Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:621

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-06-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
16/01160
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Griffierecht ter zake van verzoekschrift tot faillietverklaring van een v.o.f. en van haar vennoten (na HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251). Is het griffierecht één maal verschuldigd of voor elk van de verzochte faillissementen afzonderlijk? Art. 3 lid 2 en 15 lid 1 Wgbz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/316
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/01160

Mr. F.F. Langemeijer

17 juni 2016

Conclusie inzake:

mr. A.E.M. Bierens

tegen

Griffier van de rechtbank Rotterdam.

1. Bij tussenbeschikking van 1 maart 2016 heeft de rechtbank Rotterdam de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd:

“Volgt uit rechtsoverweging 3.4.8 van het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) dat bij de aanvraag van het faillissement van een vof en haar twee vennoten in één verzoekschrift driemaal griffierecht dient te worden geheven?”

2. De tussenbeschikking van 1 maart 2016 is gegeven op het verzet tegen de heffing van driemaal € 613,- griffierecht voor het door mr. Bierens namens zijn cliënte ingediende verzoek tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en haar twee vennoten. De rechtbank maakt melding van uiteenlopende rechtsoordelen over de vraag of in zo’n geval éénmaal griffierecht moet worden geheven dan wel meermalen.

3. Inderdaad zijn uiteenlopende beslissingen hierover gepubliceerd1. Het vraagstuk is in een stroomversnelling gekomen doordat de Raad voor de Rechtspraak, c.q. de werkgroep ReCoFa, op 8 maart 2016 publiekelijk stelling heeft genomen in deze kwestie2.

4. Ingevolge het vroegere Tarief justitiekosten en salarissen burgerlijke zaken gold geruime tijd een tarief per verrichting van de griffier3. Men spreekt tegenwoordig ook wel van een pay as you go-tarief4. Bij de herziening van deze regeling bij wet van 8 december 1960, Stb. 541, heeft de wetgever afstand genomen van dit stelsel, in het kort omdat het systeem te bewerkelijk was gebleken bij de inning van het griffierecht en de controle daarop5. De wetgever heeft toen gekozen voor één zogenoemd ‘vast recht’, verschuldigd per instantie, onafhankelijk van het aantal in die instantie verrichte of nog te verrichten proceshandelingen. De hoogte van dit vast recht was in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) gedetailleerd geregeld, afhankelijk van de aard en van het totaalbedrag van de ingestelde vordering. In geval van objectieve cumulatie (meerdere vorderingen in één dagvaarding) volgde uit de wet welk bedrag in rekening moest worden gebracht als ‘vast recht’. In rekestprocedures was het vast recht verschuldigd bij het indienen ter griffie van een verzoek- of verweerschrift (art. 2 lid 1 Wtbz). Voor een objectieve cumulatie van verzoeken bestond geen afzonderlijk wettelijk voorschrift. De parlementaire geschiedenis van een wijziging van de Wtbz vermeldt:

“Voor elk verzoekschrift wordt afzonderlijk een vast recht geheven, ook indien er sprake is van met elkaar samenhangende verzoekschriften. Indien meerdere verzoeken in één request worden gedaan zal dit - zeker indien tussen verschillende verzoeken geen direct verband bestaat - ertoe kunnen leiden dat dit wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.”6

5. Art. 3 lid 1 Wtbz bepaalde dat eisers of gedaagden die bij eenzelfde procureur verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, gezamenlijk slechts eenmaal vast recht verschuldigd zijn. Deze wettelijke bepaling was nodig omdat het mogelijk is dat verscheidene eisers gezamenlijk optreden tegen één gedaagde of, omgekeerd, één eisende partij in een dagvaarding een vordering instelt tegen meerdere gedaagden (subjectieve cumulatie). Hoewel die vorderingen zijn samengevoegd, en de procedure één rolnummer krijgt, behouden de afzonderlijke zaken hun zelfstandigheid7. Zij kunnen ook worden gesplitst.

6. Bij de totstandkoming van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz, Stb. 2010/715) heeft de wetgever het systeem van één vast recht per instantie voortgezet. In geval van subjectieve cumulatie geldt art. 15 lid 1 Wgbz, welke bepaling kan worden beschouwd als een voortzetting van art. 3 Wtbz8. Het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (2013) bepaalt onder 1.1.2.3 dienovereenkomstig: “De verzoeker is bij indiening van een verzoekschrift griffierecht verschuldigd, tenzij anders bepaald in de Wet griffierechten burgerlijke zaken”9. Voor objectieve cumulatie van verzoeken in één verzoekschrift is niet een afzonderlijke regel gegeven. Art. 10 lid 1 Wgbz bepaalt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of beroepschrift. De memorie van toelichting vermeldt hierover:

“De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift. Het is mogelijk dat in één dagvaarding of één verzoekschrift meerdere vorderingen dan wel verzoeken uit verschillende oorzaken worden samengevoegd of dat twee of meer eisers bij één dagvaarding van één gedaagde of van ieder van twee of meer gedaagden een geldbedrag vorderen. In dat geval dienen deze vorderingen of verzoeken bij elkaar te worden opgeteld en wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van het totale beloop of de totale waarde van de gecumuleerde vorderingen of verzoeken.”10

7. Art. 4 lid 3 Fw bepaalt dat de aangifte ten aanzien van een v.o.f. de naam en woonplaats moet inhouden van elk der hoofdelijk voor het geheel verbonden vennoten11. In HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, is de Hoge Raad teruggekomen van de rechtsopvatting dat het faillissement van een vennootschap onder firma steeds en noodzakelijkerwijs het faillissement van de vennoten ten gevolge heeft12. De Hoge Raad overwoog verder:

“3.4.8. Gelet op het hiervoor overwogene dient een schuldeiser, indien hij niet alleen het faillissement van de v.o.f. maar ook dat van de vennoten wil bewerkstelligen, dat in zijn verzoekschrift ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk te verzoeken, en dient de rechter te onderzoeken of ook ten aanzien van de vennoten afzonderlijk aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan. Gelet op art. 18 WvK en de wenselijkheid dat de faillissementen van de v.o.f. en van de vennoten zoveel mogelijk tegelijk worden uitgesproken en afgewikkeld, verdient het overigens aanbeveling dat deze verzoeken zoveel mogelijk tezamen worden gedaan en behandeld.

3.4.9. Voor zover in een procedure het faillissement van (alleen) de v.o.f. is verzocht en daarbij (overeenkomstig art. 4 lid 3 Fw) de namen en woonplaatsen van de vennoten zijn vermeld, heeft de verzoeker de mogelijkheid – in eerste aanleg – zijn verzoek in die zin aan te vullen dat het mede betrekking heeft op de faillietverklaring van de vennoten. (…)”

8. In de zo-even aangehaalde overwegingen laat de Hoge Raad de mogelijkheid open dat één verzoekschrift bij de rechtbank wordt ingediend, strekkende tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en van haar (in dat verzoekschrift afzonderlijk te noemen) vennoten. Daarnaast is er de mogelijkheid dat een of meer schuldeisers verscheidene verzoekschriften naast elkaar indienen: voor iedere vennoot afzonderlijk een verzoekschrift dat strekt tot zijn faillietverklaring. Het door de verzoekende partij(en) verschuldigde griffierecht wordt geheven per ingediend verzoekschrift, tenzij de Wgbz anders bepaalt.

9. De prejudiciële vraag heeft kennelijk betrekking op de situatie waarin slechts één verzoekschrift is ingediend, waarin is verzocht het faillissement uit te spreken van de v.o.f. en uitdrukkelijk ook het faillissement van de afzonderlijke vennoten. In de ‘oude’ opvatting van de Hoge Raad, waarin de uitspraak van het faillissement van de v.o.f. automatisch het faillissement van de afzonderlijke vennoten meebracht, kon nog worden volgehouden dat inhoudelijk sprake was van één verzoek in één verzoekschrift, althans dat tussen het verzoek om de v.o.f. en (impliciet) elk van haar vennoten in staat van faillissement te verklaren een rechtstreeks verband bestaat als bedoeld in de Nota n.a.v. het verslag (zie alinea 4 hiervoor), zodat slechts éénmaal vast recht volgens het tarief kon worden geheven. Ingeval van subjectieve cumulatie (meerdere verzoekers) geldt het bepaalde in art. 15 lid 1 Wgbz.

10. De in het persbericht van de Raad voor de rechtspraak gehuldigde opvatting, dat voor een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en van haar vennoten meermalen griffierecht wordt geheven, kan geen verklaring vinden in de enkele omstandigheid dat een meervoudig faillissement meer werk oplevert voor de griffie dan een enkelvoudig faillissement: bij de invoering van het vast recht is, omwille van de beoogde eenvoud, de koppeling aan de hoeveelheid door de griffier te verrichten werkzaamheden per zaak immers losgelaten. Wel vindt deze opvatting steun in het citaat uit de Nota n.a.v. het verslag (zie alinea 4 hiervoor). Dan is wel nodig dat het ingediende verzoekschrift wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat, waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.

11. Mijn conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad op de prejudiciële vraag zal antwoorden dat één ingediend verzoekschrift dat strekt tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en haar twee vennoten, sedert het arrest van 6 februari 2015 kan worden beschouwd als één geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven.

De Procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Rb. Zeeland-West-Brabant 16 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7347 (éénmaal griffierecht); Rb. Rotterdam 22 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7345 en 8 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:298 (driemaal griffierecht).

2 Nieuwsbericht Raad voor de rechtspraak 8 maart 2016 (rechtspraak.nl) onder de kop: “verschuldigde griffierechten bij faillissement VOF en vennoten”. Bij de indiening van een verzoek tot faillissement van een vennootschap onder firma (VOF) en de vennoten van die VOF, is volgens de Raad voor de rechtspraak griffierecht verschuldigd voor zowel de VOF als de vennoten afzonderlijk. De Raad noemt als reden hiervoor dat de rechtbank voor de VOF en de vennoten afzonderlijk moet beoordelen of hun faillissement moet worden uitgesproken. Als het gaat om het faillissement van een VOF met 2 vennoten, is 3 keer griffierecht verschuldigd; bij een VOF met 3 vennoten 4 keer griffierecht etc. Volgens de tekst van het nieuwsbericht brengt het arrest van de HR van 6 februari 2015 daarin geen verandering.

3 Dat verklaart ook de beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 1942, NJ 1942/764 (griffierechten bij depot uitdelingslijst in faillissementen van een v.o.f. en haar vennoten).

4 Zie over diverse mogelijke grondslagen voor de heffing van griffierechten: M.M.G. Faure en C.A.R. Moerland, Griffierechten. Een vergelijkende beschrijving van griffierechten- en vergelijkbare stelsels in een aantal landen van de Europese Unie, WODC 2006. Ter zijde: in het bestuursprocesrecht is het griffierecht gekoppeld aan het bestreden besluit: zie art. 8:41 lid 3 Awb.

5 MvT, Kamerstukken II 1957-1958, 5090, nr. 3, blz. 6 en 7. Zie ook: MvA, Kamerstukken II 1959-1960, 5090, nr. 5, blz. 4 (in antwoord op een vraag in het voorlopig verslag, blz. 3).

6 Nota n.a.v. eindverslag, Kamerstukken II 1983-1984, 17 838, nr. 9, blz. 6.

7 Vgl. A.S. Rueb, E. Gras en A.W. Jongbloed, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2015, blz. 220.

8 MvT, Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, blz. 1 – 3 en blz. 13. Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:792.

9 De aangifte van het eigen faillissement is vrijgesteld van griffierecht: zie art. 4 lid 2 Wgbz.

10 MvT, Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, blz. 11.

11 Zie Wessels, Insolventierecht, Faillietverklaring, 2012, nrs. 1224 – 1225.

12 Zie voor die opvatting onder meer: HR 15 maart 1901, W (1901) 7582; HR 29 september 1905, W (1905) 8271; HR 14 april 1927, NJ 1927 blz. 725.