Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:65

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-01-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
14/06303
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:307
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen, art. 588 Sv. Bij zijn onderzoek naar de naleving van art. 435.1 Sv heeft de HR vastgesteld dat de ve vanaf 30 mei 2012 staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente X op adres Y, zijnde het briefadres van de ve. Daaruit volgt dat de dagvaarding in h.b. niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv, zodat die dagvaarding nietig is (vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in h.b. geldig is betekend, is derhalve onjuist. HR verklaart de dagvaarding in h.b. nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06303

Zitting: 5 januari 2016

(bij vervroeging)

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 6 oktober 2014 door het Gerechtshof Den Haag bij verstek wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,00 waarvan € 300,00 voorwaardelijk, subsidiair 15 dagen hechtenis waarvan 6 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk, (impliciet) de betekening van de dagvaarding van verzoeker in hoger beroep voor de zitting van 6 oktober 2014 geldig heeft geacht en verstek tegen verzoeker heeft verleend en heeft aangenomen dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, terwijl niet is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken aan het adres waar verzoeker als ingezetene was ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP), terwijl evenmin een afschrift van de dagvaarding is toegezonden aan het door verzoeker opgegeven adres bij het instellen van het hoger beroep.

4. Bij de op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:

- de “Akte instellen hoger beroep” van 4 december 2013, met als adres [b-straat 1] Rotterdam;

- het “Grievenformulier hoger beroep” van 4 december 2013, waarin als adres van verzoeker is opgegeven [b-straat 1] te Rotterdam;

- een “Akte van uitreiking” – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2014 – die inhoudt dat deze dagvaarding op 26 augustus 2014 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank ’s-Gravenhage, omdat geen vaste woon- of verblijfplaats van verzoeker bekend is;

- een “Akte van uitreiking” – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2014 – die inhoudt dat (i) deze dagvaarding op 29 augustus 2014 is aangeboden op het adres [b-straat 1] te Rotterdam, maar niet uitgereikt is kunnen worden omdat op het adres niemand werd aangetroffen, (ii) een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de brief binnen de gestelde termijn kan worden afgehaald op het daarin genoemde (post)kantoor of politiebureau, (iii) deze dagvaarding op 8 september 2014 is teruggezonden aan de afzender, (iv) deze dagvaarding op 18 september 2014 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank ’s-Gravenhage, omdat geen vaste woon- of verblijfplaats van verzoeker bekend is en (v) op 18 september 2014 een afschrift van deze dagvaarding is verstuurd aan het adres [b-straat 1] te Rotterdam;

- ID-staten SKDB van 26 augustus 2014 en 18 september 2014, beide onder meer inhoudende dat er sinds 22 februari 2010 geen bekend GBA-adres van verzoeker beschikbaar is en de aanduiding sindsdien: “Land onbekend”.

5. Aan de schriftuur is evenwel gehecht een “Uittreksel uit de basisregistratie personen” van de gemeente Zwijndrecht van 22 juni 2015, inhoudende:

“De gemeente Zwijndrecht stelt vast dat in de basisregistratie personen is opgenomen:

Geslachtsnaam : [verdachte]

Voornamen : [...]

Geboren op : [geboortedatum] 1981

Datum vest. Adres: 30 mei 2012

Huidig Briefadres: [a-straat 1] Zwijndrecht”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2014 vermeldt onder meer dat verzoeker niet ter terechtzitting is verschenen en dat het Hof verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verzoeker.

7. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet een “Uittreksel uit de basisregistratie personen”. Het Hof heeft zijn in de uitspraak besloten liggend oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend kennelijk gebaseerd op de genoemde ID-staten SKDB en de verzending van een afschrift van de dagvaarding naar het adres [b-straat 1]. Uit het hiervoor onder 5 weergegeven “Uittreksel uit de basisregistratie personen” volgt echter dat de vermelding in de ID-staten SKDB voor onjuist respectievelijk onvolledig moet worden gehouden, aangezien verzoeker ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding bleek te staan ingeschreven op het briefadres [a-straat 1] te Zwijndrecht. Ik meen dat aan de herkomst en de betrouwbaarheid van dit document niet hoeft te worden getwijfeld, te minder nu dit briefadres ook in de akte cassatie is opgenomen en de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging van het parket van de Hoge Raad naar dat briefadres is verstuurd.

8. Voorts zij gewezen op de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323:

“2.3.3. Gelet op dit samenstel van bepalingen moet voor de toepassing van art. 588 Sv - bij gebreke van een "woonadres" - een "briefadres" als bedoeld in voormeld art. 1.1 worden aangemerkt als "het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen" waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend (art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 1°, Sv). Opmerking verdient dat een briefadres in voormelde zin moet worden onderscheiden van een (post)adres als bedoeld in art. 588a Sv: het door of namens de verdachte opgegeven adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Dat (post)adres is niet het in art. 588 Sv bedoelde adres waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden uitgereikt, maar het adres waaraan in de in art. 588a Sv vermelde gevallen een afschrift moet worden toegezonden van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen.”

9. Voor zover het middel klaagt dat geen afschrift van de dagvaarding is toegezonden aan het door verzoeker opgegeven adres bij het instellen van het hoger beroep ([b-straat 1] te Rotterdam), faalt het. Ik denk dat de steller van het middel zich op dit punt vergist; uit het voorliggende dossier blijkt dat er wel degelijk een afschrift is verstuurd naar het adres [b-straat 1] (zie hierboven onder 4 het vierde gedachtestreepje).

10. Maar omdat niet gehandeld is volgens de hoofdregel, kort gezegd inhoudende: ‘uitreiking dagvaarding aan het GBA/BRP-adres [a-straat 1] plus (ingevolge art. 588a Sv) een afschrift naar het opgegeven adres [b-straat 1]’, heeft het Hof ten onrechte impliciet de betekening van de dagvaarding geldig geacht en verstek tegen verzoeker verleend.

11. Het middel slaagt om die reden.

12. Het tweede middel behelst drie klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als eenvoudige belediging (art. 266 Sr), aangezien het bestanddeel ontbreekt dat de belediging heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de beledigde zodat het bewezenverklaarde niet strafbaar is en niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. De tweede klacht luidt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk, het versturen van een e-mail heeft aangemerkt als een feitelijkheid in de zin van art. 266 Sr. De derde klacht stelt dat van het bewezenverklaarde handelen niet kan worden gezegd dat dit “niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt”.

13. Bij inleidende dagvaarding is aan verzoeker tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2013 tot en met 22 maart 2013 te Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Dordrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [betrokkene 1], rechter civiele zaken bij de arrondissementsrechtbank Dordrecht, heeft beledigd door een feitelijkheid, immers heeft verdachte (via het e-mailadres van [...]) een e-mail aan die [betrokkene 1] verstuurd, althans doen toekomen, inhoudende: "Bedankt voor het stelen van mijn kind, kankerhoer. 16 in een dozijn kinderrechters inmiddels, allemaal afhankelijk, partijdig en niet in staat tot een objectief oordeel. Mede namens mijn zoon: Dankjewel.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.”

14. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 21 maart 2013 in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [betrokkene 1], rechter civiele zaken bij de arrondissementsrechtbank Dordrecht, heeft beledigd door een feitelijkheid, immers heeft verdachte (via het e-mailadres van [...]) een e-mail aan die [betrokkene 1] verstuurd, althans doen toekomen, inhoudende: "Bedankt voor het stelen van mijn kind, kankerhoer. 16 in een dozijn kinderrechters inmiddels, allemaal afhankelijk, partijdig en niet in staat tot een objectief oordeel. Mede namens mijn zoon: Dankjewel.”

15. Art. 266, eerste lid, Sr luidt:

"Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

16. De eerste twee klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De term “feitelijkheid” is in de tenlastelegging en in de bewezenverklaring kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 266, eerste lid, Sr toekomt. Wanneer belediging door een feitelijkheid bewezen wordt verklaard, dient blijkens de aangehaalde delictsomschrijving inderdaad tevens sprake te zijn van “in zijn tegenwoordigheid”.

Het is juist dat het enkel verzenden van een e-mail niet kan worden aangemerkt als een dergelijke feitelijkheid. Aangenomen moet derhalve worden dat de term “feitelijkheid” als gevolg van een misslag in de tenlastelegging en de bewezenverklaring is opgenomen. Dit brengt tevens met zich mee dat het bestanddeel “in zijn tegenwoordigheid” niet bewezenverklaard behoefde te worden, zodat er in die zin van een omissie geen sprake is en het bewezenverklaarde als een strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

17. Ik teken bij het voorgaande nog het volgende aan. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat bij verzoeker geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten. Bovendien is het onderscheid tussen een belediging door feitelijkheden en een belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang. In aanmerking genomen dat verzoeker, gelet op het vorengaande, hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad, dient de bewezenverklaring met verbetering van de onder 16 vermelde misslag te worden gelezen en derhalve met vervanging van het daarin opgenomen “een feitelijkheid” door “een toegezonden of aangeboden geschrift”.1 Dat betekent dat de eerste twee klachten falen en het middel in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

18. Ook de derde klacht kan niet tot cassatie leiden. Zelfs als de zinssneden die de verdediging aanhaalt – “het stelen van een kind van verzoeker en het zijn van een afhankelijke, partijdige en niet-objectieve (kinder)rechter” - inderdaad het karakter van smaad(schrift) dragen, blijft de bewezenverklaring van belediging overeind vanwege het gebruik van het woord “kankerhoer”. De aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard wordt niet aangetast wanneer die zo-even geciteerde zinssneden (zouden) worden weggestreept, zodat vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond achterwege kan blijven.

19. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

20. Het eerste middel slaagt om de door mij genoemde reden.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook Hoge Raad 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5757, NJ 2006/13.