Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:605

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
15/02589
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1414, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag op echtgenote. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02589

Mr. Machielse

Zitting 14 juni 2016

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 27 mei 2015 voor 1 primair: poging tot doodslag, en 2: mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Voorts heeft het hof een inbeslaggenomen voorwerp verbeurd verklaard.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een cassatieschriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer, dat de aangifte onbetrouwbaar is omdat de daarin vervatte verklaring is afgelegd zonder bijstand van een tolk, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"1 primair:

hij op 19 november 2013 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], zijn vrouw, van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] met een mes in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op 19 november 2013 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend [slachtoffer], zijn vrouw in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

3.3. Het hof heeft in zijn arrest over het gebruik van de door [slachtoffer] in de Engelse taal afgelegde verklaring het volgende overwogen:

"Zoals gezegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] op de één of andere manier in het mes is gevallen. Ook heeft de raadsman betoogd dat de door [slachtoffer] op 20 november 2013 in de Engelse taal afgelegde verklaring van de bewijsvoering moet worden uitgesloten.

Het hof zal voornoemde in de Engelse taal afgelegde verklaring van [slachtoffer] niet van de bewijsvoering uitsluiten en overweegt daartoe als volgt. Op geen enkele wijze is het hof gebleken dat [slachtoffer] gebrekkig Engels spreekt. Uit het dossier blijkt eerder het tegendeel.

Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft [slachtoffer] het initiatief genomen om het telefoongesprek met de medewerker van de meldkamer Oost-Nederland in het Engels te laten plaatsvinden. Bovendien heeft [slachtoffer] bij de politie verklaard dat zij Engels spreekt en heeft zij aangegeven dat zij in de Engelse taal tolkt voor vriendinnen. Tot slot staat in het proces-verbaal van verhoor van 20 november 2013 vermeld dat de benadeelde (het hof begrijpt: [slachtoffer]) de Engelse taal spreekt en begrijpt.

Het hof is daarom van oordeel dat de door [slachtoffer] in het Engels afgelegde verklaring als bewijsmiddel kan worden gebezigd."

3.4. De verklaringen van aangeefster zijn in november 2013 opgenomen.1 Toen gold nog de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken.2 Paragraaf 4 van deze Aanwijzing draagt de titel "Getuige/deskundige – vertolking/vertaling van het gesproken" en luidt aldus:

"Voor de getuige of deskundige geldt dezelfde regeling als voor de verdachte, zij het dat dan het moment waarop vertolkt wordt van ondergeschikt belang is. Centrale vraag is of de getuige of deskundige de Nederlandse taal voldoende beheerst. Indien de getuige of deskundige de Nederlandse taal niet of slechts beperkt beheerst, kan in lijn met de regeling voor de verdachte, het verhoor plaats vinden in een andere taal of met behulp van een tolk (...)."

Het is, aldus de toelichting op de Aanwijzing, in eerste instantie aan de verbaliserend ambtenaar om te beoordelen of betrokkene de Nederlandse taal voldoende beheerst. Is dat niet het geval dan beslist de verbalisant of het verhoor in een andere taal of met behulp van een tolk wordt afgenomen.

3.5. Het oordeel van het hof dat de eerste verklaring van aangeefster, die in het Engels en zonder bijstand van een tolk is afgenomen, bruikbaar is voor het bewijs geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft erop gewezen dat de benadeelde volgens verbalisanten de Engelse taal spreekt en begrijpt, waarin besloten ligt dat zij de gestelde vragen of gedane mededelingen heeft begrepen en in staat is geweest haar lezing van de gebeurtenissen met voldoende nuancering te geven. Dat zij nadien wel met bijstand van een tolk is gehoord doet daaraan niet af.3

Dat verdachte volgens een verbalisant die haar op 19 november 2013, omstreeks 22:03 uur in haar woning met een mes in haar oor aantrof "zeer gebrekkig Engels" sprak wil nog niet zeggen dat zij enige uren later in die nacht ook niet voldoende in die taal kon communiceren.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof een door de verdediging gepresenteerd alternatief scenario ontoereikend heeft gepareerd. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een aangeefster ruzie hadden, dat aangeefster een mes heeft gepakt en daarmee verdachte heeft geraakt, dat verdachte daarop heeft geprobeerd het mes van haar af te pakken, dat in de daarop volgende worsteling aangeefster is gevallen en kennelijk met de zijkant van haar hoofd op het mes is terechtgekomen.

4.2. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Beoordeling

Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer] vóór de 112-melding van 22:03:43 uur nog geen mes in haar linkeroor had zitten. Het hof acht het in de eerste plaats volstrekt onaannemelijk dat zij met een mes in haar oor in staat was om een telefoongesprek te voeren. Bovendien heeft [slachtoffer] tijdens dit gesprek -waarin zij heeft verklaard dat haar man haar heeft geslagen- niet gemeld dat er een mes in haar oor zat. Gelet daarop moet het mes tussen 22:07:06 uur (het moment waarop het telefoongesprek tussen [slachtoffer] en de meldkamer abrupt werd beëindigd) en 22:09:35 uur (het moment waarop [betrokkene] telefonisch gemeld heeft dat [slachtoffer] door haar vriend met een mes in haar oor is gestoken) in het linkeroor van [slachtoffer] terecht zijn gekomen.

Zoals gezegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] op de één of andere manier in het mes is gevallen. (...)

De lezing van de feiten, zoals de verdediging deze geschetst heeft, acht het hof niet aannemelijk. In tegenstelling tot de verklaring van aangeefster [slachtoffer] wordt de lezing van verdachte niet ondersteund door objectief bewijsmateriaal. Omdat het hof wel objectief steunbewijs ziet voor de door [slachtoffer] geschetste gang van zaken, zal het hof uit gaan van haar verklaring. Het hof licht dit als volgt toe.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar telefoon wilde afpakken. Deze verklaring wordt ondersteund door het objectieve gegeven dat de batterij van die telefoon bij het bed is aangetroffen. Door [slachtoffer] is ook verklaard dat zij, terwijl verdachte en zij aan elkaar aan het trekken waren, duizelig werd en toen (eerst) op haar knieën en (vervolgens) op haar handen viel. Zij voelde toen dat er een mes in haar linkeroor zat. Deze verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de bij haar waargenomen letsels, te weten de bloeduitstortingen op de knieën van [slachtoffer] en de huidverkleuringen op de rug van haar handen. Daarbij komt dat de door aangeefster beschreven duizeligheid past bij een aantasting van haar evenwichtsorgaan door het mes in haar linkeroor.

Door de verdediging is betwist dat verdachte het mes in handen heeft gehad. De lezing van verdachte houdt in dat [slachtoffer] het mes vast heeft gehad en dat zij met dit mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van verdachte.

Het hof gaat ervan uit dat verdachte het mes wel in zijn handen heeft gehad. In het getapte telefoongesprek dat verdachte met zijn moeder heeft gevoerd, heeft verdachte gezegd dat hij het mes van [slachtoffer] heeft afgepakt (dossierpagina 342).

[slachtoffer] heeft bij de politie verschillende keren verklaard dat zij het mes niet in haar handen hield toen zij belde met de meldkamer Oost-Nederland. Nu [slachtoffer] op dit punt consistent heeft verklaard, gaat het hof ervan uit dat zij het mes niet vasthield toen zij 112 belde.

Verdachte en [slachtoffer] hebben allebei verklaard dat er een worsteling heeft plaatsgevonden voordat het mes in het oor van [slachtoffer] terecht is gekomen. Zoals reeds is vermeld, is het mes tussen 22:07:06 uur en 22:09:35 uur in het oor van aangeefster terechtgekomen. De lezing van verdachte zou inhouden dat [slachtoffer] in de tussenliggende 2 minuten en 29 seconden het mes heeft gepakt, zij dit mes in de kin van verdachte heeft gestoken waarna verdachte op de bank is gaan zitten, zij vervolgens met het mes op verdachte is afgelopen en zwaaiende bewegingen richting verdachte heeft gemaakt, waarna verdachte zich afweert en er een worsteling om het mes plaatsvindt. Verdachte en [slachtoffer] zouden ten val zijn gekomen en door of tijdens deze val zou het mes in [slachtoffer]’s hoofd terecht zijn gekomen.

Buurvrouw [betrokkene] zou ook -nog steeds uitgaande van de lezing van verdachte- binnen deze 2 minuten en 29 seconden moeten hebben gezien dat [slachtoffer], die kruipend naar haar toe is gekomen, een mes in haar oor had zitten en vervolgens zou zij binnen dit zeer korte tijdsbestek met 112 hebben gebeld om melding te doen van het door haar waargenomen noodgeval.

Het hof acht het niet aannemelijk dat voorgaande zich allemaal heeft kunnen afspelen binnen het tijdsbestek van 2 minuten en 29 seconden. De lezing van aangeefster past echter wel in dit objectief vast te stellen tijdsbestek. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte haar geslagen toen zij op bed zat en heeft zij daarna met 112 gebeld. Verdachte wilde toen haar telefoon afpakken, er ontstond een worsteling en [slachtoffer] voelde pijn, werd duizelig en viel op de grond. Toen merkte zij dat er een mes in haar linkeroor zat. Bij de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar met dit mes had gestoken.

Het hof is van oordeel dat het abrupte einde van het telefoongesprek tussen [slachtoffer] en de meldkamer Oost-Nederland en het objectieve gegeven dat de batterij van [slachtoffer]’s telefoon bij het bed is aangetroffen, passen in de lezing van aangeefster.

Weliswaar blijven enkele objectieve onderzoeksresultaten onverklaarbaar, zoals het bloed dat bij de bank is aangetroffen en de bij verdachte geconstateerde verwondingen. Niet valt te duiden hoe deze omstandigheden verband houden met het gepleegde strafbare feit. Een contra-indicatie voor een bewezenverklaring vormen zij evenmin. Voornoemde omstandigheden laten echter onverlet dat het scenario van verdachte niet past in het objectief vast te stellen tijdsbestek zoals dat hiervoor is weergegeven."

4.3. De steller van het middel besluit de toelichting met de stelling dat de door de verdediging beschreven mogelijkheid niet wordt uitgesloten in de bewijsmiddelen. Die stelling mist evenwel feitelijke grondslag, omdat het hof als bewijsmiddel 2 een relaas van verbalisanten heeft gebruikt, waarin zij het volgende schrijven:

"Op 19 november 2013 kregen wij de opdracht van de meldkamer om met spoed naar de woning aan de [a-straat 1] te Apeldoorn te gaan.

Wij gingen de toegangshal van de woning binnen en wij zagen een vrouw gehurkt in de deuropening zitten. De vrouw zat onder het bloed, zowel in haar gezicht als op haar handen. Wij zagen toen dat er aan de linkerzijde van het hoofd van de vrouw ter hoogte van haar linkeroor een handvat van een mes zat. Wij vroegen aan de vrouw wie het mes in haar hoofd had gestoken.

De vrouw deelde ons mede dat dit was gedaan door haar “husband”. Op onze vraag wat de naam van haar “husband” was, antwoordde zij:

[verdachte]."

Uit bewijsmiddel 1 kan worden opgemaakt dat de aangetroffen vrouw aangeefster is en dat met haar echtgenoot verdachte is bedoeld. De bewezenverklaring wordt dus gedragen door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

4.4. Waar het middel in wezen over klaagt is over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal dat het hof heeft gebezigd als grondslag voor de bewezenverklaring en over de verantwoording daarvan in het arrest. Ik stel nog maar eens voorop dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen.4

De vaststelling van het tijdsbestek waarbinnen alles zich moet hebben afgespeeld staat objectief vast. Het hof heeft beschreven wat zich allemaal in dat tijdsbestek moet hebben afgespeeld volgens de verklaring van verdachte, vanaf het afpakken van de telefoon van aangeefster tot het bellen van het alarmnummer door de buurvrouw. Het hof heeft deze lezing van verdachte onaannemelijk geacht. Het hof heeft de voorkeur gegeven aan de gang van zaken zoals die door aangeefster is beschreven. De redenering van het hof is niet onbegrijpelijk, waarmee niet gezegd wil zijn dat de hele gang van zaken klaar en helder is. De uitleg die het hof heeft gegeven voor de duizeligheid van aangeefster wordt inderdaad niet ondersteund door enig bewijsmiddel maar dat is in de bewijsredenering van het hof slechts van ondergeschikte betekenis.5 Kortom, het hof is gebleven binnen de grenzen van de autonomie die de rechter die over de feiten oordeelt toekomt bij de vaststelling en waardering van die feiten. Het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, zal immers niet onbegrijpelijk genoemd kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.6

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie het vonnis van de rechtbank.

2 Aanwijzing van het College van PG's van 19 mei 2008, Stcrt. 2012, 26879.

3 Bijv. HR 18 juli 1992, NJ 1993, 29.

4 Bijv. HR 7 juni 2015, NJ 2015/428 m.nt. Vellinga-Schootstra.

5 Overigens heeft de AG ter terechtzitting van 13 mei 2015 wel verklaard dat het evenwichtsorgaan in het oor van aangeefster door het mes is doorboord.

6 HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:631.