Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:584

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-04-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
14/06441
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1316, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen bankoverval. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06441

Zitting: 5 april 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 november 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Daarin wordt geklaagd over het bewezenverklaarde medeplegen.

3 Aan de bespreking van het middel voorafgaande beschouwing

3.1.

In het overzichtsarrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, vangt de Hoge Raad zijn uiteenzetting over medeplegen en medeplichtigheid aan met de overweging dat in de praktijk een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Deze constatering wordt bevestigd door de regelmaat waarin door indiening van cassatiemiddelen over deze problematiek bij de Hoge Raad wordt geklaagd. Om daarop door middel van een analyse nader in te gaan, hebben mijn ambtgenoot Hofstee en ik uit het aanbod van cassatiezaken er zeven geselecteerd.1 Mijn ambtgenoot zal in drie, en ik in vier verschillende zaken afzonderlijk, maar wel simultaan, volgens een vaste opbouw een conclusie nemen, waarvan de onderhavige er een is. Dat doen wij op basis van een gelijkluidende, door ons gezamenlijk geschreven voorafgaande beschouwing, waarin eerst aan de hand van recente arresten van de Hoge Raad mogelijke onduidelijkheden omtrent medeplegen in kaart worden gebracht, uiteraard ook in samenhang met medeplichtigheid,2 en vervolgens een door ons samengesteld beslisschema wordt gepresenteerd. Met een bespreking van het middel of de middelen wordt elke conclusie afgesloten.

3.2.

Op het gebied dat wordt bestreken door het strafrechtelijk leerstuk van de elkaar uitsluitende deelnemingsvormen medeplegen en medeplichtigheid, heeft de Hoge Raad in de afgelopen anderhalf jaar een aantal arresten gewezen waaruit blijkt dat ons hoogste rechtscollege een nieuwe richting is ingeslagen. Met deze jongste rechtspraak wil de Hoge Raad, ook naar eigen zeggen, een strakkere grenslijn trekken tussen medeplegen aan de ene kant en meer in het bijzonder medeplichtigheid aan de andere kant.3 Waarneembaar werd deze koerswijziging in het eerder genoemde overzichtsarrest van 2 december 2014, waarin de Hoge Raad zijn eigen rechtspraak over met name medeplegen heeft samengevat en op enige aandachtspunten zoveel mogelijk heeft verduidelijkt en aangescherpt ten einde de reikwijdte van de strafbaarstelling voor medeplegen weer terug te dringen naar haar eigen specifieke terrein. Hoewel de Hoge Raad er zelf al direct op wijst dat de vraag wanneer sprake is van medeplegen zich niet in algemene zin laat beantwoorden maar een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt, heeft hij aandachtspunten geformuleerd die handvatten moeten bieden om het medeplegen meer inzichtelijk af te grenzen van de medeplichtigheid. Daarbij zijn in materieelrechtelijk opzicht accenten gelegd op de aard van de gedraging(en), de rol van de deelnemer en het tijdstip van deelneming, en in strafvorderlijke zin strengere eisen gesteld aan de motivering door de rechter. De overwegingen van de Hoge Raad in dat overzichtsarrest komen samengevat weergegeven op het volgende neer:

- Medeplegen vereist primair een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent op de samenwerking ligt en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, een kwestie die dus een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval verlangt.

- Daarnaast moet in ieder geval voor de kwalificatie medeplegen de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht zijn. Dat geldt in vergelijkbare zin, aldus de Hoge Raad, indien het medeplegen — bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ — een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, zoals bijvoorbeeld in art. 141, eerste lid, Sr het geval is. Het daar strafbaar gestelde ‘in vereniging plegen’ van geweld eist een meer op dit specifieke delict geformuleerde variatie van een bijdrage van voldoende gewicht, namelijk dat de verdachte ‘een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld’ heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest.

- Kernverwijt bij medeplichtigheid is ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht) rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.

- In dat laatste geval zijn de aspecten die bij de beoordeling (en motivering) een rol kunnen spelen onder meer:

  • de intensiteit van de samenwerking,

  •  de onderlinge taakverdeling,

  •  de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en

  •  het belang van de rol van de verdachte, waaronder diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

- Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe, het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

- De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar kan ook uit verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit of in hoofdzaak vóór het strafbare feit bestaan.

- Indien de bijdrage niet geleverd is in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

3.3.

Zo bezien wordt er in twee situaties een extra motivering van de rechter verlangd voor het aannemen van medeplegen, namelijk in de eerste plaats als het gaat om gedragingen die naar hun aard meer in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid en in de tweede plaats als de bijdrage bestaat uit gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit en de verdachte bij de uitvoering van het delict een geringe of geen rol heeft gespeeld.

3.4.

Op verzoek van mijn ambtgenoot Hofstee en mij heeft de Hoge Raad in een drietal arresten van 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:713/716/718) enkele overwegingen gewijd aan vraagpunten die in de daaraan voorafgaande conclusies met betrekking tot de spanwijdte van het medeplegen en het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid aan de orde werden gesteld, meer in het bijzonder in de context van de feitelijke handelingen, de mogelijkheid van niet-lijfelijke aanwezigheid in de uitvoeringsfase (wie doet wat en op welk tijdstip en op welke plaats) en mede toegespitst op de bijzondere delictsomschrijvingen. De overwegingen van Hoge Raad houden het volgende in:

- Indien medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving (bijvoorbeeld door de woorden ‘in vereniging’ of ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’), moet het ‘in vergelijkbare zin’ gaan om een nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht. Deze bijdrage zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.

- Indien de gedragingen hoofdzakelijk na de uitvoering van het strafbare feit zijn verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

3.5.

Met deze arresten heeft de Hoge Raad zeker gesteld dat de eisen voor alle varianten van medeplegen gelijk zijn getrokken en heeft hij de focus nog wat meer gelegd op de extra motiveringsplicht als het gaat om gedragingen die na de uitvoering van het delict hebben plaatsgevonden. Voorts wordt door de Hoge Raad bevestigd dat gedragingen die dicht in de buurt van medeplichtigheid komen onder zeer bepaalde omstandigheden onder het toepassingsbereik van medeplegen te scharen zijn, zij het dat dan wel van de feitenrechter een zorgvuldige en begrijpelijke bewijsvoering wordt gevraagd. De bijzondere motiveringsplicht voor de rechter, geldt hier in versterkte mate.

3.6.

Maar hebben de hierboven aangehaalde arresten nu ook voldoende houvast gegeven voor de rechtspraktijk, die regelmatig met uiteenlopende vormen van medeplegen en medeplichtigheid wordt geconfronteerd, bieden zij kortom de verfijning waarbij de rechtspraktijk baat heeft in de veelomvattende en soms moeilijk te beoordelen casuïstiek van de dag? Met het oog op die vraagstellingen hebben mijn ambtgenoot Hofstee en ik nadien gewezen arresten van de Hoge Raad over medeplegen en medeplichtigheid, en de onderliggende uitspraken van de hoven, nog eens nader geanalyseerd. Onze slotsom is dat de contouren van deze vormen van deelneming en de tussenliggende demarcatielijn zich kennelijk nog niet helemaal scherp hebben laten aftekenen. Naar onze mening komt dit niet zozeer doordat de vraag of er sprake is van medeplegen of medeplichtigheid van de waardering van de concrete omstandigheden afhangt, maar (ook) doordat het toetsingskader dat door de Hoge Raad is uiteengezet in de praktijk nog vragen oproept.

3.7.

Mogelijk hebben ook enkele arresten van de Hoge Raad zelf daartoe bijgedragen. Ter illustratie zij hier alvast gewezen op de volgende twee voorbeelden.

In de ene zaak liet de Hoge Raad een veroordeling wegens medeplegen in stand ten aanzien van een verdachte die met het oog op een te plegen inbraak in een supermarkt een medeverdachte voor sluitingstijd had ingesloten in de meterkast in het magazijn, opdat die medeverdachte op een geschikt moment de alarmkabels kon doorknippen waarna de anderen naar binnen zouden gaan. Van belang is verder dat het hierbij om een vaste modus operandi ging van een criminele jeugdgroep. Kennelijk was de Hoge Raad in deze zaak van oordeel dat, ter voltooiing van de beoogde diefstal, het insluiten al als een eerste, en tevens belangrijke, feitelijke uitvoeringshandeling van de inbraak kon worden aangemerkt.4

In de andere zaak achtte de Hoge Raad, anders dan onze ambtgenoot Bleichrodt in zijn conclusie, ook de opeenstapeling van op zichzelf medeplichtige gedragingen onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een overval op een juwelier. In deze zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte betrokken was geweest bij de voorverkenning bij de juwelier, bestuurder was van de gestolen vluchtauto en zijn medeverdachten, die de overval feitelijk hadden gepleegd, volgens een vooraf beraamd vluchtplan had opgewacht. Bleichrodt meende dat het hof op grond van deze feiten kon oordelen dat er sprake was van medeplegen omdat de verdachte niet alleen bij de voltooiing van het delict maar ook in het kader van de voorbereiding van de overval een substantiële rol had vervuld, waarbij bovendien de gang van zaken duidde op een planmatig karakter van de overval en een hechte samenwerking van de dadergroep. De Hoge Raad deelt dit oordeel niet en overweegt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van medeplegen, waarbij de Hoge Raad in aanmerking neemt dat het hof vooral betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid "dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto (de Audi S6) en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij een voorverkenning van de plaats delict op 15 juni 2011".5

Beide voorbeelden illustreren dat het niet zelden nog zoeken is waar de grenslijn ligt met medeplichtigheid.

3.8.

Bij onze analyse van, kort gezegd, medeplegen versus medeplichtigheid hebben mijn ambtgenoot Hofstee en ik getracht zichtbaar te maken welke begrippen en criteria een rol spelen en waar de mogelijke probleempunten zitten, ten einde deze te verwerken in een voor de praktijk hanteerbaar beslisschema. Daarbij gaat onze aandacht vooral uit naar vragen als:

a. Hoe verhouden de criteria van een nauwe en bewuste samenwerking en een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht zich tot elkaar? Waarom wordt bijvoorbeeld het laten insluiten in een supermarkt als een wezenlijke bijdrage van de ‘insluiter’ aan het delict aangemerkt en onder het bereik van medeplegen gebracht en niet aangemerkt als medeplichtigheid?

b. Wat betekent precies een gezamenlijke uitvoering en hoe verhoudt deze zich tot gedragingen voorafgaand, tijdens of na het strafbare feit? Wat is het verschil tussen gezamenlijke uitvoering en gedragingen tijdens het delict respectievelijk ‘lijfelijke aanwezigheid’? Maakt het daarbij nog uit om welk delict het gaat (denk aan inbraak, groepsgeweld, etc.)?

c. Wat houdt de extra motiveringsplicht in ten aanzien van de gedragingen voorafgaand aan onderscheidenlijk na het delict?

d. Is voor het ‘in vereniging plegen’ van bijvoorbeeld geweld als bedoeld in art. 141 Sr de ‘lijfelijke aanwezigheid’ van de pleger van dat geweld vereist?

4 Categorisering rechtspraak naar deelonderwerpen

4.1.

Hieronder zal worden ingegaan op gevallen waarin wel of juist geen sprake is van (i) een gezamenlijke uitvoering van het feit dan wel (ii) van gedragingen voorafgaand, tijdens of na het feit die kunnen gelden als een voldoende gewichtige intellectuele of materiële bijdrage aan het feit. Wij laten hierbij een bespreking van de vraag waarop het opzet van de medepleger moet zijn gericht buiten beschouwing, omdat dit aspect nauwelijks in de door ons bekeken uitspraken aan de orde is. Wij delen in dat verband ook de visie van onze ambtgenoot Vellinga dat het sinds 2 december 2014 te maken preciezere onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid niet in de eerste plaats in een verschil in opzet schuilt.6 Het is ons er vooral om te doen een beter inzicht te krijgen in de toepassing van de criteria die door de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 zijn geformuleerd.7

(I) Gezamenlijke uitvoering

4.2.

Het vereiste van de gezamenlijke uitvoering is om met de woorden van De Hullu te spreken niet zozeer een zelfstandig criterium, maar geldt als een invulling van het vereiste van bewuste en nauwe samenwerking dat centraal staat bij de vraag of er sprake is van medeplegen.8 Gezamenlijke uitvoering veronderstelt tevens naar zijn inhoud reeds een voldoende gewichtige intellectuele en/of materiële bijdrage. Volgens de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 2 december 2014 zal een dergelijke bijdrage in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit.

4.3.

Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat de enkele aanwezigheid ten tijde van de verwezenlijking van het delict (in beginsel) onvoldoende is.9 Zo was bijvoorbeeld het lijfelijk en dreigend aanwezig zijn, het zich niet distantiëren en het op enige afstand blijven wachten toen het feit werd begaan tezamen niet genoeg voor de bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing en diefstal onder bedreiging van geweld.10 Dat gold ook voor de situatie waarin een medeverdachte gedurende een tijdsbestek van een aantal uren in aanwezigheid van de verdachte een ander meermalen met kracht in het gezicht, tegen het hoofd en het bovenlichaam had geslagen en geschopt. De verdachte zelf had geen geweld gepleegd maar had ook op geen enkele wijze geprobeerd om het geweld te doen stoppen, zelfs niet toen het slachtoffer weerloos was (gemaakt) en in hulpeloze toestand kwam te verkeren. Anders dan het hof, oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van de betrokkenheid en aansprakelijkheid van de verdachte dat deze omstandigheden – het langdurig fysiek aanwezig zijn en het niet ingrijpen – onvoldoende waren om te kunnen aannemen dat hij een ‘wezenlijke’ bijdrage had geleverd aan de tenlastegelegde poging tot moord, in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen niet bleek van een voldoende intellectuele of materiële bijdrage van zijn kant.11 Deze voorbeelden sluiten aan bij de overweging van de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 2 december 2014 dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt.

4.4.

Ook als in de uitvoeringsfase de rol van de verdachte uit wat meer heeft bestaan dan het aanwezig zijn en het niet ingrijpen, levert dat zeker nog niet zonder meer gezamenlijke uitvoering op, ook al heeft hij gedragingen verricht die zijn te situeren binnen het tijdsbestek waarop het strafbare feit feitelijk plaatsvindt. Dan geldt eveneens dat de bijdrage van de verdachte aan het feit al met al wezenlijk van aard moet zijn geweest. Zo was er volgens de Hoge Raad geen sprake van medeplegen in de volgende gevallen: aanwezig zijn en aanreiken van een vuurwapen aan degene die daarmee de slachtoffers doodde (HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3165); optreden als chauffeur voor de verkoper van cocaïne en aanwezig zijn bij verkoop (HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453, overigens wel medeplegen van vervoer, zie hieronder, en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3427); aanwezig zijn en op twee momenten hulp bieden aan personen die van dak afklimmen na brandstichting pand (HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3571).

4.5.

Bevestiging voor de stelregel dat een gezamenlijke uitvoering eerst kan worden aangenomen als daarbij naast een fysieke aanwezigheid de bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is, kan ook worden gevonden in een aantal uitspraken waarin de Hoge Raad de veroordeling wegens medeplegen (waaronder het ‘in vereniging plegen’ begrepen) juist in stand liet. In die gevallen bleek uit de bewijsconstructie van het hof telkens dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de uitvoering van het delict maar daaraan ook op enigerlei wijze een actieve bijdrage had geleverd en/of daaruit bewust voordeel had verkregen.12 De rol van de verdachte was om die reden gelijkwaardig aan die van de anderen. Zo was bijvoorbeeld het besturen door de verdachte van een auto waarin hij samen met zijn medeverdachte reed en waarin op diverse plaatsen – waaronder aan de bestuurderszijde – verdovende middelen waren verstopt, samen met het stoppen op het adres waar de medeverdachte de heroïne zou afleveren, aldaar wachten op die medeverdachte en weer met die medeverdachte vertrekken weliswaar niet voldoende voor het medeplegen van de verkoop van die verdovende middelen maar wel voor het medeplegen van het vervoer daarvan.13 Uit de bewijsconstructie van het hof kon namelijk worden afgeleid dat de verdachte, die niet alleen de auto had bestuurd en dus feitelijk de verdovende middelen had vervoerd, ook wist dat die verdovende middelen in de auto waren verstopt.

4.6.

Anderzijds behoeft in geval van aanwezigheid bij het delict de rol van de verdachte kennelijk niet altijd heel groot te zijn om diens bijdrage te kunnen aanmerken als wezenlijk of van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht. In twee zaken waarin sprake was van diefstal met geweld en bedreiging met geweld in groepsverband liet de Hoge Raad de veroordelingen in stand, hoewel de rol van de verdachten die van meeloper leek te zijn en de bewijsvoering enigszins in het midden liet wat de eigen (actieve) bijdrage van deze verdachten aan de diefstal met geweld en de bedreiging met geweld precies was geweest. Het hof had niet méér vastgesteld dan dat de verdachten op enig moment deel waren gaan uitmaken van de groep die de diefstal had gepleegd, dat hun aanwezigheid mede daardoor een dreigend karakter had en dat beiden na de beroving spullen uit de handtassen van de aangeefsters in hun bezit hadden.14 Deze gedragingen tijdens en na het feit waren kennelijk voldoende om hun bijdrage als wezenlijk aan te merken. Mogelijk valt daaruit af te leiden dat de soort waartoe het delict hoort van belang is en dat de Hoge Raad in het geval van bedreigingen in (georganiseerd) groepsverband eerder medeplegen lijkt aan te nemen, in die zin dat de bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijke uitvoering van het feit zelf minder prominent mag zijn dan die van de anderen wanneer zijn aanwezigheid in de groep ertoe strekt daaraan een bedreigend karakter te geven.15

Gezamenlijke uitvoering: tussenconclusie

4.7.

Een gezamenlijke uitvoering tijdens het feit levert al voldoende aanwijzingen voor een wezenlijke bijdrage en derhalve voor medeplegen op. Het is dan aan de verdachte om het tegendeel aannemelijk te maken. Niettemin blijft staan de vraag wanneer, onder welke omstandigheden, een bijdrage van voldoende gewicht is om een bewezenverklaring ter zake van medeplegen te kunnen dragen. Waar ligt de grenslijn met of het kantelpunt naar medeplichtigheid?

4.8.

Gedragingen die enkel het delict bevorderen of vergemakkelijken zijn in elk geval voor medeplegen onvoldoende. Of gedragingen als zodanig kunnen worden aangemerkt, is weer een andere vraag, en bovendien een vraag die zich niet in zijn algemeenheid maar slechts aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval laat beantwoorden. Zo noemt De Hullu in dit verband het voorbeeld van “een passief soort medeplegen door ter plekke aanwezig te zijn”: op zichzelf kan zo’n aanwezige als medepleger worden aangemerkt, indien maar vaststaat dat er sprake was van voldoende (bewuste en) nauwe samenwerking. Dat is bij enkele aanwezigheid zeker niet evident, en daarom moet er dan méér worden vastgesteld, bijvoorbeeld de betrokkenheid bij het plan, de actieve aansporing van de feitelijke uitvoerder, een rechtsplicht tot handelen die opzettelijk wordt verzaakt, de relevantie van die aanwezigheid of een combinatie van dergelijke elementen.16

4.9.

Daarbij hangt het ook van de aard van het delict af welke eisen gesteld worden aan het gewicht van de bijdrage. In dat verband noemen wij de gevallen van (bedreigingen met) geweld in groepsverband, waarbij de Hoge Raad minder snel geneigd lijkt te zijn een bewezenverklaring van medeplegen te vernietigen, ook al heeft een van de betrokkenen een minder gewichtige bijdrage aan het feit zelf geleverd. In dergelijke gevallen lijkt juist de omstandigheid dat het feit gezamenlijk en gelijktijdig wordt uitgevoerd een zodanig zwaarwegende factor te zijn dat voor medeplegen niet veel meer nodig is dan de aanwezigheid van de betrokkene ter plaatse, als die aanwezigheid dan maar bijdraagt aan een getalsmatige versterking van de groep waardoor het bedreigende karakter daarvan eveneens wordt vergroot. In geval van openlijke geweldpleging in vereniging zal lijfelijke aanwezigheid de normale gang van zaken zijn en lijkt het niet goed voorstelbaar hoe iemand daaraan anders een gewichtige bijdrage kan leveren. Denkbaar is echter dat iemand, deel uitmakend van een vaste groep voetbalhooligans of van een motorbende, niet fysiek aanwezig is en op afstand de rol van regisseur vervult door het telefonisch geven van aanwijzingen. Die mogelijkheid wordt hierna onder 4.14 besproken, terwijl hier voorts ook al wordt gewezen op de straks te bespreken uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2015.17

(ii) gedragingen voorafgaand, tijdens of na het feit die kunnen gelden als een voldoende gewichtige intellectuele of materiële bijdrage aan het feit.

4.10.

De overweging in het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014, dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan lijkt een gelijktijdigheidsverband tot uitdrukking te brengen. Maar de bijdrage kan ook bestaan in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, zo vervolgt de Hoge Raad. Dit laatste roept vragen op omdat daarmee blijkbaar gedoeld wordt op gedragingen die niet onder de gezamenlijke uitvoering van het feit te brengen zijn. Waar moeten we dan aan denken, met name als dit handelingen kunnen zijn die ‘tijdens’ het strafbare feit worden verricht? Dat roept op zijn beurt de vraag op wat de Hoge Raad in dit verband bedoelt met een ‘gezamenlijke uitvoering van het feit’. Gaat het dan om de fysieke uitvoering die lijfelijke aanwezigheid veronderstelt?

4.11.

Deze vraag speelt in het hiervoor reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 april 201518 waarin de verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van een inbraak in een supermarkt. De verdachte had zelf geen bijdrage geleverd tijdens de feitelijke inbraak, maar had, als gezegd, vooraf een medeverdachte ongezien ingesloten in een meterkast in het magazijn van de supermarkt (zodat deze na sluitingstijd de alarmkabels kon doorknippen). Het hof had die gedraging gelet op de modus operandi als een ‘uitvoeringshandeling van de inbraak’ aangemerkt zodat er (volgens het hof) sprake was van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk mede gelet op de door het hof vastgestelde bijzondere wijze waarop de inbraak was uitgevoerd. Deze uitspraak van de Hoge Raad is in het licht van het overzichtsarrest van 2 december 2014 niet vanzelfsprekend. Het betreft hier immers een handeling die vooraf ging aan het materiële feit zelf – de diefstal met braak – , en dus lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat bij de zojuist genoemde uitvoeringshandeling niet alleen dient te worden gedacht aan een gedraging tijdens het feit, maar ook aan een gedraging die te positioneren is in een fase die daar (direct) aan voorafgaat. Deze gedraging is dan van zoveel gewicht, en mogelijk zelfs wezenlijk, voor het welslagen van de diefstal met braak, dat het insluiten van de medeverdachte in dit geval kan worden aangemerkt als een eerste, belangrijke, aanzet tot de uitvoering van het feit. Dat brengt mee dat ‘de gezamenlijke uitvoering’ uit verschillende fasen kan bestaan en meer bestrijkt dan alleen gedragingen die feitelijk tijdens de verwezenlijking van het feit plaatsvinden. Ook al lijkt hier van gelijktijdigheid geen sprake te zijn, door de gezamenlijke uitvoering te laten aanvangen bij de insluiting in de meterkast wordt er toch een zekere – weliswaar uitgerekte – gelijktijdigheid geconstrueerd.19 Opmerking verdient in dit verband dat een dergelijke uitleg zich onzes inziens verdraagt met het leerstuk van een begin van uitvoering van het misdrijf in het kader van de poging.20

4.12.

Een voorbeeld van eenzelfde soort constructie, maar waarbij de gezamenlijke uitvoering zich uitstrekt tot handelingen die verricht zijn ná het plegen van het grondfeit, kan worden gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2015 waarbij het medeplegen van diefstal gevolgd door bedreiging van geweld was bewezenverklaard. Het hof had vastgesteld dat de verdachte zich (aanvankelijk) niet bewust was van de diefstal van een portemonnee door zijn medeverdachte, maar wel moet hebben gezien dat zijn medeverdachte daarna geld uit de ontvreemde portemonnee haalde. Toen had hij volgens het hof moeten beseffen dat zijn medeverdachte die portemonnee gestolen had. De verdachte had vervolgens door bedreigende gedragingen de vlucht van zijn medeverdachte en hemzelf en het veiligstellen van het weggenomen geld uit die portemonnee mogelijk gemaakt. Daaruit leidde het hof af dat de verdachte het oogmerk had gehad op verwezenlijking van de diefstal en daarvoor als medepleger verantwoordelijk kon worden gehouden. De Hoge Raad las daarin het kennelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte in zodanig nauw verband stonden met de diefstal en van zodanig belang waren, dat van nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn mededader gesproken kon worden. Dat gaf volgens de Hoge Raad geen blijkt van een onjuiste rechtsopvatting, ook al had het hof (ook) overwogen dat niet was gebleken van een vooraf gemaakte afspraak tussen de verdachte en zijn medeverdachte om de portemonnee te stelen.21 Van belang is te onderkennen dat het in dit voorbeeld gaat om een gekwalificeerd delict, namelijk diefstal ‘gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen’. In de visie van het hof is het niet de diefstal zelf, die is ‘medegepleegd’, maar de diefstal gevolgd door bedreiging met geweld, waarbij de verdachte de (latere) bedreiging heeft uitgevoerd en dus een uitvoeringshandeling heeft verricht. Het medeplegen bestaat dan uit een gezamenlijke uitvoering van de diefstal met geweld.22

4.13.

Op de keper beschouwd zijn in deze voorbeelden de handelingen van de verdachten, die ogenschijnlijk zijn verricht voorafgaand respectievelijk na afloop van het strafbare feit, aangemerkt als uitvoeringshandelingen van dat strafbare feit en is er op grond daarvan sprake van een gezamenlijke uitvoering. Daardoor vallen zij in feite buiten de categorie waarbij het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit hebben plaatsgevonden. Deze voorbeelden maken wel inzichtelijk wat onder het bereik van een gezamenlijke uitvoering kan worden gebracht, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord op welke situaties de Hoge Raad het oog heeft bij de varianten waarbij de geleverde bijdrage wordt gevormd door gedragingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit en die niet binnen een gezamenlijke uitvoering vallen. Wat bedoelt de Hoge Raad, met name als het gaat om de variant ‘tijdens’ daar precies mee, vergeleken met de daaraan voorafgaande zin over de gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit? Wij menen dat deze categorie van kortgezegd handelingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit alleen zinvol kan worden ingevuld, als onder de uitvoering van het strafbare feit de fysieke uitvoering wordt verstaan die zich over een min of meer af te bakenen periode afspeelt. Met dit uitgangspunt in ons achterhoofd hebben we een aantal gevallen geanalyseerd waarbij er geen bijdrage tijdens de uitvoering van het (grond)delict is geleverd en er wel sprake is van medeplegen.

4.14.

Het is al lang staande jurisprudentie dat lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling aan het aannemen van medeplegen niet in de weg hoeft te staan.23 Het gaat dan om situaties waarbij de verdachte weliswaar niet deelneemt aan de daadwerkelijke uitvoering van het delict, maar wel een sturende of leidende rol heeft in de voorbereiding en de uitvoering ervan, daartoe het initiatief neemt of kennelijk het ‘brein’ is achter de feiten. Recente voorbeelden daarvan kunnen worden gevonden in een aantal zaken die de Hoge Raad met toepassing van art. 81, eerste lid, RO afdeed.24 Een illustratieve casus, waarbij het niet alleen ging om het nemen van het initiatief en het bedenken van het plan, maar ook om handelingen die tijdens de uitvoering van het strafbare feit door de andere medepleger werden verricht, is een zaak waarbij de Wet op de Luchtvaart werd overtreden door met een modelvliegtuigje boven de Ridderzaal en het Binnenhof te vliegen. De verdachte had het modelvliegtuig niet zelf bestuurd maar had de piloot (zijn medepleger) telefonisch aanwijzingen gegeven vanaf de grond over de richting waarin het vliegtuigje moest vliegen en ook bijvoorbeeld opdracht gegeven nog “een paar opvallende manoeuvres te maken met ronkende geluiden”. Hieruit kon het hof opmaken dat tussen de verdachte en de piloot sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.25 Dit is bovendien ook een voorbeeld van de hierboven genoemde variant van een geleverde bijdrage tijdens de uitvoering van het delict zonder dat er sprake is van een (fysieke) gezamenlijke uitvoering ervan.

4.15.

Een ander geval waarin de verdachte geen (fysieke) bijdrage had geleverd aan de uitvoering van het delict zelf, te weten het openlijk in vereniging plegen van geweld door meerdere malen met vuurwapens te schieten op een woning, kan gevonden worden in HR 13 oktober 2015.26 Het hof had er in zijn bewijsmotivering op gewezen dat de verdachte het adres van de woning had gegeven, met vijf anderen naar de woning was gereden, daar tweemaal op de voordeur had geklopt en de naam van de bewoner had geroepen en dat de verdachte de groep getalsmatig had versterkt. Aan het schieten zelf had hij niet deelgenomen. Voor het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag achtte het hof dit niet voldoende, maar wel voor het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van de openlijke geweldpleging. A-G Harteveld meende in zijn conclusie dat die gedragingen ieder afzonderlijk eerder met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en nu deze kennelijk niet voldoende waren voor het aannemen van de poging tot doodslag, dit bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat het hof van oordeel was dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage had geleverd aan de openlijke geweldpleging die uit datzelfde schieten bestond. Op grond van welke factoren de Hoge Raad tot zijn van de A-G afwijkend oordeel kwam, blijkt uit dit arrest niet. Net als wij hiervoor onder 4.9 hebben opgemerkt is ook hier wellicht het afwijkende oordeel van de Hoge Raad te verklaren uit het soort delict, in dit geval geweldpleging in (georganiseerd) groepsverband. Dan lijkt sneller medeplegen te worden aangenomen, mogelijk omdat, zoals wij hiervoor opmerkten, in dergelijke situaties de bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijke uitvoering van het feit zelf minder prominent mag zijn dan die van de anderen, wanneer zijn aanwezigheid in de groep ertoe strekt daaraan een bedreigend karakter te geven. Wellicht geldt het voorgaande eveneens als het gaat om gedragingen die voorafgaan aan de feitelijke uitvoering van de openlijke geweldpleging, en slaat ook in die situaties de balans eerder door in de richting van medeplegen. Dit zou tevens het verschil verklaren met het door ons hiervoor genoemde arrest van HR 16 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3637 betreffende een inbraak bij een juwelier. De Hoge Raad achtte daarin de veroordeling wegens medeplegen door het hof op grond van de overwegingen “dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij de voorverkenning van de plaats delict” onvoldoende gemotiveerd.

4.16.

Bij hennepteelt lijkt medeplegen minder snel te worden aangenomen. De Hoge Raad heeft recentelijk een aantal veroordelingen wegens medeplegen van de teelt zelf of van het aanwezig hebben van hennep vernietigd. Daarbij was telkens sprake van een situatie waarin de verdachte onmiskenbaar op de hoogte was van de betrokken hennepplantage maar niet méér had gedaan dan het ter beschikking stellen van een woning (en de daarin aanwezige voorzieningen), dan wel het regelen van mensen voor het aanleggen van de hennepplantage en/of het faciliteren van de financiering van die plantage. Omdat daaruit niet bleek dat de verdachte iets te maken had gehad met de teelt zelf en/of de opbrengsten daarvan, hielden deze veroordelingen in cassatie geen stand.27 In een aantal van deze zaken overwoog de Hoge Raad expliciet dat de verrichte gedragingen in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid, nu het er telkens op neerkwam dat de verdachte het delict had bevorderd, vergemakkelijkt of mogelijk gemaakt maar aan het delict zelf niet of nauwelijks een bijdrage van enig gewicht had geleverd. Als de bewijsmiddelen weinig inhouden omtrent de rol of bijdrage van de verdachte en het hof daaraan geen bewijsoverweging heeft gewijd, zal een bewezenverklaring ter zake van medeplegen de toets in cassatie niet doorstaan (en al snel worden afgedaan als onbegrijpelijk), omdat in het ongewisse blijft op welke redengevende feiten en omstandigheden de vereiste bewuste en nauwe samenwerking gebaseerd is.28 Om dan tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is meer nodig, zoals bijvoorbeeld blijkt uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696: het hof had vastgesteld dat de verdachte en een medeverdachte zich bij het bedrijfspand bevonden waar later hennepplanten werden aangetroffen, zij over een sleutel van dat pand beschikten, zij daar al eerder waren geweest en één van hen spontaan aan de ter plaatse gekomen politie mededeelde dat in dat pand hennep werd geteeld. Hier liet de Hoge Raad de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die hennepplanten in stand.29

4.17.

Maar in een van de zaken die betrekking hadden op de spraakmakende Rioolputmoord, vernietigde de Hoge Raad de veroordeling van een van de verdachten wegens medeplegen omdat het hof in de kern enkel had vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer had misleid over het doel van een gesprek waartoe het slachtoffer naar een bepaalde plaats was gelokt en hem niet had gewaarschuwd, waardoor het voor de medeverdachte mogelijk was om het slachtoffer neer te schieten.30 A-G Harteveld meende in deze zaak dat het hof de veroordeling wegens medeplegen voldoende had gemotiveerd, nu het hof ook had vastgesteld dat de verdachte van de hoed en de rand wist, na afloop had geholpen met het wissen van de sporen en het wegvoeren van het lijk en zich niet had gedistantieerd. In dit geval achtte de Hoge Raad deze handelingen na het strafbare feit kennelijk niet voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking.

4.18.

Wij zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad na het overzichtsarrest van 2 december 2014 geen zaken tegengekomen waarin een veroordeling wegens medeplegen uitsluitend was gebaseerd op gedragingen verricht ná het strafbare feit en deze veroordeling vervolgens in cassatie stand hield. In de zaak waarbij het ging om de vraag of de verdachte de diefstal van een navigatiesysteem uit een auto had medegepleegd, kon volgens de Hoge Raad uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat de verdachte de auto had bestuurd waarmee de daders waren gevlucht nadat het feit was gepleegd en dat achtte hij onvoldoende, in aanmerking nemend dat verdere overwegingen over een nauwe en bewuste samenwerking in het arrest van het hof ontbraken. 31 Ook een andere zaak betrof ‘het behulpzaam zijn’ bij de vlucht. De verdachte had twee medeverdachten als passagiers in zijn auto naar de plaats delict gebracht, was met draaiende motor in de auto blijven wachten, had de bestuurder van een andere auto (die vóór hem wilde parkeren) gemaand weg te gaan, en had door de beide achterportieren van de auto open te houden een vrije vluchtweg willen creëren voor de medeverdachten. Het hof meende uit dit samenstel van gedragingen een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering ‘voorafgaand aan’ en ‘na afloop van’ de beroving te kunnen afleiden. De Hoge Raad zag dit anders: “Nu deze door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en het Hof uit die omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering ‘voorafgaand aan’ en ‘na afloop van’ de beroving, is 's Hofs oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de beroving, ontoereikend gemotiveerd.”32

In zijn noot onder de arresten van de Hoge Raad van 24 maart 201533 stelt Nan dat uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 volgt dat degene die uitsluitend handelingen verricht nádat het feit is begaan niet als medepleger kan worden aangemerkt. Ik heb in mijn conclusie voorafgaand aan HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 het standpunt ingenomen dat handelingen die zijn begaan na het strafbare feit op zichzelf niet genoeg kunnen zijn om van medeplegen te kunnen spreken, maar hoogstens in bewijsrechtelijke zin een indicatie kunnen opleveren voor de beantwoording van de vraag of de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd voorafgaand of tijdens het uitvoeren van het strafbare feit.34 Dat is een uitgangspunt waar wij nog steeds achter staan.

5 Samenvatting en beslisschema

5.1.

Uit de voorgaande analyse blijkt onzes inziens dat de criteria die de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 heeft geformuleerd om de bewijsbeslissing in geval van medeplegen van een preciezer beslissingskader te voorzien en beter te markeren ten opzichte van medeplichtigheid, niet steeds eenvoudig zijn toe te passen en soms leiden tot uitkomsten die aan de hand van die criteria niet goed verklaarbaar zijn. In concrete zaken blijkt de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid nog altijd moeilijk en is de afloop van een cassatieberoep dat daarop is gericht niet goed te voorspellen. Nu is enige onvoorspelbaarheid tot op zekere hoogte onlosmakelijk verbonden met rechtspraak – en dat er ruimte blijft voor debat is maar goed ook – maar de regelmaat waarmee medepleegvraagstukken aan de Hoge Raad worden voorgelegd verraadt ook onzekerheid over de (invulling van de) toetsingsmaatstaven. Het gaat daarbij niet alleen om een nauwkeurige waardering van de concrete omstandigheden van het geval, maar ook over de interpretatie van die maatstaven zelf. Vandaar dat wij hebben getracht om in de rechtspraak na 2 december 2014 lijnen te ontdekken die in de praktijk ondersteuning kunnen bieden bij de toepassing van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria.

5.2.

Wij geven onze bevindingen hieronder weer in de vorm van een min of meer chronologisch beslisschema voor de beoordeling van zaken waarbij medeplegen ten laste is gelegd.

a) Het kerncriterium van medeplegen is de bewuste en nauwe samenwerking waarbij de bijdrage van de verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Voor de beoordeling of daarvan sprake is komt het aan op de precieze bewijsvoering: welke handelingen of gedragingen kunnen uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid c.q. daardoor worden gestaafd? In sommige gevallen vergt dat een expliciete motivering in die zin dat niet met een verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen kan worden volstaan.

b) Het medeplegen kan bestaan uit twee modaliteiten (die zich ook in combinatie met elkaar kunnen voordoen):

(I) een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, welke zich over meer fasen kan uitstrekken en waaronder wij de fysieke uitvoering verstaan waarbij de verdachte aanwezig is geweest en daarbij in enige fase uitvoeringshandelingen heeft verricht dan wel

(II) gedragingen die ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit hebben plaatsgevonden.

c) In beide modaliteiten moet het gaan om intellectuele en/of materiële bijdragen van voldoende gewicht.

d) Daarvan is geen sprake als uit de bewijsmiddelen enkel blijkt :

(I) dat de verdachte aanwezig is geweest ten tijde van de verwezenlijking van het delict en geen enkele uitvoeringshandeling heeft verricht;

(II) en zich daar niet van heeft gedistantieerd.

e) Een uitzondering hierop lijkt mogelijk bij delicten die bestaan uit (bedreigingen) met geweld in groepsverband. Dan kan de aanwezigheid binnen de groep bijdragen aan het bedreigende karakter van het geweld en zodanig zwaarwegend zijn dat op grond daarvan medeplegen kan worden aangenomen. Ook een dergelijke kwalificatie vergt naar ons inzicht een extra motivering.

f) Voor beide onder b) genoemde modaliteiten, of een combinatie daarvan, geldt eveneens dat bij gedragingen die het delict bevorderen of gemakkelijk maken en die normaliter als medeplichtigheid worden aangemerkt, dit het aannemen van medeplegen in beginsel in de weg staat. Indien dergelijke gedragingen toch als medeplegen worden gekwalificeerd, vergt dat een extra motivering waarin wordt onderbouwd dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bijdrage van de verdachte, ook al valt deze (op het eerste gezicht) binnen de categorie medeplichtigheid, van wezenlijke betekenis en dus van voldoende gewicht is geweest.

g) De tweede onder b) genoemde modaliteit, die gedragingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit behelst, heeft in onze visie betrekking op situaties waarbij de verdachte niet lijfelijk aanwezig is geweest bij de feitelijke uitvoering van het delict of daaraan niet fysiek heeft deelgenomen. Ook hier moet het gaan om bijdragen die van wezenlijk intellectueel en/of materieel belang zijn bij de verwezenlijking van het delict zoals:

(I) het vervullen van een sturende en leidende rol, al dan niet achter de schermen of op afstand;

(II) het initiatief nemen en de uitdenker zijn van het strafbare feit;

(III) anderszins handelingen die in combinatie met elkaar van zodanig gewicht zijn dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Ook in deze situaties dient uit een extra motivering te blijken waarom het gerechtvaardigd is medeplegerschap aan te nemen.

h) Hoe medeplegerschap zou moeten worden geconstrueerd enkel en alleen op grond van gedragingen de uitvoering van het strafbare feit – waaronder wij mede verstaan het vervullen van een van de delictsbestanddelen bij een gekwalificeerd misdrijf – zien wij niet. In dergelijke gevallen lijkt slechts een kwalificatie als medeplichtigheid mogelijk.

5.3.

Tot slot willen wij opmerken dat het uiteraard uiteindelijk aankomt op de concrete bewijsvoering in de zaak zelf en een inzichtelijke motivering waarom medeplegen wordt bewezenverklaard. Wij hebben in het voorafgaande een aantal zaken besproken waarbij het voor ons onduidelijk blijft waarom de Hoge Raad al dan niet een veroordeling wegens medeplegen in stand heeft gelaten. Daarbij denken wij met name aan de zaak van de overval op de juwelier35, de Rioolputmoord36 en het medeplegen van de openlijke geweldpleging waarbij op de deur was geschoten.37 Het zijn deze zaken die in de praktijk twijfel kunnen veroorzaken over de hantering van de criteria voor het aannemen van medeplegen en waarbij ook wij niet hebben kunnen achterhalen wat precies de overwegingen van de Hoge Raad zijn geweest om in het ene geval wel en in het andere geval niet tot een vernietiging van het arrest te besluiten. Het zou helpen als de Hoge Raad in dergelijke grensgevallen meer inzicht in zijn redenering zou geven dan thans het geval is. In zijn studiepocket strafrecht Cassatie in strafzaken (achtste druk 2015, p. 131) schrijft Van Dorst: “In latere jaren is de Hoge Raad in toenemende mate afgeweken van de gewoonte om zeer summier te motiveren, meer bepaald bij kwesties van enige juridische importantie.” Wellicht kan de Hoge Raad daar nog een schepje bovenop doen door met betrekking tot medeplegen en medeplichtigheid in grensgevallen zijn beslissing van een wat uitvoerigere motivering te voorzien. Een aantal door ons geselecteerde zaken leent zich daarvoor.

6 Bespreking van het middel

6.1.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 20 november 2003 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 107.504 euro, toebehorende aan de Fortis bank gevestigd aan de A.J. Ernststraat, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen medewerk(st)er(s) en/of een bezoeker van de Fortis bank, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededaders een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die medewerk(st)er(s) en/of bezoeker van dat bankfiliaal hebben getoond en in de richting van die medewerk(st)er(s) en/of bezoeker hebben bewogen en gericht en daarbij hebben gezegd de woorden: "Dit is een overval. Op de grond, naar beneden. Tas vullen. Nu, nu, sneller, of wil je een kogel door je kop".

6.2.

Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686-1] [van 20 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 017-020]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben werkzaam als stagiaire bij de Fortisbank op de Arent Janszoon Ernststraat 599 te Amsterdam. Ik loop sinds 4 september 2003 stage aan de voornoemde bank. Mijn functie bestaat uit diverse werkzaamheden o.a. ordenen van dossiers, kas- en balie werkzaamheden, commerciële ondersteuning, het helpen van accountmanagers met projecten.

Vandaag op 20 november 2003 ben ik om 09.15 uur begonnen. Ik ben vanmorgen begonnen met kas- en baliewerkzaamheden. Ik kan u vertellen dat wij achter de balie diverse werkzaamheden verrichten. Wij staan klanten te woord, verwerken stortingen, opnames, geldtransacties, kluisbezoeken enzovoort. Het geld dat wij contant ontvangen van klanten dat storten wij direct weg via een luikje wat zich achter de kleine kas bevindt. De kluis is beveiligd middels een tijdslot. Dit houdt in dat de kluis wel geopend kan worden maar dat dit enige tijd duurt. Achter de balie centrale kas zit een lade genummerd 11 welke geopend kan worden met een code. In deze lade zitten de grote coupures (biljetten van E 100 tot E 500).

Vandaag op 20 november 2003 was het erg rustig. Er was een aantal geldbestellingen gedaan voor 19 november welke niet waren opgehaald, deze lagen nog in lade 11. Ik wist niet precies wat er in lade 11 lag, maar ik dacht ongeveer E 70.000,-. Ik heb wel gehoord, na de overval, dat er een geldbedrag van E 82,500,- is weggenomen.

Op 20 november omstreeks 15.30 uur, werd ik wederom gebeld op het telefoontoestel aan de balie van de kleine kas. Ik hoorde dat ik een man aan de telefoon had. Ik hoorde dat de man aan mij vroeg of hij geld kon wisselen. Ik hoorde dat de man vroeg of hij biljetten van E 500,- voor biljetten van E 200,- kon wisselen. Ik zei tegen de man “Een moment, ik ga even voor u kijken”. Ik heb de hoorn naast het toestel neergelegd. Ik ben naar lade 11 gelopen. Ik wist dat er voldoende geld in lade 11 zat maar ik wilde voor de klant verifiëren of er voldoende biljetten van E 200,- waren om te wisselen. Ik stond met mijn gezicht naar lade 11 en met mijn rug naar mijn collega [betrokkene 2] . Ik hoorde een hoop geschreeuw. Ik hoorde dat er geroepen werd “Dit is een beroving”, “Iedereen op de grond”, Er is niets aan de hand”, “Nu, nu,”, “Sneller, of wil je ook een kogel door je kop!” en/of woorden van gelijke strekking. Ik draaide mij om en keek in de richting vanwaar het geschreeuw kwam. Ik zag dat al mijn collega’s en een klant allemaal waren gaan liggen. Ik zag dat de man een vuurwapen in zijn rechterhand had. Ik zag dat de man dit wapen op mij richtte. Ik hoorde dat de man hier op luide toon bij zei: “Vullen, vullen anders krijg je een kogel door je kop” en/of woorden van een gelijke strekking. Ik zag dat de man een rode plastic tas ’ van het merk ‘Dirk van den Broek’ op de balie gooide. Ik heb de tas gepakt. Ik vreesde voor mijn leven. Ik dacht dat de man mij dood zou schieten. Ik heb het geld uit lade 11 in de tas gedaan. Ik hoorde dat de man tegen mij zei: ‘Sneller, sneller!’ en/of woorden van gelijke strekking. Ik heb de volledige inhoud van lade 11 in de tas gedaan. Ik heb de tas vervolgens op de balie gezet.

Op het moment van de overval waren er twee oude dames bij de kluis. Ik zat samen met [betrokkene 2] achter de balie en mijn collega [betrokkene 3] zat achter de infobalie. Tevens meldde zich een mevrouw met een kinderwagen, zij was op dat moment van de overval aan het pinnen, die getuige is geweest en de daders heeft gezien.

2. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686-3] [van 20 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 023-027]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Ik werk sinds september 2003 bij de Fortis bank. Ik ben werkzaam als kas/balie medewerkster bij de Fortis bank in het filiaal op de A.J. Ernststraat 599 te Amsterdam.

Op donderdag 20 november 2003 omstreeks 15.00 kwam er een oudere meneer bij de bank binnen. Deze meneer meldde zich aan mijn balie en verzocht mij hem te helpen met zijn kluisbezoek. Ik ben vervolgens met deze meneer meegelopen naar zijn kluis. Ik ben vervolgens weer naar mijn balie gegaan en heb daarachter plaats genomen. Achter de balie bevindt zich een geldtelmachine. Deze geldtelmachine bevindt zich tussen mijn balie en die van [betrokkene 1] in. Op deze geldtelmachine ligt altijd een agenda. In deze agenda staan de bestellingen vermeld waarop klanten de door hen bestelde gelbedragen af komen halen. Ik heb vervolgens deze agenda gepakt om deze in te lezen omdat ik dacht aan een bestelling die gisteren besteld was door een klant voor morgen. Terwijl ik in de agenda aan het lezen was hoorde ik dat de telefoon op de balie van [betrokkene 1] over ging. Ik hoorde aan de ringtone dat het een extern gesprek moest zijn. Ik vond dit erg raar omdat niemand in het bezit hoort te zijn van het directe telefoonnummer van deze interne telefoon. Normaliter dient men via het algemene telefoonnummer van het filiaal te bellen naar de info balie van [betrokkene 3] op het algemene telefoonnummer. [betrokkene 3] draagt er vervolgens zorg voor dat de bij haar binnengekomen telefoongesprekken doorverbonden worden naar bijvoorbeeld de interne telefoon van [betrokkene 1] . Tevens vind ik het raar omdat [betrokkene 1] in het verleden wel vaker externe telefoongesprekken heeft ontvangen op zijn interne toestel. Ik hoorde dat [betrokkene 1] de telefoon opnam en dat hij iets zei zoals: ‘Heeft u besteld? Briefjes van tweehonderd?’. [betrokkene 1] heeft wel meer gezegd maar ik heb het gehele gesprek verder niet gevolgd. Ik hoorde vervolgens dat [betrokkene 1] de hoorn op het toestel legde nadat het gesprek was afgelopen. Terwijl ik verder bladerde in de agenda zag en hoorde ik dat [betrokkene 1] opstond uit zijn stoel en liep in de richting van de voornoemde beveiligde lades paternoster. Ik denk dat [betrokkene 1] de code van lade elf had ingetoetst. Terwijl ik in de agenda aan het lezen was hoorde ik ineens een harde klap uit de richting van de toegangsdeur van de ontvangstruimte. Ik hoorde aansluitend hierop het geschreeuw van een persoon. Ik hoorde dat deze persoon schreeuwde: Dit is een beroving. Iedereen naar beneden. Er is niets aan de hand”. Ik zag vervolgens een persoon staan vlak voor de toegangsdeur aan de binnenkant van het filiaal. Ik zag dat deze persoon recht tegenover mijn balie stond. Ik zag dat deze persoon op ongeveer anderhalf a twee meter van mij af stond. Ik zag dat de man een zilverkleurig vuistvuurwapen in zijn rechterhand vast hield en dat de persoon dit vuurwapen heen en weer zwaaide met de kennelijke bedoeling het vuurwapen op een ieder, die in het pand aanwezig was, te richten.

Ik ben met mijn buik op de grond gaan liggen. Ik heb vervolgens omhoog gekeken naar de overzijde van de balie. Ik kon de man nu niet meer zien. Ik hoorde dat het geschreeuw van de man luider werd kennelijk omdat hij dichter bij mijn balie kwam. Ik zag vervolgens dat een roodkleurige plastic tas van het winkelbedrijf ‘Dirk van den Broek’ over de toonbank van mijn balie werd gegooid. Ik zag vervolgens het gezicht, het bovenlichaam de rechterarm en het pistool van de man verschijnen aan de bovenzijde van mijn balie. Ik keek naar boven in de richting van de man. Ik hoorde dat de man schreeuwde: ‘Vul dit. Snel. Snel. Snel. Alles. Alles. Alles”. Ik weet zeker dat hij tegen [betrokkene 1] schreeuwde en dat de man teven het vuurwapen in de richting van [betrokkene 1] gericht hield omdat [betrokkene 1] daar nog moet hebben gestaan. Vervolgens zag ik dat de man met het pistool naar mij keek. Ik zag dat de man hierop zijn pistool op mij richtte en hoorde dat hij tegen mij schreeuwde: “naar beneden. Naar beneden. Naar beneden”. Ik hoorde vervolgens het geruis van een plastic zak achter mij alsof iemand iets in de plastic tas deed.

3. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686-2] [van 20 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 031-032]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

Ik ben medewerker van de Fortisbank. Vanmiddag hoorde ik op een gegeven moment - dat er een overvaller binnen was. Ik hoorde toen wel op schreeuwende toon: Dit is een overval”. Andere woorden die gebruik werden waren: ‘Op de grond” en ‘Naar beneden”, “Tas vullen”, ’’Niets aan de hand”. Deze woorden werden steeds herhaald. Toen mij duidelijk werd dat het een overval was heb ik alleen gezien dat er een zilverkleurige loop van een pistool of revolver was. Op een gegeven ogenblik hoorde ik de schreeuwerige stem niet meer en hoorde ik de deur dichtvallen. Ik dacht dat de overval afgelopen was en heb voorzichtig boven mijn balie langs gekeken. Ik zag toen, vanaf mijn plaats dat bij de pinautomaat een vrouw stond te pinnen. Ik zag achter haar dat de overvaller achterop een motor stapte. Daar zat dus een bestuurder op die kennelijk op de overvaller had gewacht. De kleur is voornamelijk rood maar er zat ook wit in. De motor reed direct weg in de richting van de tram over de stoep naar de rijbaan toe. Ik heb ze daarna niet meer gezien.

Wat mij nog te binnen schiet is dat er bij de kasbalie een direct telefoongesprek is binnengekomen vlak voor de overval. Ik heb dit gehoord van mijn collega [betrokkene 1] . Directe gesprekken op dit toestel zijn niet gebruikelijk. Buitenlijnen komen namelijk binnen op het toestel dat op mijn balie staat.

4. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686-10] [van 20 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 033-035]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Op 20 november 2003 omstreeks 15.20 liep ik op de openbare weg de A.J. Ernststraat. Ik wilde namelijk geld gaan pinnen bij het op de A.J. Ernststraat gevestigde filiaal van de Fortis bank. Terwijl ik op de voornoemde locatie in de voornoemde richting liep hoorde ik het geluid van een draaiende motor van een motorfiets achter mij. Ik keek vervolgens rechts en zag dat er een motorfiets kwam aanrijden op het trottoir van de A.JH. Ernststraat. Ik vond dit erg vreemd omdat de motorfiets op het trottoir reed en ik begreep niet waarom hij dat deed. Ik zag dat de motorfiets er als volgt uit zag: voornamelijk rood met wit erin. Ik zag vervolgens dat de bestuurder op de motorfiets stopte voor de hoofdingang van het voornoemde filiaal van de Fortis bank. Ik ben verder gelopen naar de pinautomaat, welke zich rechts naast de hoofdingang van de Fortis bank bevindt. Terwijl ik aan het pinnen was zag ik, vanuit mijn linker ooghoek dat er een tweede man door de glazen hal van het filiaal van de Fortisbank liep in de richting van de hoofdingang. Ik zag dat de tweede man redelijk rustig liep naar de hoofdingang van het Fortis filiaal en vervolgens achter op de motorfiets stapte. Ik zag vervolgens dat de eerste en de tweede man op de voornoemde motorfiets weg reden op de A.J. Ernststraat.

5. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686-12] [van 2 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 036-038]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Ik ben op 20 november 2003 getuige geweest van een overval op de Fortis bank aan de Arent Janszoon Ernststraat te Amsterdam. Ik had in de bank een tweetal mensen voor mij. Op het moment dat ik de kluisloketten uitkwam zag ik dat er een man de bank binnenkwam. Ik zag dat de man van mijn aanwezigheid schrok. Ik schrok ook van deze man. De man stond op dat moment op een afstand van ongeveer 3 meter van mij af. Ik zag dat deze man een pistool in zijn handen had. Ik zag dat de man zijn wapen in (het hof begrijpt: mijn) richting hield. Ik deed direct mijn handen omhoog. Ik hoorde dat de man op luide en dwingende toon riep dat iedereen moest gaan liggen. Ik ben gaan liggen Ik hoorde dat de man op een luide toon riep: “geld!”, ’’Blijven liggen! ’ en/of woorden van gelijke strekking.

Ik hoorde het geluid van het open en dicht gaan van de deur. Ik heb toen nog even gewacht omdat ik zeker wilde weten dat de dader weg was. Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag een motor rijden met daarop twee personen. Ik herkende de persoon die achterop zat als zijnde de dader van de bankoverval. Ik herkende de man aan zijn jas.

6. Een proces-verbaal met bijbehorende bijlage [met nummer 2003299686-13] [van 21 november 2003], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 046--051]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 november 2003 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6] :

Ik ben werkzaam als adviseur operationele recherche concern veiligheidszaken bij de Fortis bank. Ik doe aangifte van diefstal van het geld wat buitgemaakt is bij de gewapende overval welke heeft plaatsgevonden op donderdag 20 november 2003 omstreeks 15.20 uur. Ik overhandig u een kopie van de kasverantwoording over 20 november 2003. Hieruit blijkt dat er een bedrag van E 107.504,00 is weggenomen bij de overval. [betrokkene 1] loopt sinds begin september 2003 stage bij het genoemde filiaal van de Fortis bank. [betrokkene 1] werkte op 20 november 2003 ten tijde van de overval aan de balie van de kleine kas. [betrokkene 1] had een telefoontoestel met het nummer 020 [0001] . Dit toestelnummer is geen extern nummer wat voor klanten bestemd is. Normaliter bellen klanten naar het centrale nummer 020 5175555.

Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

7. Een proces-verbaal, inclusief bijlagen'[met nummer 2003299686] [van 8 april 2004], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 371-399]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Het (centrale) telefoonnummer van de Fortisbank 020-5175555 is een zogenaamde ISDN-lijn, onderliggende nummers zijn 020- [0002] en 020- [0001] . Alleen een klant van de KPN met het nummer 06- [0003] , blijkt in de gevraagde periode te hebben gebeld naar het nummer 020- [0002] (zie ingevoegde B-analyse).

Uit de B-analyse blijkt het volgende: (plattegrond met zendmastlocaties wordt hierbij gevoegd)

Op.20 november 2003 te 15.05.20 uur wordt er door het nummer 06- [0003] gedurende 49 seconden ingebeld naar de Fortis bank.

Op 20.11.2003 te 15.17.11 uur wordt er door het nummer 06- [0003] gedurende 45 seconden in gebeld naar de Fortis bank.

Het nummer 06- [0003] maakt tijdens beide gesprekken gebruik van het imeinummer [0006] .

Uit het historisch bestand [0006] blijkt het volgende:

Op 19.11.2003 en 20.11.2003 zijn via het imeinummer [0006] verschillende simkaarten gebruikt, respectievelijk met de telefoonnummers 06- [0004] , 06- [0005] en 06- [0003] .

Via de mobiele telefoon met het imeinummer [0006] wordt vanaf 24.10.2003 continu een simkaart met het telefoonnummer 06- [0004] gebruikt, met uitzondering van 19.11.2003 (dag voor de overval) dan wordt ook het nummer 06- [0005] gebruikt, en 20.11.2003 (dag van de overval) wordt het nummer 06- [0003] gebruikt. Na de overval op 20,11.2003 wordt gewoon weer het oorspronkelijk telefoonnummer 06- [0004] gebruikt.

19.11.2003 te 16.07.57 uur, er volgt een uitgaand gesprek gedurende 4 seconden met het telefoonnummer 06- [0005] , naar het telefoonnummer 020- [0002] , dit betreft het nummer van de Fortis bank.

Op 19.11.2003 te 16.12.07 uur, uitgaand gesprek gedurende 66 seconden met het telefoonnummer 06- [0005] , naar het telefoonnummer 020- [0002] , dit betreft het nummer van de Fortis bank.

20.11.2003 te 15.05.20 uur (dag van de overval/ kort voor de daadwerkelijke overval) de simkaart met het telefoonnummer 06- [0004] wordt verwisseld voor een simkaart met het telefoonnummer 06- [0003] , er volgt een uitgaand gesprek gedurende 49 seconden met het telefoonnummer 06- [0003] naar het telefoonnummer 020- [0002] dit betreft het nummer van de Fortis bank.

Nadere bewijsoverweging betrekking hebbend op de bewijsmiddelen 8, 9, 10 en 11:

Het hof merkt op dat de verdachte ter terechtzitting van het hof van 30 oktober 2014 zijn standpunt dat hij de telefoon met daarin een nummer eindigend op [0004] had verkocht aan [betrokkene 1] heeft ingetrokken en vervangen door het standpunt dat een direct familielid die telefoon had meegenomen en gebruikt. De bewijsmiddelen 8, 9, 10 en 11 zijn mede redengevend voor de bewezenverklaring maar weerleggen ook de stelling van de verdachte, die erop neerkomt dat hij gedurende 19 en 20 november 2003 niet de gebruiker van de telefoon met het Imeinummer eindigend op [0006] is geweest.

8. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686] [van 9 augustus 2004], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 691-693]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 19 en 20 november 2003 zijn er met het mobiele nummer 06- [0004] in de mobiele telefoon met het imei nummer [0006] , welke [verdachte] zegt verkocht te hebben op 18 november 2003, verscheidene contacten geweest met telefoonnummers, die volgens het historisch bestand van het andere nummer van [verdachte] 06- [0007] , regelmatige contacten zijn geweest van [verdachte] .

9. Een proces-verbaal [met nummer 2003299686] [van 9 augustus 2004], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 702-705]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

De historische bestanden van de telefoonnummers 06- [0004] en 06- [0007] zijn nader onderzocht, waarbij overeenkomsten zijn aangetroffen tussen de contacten en de telefoonnummers 06- [0004] en 06- [0007] .

Gebruikte Imeinummers

Het nummer 06- [0004] wordt vrijwel continu gebruikt via het imeinummer [0006] , met uitzondering van 19.11.2003 en 20.11.2003, dan wordt ook het imeinummer [0009] gebruikt.

Het nummer 06- [0004] wordt op 20.11.2003 te 15.17 uur voor het laatst gebruikt om de Fortis bank te bellen via de mobiele telefoon met imeinummer [0006] . Het nummer 06- [0007] heeft vanaf 19 november 2003 de navolgende contacten:

- Op 21/11/2003 2x met 06- [0008] (broer [betrokkene 7] )

- Op 20/11/2003 na de overval 4x met 020- [0010] (huisnummer broer [betrokkene 8] )

- Op 19,20 en 21/11/2003 in totaal 48 sms contacten met 06- [0011] (verdachte [betrokkene 9] )

- Op20/11/2003 1x met 06- [0012] (broertje [betrokkene 10] )

- Op 21/11/2003 1x met 020- [0013] (huisnummer zus [betrokkene 11]

- Op 21/11/2003 1x met 06- [0014] ( [betrokkene 11]

- Op 21/11/2003 sms contact met 06- [0015] ( [betrokkene 12] )

Al deze contacten gaan met de mobiele telefoon met imeinummer [0009] .

Zoals boven al gerelateerd, wordt het nummer 06- [0004] op 19 en 20 november ook 2x gebruikt via de mobiele telefoon met imeinummer [0009] .

Conclusie:

Gezien het feit dat het imeinummer [0009] op dezelfde dagen, namelijk 19 en 20 november 2003 is gebruikt in combinatie met de nummers 06- [0004] en 06- [0007] , en het nummer 06- [0007] op 19 en 20 en 21 november 2003 voornamelijk contact heeft met familieleden van verdachte [verdachte] kan de gebruiker van de telefoonnummers 06- [0004] en 06- [0007] op 19 en 20 november 2003 slechts een en dezelfde persoon zijn en niemand anders dan [verdachte] .

10. Proces-verbaal van bevindingen, op 6 januari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie, voorzover van belang en zakelijk weergevende als verklaring van een medewerker van Uitzendbureau Pdz te Amsterdam:

Ik zie in mijn administratie dat er een persoon met de naam [verdachte] , geboortedatum 25/4/1983, sedert 8/9/2003 is ingeschreven. Hij heeft als telefoonnummer opgegeven 06- [0007] .

11. Een schriftelijk stuk, namelijk een schema “tijdlijn overval Fortisbank”, toegevoegd aan het dossier ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam op 2 september 2004, weergevende, voor zover van belang:

De belgeschiedenis van het telefoontoestel met Imeinummer eindigend op [0006] . Te zien is op 19 november 2003 dat tot 15.27 uur het telefoonnummer eindigend op [0004] wordt gebruikt, dat om 15.37 en 16.07 gebruik wordt gemaakt van het nummer eindigend op [0005] en dat om 16.08 met gebruikmaking van dezelfde zendmast gebeld wordt met het toestel met Imeinummer eindigend op [0009] met daarin het nummer eindigend op [0004] . De genoemde gesprekken zijn gevoerd met de Fortisbank dan wel met een der telefooncellen in de directe omgeving van de bank

Om 22.06 uur keert het nummer eindigend op [0004] weer terug in het toestel met Imeinummer [0006] .

Op 20 november 2003 wordt het nummer eindigend op [0004] weer in hetzelfde toestel gebruikt tot het nummer om 14.59 uur weer wordt verplaatst naar het toestel met Imeinummer eindigend op [0009] . Om 15.05 en 15.17 uur worden met het toestel met Imeinummer eindigend op [0006] de twee gesprekken gevoerd met de telefoon op de balie van de Fortisbank die door [betrokkene 1] zijn opgenomen. Bij deze gesprekken is van het nummer eindigend op [0003] gebruik gemaakt.

12. Proces-verbaal van de zitting van de rechtbank te Amsterdam van 2 september 2004, voor zover van belang als verklaring van de verdachte:

Ik had in november 2003 twee telefoons. De telefoon die door de overvallers is gebruikt moet ik verkocht hebben op 18 november 2003. Ik heb hem met SIM- kaart verkocht. Mijn andere telefoon heb ik niet weggedaan. Het kan zijn dat het Imeinummer van deze telefoon op [0009] eindigt.”

6.3.

Het hof heeft voorts ten aanzien van het medeplegen het volgende overwogen:

Bewijsoverweging en bespreking van een verweer

Volgens de eigen verklaring van de verdachte was hij in ieder geval eigenaar van zowel de gsm met IMEI-nummer [0006] met daarin telefoonnummer 06 [0004] , waarmee op de dag voor de overval en op de dag van de overval door een van de daders is gebeld naar de mededader [betrokkene 1] , als ook van de gsm met IMEI-nummer [0009] .

Het hof leidt af uit de tijdlijn overval Fortis-bank dat op 19 november 2003 om 16.08.25u vanuit een telefooncel aan de A.J. Ernstraat 102 met het telefoonnummer 06 [0004] in de gsm met IMEI- nummer [0009] is gebeld en dat op 20 november, de dag van de overval, om 14.59.46u ook vanuit een telefooncel aan de A.J. Ernstraat 102 met het telefoonnummer 06 [0004] in de gsm met IMEI-nummer [0009] is gebeld. In de tussengelegen periode is het telefoonnummer 06 [0004] weer in de gsm met IMEI-nummer [0006] geplaatst.

Het hof leidt voorts uit de genoemde tijdlijn af dat het telefoonnummer 06 [0004] op 19 november 2003 om 15.27.05u zich nog in de gsm met IMEI-nummer [0006] bevond en zich op 20 november 2003 om 13.46.53u eveneens in datzelfde toestel bevond.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de gsm met IMEI-nummer [0006] . Het hof leidt uit zijn wisselende verklaringen af dat hij thans de stelling inneemt dat hij enige tijd rond de overval niet in het bezit is geweest van deze gsm. De verdachte heeft verklaard, ook ter terechtzitting in hoger beroep, dat dit de enige telefoon was die miste. De andere telefoons had de verdachte nog in zijn bezit.

Gelet op de tijdlijn overval Fortis-bank en de wisseling van de simkaart met het telefoonnummer 06 [0004] in het toestel met IMEI-nummer [0009] leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de gebruiker van de toestellen met IMEI-nummer [0006] en de telefoon met IMEI- nummer [0009] deze beide fysiek bij zich droeg. Het hof leidt uit de verklaring van de verdachte, dat hij de andere telefoons nog in zijn bezit had, af dat de verdachte de gebruiker was van beide telefoons op 19 november en 20 november 2003. De verklaring van de verdachte dat hij niet in het bezit was van de telefoon met IMEI-nummer [0006] is niet aannemelijk geworden.

Nu de verdachte als de gebruiker van dit toestel herhaaldelijk contact heeft gehad met het mobiele nummer van [betrokkene 1] , met dit toestel naar de bank is gebeld met medewerker [betrokkene 1] en hierna door [betrokkene 1] lade 11 werd geopend waarin het bedrag van 107.000 euro aan grote coupures is aangetroffen, en waarna de feitelijke overval heeft plaatsgevonden, kan volgens het hof worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [betrokkene 1] en verdachte.

Het hof heeft hierboven de rol van de verdachte vastgesteld bij de overval op de Fortisbank op 20 november 2003. Nu de rol van de verdachte niet ziet op de aanwezigheid van de verdachte in de bank alsook diens betrokkenheid bij de vluchtmotor, behoeven de overige verweren van de raadsvrouw geen verdere bespreking.”

6.4.

In deze zaak gaat het om een geval waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet aanwezig is geweest bij het plegen van het delict zelf, maar volgens het hof wel een zodanige intellectuele bijdrage heeft geleverd aan het delict dat van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen kan worden gesproken.

6.5.

Die bijdrage blijkt volgens het hof uit de navolgende vastgestelde feiten:

- de verdachte heeft op de dag vóór de overval en de dag van de overval herhaaldelijk contact gehad met medeverdachte [betrokkene 1] die werkzaam was in de bank die is overvallen;

- die [betrokkene 1] heeft op de dag van de overval na een telefoontje van verdachte lade 11 geopend waarin de grote coupures lagen, welke lade alleen geopend kon worden met een code;

- op het moment dat lade 11 geopend was vond de feitelijke overval plaats.

6.6.

Het gaat in onderhavige zaak om een situatie waarbij de verdachte weliswaar niet heeft deelgenomen aan de daadwerkelijke uitvoering van het delict, maar volgens het hof wel een wezenlijke rol heeft gehad bij de voorbereiding en de uitvoering ervan. Zoals hiervoor in de voorafgaande beschouwing onder 4.14 is besproken hoeft het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. Onderhavige zaak vertoont overeenkomsten met de door ons genoemde zaak waarbij met een modelvliegtuigje boven de Ridderzaal en het Binnenhof werd gevlogen, waarbij de verdachte vanaf de grond telefonisch instructies aan de piloot (medepleger) van het vliegtuigje telefonisch werden gegeven.38 Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen. Daaraan heeft het hof mijns inziens in onderhavige zaak, anders dan de steller van het middel aanvoert, voldaan.

6.7.

Ook al heeft het hof dat niet heel uitdrukkelijk gedaan, uit hetgeen het heeft vastgesteld – in onderlinge samenhang bekeken – heeft het kunnen afleiden dat de verdachte een wezenlijke rol heeft vervuld bij de overval. De kennelijke redenering van het hof is daarbij dat verdachte contact heeft onderhouden met [betrokkene 1] over de uitvoering van de latere overval, die [betrokkene 1] op een bepaald moment heeft gezegd dat hij lade 11 moest openen en dat hij vervolgens de mededaders heeft gewaarschuwd om op dat moment de bank binnen te gaan zodat zij snel en eenvoudig door [betrokkene 1] hun tas konden laten vullen met het geld uit lade 11.

6.8.

Dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt wat de precieze inhoud of strekking was van de telefoongesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 1] , zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Dat gaat immers over de waardering van het bewijsmateriaal, die is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst. Onbegrijpelijk is de interpretatie van de gang van zaken door het hof niet.

6.9.

Op grond van hetgeen het hof in zijn bewijsoverweging weergeeft, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte niet slechts de overval heeft bevorderd of vergemakkelijkt (hetgeen in de regel in verband wordt gebracht met medeplichtigheid) maar dat de verdachte, ondanks zijn afwezigheid bij de daadwerkelijke uitvoering van het feit zelf, een zodanig sturende rol had in de voorbereiding en bij de uitvoering van de overval dat van medeplegen kan worden gesproken.39

7. Het middel faalt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het betreft onderhavige zaak en de zaken: 15/00715 [...] , 15/00283 [...] , 15/01573 [...] , 14/06394 [...] , 15/00276 [...] en 15/00605 [...] .

2 Arresten gewezen na 29 maart 2016 zijn in deze analyse niet meer betrokken.

3 Waarbij nu al zij aangetekend dat medeplegen en medeplichtigheid niet alleen als deelnemingsfiguren in het Algemeen Deel van het Wetboek van het Strafrecht zijn geregeld (art. 47 respectievelijk art. 48), maar als zodanig ook in verschillende bijzondere delictsbepalingen zijn omschreven.

4 HR 4 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396 m.nt. P.A.M. Mevis.

5 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

6 Zie A-G Vellinga, ECLI:NL:PHR:2015:419, onder punt 11, voorafgaand aan HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393, m.nt. P.A.M. Mevis.

7 Daarvoor verwijzen wij naar A. Postma, Facetten van medeplegen, DD 2015/4, afl. 2 februari 2015, p. 123 t/m 141 en H.D. Wolswijk, Deelneming in ontwikkeling, Strafblad 2015/6, 67. Zie in dit verband ook: A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen (diss. Groningen), Nijmegen, WPL 2014. Zie ook het arrest en de daaraan voorafgaande conclusie van Knigge in de Nijmeegse scooterzaak HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964.

8 J. de Hullu, Materieel Strafrecht, zesde druk 2015, p. 454.

9 Zie ook De Hullu, a.w., p. 455.

10 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474. Zie ook HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:929, NJ 2015/394, m.nt. P.A.M. Mevis.

11 HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382.

12 HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2029; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2449; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3443; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3271. Zie voorts ook: HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2029; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2449; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3443; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3271. In die zaken vond de Hoge Raad de veroordeling wegens medeplegen kennelijk zo evident niet onbegrijpelijk dat (onder meer) het beroep daartegen werd afgedaan met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

13 Zie het eerder in de tekst genoemde arrest van HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453.

14 HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en 716.

15 Zie in gelijke zin bijvoorbeeld HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823.

16 Zie De Hullu a.w., p. 455.

17 Zie hierna onder 4.15.

18 ECLI:NL:HR:2015:883.

19 Zie in dit verband ook De Hullu, a.w., p. 454.

20 Zie ook De Hullu, a.w. p. 391 e.v.

21 HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NBStraf 2015/101 m.nt. J.S. Nan; NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.

22 Zie voor een bespreking van deze arresten ook De Hullu, a.w., p. 457.

23 Zie het Containerarrest, HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983 m.nt. Van Veen en HR 15 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4107; zie ook De Hullu, a.w. p. 455.

24 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1756; HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:176 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:169.

25 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761.

26 ECLI:NL:HR:2015:3029.

27 HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861; HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317; en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1094.

28 HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860; en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218.

29 HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696. Zie in dit verband ook: De Hullu, a.w., p. 460.

30 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

31 Genoemd kan hier nog worden HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1094, NJ 2015/392 m.nt. P.A.M. Mevis.

32 HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393, m.nt. P.A.M. Mevis. Zie voor een vergelijkbaar geval HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860.

33 ECLI:NL:HR:2015:716, NBSTRAF 2015/99 en ECLI:NL:HR:2015:713, NBSTRAF 2015/100.

34 ECLI:NL:PHR:2015:297, onder 16-19.

35 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

36 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

37 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761.

38 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761.

39 Vergelijk de uitspraken waarnaar wij hebben verwezen onder 4.14.