijsmiddel 8, 15, 16 en 18), de verklaring van aangever [slachtoffer] (bewijsmiddel 11) en een geschrift zijnde de geneeskundige verklaring van arts F. Beije (bewijsmiddel 17).

5.4. Voorts houdt de bestreden uitspraak het volgende in:

“Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in de eerste plaats gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van poging tot moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). De advocaat-generaal heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad, in eendaadse samenloop begaan. In dit verband heeft de advocaat-generaal -kort gezegd- betoogd dat verdachte vooraf wist dat [slachtoffer] klappen zou krijgen. Vervolgens heeft verdachte in de woning van [medeverdachte] fors geweld op [slachtoffer] uitgeoefend. Het opzet en daarmee de voorgenomen daad van verdachte was gericht op het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer] . De wijze waarop het geweld werd uitgeoefend, levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op.

Daarmee kunnen de geweldshandelingen in de woning ook worden geduid als medeplegen van poging tot doodslag. Uiteindelijk werd [slachtoffer] -mede door verdachte- in zeer slechte fysieke toestand op een afgelegen locatie achtergelaten. Tussen het einde van de geweldpleging en het wegbrengen van de zichtbaar zwaargewonde [slachtoffer] heeft ongeveer één uur gezeten. Gelet op het voorgaande heeft verdachte zich ook als medepleger schuldig gemaakt aan een poging tot moord.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet bij het wegbrengen en achterlaten van [slachtoffer] in het bos aanwezig is geweest. Van een poging tot moord kan daarom geen sprake zijn. Verdachte heeft ook nimmer getracht om [slachtoffer] om het leven te brengen. De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] , inhoudende dat verdachte wel bij het achterlaten van [slachtoffer] in het bos aanwezig was, zijn niet betrouwbaar. Beiden zijn namelijk boos op verdachte omdat hij bij de politie hun namen heeft genoemd. Daarmee hebben zij een goede reden om in strijd met de waarheid te verklaren en verdachte te belasten. De door verdachte afgelegde verklaringen zijn niet strijdig met enig objectief bewijsmiddel in het dossier en moeten daarom voor waar worden aangenomen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte zich slechts schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige mishandeling. Dat is echter niet tenlastegelegd.

Van voorbedachte raad is geen sprake, nu uit niets blijkt dat er enig beraad is geweest over wat ‘een lesje leren’ zou inhouden.

Verdachte had geen opzet om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van medeplegen van zware mishandeling kan daarom ook niet worden gesproken. Verdachte heeft juist geprobeerd te verhinderen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 4] [slachtoffer] trapten. Er is daarom geen nauwe en bewuste samenwerking geweest.

Indien het hof van oordeel is dat de klappen van verdachte zwaar lichamelijk letsel hebben veroorzaakt of dat de door [betrokkene 2] en [betrokkene 4] gegeven klappen en/of trappen tevens aan verdachte zijn toe te schrijven, dan kan verdachte slechts worden veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling, nu opzet op de dood van [slachtoffer] niet bewezen kan worden geacht.

Oordeel hof

Het hof geeft hieronder eerst de gang van zaken weer zoals deze naar zijn oordeel is komen vast te staan. De vaststellingen zijn gebaseerd op de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Daarna beoordeelt het hof de feiten in het licht van de tenlastelegging, zoals deze door het hof wordt geïnterpreteerd.

Gang van zaken

Voor en ten tijde van het tenlastegelegde hebben verdachte en [medeverdachte] een relatie. Op enig moment vertelt [medeverdachte] aan verdachte dat zij last heeft van iemand en dat zij er niet meer tegen kan. [medeverdachte] deelt verdachte mede: “Ik ken een jongen en door hem ben ik verkracht. En hij chanteert mij.” Voorts laat [medeverdachte] aan verdachte weten dat zij niet met rust wordt gelaten door deze jongen. Vervolgens belt verdachte met de “jongen”, genaamd [slachtoffer] . Verdachte laat [slachtoffer] in een normaal verlopen telefoongesprek weten dat hij [medeverdachte] beter met rust kan laten.

In de periode voorafgaande aan het tenlastegelegde heeft [medeverdachte] op enig moment aan [betrokkene 1] , de vriendin van [betrokkene 2] (de vader van [medeverdachte] ), gevraagd of haar vader haar zou helpen als zij - [medeverdachte] - een probleem zou hebben. [betrokkene 1] beantwoordt deze vraag bevestigend. Een paar weken vóór 21 juli 2012 -de pleegdatum- brengt verdachte met [medeverdachte] een bezoek aan [betrokkene 2] . [medeverdachte] vertelt haar vader dat zij is verkracht dan wel dat zij tegen haar wil seks heeft gehad met [slachtoffer] en dat deze [slachtoffer] haar nog steeds lastigvalt. Vervolgens vraagt [medeverdachte] haar vader om hulp.

Op donderdag 19 juli 2012 bevinden verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 2] zich in de woning van [medeverdachte] in Arnhem. Daar vraagt [betrokkene 2] aan verdachte: “Ik ben van plan om dit en dit te doen. Doe je daaraan mee?” Vervolgens zegt [betrokkene 2] tegen verdachte: “Ik wil dat [medeverdachte] een afspraak met hem maakt. Dan wil ik hem een lesje leren.” Verdachte geeft aan dat hij wil meedoen met het plan van [betrokkene 2] om [slachtoffer] een lesje te leren. De woorden “een lesje leren” worden door verdachte verduidelijkt als: gewoon een beetje bang maken, een klap geven. Verdachte gaat er vóór de mishandeling van [slachtoffer] van uit dat ze [slachtoffer] een paar tikken zouden géven. [medeverdachte] was aanwezig bij het maken van de afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren. Bij die gelegenheid is gesproken over de verkrachting of aanranding van [medeverdachte] . Daarin was immers de aanleiding voor de afspraak gelegen.

Op zaterdag 21 juli 2012 is de jongste zoon van [betrokkene 2] jarig en wordt zijn verjaardag gevierd in de woning van [betrokkene 2] te Veenendaal. Op deze verjaardag zijn verdachte, [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] (de broer van [betrokkene 2] en daarmee de oom van [medeverdachte] ) aanwezig. [betrokkene 4] hoort die dag dat [medeverdachte] “verkracht” dan wel “aangerand” zou zijn door [slachtoffer] . [medeverdachte] vertelde dat [slachtoffer] haar nog steeds lastig zou vallen met sms’jes dan wél via Facebook, in ieder geval telefonisch. Op enig moment rijden verdachte, [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar de woning van [medeverdachte] aan de Halsteren straat 165 te Arnhem. [betrokkene 4] bestuurt de auto. Vanuit de auto telefoneert [medeverdachte] met [slachtoffer] . Zij vraagt [slachtoffer] om naar haar woning te komen. Via Facebook heeft [medeverdachte] [slachtoffer] op de mouw gespeld dat het uit is met haar vriend.

Uit de telefoongegevens van het toestel van verdachte blijkt dat er op 21 juli 2012 verschillende keren contact is geweest tussen het telefoonnummer van verdachte en het nummer van [slachtoffer] . Ook is er diezelfde dag een instant message verstuurd met het toestel van verdachte naar ‘ [medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) met de tekst: “Ik laat hem niet uitpraten.”

Wanneer het viertal arriveert bij de woning van [medeverdachte] , gaat deze als eerste naar boven. Verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] blijven beneden wachten. Vervolgens telefoneert [medeverdachte] met [betrokkene 4] . Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte] heeft willen controleren of de kust veilig was en dat zij, toen zij zag dat [slachtoffer] nog niet was gearriveerd, verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar boven liet komen. Het hof acht niet aannemelijk dat de drie mannen om een andere reden niet meteen mee naar de woning van [medeverdachte] zijn gegaan.

De drie mannen gaan vervolgens de woning van [medeverdachte] binnen en gaan naar de slaapkamer. In de slaapkamer bevindt het drietal zich buiten het zicht van mensen die zich in de woonkamer zouden bevinden. Verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] vermommen zich dan wel maken zich onherkenbaar.

Kort na de binnenkomst van [slachtoffer] stormen verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] de slaapkamer uit, de woonkamer in. Zij gaan gedrieën [slachtoffer] te lijf waarbij zij op [slachtoffer] inslaan en inschoppen. Daarbij wordt [slachtoffer] ook tegen zijn hoofd getrapt en geschopt.

Door één van de klappen van verdachte op het hoofd van [slachtoffer] , gaat [slachtoffer] door zijn knieën. Volgens verdachte is [slachtoffer] dan “knock-out”. Nadat hij is afgetuigd, is het slecht met hem gesteld. Hij zit onder het bloed. Verdachte zelf verklaart dat [slachtoffer] er niet uitzag. [slachtoffer] ligt uitgevloerd op de grond. Nadat het geweld tegen [slachtoffer] is gestopt, maken verdachte, [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] eerst de woning gedurende geruime tijd schoon. [slachtoffer] wordt in een laken of dekbedhoes gewikkeld en naar beneden afgevoerd. [medeverdachte] gaat op de uitkijk staan om te kijken of de kust veilig is. [slachtoffer] wordt in de kofferbak van de auto van [betrokkene 4] gelegd. Hij is dan als het ware meer dood dan levend. De auto staat geparkeerd voor de flat van [medeverdachte] . Er zijn plastic zakken in de auto van [betrokkene 4] gelegd. Het hof gaat ervan uit dat dit is gedaan om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk sporen in die auto achter zouden blijven. In de auto bevinden zich vier personen: [betrokkene 2] en [betrokkene 4] , verdachte en [slachtoffer] . Vervolgens rijdt de auto via de Pleyroute naar Rheden, waar de ernstig gewonde [slachtoffer] wordt gedumpt op een afgelegen plek in een bos bij de Snippendaalseweg, nabij de plaats waar in het verleden een asielzoekerscentrum was gevestigd. In de ochtend van 22 juli 2012 wordt [slachtoffer] gevonden door een toevallige voorbijganger. Bij [slachtoffer] zijn de volgende verwondingen geconstateerd:

- zeer forse kneuzingen in het gelaat;

- een gebroken neus;

- enkele afgebroken snijtanden;

- onderkoeling;

- een bloeduitstorting in de oorschelp;

- blauwe plekken op buik en benen;

- schaafwonden op de knieën;

- coiling (verstopping) van de miltslagader.

Als [slachtoffer] een uur later gevonden zou zijn, zou hij zijn overleden ten gevolge van inwendige bloedingen.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet mee is geweest naar Rheden maar in de binnenstad van Arnhem is afgezet waarna [betrokkene 2] en [betrokkene 4] met het slachtoffer hun weg zouden hebben vervolgd. Verdachte zou er daarbij van zijn uitgegaan dat zij het slachtoffer in de nabijheid van een ziekenhuis zouden achterlaten.

Het hof acht echter bewezen dat verdachte tezamen met [betrokkene 2 en 4] naar de plek in het bos is gereden en [slachtoffer] daar heeft gedumpt. Dat verdachte daar bij was, leidt het hof onder meer af uit de volgende omstandigheden:

- [betrokkene 2] en [betrokkene 4] hebben beiden verklaard dat verdachte erbij was.

- [betrokkene 2 en 4] hebben verklaard dat zij op aanwijzingen van verdachte richting de Snippendaalseweg te Rheden zijn gereden en dat zij daar niet bekend waren. De plaats aan de Snippendaalseweg te Rheden bevindt zich op zeer korte afstand van het inmiddels gesloten asielzoekerscentrum waar verdachte heeft verbleven.

- [betrokkene 2] en [betrokkene 4] verklaren dat zij daarna naar Arnhem zijn terug gereden en verdachte in de nabijheid van de woning van [medeverdachte] hebben afgezet en daarna in de richting van Ede en Veenendaal zijn gereden. [betrokkene 2] was ten tijde van het tenlastegelegde woonachtig in Veenendaal en [betrokkene 4] in Ede. Deze gang van zaken wordt bevestigd door enkele waarnemingen van de auto. Uit door de politie opgevraagde kentekengegevens blijkt dat tussen zaterdag 21 juli 2012 om 23.00 uur en zondag 22 juli 2012 om 07.00 uur een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [AA-00-BB] drie keer over de Pleijweg in Arnhem is gereden. Deze auto met dit kenteken staat op naam van [betrokkene 4] . De Pleijweg ligt op de route tussen de woning van [medeverdachte] en de vindplaats van [slachtoffer] in het bos aan de Snippendaalseweg te Rheden. De auto van [betrokkene 4] is op 22 juli 2012 om 01.12 uur geregistreerd, rijdende in de richting van het Velperbroekcircuit (in de richting van de vindplaats van [slachtoffer] in Rheden). Vervolgens wordt om 01.34 uur diezelfde nacht de auto van [betrokkene 4] geregistreerd rijdende in de richting van de woning van [medeverdachte] . Daarna wordt de auto van [betrokkene 4] om 01.55 uur diezelfde nacht een laatste keer op de Pleijweg geregistreerd, rijdende in de richting van het Velperbroekcircuit. Niet valt in te zien waarom [betrokkene 2] en [betrokkene 4] -indien zij verdachte vóór het dumpen van [slachtoffer] in het centrum van Arnhem zouden hebben afgezet, zoals verdachte heeft beweerd- na het dumpen van [slachtoffer] in Rheden over de Pleijweg terug zijn gereden en daarna weer in de omgekeerde richting in plaats van op het verkeersplein Velperbroek de afslag naar de A12 te nemen.

Beoordeling tenlastelegging

Naar het oordeel van het hof is sprake van medeplegen van poging tot doodslag. Het hof acht niet bewezen dat er sprake was van voorbedachte raad op de dood.

Dat verdachte en zijn medeverdachten opzet op de dood van [slachtoffer] hadden, leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden.

Weliswaar is niet komen vast te staan dat de tevoren gemaakte afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren méér inhield dan (mede) het geven van enkele klappen, maar in ieder geval bij de uitvoering van de afspraak in de woning van [medeverdachte] en de gang van zaken daarna volgt dat verdachten minst genomen bewust de aanmerkelijk kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. In de woning hebben verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] [slachtoffer] immers op zeer gewelddadige wijze geschopt en geslagen, onder meer tegen zijn hoofd. Bij het krachtdadig meermalen schoppen tegen iemands hoofd bestaat -naar van algemene bekendheid is- de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer komt te overlijden. Van die kans moeten verdachten zich bewust zijn geweest. Hierbij behoeft het exacte aandeel van ieder van hen afzonderlijk niet te worden vastgesteld. De bijdrage van verdachte is immers van voldoende gewicht voor een bewezenverklaring van medeplegen. Hoewel [slachtoffer] zwaar gewond en hulpeloos was, heeft geen van de aanwezigen -onder wie ook medeverdachte [medeverdachte] , door wier optreden de situatie in het leven was geroepen- hem de nodige zorg verschaft. In plaats daarvan hebben zij de tijd genomen om de sporen van hun gedragingen eerst uit te wissen waarna zij vervolgens [slachtoffer] in de kofferbak van de auto hebben gelegd en afgevoerd. Het hof acht niet aannemelijk dat er bij één van de aanwezigen het voornemen of de gedachte bestond om [slachtoffer] naar een ziekenhuis te brengen. In plaats daarvan hebben drie van hen het slachtoffer midden in de nacht naar een afgelegen plek in een bos gebracht en hem daar aan zijn lot overgelaten. Toen [slachtoffer] zwaargewond en niet of nauwelijks bij bewustzijn midden in een (koude) nacht -mede door verdachte- op een afgelegen plek werd gedumpt, was deze klaarblijkelijk niet in staat op de één of andere manier hulp in te roepen. Het hof acht niet aannemelijk dat de verdachten meenden dat [slachtoffer] daartoe wel in staat zou zijn, ernstig gewond als deze was.

Het hof acht niet bewezen dat sprake is van voorbedachte raad om [slachtoffer] om het leven te brengen. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten maakt het hof niet op of en zo ja, op welk moment door verdachten een besluit is genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven en gedurende welke tijd verdachte zich heeft kunnen beraden op dit besluit. Ook uit de door verdachte en zijn medeverdachten verrichte gedragingen leidt het hof niet met de voor een bewezenverklaring vereiste overtuiging af dat van voorbedachte raad sprake is. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van de tenlastegelegde poging tot moord.

Het hof acht overigens -met dezelfde motivering als hiervoor- ook niet bewezen dat sprake is van voorbedachte raad om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Conclusie

Het hof verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] (het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit). Van het overige zal verdachte worden vrijgesproken.”

6 Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft bewezen verklaard dat sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer.

6.2.

Uit de bewijsvoering volgt dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn twee mededaders op zeer gewelddadige wijze geweld heeft uitgeoefend tegen het slachtoffer [slachtoffer] door hem te slaan en schoppen, onder meer tegen zijn hoofd. Door een van de klappen tegen zijn hoofd is [slachtoffer] “knock-out” gegaan en heeft hij dus het bewustzijn verloren. Vervolgens is mede door toedoen van de verdachte het slachtoffer zwaargewond, in hulpeloze toestand op een afgelegen plek achtergelaten. Dat het hof uit deze omstandigheden heeft afgeleid dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, nu in het algemeen geldt dat de kans dat [slachtoffer] door deze gedragingen van de verdachte zou kunnen overlijden naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten en die kans blijkens die gedragingen door de verdachte willens en wetens is aanvaard, terwijl van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden niet is gebleken.5

6.3.

Anders dan in de toelichting op het middel nog wordt gesteld levert het met kracht schoppen met geschoeide voet tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd reeds in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans op de dood van de getroffene op en is dat aan te merken als gedrag dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van letsel dat de dood tot gevolg heeft, dat de verdachte reeds daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard. Dat het hof niet heeft vastgesteld welk specifiek schoeisel verdachte heeft gedragen maakt dit niet anders. Ook het enkele feit dat uit de medische gegevens van het slachtoffer niet zou blijken dat hij enige vorm van hersenletsel heeft opgelopen doet daaraan niet af; dat kan immers het gevolg zijn van de toevallige omstandigheid dat juist geen vitaal onderdeel van het hoofd of de hersenen wordt geraakt dan wel wordt beschadigd.6 Ten aanzien van de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt met hoeveel kracht is geschopt, geldt dat naar mijn mening wel genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn medeverdachten zeer gewelddadig hebben opgetreden. Ik wijs daartoe onder meer op de verklaring van verdachte zelf (bewijsmiddel 10) inhoudende dat door zijn eerste klap het slachtoffer naar de grond ging7 en dat “vader er bovenop vliegt en helemaal tekeer gaat” en de verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] (bewijsmiddel 11) inhoudende dat hij het slachtoffer als eerste te pakken had en “voor de knock-out ging”. Daaruit valt me dunkt op niet onbegrijpelijke wijze af te leiden dat ook het schoppen met kracht is geschied.

6.4.

Het middel faalt.

7 Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

7.1.

Over dit middel kan ik kort zijn. De gestelde tegenstrijdigheid in de overweging van het hof, enerzijds dat het slachtoffer midden in de nacht op een afgelegen plek werd gedumpt en anderzijds de als bewijsmiddel 12 opgenomen verklaring van [betrokkene 2] , inhoudende dat het slachtoffer dicht bij een pad is neergelegd, ongeveer 50 meter bij een huis vandaan, zie ik niet. Dat het slachtoffer dichtbij een pad en 50 meter bij een huis vandaan is neergelegd sluit immers niet uit dat het een afgelegen plek was. Bovendien volgt uit het relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 16) dat de Snippendaalseweg, waar het slachtoffer is achtergelaten, door een bosgebied loopt, met aan beide kanten van de weg bomen, bosschages en paden.8

7.2.

Ook dit middel faalt.

8 Het door de advocaat-generaal bij het ressortsparket voorgestelde middel

8.1.

Het middel richt zich tegen de vrijspraak door het hof “poging tot moord”. Het middel valt uiteen in twee klachten. Ten eerste klaagt het middel dat de motivering van de vrijspraak van voorbedachte raad tekort schiet is omdat het hof in strijd met art. 359, lid 2, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de voorbedachten raad. Ten tweede klaagt het middel dat het hof ten aanzien van het bestanddeel “voorbedachten rade” een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

8.2.

Uit het aan het proces-verbaal van de zitting van 14 april 2015 gehechte schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal volgt dat de advocaat-generaal, voor zover hier van belang, het navolgende heeft aangevoerd:

“Allereerst in de zaak [verdachte] . Ik beschouw allereerst de feitelijke gebeurtenissen in de woning van [medeverdachte] en daarna de gebeurtenissen met betrekking tot het wegbrengen en achterlaten van aangever.

Zoals gezegd is er wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] vooraf wist dat [slachtoffer] klappen zou krijgen. Vervolgens heeft hij samen met anderen in de woning van [medeverdachte] fors geweld op [slachtoffer] uitgeoefend. Dit geweld bestond uit het (veelvuldig) trappen en stompen van [slachtoffer] tegen zijn hoofd en de rest van zijn lichaam.

Het vooraf willen en weten dat een persoon klappen zal krijgen, vult in casu de voorbedachte raad. Immers de Hoge Raad overweegt dat sprake is van voorbedachte rade: "Als vaststaat dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen/genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven (...) tenzij contra-indicaties”.

Dit beraden en nadenken door [verdachte] volgt zonder meer uit de bewijsmiddelen.

De vraag is vervolgens over wélke voorgenomen daad [verdachte] zich heeft beraden. Met andere woorden welk besluit hoort bij een ’paar klappen’ geven. [verdachte] zegt over zichzelf dat hij een professionele vechter is. Uit de omschrijving van zijn postuur in het dossier en uit zijn waarneembare postuur ter zitting, blijkt dat [verdachte] bijzonder breed en fysiek getraind is. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle drie de mannelijke verdachten gespannen en opgedraaid waren toen zij zich schuilhielden in de slaapkamer in afwachting van de komst van [slachtoffer] . Uit de door de aangever en door alle vier de verdachten beschreven gang van zaken, blijkt dat de verdachten - waaronder [verdachte] - uit de slaapkamer stormden en direct begonnen met het uitoefenen van fors geweld op [slachtoffer] . In dat licht bezien meen ik dat de opzet en daarmee de voorgenomen daad van verdachte gericht is geweest op het (mede)plegen van de zware mishandeling van [slachtoffer] in de woning van [medeverdachte] .

Maar mijn inziens kan ik hiermee voor wat betreft de kwalificatie van de handelingen in de woning met volstaan. Immers wettig en overtuigend kan worden bewezen dat meerdere personen, te weten verdachte [verdachte] en zijn medeverdachten, op enig moment gelijktijdig geweld hebben uitgeoefend tegen [slachtoffer] , bestaande uit het veelvuldig stompen en schoppen in de richting van en tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] ook daadwerkelijk veelvuldig is geraakt. Verdachte [verdachte] heeft aan dat geweld een wezenlijke bijdrage geleverd door meermalen met kracht met zijn vuist op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. ‘Gebeukt’ zoals [betrokkene 4] het noemt. De medeverdachten zeggen dat [verdachte] ook hard en veel heeft geschopt, verdachte ontkent dit en legt dit schoppen juist weer bij [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . Wat daar ook van zij - uit de aard en omvang van de door verdachte verrichte gedragingen als deel van het geheel aan gewelddadige gedragingen blijkt dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Uit deze feitelijke samenwerking volgt dat deze bewust geschiedde en was gericht op het gezamenlijk uitoefenen van het escalerende heftige geweld jegens [slachtoffer] .

Het veelvuldig en met kracht met geschoeide voet schoppen en in casu ‘beuken’ tegen het hoofd en rest van het lichaam levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. Voor deze aanmerkelijke kans is maatgevend of het gaat om een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Dat is in casu het met 3 personen inslaan en schoppen op een op de grond liggend slachtoffer waarbij verdachte zeer gespierd is en een professionele (kooi)vechter. Daarmee kunnen de geweldshandelingen in de woning óók worden geduid als medeplegen van poging doodslag. Vanzelfsprekend is er sprake van eendaadse samenloop met het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten raad.

Vervolgens het tweede deel van het feitencomplex.

Aansluitend wordt - nadat eerst de woning is schoongemaakt - de ernstig gewonde [slachtoffer] midden in de nacht achtergelaten in een stikdonker bos. Uit de (…) bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] daarbij aanwezig was en een wezenlijke rol in de gebruikte locatie heeft gehad. (Tussen) het einde van de geweldpleging en het wegbrengen van de zichtbaar zwaargewonde [slachtoffer] (heeft) ongeveer 1 uur gezeten. 1 uur waarin de vier verdachten sporen hebben uitgewist, gewacht om [slachtoffer] naar de auto te kunnen brengen, vervolgens [slachtoffer] in een kofferbak hebben gegooid en hem in een bos langs een - zeker rond die tijd - uiterst stille weg hebben achtergelaten.

Uit deze tijdspanne van ongeveer een uur voor vertrek en ongeveer een half uur vanaf vertrek tot het achterlaten in het bos, uit de door verdachten waargenomen en later medisch bevestigde zeer slechte fysieke toestand van [slachtoffer] , uit de gekozen afgelegen locatie en uit de daarop volgende handelingen (zoals het weggooien van de spullen van [slachtoffer] en de stad ingaan om een alibi te creëren) kan mijn inziens geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte en zijn medeverdachten door aldus te handelen zich hebben schuldig gemaakt aan een poging moord.

Met betrekking tot verdachte [verdachte] kan aldus bewezen worden verklaard dat hij in genoemde periode in Arnhem en Rheden zich schuldig heeft gemaakt aan het - tezamen en in vereniging met anderen proberen om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven door [slachtoffer] in de kofferbak te leggen en zwaargewond op een afgelegen plek in hulpeloze toestand achter te laten (eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit)”.

8.3.

Bij de beoordeling van een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een vrijspraak van een verdachte heeft de Hoge Raad in zijn jurisprudentie vooropgesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter, die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Hierbij geldt dezelfde vrijheid in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, als in het geval dat de feitenrechter tot het oordeel komt dat het tenlastegelegde bewezen kan worden geacht. Die selectie en waardering hoeft de rechter – uitzonderingen daargelaten – niet te motiveren. Het oordeel of een feit al dan niet kan worden bewezen, kan bovendien niet uitsluitend vanwege de omstandigheid dat het beschikbare bewijsmateriaal ook een andere (bewijs)beslissing mogelijk maakt, onbegrijpelijk worden genoemd.9 Voorts geldt dat de rechter bij een motivering van een vrijspraak ingevolge art. 359 lid 2 Sv in zijn algemeenheid kan volstaan met een overweging dat hij het feit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Tegen een dergelijke overweging zal een cassatieberoep kansloos zijn. Dat is anders als de vrijspraak ruimer is gemotiveerd, bijvoorbeeld vanwege het motiveringsvereiste van art. 359 lid 2 Sv, omdat van een door het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt afgeweken. Dan kan de motivering op dezelfde manier worden beoordeeld als dat bij andere motiveringen het geval. Bij kwesties van feitelijke aard zoals in deze zaak, zal het aankomen op de begrijpelijkheid van het oordeel, hetgeen in cassatie een marginale toets inhoudt.10

8.4.

De advocaat-generaal bij het hof heeft, zoals blijkt uit de hiervoor onder 8.2 weergegeven passages uit het requisitoir, ten aanzien van de vraag of en op welke gronden de tenlastegelegde voorbedachte raad kan worden bewezenverklaard, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. Het hof heeft, zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven, gemotiveerd aangegeven waarom het bij de bewezenverklaring van dat standpunt is afgeweken. Het hof heeft in zijn overwegingen betrokken dat uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten niet is op te maken of en zo ja, op welk moment het besluit is genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en gedurende welke tijd verdachte zich heeft kunnen beraden op dit besluit. Evenmin heeft het hof uit de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten kunnen afleiden dat van voorbedachte raad sprake is. Hoewel de motiveringsplicht van het hof niet zo ver gaat dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan, is de vraag of het hof voldoende is ingegaan op de door de advocaat-generaal aangedragen argumenten.

8.5.

Met de steller van het middel meen ik dat het hof in zijn overwegingen in het bijzonder aandacht heeft besteed aan de eerste fase die zich heeft afgespeeld in de woning van medeverdachte [medeverdachte] en in welke fase verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer onder meer tegen zijn hoofd hebben geschopt en geslagen. Het hof heeft echter geen blijk gegeven bij zijn oordeel te hebben betrokken dat, zoals door de advocaat-generaal in het requisitoir is uiteengezet, de voorbedachte raad ook kan zijn ontstaan in de zogeheten tweede fase, dat is de fase die zich heeft afgespeeld tussen het einde van de geweldshandelingen en het wegbrengen van de gewonde [slachtoffer] . Gelet op de feitelijke omstandigheden die de advocaat-generaal op dit punt heeft aangevoerd, te weten dat uit de chronologie van de gebeurtenissen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten anderhalf uur de tijd hebben gehad om zich te kunnen beraden op het nemen of het genomen besluit en niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, behoeft het oordeel van het hof dat geen sprake is van voorbedachte raad, nadere motivering. Dit klemt temeer omdat uit de feitelijke vaststellingen van het hof, zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven, blijkt dat ook het hof heeft aangenomen dat verdachte en zijn medeverdachte, nadat het geweld tegen [slachtoffer] is gestopt, gedurende geruime tijd de woning hebben schoongemaakt en vervolgens het slachtoffer in de kofferbak van een auto naar een afgelegen plek hebben gebracht. Zoals uit de jurisprudentie van de Hoge Raad11 omtrent de voorbedachte raad valt af te leiden zijn met name de planmatigheid in de voorbereidende fase gecombineerd met het tijdsverloop tussen het moment waarop kan worden vastgesteld dat het besluit tot het ombrengen van het slachtoffer is genomen en de uitvoering van het voornemen, belangrijke factoren voor het kunnen aannemen van voorbedachte raad.12 Voorts is van belang dat de omstandigheid dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat weliswaar een “contra-indicatie” vormt ten opzichte van de – objectieve – vaststelling dat voldoende tijd is verstreken om de voorbedachte raad tot stand te laten komen, maar dat de gang van zaken onderhavige zaak afwijkt van de gevallen, waarin de uitvoering van het feit zich zonder noemenswaardige onderbreking afspeelt. De onderhavige zaak vertoont juist gelijkenis met die in HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:316713, waarin het hof bij de levensberoving de handelingen van de verdachte (ook) in twee fasen had onderscheiden: eerst het tapen en vastbinden van het slachtoffer en het vervolgens – na het voeren van een telefoongesprek – in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer. De Hoge Raad overwoog: “'s Hofs oordeel dat de verdachte "met voorbedachte raad" heeft gehandeld, is, ook gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is voorgesteld, toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen 's Hofs op bovenstaande overwegingen gebaseerde oordelen over een relevante langdurige tijdspanne en over het samenstel van gedragingen en de verschillende beslismomenten die zij in zich hadden.” Gelet op de ook in de onderhavige zaak relevant lijkende tijdsspanne en de verschillende beslismomenten had het hof naar ik meen meer aandacht moeten besteden aan het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt.

8.6.

Het middel, dat daarover klaagt, is dus terecht voorgesteld. Gelet hierop behoeft de tweede klacht in het middel geen afzonderlijke bespreking meer.

9. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het middel van de advocaat-generaal slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

2 Vgl. o.m. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2015:971) vóór HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1763 (HR: art. 81.1 RO) en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1203) vóór HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2549 (HR: art. 81.1 RO). Anders, bijv.: HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:479. In voornoemde zaken waren de gegeven deelvrijspraken niet aan te merken als zelfstandig strafrechtelijk verwijten, zodat zij niet een toelaatbare beperking op de omvang van het cassatieberoep vormden.

3 Zie daarvoor hieronder, onder 5.1.

4 HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, rov. 2.6.

5 Zie voor een vergelijkbaar geval HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3638.

6 Zie ook de conclusie van mijn oud ambtgenoot Bleichrodt: ECLI:NL:PHR:2008:BC4459.

7 Waarbij ik opmerk dat uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat verdachte een professioneel kickbokser is.

8 Ook op deze plek wijs ik op het vonnis van de rechtbank dat iets meer duidelijkheid schept. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat het slachtoffer is gedumpt in een greppel op tien meter afstand van een rustige en verlaten bosweg.

9 HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, r.o. 3.7; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54 r.o. 2.3.

10 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 257.

11 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156. De door de Hoge Raad opgeworpen drempel tegen een te gemakkelijke veroordeling voor voorbedachte raad heeft inmiddels tot behoorlijk wat vernietigingen in cassatie geleid op de grond dat het hof te weinig aandacht had geslagen op bestaande contra-indicaties dan wel dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er voldoende bezinningstijd was.

12 Het bestaan van diverse fases hoeft evenmin aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad in de weg te staan; vgl. – uit de oude doos - HR 29 mei 1951, NJ 1951/480 (Haagse gasmoord), en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167,

13 NJ 2016/112 met noot Rozemond (onder NJ 2016/113). Vergelijk ook – uit de oude doos - HR 29 mei 1951, NJ 1951/480 (Haagse gasmoord) en iets recenter HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4080, NJ 2009/423 (Moddermoord).