Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:732

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
15/02279
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2057, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag. Falende bewijsklacht opzet en medeplegen. Samenhang met 15/03182.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02279

Zitting: 7 juni 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 8 mei 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van poging tot doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 60.253,51 hoofdelijk toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals in het arrest is vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 15/03182. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft Mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het op 11 mei 2015 onbeperkt ingestelde cassatieberoep is op 11 juli 2015 tijdig partieel ingetrokken ten aanzien van het primair tenlastegelegde, waarvan het hof de verdachte vrijsprak. Gelet op HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, is de door de raadsman aangebrachte beperking van de omvang van het cassatieberoep toelaatbaar1 zodat het cassatieberoep zich niet uitstrekt tot de vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot moord.

5. Het middel

5.1. Het middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen van en/of opzet op de poging tot doodslag ontoereikend heeft gemotiveerd.

5.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 21 tot en met 22 juli 2012, althans in of omstreeks de maand juli 2012, te Arnhem en/of te Rheden en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s), opzettelijk, [slachtoffer] -conform te voren gemaakte afspraak- heeft uitgenodigd om naar haar woning aan de [a-straat 1] te Arnhem te komen en/of [slachtoffer] naar die woning heeft gelokt en/of [slachtoffer] aldaar heeft opgewacht, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -nadat [slachtoffer] was gearriveerd en in die woning was binnengelaten- meermalen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en (vervolgens) [slachtoffer] in de kofferbak van een auto hebben/heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5.3. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. Voor het bewijs zijn gebezigd: de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 7 en 15), de verklaring van de getuige [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2), de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 2] afgelegd bij de politie en het hof (bewijsmiddel 3, 6, 12 en 13), [betrokkene 4] afgelegd bij de politie (bewijsmiddel 5, 9 en 14), [medeverdachte] bij de politie (bewijsmiddel 1, 4 en 10), de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten (bewijsmiddel 8, 16 en 18), de verklaring van aangever [slachtoffer] (bewijsmiddel 11) en een geschrift zijnde de geneeskundige verklaring van arts F. Beije (bewijsmiddel 17).

5.4. Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen en het voorwaardelijk opzet van de verdachte het volgende overwogen:

“Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in de eerste plaats gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid aan de poging tot moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). In dit verband heeft de advocaat-generaal -kort gezegd- betoogd dat het opzet van verdachte gericht was op het laten verdwijnen van de zwaargewonde [slachtoffer] en op het bevorderen en vergemakkelijken van deze handelingen. Verdachte kan als medeplichtige aan de poging tot moord op [slachtoffer] worden aangemerkt, nu zij daartoe gelegenheid heeft geboden, op de uitkijk heeft gestaan en nu verdachte opzettelijk heeft nagelaten om in te grijpen terwijl handelen was geboden.

De advocaat-generaal heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. Daartoe heeft de advocaat-generaal -kort gezegd- aan gevoerd dat verdachte voorafgaande aan het delict intensief heeft samengewerkt met de medeverdachten en dat zij een wezenlijke en onmisbare rol heeft vervuld. Direct na de geweldshandelingen heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld bij de afhandeling van het delict. Zo is zij op alle belangrijke momenten in de woning aanwezig geweest en trok zij zich niet terug toen daartoe de mogelijkheid bestond.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde varianten van medeplegen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het opzet van verdachte in de fase voorafgaand aan de mishandeling niet was gericht op welke vorm van mishandeling dan ook. Nu het opzet van verdachte niet was gericht op de feiten die haar worden verweten, mogen de handelingen die verdachte voorafgaand aan de mishandeling heeft verricht niet worden meegenomen bij de achteraf door verdachte gepleegde handelingen. De achteraf door verdachte gepleegde handelingen maken de bijdrage van verdachte niet dusdanig significant dat zij als medepleger kan worden aangemerkt.

De raadsman heeft verder opgemerkt dat de omstandigheid dat verdachte niet zou hebben verhinderd dat [slachtoffer] in hulpeloze toestand is achtergelaten, niet kan worden meegenomen bij de beoordeling of verdachte als medepleger aangemerkt zou kunnen worden. Op het moment dat [slachtoffer] uit de woning werd weggevoerd, wist verdachte namelijk niet wat er met hem zou gaan gebeuren.

De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte van alle tenlastegelegde medeplichtigheidsvarianten moet worden vrijgesproken omdat haar (voorwaardelijk) opzet nimmer gericht is geweest op het gronddelict, te weten de mishandeling van [slachtoffer] . Verdachte heeft van tevoren niet geweten dat er geweld jegens [slachtoffer] zou worden gebruikt. Bovendien heeft zij nadrukkelijk aangegeven dat zij in haar woning geen ellende wilde.

Indien het hof van oordeel is dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat met de door haar gearrangeerde ontmoeting in haar woning een vorm van geweld zou volgen, heeft de raadsman naar voren gebracht dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet verder reikt dan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Oordeel hof

Het hof geeft hieronder eerst de gang van zaken weer zoals deze naar zijn oordeel is komen vast te staan. De vaststellingen zijn gebaseerd op de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Daarna beoordeelt het hof de feiten in het licht van de tenlastelegging, zoals deze door het hof wordt geïnterpreteerd.

Gang van zaken

Voor en ten tijde van het tenlastegelegde hebben verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een relatie. Op enig moment vertelt verdachte aan [medeverdachte] dat zij last heeft van iemand en dat zij er niet meer tegen kan. Verdachte deelt [medeverdachte] mede: “Ik ken een jongen en door hem ben ik verkracht. En hij chanteert mij.” Voorts laat verdachte aan [medeverdachte] weten dat zij niet met rust wordt gelaten door deze jongen. Vervolgens belt [medeverdachte] met de bewuste “jongen”, genaamd [slachtoffer] . [medeverdachte] laat [slachtoffer] in een normaal verlopen telefoongesprek weten dat hij verdachte beter met rust kan laten.

In de periode voorafgaande aan het tenlastegelegde heeft verdachte aan [betrokkene 1] , de vriendin van [betrokkene 2] (de vader van verdachte), gevraagd of haar vader haar zou helpen als zij -verdachte- een probleem zou hebben. [betrokkene 1] beantwoordt deze vraag bevestigend. Een paar weken vóór 21 juli 2012 -de pleegdatum- brengt verdachte met [medeverdachte] een bezoek aan [betrokkene 2] . Verdachte vertelt haar vader dat zij is verkracht dan wel dat zij tegen haar wil seks heeft gehad met [slachtoffer] en dat deze [slachtoffer] haar nog steeds lastigvalt. Vervolgens vraagt verdachte haar vader om hulp.

Op donderdag 19 juli 2012 bevinden [medeverdachte] , verdachte en [betrokkene 2] zich in de woning van verdachte in Arnhem. Daar vraagt [betrokkene 2] aan [medeverdachte] : “Ik ben van plan om dit en dit te doen. Doe je daaraan mee?” Vervolgens zegt [betrokkene 2] tegen [medeverdachte] : “Ik wil dat [verdachte] een afspraak met hem maakt. Dan wil ik hem een lesje leren.” [medeverdachte] geeft aan dat hij wil meedoen met het plan van [betrokkene 2] om [slachtoffer] een lesje te leren. De woorden “een lesje leren” worden door [medeverdachte] verduidelijkt als: gewoon een beetje bang maken, een klap geven. [medeverdachte] gaat er vóór de mishandeling van [slachtoffer] van uit dat ze [slachtoffer] een paar tikken zouden geven. Verdachte was aanwezig bij het maken van de afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren. Bij die gelegenheid is gesproken over de verkrachting of aanranding van verdachte. Daarin was immers de aanleiding voor de afspraak gelegen.

Op zaterdag 21 juli 2012 is de jongste zoon van [betrokkene 2] jarig en wordt zijn verjaardag gevierd in de woning van [betrokkene 2] te Veenendaal. Op deze verjaardag zijn [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] (de broer van [betrokkene 2] en daarmee-de oom van verdachte) aanwezig. [betrokkene 4] hoort die dag dat verdachte “verkracht” dan wel “aangerand” zou zijn door [slachtoffer] . Verdachte vertelde dat [slachtoffer] haar nog steeds lastig zou vallen met sms’jes dan wel via Facebook, in ieder geval telefonisch. Op enig moment rijden [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar de woning van verdachte aan de [a-straat 1] te Arnhem. [betrokkene 4] bestuurt de auto. Vanuit de auto telefoneert verdachte met [slachtoffer] . Zij vraagt [slachtoffer] om naar haar woning te komen. Via Facebook heeft verdachte [slachtoffer] op de mouw gespeld dat het uit is met haar vriend.

Uit de telefoongegevens van het toestel van [medeverdachte] blijkt dat er op 21 juli 2012 verschillende keren contact is geweest tussen het telefoonnummer van [medeverdachte] en het nummer van [slachtoffer] . Ook is er diezelfde dag een instant message verstuurd met het toestel van [medeverdachte] naar ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) met de tekst: “Ik laat hem niet uitpraten.”

Wanneer het viertal arriveert bij de woning van verdachte, gaat deze als eerste naar boven. [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] blijven beneden wachten. Vervolgens telefoneert verdachte met [betrokkene 4] . Het hof gaat er van uit dat verdachte heeft willen controleren of de kust veilig was en dat zij, toen zij zag dat [slachtoffer] nog niet was gearriveerd, [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar boven liet komen. Het hof acht niet aannemelijk dat de drie mannen om een andere reden niet meteen mee naar de woning van verdachte zijn gegaan.

De drie mannen gaan vervolgens de woning van verdachte binnen en gaan naar de slaapkamer. In de slaapkamer bevindt het drietal zich buiten het zicht van mensen die zich in de woonkamer zouden bevinden. [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] vermommen zich dan wel maken zich onherkenbaar.

Kort na de binnenkomst van [slachtoffer] stormen [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] de slaapkamer uit, de woonkamer in. Zij gaan gedrieën [slachtoffer] te lijf waarbij zij op [slachtoffer] inslaan en inschoppen. Daarbij wordt [slachtoffer] ook tegen zijn hoofd getrapt en geschopt.

Door één van de klappen van [medeverdachte] op het hoofd van [slachtoffer] , gaat [slachtoffer] door zijn knieën. Volgens [medeverdachte] is [slachtoffer] dan “knock-out”. Uit de verklaring van [slachtoffer] en uit de door het hof op dit punt geloofwaardig geachte verklaring van [medeverdachte] leidt het hof af dat verdachte hierbij aanwezig is geweest en uit de verklaring van [medeverdachte] bovendien dat verdachte na afloop op [slachtoffer] heeft gespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon.” Nadat [slachtoffer] is afgetuigd, is het slecht met hem gesteld. Hij zit onder het bloed. [medeverdachte] verklaart dat [slachtoffer] er niet uitzag. [slachtoffer] ligt uitgevloerd op de vloer. Nadat het geweld tegen [slachtoffer] is gestopt, maken [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] eerst de woning gedurende geruime tijd schoon. [slachtoffer] wordt in een laken of dekbedhoes gewikkeld en naar beneden afgevoerd. Verdachte gaat op de uitkijk staan om te kijken of de kust veilig is. [slachtoffer] wordt in de kofferbak van de auto van [betrokkene 4] gelegd. Hij is dan als het ware meer dood dan levend. De auto staat geparkeerd voor de flat van verdachte. Er zijn plastic zakken in de auto van [betrokkene 4] gelegd. Het hof gaat ervan uit dat dit is gedaan om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk sporen in die auto achter zouden blijven. In de auto bevinden zich vier personen: [betrokkene 2] en [betrokkene 4] , [medeverdachte] en [slachtoffer] . Verdachte niet. Vervolgens rijdt de auto via de Pleyroute naar Rheden, waar de ernstig gewonde [slachtoffer] wordt gedumpt op een afgelegen plek in een bos bij de Snippendaalseweg, nabij de plaats waar in het verleden een asielzoekerscentrum was gevestigd. In de ochtend van 22 juli 2012 wordt [slachtoffer] gevonden door een toevallige voorbijganger. Bij [slachtoffer] zijn de volgende verwondingen geconstateerd:

- zeer forse kneuzingen in het gelaat;

- een gebroken neus;

- enkele afgebroken snijtanden;

- onderkoeling;

- een bloeduitstorting in de oorschelp;

- blauwe plekken op buik en benen;

- schaafwonden op de knieën;

- coiling (verstopping) van de miltslagader.

Als [slachtoffer] een uur later gevonden zou zijn, zou hij zijn overleden ten gevolge van inwendige bloedingen.

Beoordeling tenlastelegging

Naar het oordeel van het hof is sprake van medeplegen van poging tot doodslag. Het hof acht niét bewezen dat er sprake was van voorbedachte raad op de dood.

Dat verdachte en haar medeverdachten opzet op de dood van [slachtoffer] hadden, leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden.

De tevoren gemaakte afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren, hield volgens de verklaring van [medeverdachte] niet meer in dan (mede) het geven van enkele klappen. Het hof acht bewezen dat verdachte datzelfde opzet had, omdat zij aanwezig was bij het maken van de afspraak en die afspraak werd gemaakt nadat zij haar vader had verteld dat zij verkracht was -zoals haar vader dat had begrepen- en dat zij zijn hulp nodig had. Gelet op alle hiervoor vermelde omstandigheden acht het hof niet aannemelijk dat verdachte meende dat er alleen maar met [slachtoffer] gepraat zou worden en dat zij niet wist of zich niet realiseerde dat [slachtoffer] klappen zou krijgen. Het hof is van oordeel dat niet bewezen is dat het opzet van verdachte op dat moment verder ging dan het geven van enkele klappen aan [slachtoffer] .

Maar in ieder geval bij de uitvoering van de afspraak in de woning van verdachte en de gang van zaken daarna volgt dat verdachten -verdachte niet uitgezonderd- minst genomen bewust de aanmerkelijk kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. In de woning hebben [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] [slachtoffer] immers op zeer gewelddadige wijze geschopt en geslagen, onder meer tegen zijn hoofd. Bij het krachtdadig meermalen schoppen tegen iemands hoofd bestaat -naar van algemene bekendheid is- de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer komt te overlijden. Van die kans moeten verdachten zich bewust zijn geweest. Dat geldt ook voor verdachte, die bij het in elkaar slaan en schoppen van [slachtoffer] aanwezig was. Verdachte heeft niets gedaan om te voorkomen dat [slachtoffer] gedurende enige tijd werd toegetakeld, terwijl zij het is geweest die door haar eerdere gedrag -vertellen over een verkrachting, het maken van een afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren, het arrangeren van de ontmoeting met [slachtoffer] in haar woning en het toelaten van de mannen in haar woning en haar slaapkamer- de situatie in het leven heeft geroepen. Dat zij het eerder beschreven ernstig toetakelen van [slachtoffer] en daarmee de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] in dit stadium bewust heeft aanvaard, leidt het hof ook af uit het feit dat zij na afloop van het geweld op [slachtoffer] heeft gespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon”.

Hoewel [slachtoffer] zwaar gewond en hulpeloos was, heeft geen van de aanwezigen -onder wie verdachte, door wier optreden de situatie, zoals gezegd, in het leven was geroepen- hem de nodige zorg verschaft. In plaats daarvan hebben zij de tijd genomen om de sporen van hun gedragingen eerst uit te wissen en vervolgens [slachtoffer] in de kofferbak van de auto gelegd en afgevoerd, waarbij verdachte op de uitkijk heeft gestaan.1 Het hof acht niet aannemelijk dat er bij één van de aanwezigen het voornemen of de gedachte bestond om [slachtoffer] naar een ziekenhuis te brengen. In plaats daarvan hebben drie van hen het slachtoffer midden in de nacht naar een afgelegen plek in een bos gebracht en hem daar aan zijn lot overgelaten. Het hof acht weliswaar niet bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] op die plaats zou worden gedumpt, maar uit haar verklaring bij de rechter-commissaris van 2 oktober 20122 leidt het hof af dat het haar -hoewel zij zich bewust was van het feit dat [slachtoffer] ernstig gewond was geen biet interesseerde wat er met [slachtoffer] zou gebeuren.

Hoewel verdachte aan bepaalde uitvoeringshandelingen een minder groot fysiek aandeel heeft gehad dan haar medeverdachten (in elkaar slaan, het dumpen van het slachtoffer in het bos) is het hof van oordeel dat er ook ten aanzien van verdachte sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen en dat haar bijdrage van voldoende gewicht was om van medeplegen te spreken.3 Zij is degene geweest die [medeverdachte] en haar vader erover heeft verteld dat ze verkracht zou zijn door [slachtoffer] en dat ze nog door hem zou worden lastig gevallen en haar vader om hulp heeft gevraagd, die aanwezig is geweest bij de in haar woning gemaakte afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren, [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar haar woning heeft gelokt waar deze op bijzonder gewelddadige wijze is mishandeld, die de mannen in haar woning binnen heeft gelaten en zich in haar slaapkamer voor [slachtoffer] liet verstoppen, die bij het in elkaar slaan aanwezig is geweest en [slachtoffer] zelfs heeft bespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon”, die de ernstig gewonde [slachtoffer] gedurende enige tijd in haar woning liet liggen in plaats van hulp te halen of vragen en die heeft meegewerkt aan het doen verdwijnen van het slachtoffer uit haar woning zonder zich erom te bekommeren wat er met hem zou gebeuren. Voor het geval voor één of meer gedragingen (handelen en nalaten) van verdachte geldt dat zij met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, is met de beschrijving van het totaal van de gedragingen van verdachte naar het oordeel van het hof voldoende nauwkeurig gemotiveerd dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Het hof acht niet bewezen dat sprake is van voorbedachte raad om [slachtoffer] om het leven te brengen. Uit de verklaringen van verdachte en haar medeverdachten maakt het hof niet op of en zo ja, op welk moment door verdachten een besluit is genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven en gedurende welke tijd verdachte zich heeft kunnen beraden op dit besluit. Ook uit de door verdachte en haar medeverdachten verrichte gedragingen leidt het hof niet met de voor een bewezenverklaring vereiste overtuiging af dat van voorbedachte raad sprake is. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van de tenlastegelegde poging tot moord.

Het hof acht overigens -met dezelfde motivering als hiervoor- ook niet bewezen dat sprake is van voorbedachte raad om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.”

5.5.

Ik begin met de klacht over het medeplegen. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering.2 Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.3

5.6.

Het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat de verdachte het slachtoffer zelf heeft geschopt en/of geslagen. Desondanks heeft het hof – uitgebreid gemotiveerd4 - geoordeeld dat tussen de verdachte en haar medeverdachten sprake was van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat zij de bewezenverklaarde poging tot doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand, gedurende en na het plegen van het feit gezamenlijk zijn opgetreden en dat het totaal van de gedragingen van verdachte medeplegen oplevert. Dit heeft het hof afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte degene is geweest die:
- medeverdachte [medeverdachte] en haar vader heeft verteld dat ze door het slachtoffer zou zijn verkracht en nog door hem zou worden lastig gevallen;
- haar vader om hulp heeft gevraagd;
- aanwezig is geweest bij de in haar woning gemaakte afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren;
- [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar haar woning heeft gelokt alwaar hij op gewelddadige wijze is mishandeld;
- haar medeverdachten in haar woning heeft binnengelaten en in haar slaapkamer heeft laten verstoppen voor [slachtoffer] ;
- aanwezig is geweest bij het in elkaar slaan en [slachtoffer] heeft bespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon”;
- de ernstig gewonde [slachtoffer] gedurende enige tijd in haar woning heeft laten liggen in plaats van hulp te halen of vragen;
- heeft meegewerkt aan het doen verdwijnen van het slachtoffer uit haar woning zonder zich erom te bekommeren wat er met hem zou gebeuren.

5.7.

Het middel is met name gebaseerd op het feit dat de verdachte zelf geen fysiek geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer en dat de handelingen van verdachte geen nauwe en bewuste samenwerking opleveren bij het schoppen en slaan tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer. Zoals hiervoor reeds uiteengezet lees ik de overwegingen van het hof aldus dat het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat de verdachte het slachtoffer zelf heeft geschopt en/of geslagen. Evenwel, voor het aannemen van medeplegen is ook niet vereist dat verdachte zelf heeft geslagen of geschopt.5 Het gaat om de vraag of de bijdrage van de verdachte van wezenlijk intellectueel en/of materieel belang was bij de verwezenlijking van het delict, in casu de poging tot moord.

5.8.

Die vraag dient naar mijn mening bevestigend beantwoord te worden. De wezenlijke bijdrage van de verdachte heeft het hof niet alleen ontleend aan de fysieke aanwezigheid van de verdachte in de woning tijdens het gebruik van het geweld tegen het slachtoffer maar ook aan andere handelingen van de verdachte, zoals hiervoor onder 4.5 uiteengezet. Niet alleen heeft verdachte het zogeheten “vuur aangewakkerd” en om hulp gevraagd bij haar medeverdachten, maar ook wist zij van de gemaakte afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren. De verdachte heeft het slachtoffer naar haar woning gelokt nadat zij de drie medeverdachten toegang tot haar woning had verschaft en in haar slaapkamer had verborgen. Bij het uitgeoefende geweld heeft verdachte zich niet gedistantieerd en na afloop heeft zij het slachtoffer bespuugd en hem de zinsnede toegevoegd: “Dat is je verdiende loon”. Evenmin heeft de verdachte zich in de fase die ik aanduid als tweede fase6 gedistantieerd; sterker nog, verdachte heeft eerst zelf meegeholpen bij het schoonmaken van haar woning en daarna op de uitkijk gestaan om te zien of de kust veilig was om het slachtoffer naar beneden af te voeren en in de kofferbak van de auto van medeverdachte [betrokkene 4] te leggen. Dat het hof dit samenstel van gedragingen heeft gezien als een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de poging tot doodslag en heeft geoordeeld dat de verdachte als medepleger van die poging tot doodslag kan worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring van het tenlastegelegde 'medeplegen' is derhalve naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.7 In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden.

5.9.

Voorts klaagt het middel nog dat de bewezenverklaarde poging tot doodslag onvoldoende met redenen is omkleed omdat het bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel berust met name op de grond dat de verdachte niets wist van de tevoren gemaakte afspraak dat [slachtoffer] een lesje moest worden geleerd en dat daarbij klappen zouden vallen en voorts dat het voorwaardelijk opzet niet kan worden afgeleid uit het niet ingrijpen van de verdachte.

5.10.

Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voorts dient het voor medeplegen van poging tot doodslag vereiste opzet van een verdachte niet alleen te zijn gericht op de samenwerking met zijn medeverdachte(n), maar ook op het gevolg van het delict, te weten de dood van het slachtoffer. Daartoe moet hij met de medeverdachte(n) hebben samengewerkt. De medepleger hoeft niet op de hoogte te zijn van de ‘precieze gedragingen van zijn mededader’.8

5.11.

In de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden door het tegen hem gerichte geweld, waaraan zij in de vorm van medeplegen deelnam. Het hof heeft daartoe overwogen dat [slachtoffer] mede op instigatie van verdachte na een voorafgaande afspraak door meerdere personen op zeer gewelddadige wijze is geslagen en geschopt, onder meer tegen zijn hoofd (een vitaal onderdeel van het lichaam) en het een feit van algemene bekendheid is dat het meermalen krachtig schoppen tegen iemands hoofd tot de dood van die persoon kan leiden. Voorts heeft het hof overwogen dat het welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden ook blijkt uit het feit dat de verdachte niets heeft gedaan om te voorkomen dat [slachtoffer] gedurende enige tijd werd toegetakeld, dat zij hem na de mishandeling heeft bespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon” en voorts heeft geholpen met het uitwissen van de sporen en het behulpzaam zijn bij het afvoeren van het zwaargewonde slachtoffer zonder zich erom te bekommeren wat er met hem zou gebeuren.

5.12.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.9 is vooropgesteld en tegen de achtergrond van de hiervoor onder 4.3 genoemde vaststellingen, geeft het oordeel van het hof dat verdachte aldus en onder die omstandigheden handelend zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] mede door haar toedoen zou overlijden en dat derhalve het opzet van verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] was gericht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat sprake was van een gezamenlijk optreden waaraan een van te voren gemaakte afspraak ten grondslag lag. Dat die afspraak enkel inhield dat ze het slachtoffer een “lesje zouden leren” doet daaraan niet af.

5.13.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2015:971) vóór HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1763 (HR: art. 81.1 RO) en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1203) vóór HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2549 (HR: art. 81.1 RO). Anders, bijv.: HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:479. In voornoemde zaken waren de gegeven deelvrijspraken niet aan te merken als zelfstandig strafrechtelijk verwijten, zodat zij niet een toelaatbare beperking op de omvang van het cassatieberoep vormden.

2 Mijn ambtgenoten Hofstee en Spronken hebben onlangs in hun conclusies in zeven zaken een zeer uitvoerige beschouwing gewijd aan het medeplegen en een door hen samengesteld beslisschema opgenomen, zie o.a. ECLI:NL:PHR:2016:233 en ECLI:NL:HR:PHR:2016:234. Om die reden zal ik in deze conclusie volstaan met een korte uiteenzetting van de jurisprudentie van de Hoge Raad en verwijs ik voorts graag naar hun conclusies.

3 Zie hierover nader A. Postma, Facetten van medeplegen, DD 2015/14.

4 Daarin onderscheidt zich de onderhavige zaak in gunstige zin van HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886, inzake de kofferbakmoord/rioolputmoord. In die zaak achtte de Hoge Raad het medeplegen van doodslag ontoereikend gemotiveerd.

5 HR 15 april 1986, LJN AC4107, NJ 1986, 740.

6 De fase die een aanvang neemt nadat het geweld op het slachtoffer is uitgeoefend en waarbij de woning wordt schoongemaakt.

7 Een vergelijkbaar geval deed zich voor in HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het langdurig fysiek aanwezig zijn bij de door de medeverdachte gepleegde mishandeling en het niet ingrijpen onvoldoende waren om te kunnen aannemen dat de verdachte een ‘wezenlijke’ bijdrage had geleverd aan de tenlastegelegde poging tot moord. Een belangrijk verschil is evenwel dat in die zaak het hof – anders dan in casu – had vastgesteld dat niet was gebleken dat de verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Het hof verweet de verdachte enkel dat hij geen enkele poging had ondernomen om het geweld te stoppen.

8 Vgl. HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5713, NJ 2007/224. Zie ook A. Postma, Facetten van medeplegen, DD 2015/14.