Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:60

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
16/00035
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:732, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00035

Mr. F.F. Langemeijer

12 februari 2016

Conclusie inzake:

[de vader]

tegen

Gemeente Rotterdam

1. De Gemeente Rotterdam heeft gezinsbijstand verleend aan [de vrouw] (hierna: de vrouw), mede ten behoeve van haar minderjarige dochter. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten tot verhaal op de vader, [de vader], van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand ten behoeve van deze minderjarige. Bij beschikking van 9 januari 2015 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van de Gemeente1 het door de vader aan de Gemeente te betalen bedrag vastgesteld op € 137,- per maand met ingang van 1 maart 2012, zolang de bijstandverlening aan de vrouw voortduurt.

2. Op het hoger beroep van de vader heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 25 november 2015 de te verhalen bijdrage eveneens bepaald op € 137,- per maand met ingang van 1 maart 2012, doch (met vernietiging in zoverre van de beschikking in eerste aanleg) tot 15 januari 2015.

3. Bij verzoekschrift van 30 december 2015 heeft een gemachtigde namens de vader te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen. Het verzoekschrift is in strijd met art. 426a Rv niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van de hem geboden gelegenheid tot herstel van dit gebrek heeft de vader geen gebruik gemaakt.

4. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieverzoek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden.

a. – g.

1 Zie art. 62h Participatiewet (voorheen: Wet werk en bijstand). Tot 9 januari 2015 was door de rechter nog geen bijdrage aan de vader opgelegd (rov. 2.5 Rb).