Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:583

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-04-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/00605
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1323, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen poging tot inbraak. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00605 J

Zitting: 5 april 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 januari 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde straf.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3 Aan de bespreking van het middel voorafgaande beschouwing

3.1.

In het overzichtsarrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, vangt de Hoge Raad zijn uiteenzetting over medeplegen en medeplichtigheid aan met de overweging dat in de praktijk een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Deze constatering wordt bevestigd door de regelmaat waarin door indiening van cassatiemiddelen over deze problematiek bij de Hoge Raad wordt geklaagd. Om daarop door middel van een analyse nader in te gaan, hebben mijn ambtgenoot Spronken en ik uit het aanbod van cassatiezaken er zeven geselecteerd.1 Mijn ambtgenoot zal in vier, en ik in drie verschillende zaken afzonderlijk, maar wel simultaan, volgens een vaste opbouw een conclusie nemen, waarvan de onderhavige er een is. Dat doen wij op basis van een gelijkluidende, door ons gezamenlijk geschreven voorafgaande beschouwing, waarin eerst aan de hand van recente arresten van de Hoge Raad mogelijke onduidelijkheden omtrent medeplegen in kaart worden gebracht, uiteraard ook in samenhang met medeplichtigheid,2 en vervolgens een door ons samengesteld beslisschema wordt gepresenteerd. Met een bespreking van het middel of de middelen wordt elke conclusie afgesloten.

3.2.

Op het gebied dat wordt bestreken door het strafrechtelijk leerstuk van de elkaar uitsluitende deelnemingsvormen medeplegen en medeplichtigheid, heeft de Hoge Raad in de afgelopen anderhalf jaar een aantal arresten gewezen waaruit blijkt dat ons hoogste rechtscollege een nieuwe richting is ingeslagen. Met deze jongste rechtspraak wil de Hoge Raad, ook naar eigen zeggen, een strakkere grenslijn trekken tussen medeplegen aan de ene kant en meer in het bijzonder medeplichtigheid aan de andere kant.3 Waarneembaar werd deze koerswijziging in het eerder genoemde overzichtsarrest van 2 december 2014, waarin de Hoge Raad zijn eigen rechtspraak over met name medeplegen heeft samengevat en op enige aandachtspunten zoveel mogelijk heeft verduidelijkt en aangescherpt ten einde de reikwijdte van de strafbaarstelling voor medeplegen weer terug te dringen naar haar eigen specifieke terrein. Hoewel de Hoge Raad er zelf al direct op wijst dat de vraag wanneer sprake is van medeplegen zich niet in algemene zin laat beantwoorden maar een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt, heeft hij aandachtspunten geformuleerd die handvatten moeten bieden om het medeplegen meer inzichtelijk af te grenzen van de medeplichtigheid. Daarbij zijn in materieelrechtelijk opzicht accenten gelegd op de aard van de gedraging(en), de rol van de deelnemer en het tijdstip van deelneming, en in strafvorderlijke zin strengere eisen gesteld aan de motivering door de rechter. De overwegingen van de Hoge Raad in dat overzichtsarrest komen samengevat weergegeven op het volgende neer:

- Medeplegen vereist primair een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent op de samenwerking ligt en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, een kwestie die dus een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval verlangt.

- Daarnaast moet in ieder geval voor de kwalificatie medeplegen de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht zijn. Dat geldt in vergelijkbare zin, aldus de Hoge Raad, indien het medeplegen — bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ — een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, zoals bijvoorbeeld in art. 141, eerste lid, Sr het geval is. Het daar strafbaar gestelde ‘in vereniging plegen’ van geweld eist een meer op dit specifieke delict geformuleerde variatie van een bijdrage van voldoende gewicht, namelijk dat de verdachte ‘een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld’ heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest.

- Kernverwijt bij medeplichtigheid is ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht) rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.

- In dat laatste geval zijn de aspecten die bij de beoordeling (en motivering) een rol kunnen spelen onder meer:

 de intensiteit van de samenwerking,

 de onderlinge taakverdeling,

 de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en

 het belang van de rol van de verdachte, waaronder diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

- Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe, het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

- De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar kan ook uit verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit of in hoofdzaak vóór het strafbare feit bestaan.

- Indien de bijdrage niet geleverd is in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

3.3.

Zo bezien wordt er in twee situaties een extra motivering van de rechter verlangd voor het aannemen van medeplegen, namelijk in de eerste plaats als het gaat om gedragingen die naar hun aard meer in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid en in de tweede plaats als de bijdrage bestaat uit gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit en de verdachte bij de uitvoering van het delict een geringe of geen rol heeft gespeeld.

3.4.

Op verzoek van mijn ambtgenoot Spronken en mij heeft de Hoge Raad in een drietal arresten van 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:713/716/718) enkele overwegingen gewijd aan vraagpunten die in de daaraan voorafgaande conclusies met betrekking tot de spanwijdte van het medeplegen en het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid aan de orde werden gesteld, meer in het bijzonder in de context van de feitelijke handelingen, de mogelijkheid van niet-lijfelijke aanwezigheid in de uitvoeringsfase (wie doet wat en op welk tijdstip en op welke plaats) en mede toegespitst op de bijzondere delictsomschrijvingen. De overwegingen van Hoge Raad houden het volgende in:

- Indien medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving (bijvoorbeeld door de woorden ‘in vereniging’ of ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’), moet het ‘in vergelijkbare zin’ gaan om een nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht. Deze bijdrage zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.

- Indien de gedragingen hoofdzakelijk na de uitvoering van het strafbare feit zijn verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

3.5.

Met deze arresten heeft de Hoge Raad zeker gesteld dat de eisen voor alle varianten van medeplegen gelijk zijn getrokken en heeft hij de focus nog wat meer gelegd op de extra motiveringsplicht als het gaat om gedragingen die na de uitvoering van het delict hebben plaatsgevonden. Voorts wordt door de Hoge Raad bevestigd dat gedragingen die dicht in de buurt van medeplichtigheid komen onder zeer bepaalde omstandigheden onder het toepassingsbereik van medeplegen te scharen zijn, zij het dat dan wel van de feitenrechter een zorgvuldige en begrijpelijke bewijsvoering wordt gevraagd. De bijzondere motiveringsplicht voor de rechter, geldt hier in versterkte mate.

3.6.

Maar hebben de hierboven aangehaalde arresten nu ook voldoende houvast gegeven voor de rechtspraktijk, die regelmatig met uiteenlopende vormen van medeplegen en medeplichtigheid wordt geconfronteerd, bieden zij kortom de verfijning waarbij de rechtspraktijk baat heeft in de veelomvattende en soms moeilijk te beoordelen casuïstiek van de dag? Met het oog op die vraagstellingen hebben mijn ambtgenoot Spronken en ik nadien gewezen arresten van de Hoge Raad over medeplegen en medeplichtigheid, en de onderliggende uitspraken van de hoven, nog eens nader geanalyseerd. Onze slotsom is dat de contouren van deze vormen van deelneming en de tussenliggende demarcatielijn zich kennelijk nog niet helemaal scherp hebben laten aftekenen. Naar onze mening komt dit niet zozeer doordat de vraag of er sprake is van medeplegen of medeplichtigheid van de waardering van de concrete omstandigheden afhangt, maar (ook) doordat het toetsingskader dat door de Hoge Raad is uiteengezet in de praktijk nog vragen oproept.

3.7.

Mogelijk hebben ook enkele arresten van de Hoge Raad zelf daartoe bijgedragen. Ter illustratie zij hier alvast gewezen op de volgende twee voorbeelden.

In de ene zaak liet de Hoge Raad een veroordeling wegens medeplegen in stand ten aanzien van een verdachte die met het oog op een te plegen inbraak in een supermarkt een medeverdachte voor sluitingstijd had ingesloten in de meterkast in het magazijn, opdat die medeverdachte op een geschikt moment de alarmkabels kon doorknippen waarna de anderen naar binnen zouden gaan. Van belang is verder dat het hierbij om een vaste modus operandi ging van een criminele jeugdgroep. Kennelijk was de Hoge Raad in deze zaak van oordeel dat, ter voltooiing van de beoogde diefstal, het insluiten al als een eerste, en tevens belangrijke, feitelijke uitvoeringshandeling van de inbraak kon worden aangemerkt.4

In de andere zaak achtte de Hoge Raad, anders dan onze ambtgenoot Bleichrodt in zijn conclusie, ook de opeenstapeling van op zichzelf medeplichtige gedragingen onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een overval op een juwelier. In deze zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte betrokken was geweest bij de voorverkenning bij de juwelier, bestuurder was van de gestolen vluchtauto en zijn medeverdachten, die de overval feitelijk hadden gepleegd, volgens een vooraf beraamd vluchtplan had opgewacht. Bleichrodt meende dat het hof op grond van deze feiten kon oordelen dat er sprake was van medeplegen omdat de verdachte niet alleen bij de voltooiing van het delict maar ook in het kader van de voorbereiding van de overval een substantiële rol had vervuld, waarbij bovendien de gang van zaken duidde op een planmatig karakter van de overval en een hechte samenwerking van de dadergroep. De Hoge Raad deelt dit oordeel niet en overweegt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van medeplegen, waarbij de Hoge Raad in aanmerking neemt dat het hof vooral betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid "dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto (de Audi S6) en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij een voorverkenning van de plaats delict op 15 juni 2011".5

Beide voorbeelden illustreren dat het niet zelden nog zoeken is waar de grenslijn ligt met medeplichtigheid.

3.8.

Bij onze analyse van, kort gezegd, medeplegen versus medeplichtigheid hebben mijn ambtgenoot Spronken en ik getracht zichtbaar te maken welke begrippen en criteria een rol spelen en waar de mogelijke probleempunten zitten, ten einde deze te verwerken in een voor de praktijk hanteerbaar beslisschema. Daarbij gaat onze aandacht vooral uit naar vragen als:

a. Hoe verhouden de criteria van een nauwe en bewuste samenwerking en een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht zich tot elkaar? Waarom wordt bijvoorbeeld het laten insluiten in een supermarkt als een wezenlijke bijdrage van de ‘insluiter’ aan het delict aangemerkt en onder het bereik van medeplegen gebracht en niet aangemerkt als medeplichtigheid?

b. Wat betekent precies een gezamenlijke uitvoering en hoe verhoudt deze zich tot gedragingen voorafgaand, tijdens of na het strafbare feit? Wat is het verschil tussen gezamenlijke uitvoering en gedragingen tijdens het delict respectievelijk ‘lijfelijke aanwezigheid’? Maakt het daarbij nog uit om welk delict het gaat (denk aan inbraak, groepsgeweld, etc.)?

c. Wat houdt de extra motiveringsplicht in ten aanzien van de gedragingen voorafgaand aan onderscheidenlijk na het delict?

d. Is voor het ‘in vereniging plegen’ van bijvoorbeeld geweld als bedoeld in art. 141 Sr de ‘lijfelijke aanwezigheid’ van de pleger van dat geweld vereist?

4 Categorisering rechtspraak naar deelonderwerpen

4.1.

Hieronder zal worden ingegaan op gevallen waarin wel of juist geen sprake is van (i) een gezamenlijke uitvoering van het feit dan wel (ii) van gedragingen voorafgaand, tijdens of na het feit die kunnen gelden als een voldoende gewichtige intellectuele of materiële bijdrage aan het feit. Wij laten hierbij een bespreking van de vraag waarop het opzet van de medepleger moet zijn gericht buiten beschouwing, omdat dit aspect nauwelijks in de door ons bekeken uitspraken aan de orde is. Wij delen in dat verband ook de visie van onze ambtgenoot Vellinga dat het sinds 2 december 2014 te maken preciezere onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid niet in de eerste plaats in een verschil in opzet schuilt.6 Het is ons er vooral om te doen een beter inzicht te krijgen in de toepassing van de criteria die door de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 zijn geformuleerd.7

(I) Gezamenlijke uitvoering

4.2.

Het vereiste van de gezamenlijke uitvoering is om met de woorden van De Hullu te spreken niet zozeer een zelfstandig criterium, maar geldt als een invulling van het vereiste van bewuste en nauwe samenwerking dat centraal staat bij de vraag of er sprake is van medeplegen.8 Gezamenlijke uitvoering veronderstelt tevens naar zijn inhoud reeds een voldoende gewichtige intellectuele en/of materiële bijdrage. Volgens de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 2 december 2014 zal een dergelijke bijdrage in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit.

4.3.

Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat de enkele aanwezigheid ten tijde van de verwezenlijking van het delict (in beginsel) onvoldoende is.9 Zo was bijvoorbeeld het lijfelijk en dreigend aanwezig zijn, het zich niet distantiëren en het op enige afstand blijven wachten toen het feit werd begaan tezamen niet genoeg voor de bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing en diefstal onder bedreiging van geweld.10 Dat gold ook voor de situatie waarin een medeverdachte gedurende een tijdsbestek van een aantal uren in aanwezigheid van de verdachte een ander meermalen met kracht in het gezicht, tegen het hoofd en het bovenlichaam had geslagen en geschopt. De verdachte zelf had geen geweld gepleegd maar had ook op geen enkele wijze geprobeerd om het geweld te doen stoppen, zelfs niet toen het slachtoffer weerloos was (gemaakt) en in hulpeloze toestand kwam te verkeren. Anders dan het hof, oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van de betrokkenheid en aansprakelijkheid van de verdachte dat deze omstandigheden – het langdurig fysiek aanwezig zijn en het niet ingrijpen – onvoldoende waren om te kunnen aannemen dat hij een ‘wezenlijke’ bijdrage had geleverd aan de tenlastegelegde poging tot moord, in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen niet bleek van een voldoende intellectuele of materiële bijdrage van zijn kant.11 Deze voorbeelden sluiten aan bij de overweging van de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 2 december 2014 dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt.

4.4.

Ook als in de uitvoeringsfase de rol van de verdachte uit wat meer heeft bestaan dan het aanwezig zijn en het niet ingrijpen, levert dat zeker nog niet zonder meer gezamenlijke uitvoering op, ook al heeft hij gedragingen verricht die zijn te situeren binnen het tijdsbestek waarop het strafbare feit feitelijk plaatsvindt. Dan geldt eveneens dat de bijdrage van de verdachte aan het feit al met al wezenlijk van aard moet zijn geweest. Zo was er volgens de Hoge Raad geen sprake van medeplegen in de volgende gevallen: aanwezig zijn en aanreiken van een vuurwapen aan degene die daarmee de slachtoffers doodde (HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3165); optreden als chauffeur voor de verkoper van cocaïne en aanwezig zijn bij verkoop (HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453, overigens wel medeplegen van vervoer, zie hieronder, en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3427); aanwezig zijn en op twee momenten hulp bieden aan personen die van dak afklimmen na brandstichting pand (HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3571).

4.5.

Bevestiging voor de stelregel dat een gezamenlijke uitvoering eerst kan worden aangenomen als daarbij naast een fysieke aanwezigheid de bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is, kan ook worden gevonden in een aantal uitspraken waarin de Hoge Raad de veroordeling wegens medeplegen (waaronder het ‘in vereniging plegen’ begrepen) juist in stand liet. In die gevallen bleek uit de bewijsconstructie van het hof telkens dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de uitvoering van het delict maar daaraan ook op enigerlei wijze een actieve bijdrage had geleverd en/of daaruit bewust voordeel had verkregen.12 De rol van de verdachte was om die reden gelijkwaardig aan die van de anderen. Zo was bijvoorbeeld het besturen door de verdachte van een auto waarin hij samen met zijn medeverdachte reed en waarin op diverse plaatsen – waaronder aan de bestuurderszijde – verdovende middelen waren verstopt, samen met het stoppen op het adres waar de medeverdachte de heroïne zou afleveren, aldaar wachten op die medeverdachte en weer met die medeverdachte vertrekken weliswaar niet voldoende voor het medeplegen van de verkoop van die verdovende middelen maar wel voor het medeplegen van het vervoer daarvan.13 Uit de bewijsconstructie van het hof kon namelijk worden afgeleid dat de verdachte, die niet alleen de auto had bestuurd en dus feitelijk de verdovende middelen had vervoerd, ook wist dat die verdovende middelen in de auto waren verstopt.

4.6.

Anderzijds behoeft in geval van aanwezigheid bij het delict de rol van de verdachte kennelijk niet altijd heel groot te zijn om diens bijdrage te kunnen aanmerken als wezenlijk of van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht. In twee zaken waarin sprake was van diefstal met geweld en bedreiging met geweld in groepsverband liet de Hoge Raad de veroordelingen in stand, hoewel de rol van de verdachten die van meeloper leek te zijn en de bewijsvoering enigszins in het midden liet wat de eigen (actieve) bijdrage van deze verdachten aan de diefstal met geweld en de bedreiging met geweld precies was geweest. Het hof had niet méér vastgesteld dan dat de verdachten op enig moment deel waren gaan uitmaken van de groep die de diefstal had gepleegd, dat hun aanwezigheid mede daardoor een dreigend karakter had en dat beiden na de beroving spullen uit de handtassen van de aangeefsters in hun bezit hadden.14 Deze gedragingen tijdens en na het feit waren kennelijk voldoende om hun bijdrage als wezenlijk aan te merken. Mogelijk valt daaruit af te leiden dat de soort waartoe het delict hoort van belang is en dat de Hoge Raad in het geval van bedreigingen in (georganiseerd) groepsverband eerder medeplegen lijkt aan te nemen, in die zin dat de bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijke uitvoering van het feit zelf minder prominent mag zijn dan die van de anderen wanneer zijn aanwezigheid in de groep ertoe strekt daaraan een bedreigend karakter te geven.15

Gezamenlijke uitvoering: tussenconclusie

4.7.

Een gezamenlijke uitvoering tijdens het feit levert al voldoende aanwijzingen voor een wezenlijke bijdrage en derhalve voor medeplegen op. Het is dan aan de verdachte om het tegendeel aannemelijk te maken. Niettemin blijft staan de vraag wanneer, onder welke omstandigheden, een bijdrage van voldoende gewicht is om een bewezenverklaring ter zake van medeplegen te kunnen dragen. Waar ligt de grenslijn met of het kantelpunt naar medeplichtigheid?

4.8.

Gedragingen die enkel het delict bevorderen of vergemakkelijken zijn in elk geval voor medeplegen onvoldoende. Of gedragingen als zodanig kunnen worden aangemerkt, is weer een andere vraag, en bovendien een vraag die zich niet in zijn algemeenheid maar slechts aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval laat beantwoorden. Zo noemt De Hullu in dit verband het voorbeeld van “een passief soort medeplegen door ter plekke aanwezig te zijn”: op zichzelf kan zo’n aanwezige als medepleger worden aangemerkt, indien maar vaststaat dat er sprake was van voldoende (bewuste en) nauwe samenwerking. Dat is bij enkele aanwezigheid zeker niet evident, en daarom moet er dan méér worden vastgesteld, bijvoorbeeld de betrokkenheid bij het plan, de actieve aansporing van de feitelijke uitvoerder, een rechtsplicht tot handelen die opzettelijk wordt verzaakt, de relevantie van die aanwezigheid of een combinatie van dergelijke elementen.16

4.9.

Daarbij hangt het ook van de aard van het delict af welke eisen gesteld worden aan het gewicht van de bijdrage. In dat verband noemen wij de gevallen van (bedreigingen met) geweld in groepsverband, waarbij de Hoge Raad minder snel geneigd lijkt te zijn een bewezenverklaring van medeplegen te vernietigen, ook al heeft een van de betrokkenen een minder gewichtige bijdrage aan het feit zelf geleverd. In dergelijke gevallen lijkt juist de omstandigheid dat het feit gezamenlijk en gelijktijdig wordt uitgevoerd een zodanig zwaarwegende factor te zijn dat voor medeplegen niet veel meer nodig is dan de aanwezigheid van de betrokkene ter plaatse, als die aanwezigheid dan maar bijdraagt aan een getalsmatige versterking van de groep waardoor het bedreigende karakter daarvan eveneens wordt vergroot. In geval van openlijke geweldpleging in vereniging zal lijfelijke aanwezigheid de normale gang van zaken zijn en lijkt het niet goed voorstelbaar hoe iemand daaraan anders een gewichtige bijdrage kan leveren. Denkbaar is echter dat iemand, deel uitmakend van een vaste groep voetbalhooligans of van een motorbende, niet fysiek aanwezig is en op afstand de rol van regisseur vervult door het telefonisch geven van aanwijzingen. Die mogelijkheid wordt hierna onder 4.14 besproken, terwijl hier voorts ook al wordt gewezen op de straks te bespreken uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2015.17

(ii) gedragingen voorafgaand, tijdens of na het feit die kunnen gelden als een voldoende gewichtige intellectuele of materiële bijdrage aan het feit.

4.10.

De overweging in het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014, dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan lijkt een gelijktijdigheidsverband tot uitdrukking te brengen. Maar de bijdrage kan ook bestaan in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, zo vervolgt de Hoge Raad. Dit laatste roept vragen op omdat daarmee blijkbaar gedoeld wordt op gedragingen die niet onder de gezamenlijke uitvoering van het feit te brengen zijn. Waar moeten we dan aan denken, met name als dit handelingen kunnen zijn die ‘tijdens’ het strafbare feit worden verricht? Dat roept op zijn beurt de vraag op wat de Hoge Raad in dit verband bedoelt met een ‘gezamenlijke uitvoering van het feit’. Gaat het dan om de fysieke uitvoering die lijfelijke aanwezigheid veronderstelt?

4.11.

Deze vraag speelt in het hiervoor reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 april 201518 waarin de verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van een inbraak in een supermarkt. De verdachte had zelf geen bijdrage geleverd tijdens de feitelijke inbraak, maar had, als gezegd, vooraf een medeverdachte ongezien ingesloten in een meterkast in het magazijn van de supermarkt (zodat deze na sluitingstijd de alarmkabels kon doorknippen). Het hof had die gedraging gelet op de modus operandi als een ‘uitvoeringshandeling van de inbraak’ aangemerkt zodat er (volgens het hof) sprake was van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk mede gelet op de door het hof vastgestelde bijzondere wijze waarop de inbraak was uitgevoerd. Deze uitspraak van de Hoge Raad is in het licht van het overzichtsarrest van 2 december 2014 niet vanzelfsprekend. Het betreft hier immers een handeling die vooraf ging aan het materiële feit zelf – de diefstal met braak – , en dus lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat bij de zojuist genoemde uitvoeringshandeling niet alleen dient te worden gedacht aan een gedraging tijdens het feit, maar ook aan een gedraging die te positioneren is in een fase die daar (direct) aan voorafgaat. Deze gedraging is dan van zoveel gewicht, en mogelijk zelfs wezenlijk, voor het welslagen van de diefstal met braak, dat het insluiten van de medeverdachte in dit geval kan worden aangemerkt als een eerste, belangrijke, aanzet tot de uitvoering van het feit. Dat brengt mee dat ‘de gezamenlijke uitvoering’ uit verschillende fasen kan bestaan en meer bestrijkt dan alleen gedragingen die feitelijk tijdens de verwezenlijking van het feit plaatsvinden. Ook al lijkt hier van gelijktijdigheid geen sprake te zijn, door de gezamenlijke uitvoering te laten aanvangen bij de insluiting in de meterkast wordt er toch een zekere – weliswaar uitgerekte – gelijktijdigheid geconstrueerd.19 Opmerking verdient in dit verband dat een dergelijke uitleg zich onzes inziens verdraagt met het leerstuk van een begin van uitvoering van het misdrijf in het kader van de poging.20

4.12.

Een voorbeeld van eenzelfde soort constructie, maar waarbij de gezamenlijke uitvoering zich uitstrekt tot handelingen die verricht zijn ná het plegen van het grondfeit, kan worden gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2015 waarbij het medeplegen van diefstal gevolgd door bedreiging van geweld was bewezenverklaard. Het hof had vastgesteld dat de verdachte zich (aanvankelijk) niet bewust was van de diefstal van een portemonnee door zijn medeverdachte, maar wel moet hebben gezien dat zijn medeverdachte daarna geld uit de ontvreemde portemonnee haalde. Toen had hij volgens het hof moeten beseffen dat zijn medeverdachte die portemonnee gestolen had. De verdachte had vervolgens door bedreigende gedragingen de vlucht van zijn medeverdachte en hemzelf en het veiligstellen van het weggenomen geld uit die portemonnee mogelijk gemaakt. Daaruit leidde het hof af dat de verdachte het oogmerk had gehad op verwezenlijking van de diefstal en daarvoor als medepleger verantwoordelijk kon worden gehouden. De Hoge Raad las daarin het kennelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte in zodanig nauw verband stonden met de diefstal en van zodanig belang waren, dat van nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn mededader gesproken kon worden. Dat gaf volgens de Hoge Raad geen blijkt van een onjuiste rechtsopvatting, ook al had het hof (ook) overwogen dat niet was gebleken van een vooraf gemaakte afspraak tussen de verdachte en zijn medeverdachte om de portemonnee te stelen.21 Van belang is te onderkennen dat het in dit voorbeeld gaat om een gekwalificeerd delict, namelijk diefstal ‘gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen’. In de visie van het hof is het niet de diefstal zelf, die is ‘medegepleegd’, maar de diefstal gevolgd door bedreiging met geweld, waarbij de verdachte de (latere) bedreiging heeft uitgevoerd en dus een uitvoeringshandeling heeft verricht. Het medeplegen bestaat dan uit een gezamenlijke uitvoering van de diefstal met geweld.22

4.13.

Op de keper beschouwd zijn in deze voorbeelden de handelingen van de verdachten, die ogenschijnlijk zijn verricht voorafgaand respectievelijk na afloop van het strafbare feit, aangemerkt als uitvoeringshandelingen van dat strafbare feit en is er op grond daarvan sprake van een gezamenlijke uitvoering. Daardoor vallen zij in feite buiten de categorie waarbij het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit hebben plaatsgevonden. Deze voorbeelden maken wel inzichtelijk wat onder het bereik van een gezamenlijke uitvoering kan worden gebracht, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord op welke situaties de Hoge Raad het oog heeft bij de varianten waarbij de geleverde bijdrage wordt gevormd door gedragingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit en die niet binnen een gezamenlijke uitvoering vallen. Wat bedoelt de Hoge Raad, met name als het gaat om de variant ‘tijdens’ daar precies mee, vergeleken met de daaraan voorafgaande zin over de gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit? Wij menen dat deze categorie van kortgezegd handelingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit alleen zinvol kan worden ingevuld, als onder de uitvoering van het strafbare feit de fysieke uitvoering wordt verstaan die zich over een min of meer af te bakenen periode afspeelt. Met dit uitgangspunt in ons achterhoofd hebben we een aantal gevallen geanalyseerd waarbij er geen bijdrage tijdens de uitvoering van het (grond)delict is geleverd en er wel sprake is van medeplegen.

4.14.

Het is al lang staande jurisprudentie dat lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling aan het aannemen van medeplegen niet in de weg hoeft te staan.23 Het gaat dan om situaties waarbij de verdachte weliswaar niet deelneemt aan de daadwerkelijke uitvoering van het delict, maar wel een sturende of leidende rol heeft in de voorbereiding en de uitvoering ervan, daartoe het initiatief neemt of kennelijk het ‘brein’ is achter de feiten. Recente voorbeelden daarvan kunnen worden gevonden in een aantal zaken die de Hoge Raad met toepassing van art. 81, eerste lid, RO afdeed.24 Een illustratieve casus, waarbij het niet alleen ging om het nemen van het initiatief en het bedenken van het plan, maar ook om handelingen die tijdens de uitvoering van het strafbare feit door de andere medepleger werden verricht, is een zaak waarbij de Wet op de Luchtvaart werd overtreden door met een modelvliegtuigje boven de Ridderzaal en het Binnenhof te vliegen. De verdachte had het modelvliegtuig niet zelf bestuurd maar had de piloot (zijn medepleger) telefonisch aanwijzingen gegeven vanaf de grond over de richting waarin het vliegtuigje moest vliegen en ook bijvoorbeeld opdracht gegeven nog “een paar opvallende manoeuvres te maken met ronkende geluiden”. Hieruit kon het hof opmaken dat tussen de verdachte en de piloot sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.25 Dit is bovendien ook een voorbeeld van de hierboven genoemde variant van een geleverde bijdrage tijdens de uitvoering van het delict zonder dat er sprake is van een (fysieke) gezamenlijke uitvoering ervan.

4.15.

Een ander geval waarin de verdachte geen (fysieke) bijdrage had geleverd aan de uitvoering van het delict zelf, te weten het openlijk in vereniging plegen van geweld door meerdere malen met vuurwapens te schieten op een woning, kan gevonden worden in HR 13 oktober 2015.26 Het hof had er in zijn bewijsmotivering op gewezen dat de verdachte het adres van de woning had gegeven, met vijf anderen naar de woning was gereden, daar tweemaal op de voordeur had geklopt en de naam van de bewoner had geroepen en dat de verdachte de groep getalsmatig had versterkt. Aan het schieten zelf had hij niet deelgenomen. Voor het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag achtte het hof dit niet voldoende, maar wel voor het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van de openlijke geweldpleging. A-G Harteveld meende in zijn conclusie dat die gedragingen ieder afzonderlijk eerder met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en nu deze kennelijk niet voldoende waren voor het aannemen van de poging tot doodslag, dit bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat het hof van oordeel was dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage had geleverd aan de openlijke geweldpleging die uit datzelfde schieten bestond. Op grond van welke factoren de Hoge Raad tot zijn van de A-G afwijkend oordeel kwam, blijkt uit dit arrest niet. Net als wij hiervoor onder 4.9 hebben opgemerkt is ook hier wellicht het afwijkende oordeel van de Hoge Raad te verklaren uit het soort delict, in dit geval geweldpleging in (georganiseerd) groepsverband. Dan lijkt sneller medeplegen te worden aangenomen, mogelijk omdat, zoals wij hiervoor opmerkten, in dergelijke situaties de bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijke uitvoering van het feit zelf minder prominent mag zijn dan die van de anderen, wanneer zijn aanwezigheid in de groep ertoe strekt daaraan een bedreigend karakter te geven. Wellicht geldt het voorgaande eveneens als het gaat om gedragingen die voorafgaan aan de feitelijke uitvoering van de openlijke geweldpleging, en slaat ook in die situaties de balans eerder door in de richting van medeplegen. Dit zou tevens het verschil verklaren met het door ons hiervoor genoemde arrest van HR 16 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3637 betreffende een inbraak bij een juwelier. De Hoge Raad achtte daarin de veroordeling wegens medeplegen door het hof op grond van de overwegingen “dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij de voorverkenning van de plaats delict” onvoldoende gemotiveerd.

4.16.

Bij hennepteelt lijkt medeplegen minder snel te worden aangenomen. De Hoge Raad heeft recentelijk een aantal veroordelingen wegens medeplegen van de teelt zelf of van het aanwezig hebben van hennep vernietigd. Daarbij was telkens sprake van een situatie waarin de verdachte onmiskenbaar op de hoogte was van de betrokken hennepplantage maar niet méér had gedaan dan het ter beschikking stellen van een woning (en de daarin aanwezige voorzieningen), dan wel het regelen van mensen voor het aanleggen van de hennepplantage en/of het faciliteren van de financiering van die plantage. Omdat daaruit niet bleek dat de verdachte iets te maken had gehad met de teelt zelf en/of de opbrengsten daarvan, hielden deze veroordelingen in cassatie geen stand.27 In een aantal van deze zaken overwoog de Hoge Raad expliciet dat de verrichte gedragingen in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid, nu het er telkens op neerkwam dat de verdachte het delict had bevorderd, vergemakkelijkt of mogelijk gemaakt maar aan het delict zelf niet of nauwelijks een bijdrage van enig gewicht had geleverd. Als de bewijsmiddelen weinig inhouden omtrent de rol of bijdrage van de verdachte en het hof daaraan geen bewijsoverweging heeft gewijd, zal een bewezenverklaring ter zake van medeplegen de toets in cassatie niet doorstaan (en al snel worden afgedaan als onbegrijpelijk), omdat in het ongewisse blijft op welke redengevende feiten en omstandigheden de vereiste bewuste en nauwe samenwerking gebaseerd is.28 Om dan tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is meer nodig, zoals bijvoorbeeld blijkt uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696: het hof had vastgesteld dat de verdachte en een medeverdachte zich bij het bedrijfspand bevonden waar later hennepplanten werden aangetroffen, zij over een sleutel van dat pand beschikten, zij daar al eerder waren geweest en één van hen spontaan aan de ter plaatse gekomen politie mededeelde dat in dat pand hennep werd geteeld. Hier liet de Hoge Raad de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die hennepplanten in stand.29

4.17.

Maar in een van de zaken die betrekking hadden op de spraakmakende Rioolputmoord, vernietigde de Hoge Raad de veroordeling van een van de verdachten wegens medeplegen omdat het hof in de kern enkel had vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer had misleid over het doel van een gesprek waartoe het slachtoffer naar een bepaalde plaats was gelokt en hem niet had gewaarschuwd, waardoor het voor de medeverdachte mogelijk was om het slachtoffer neer te schieten.30 A-G Harteveld meende in deze zaak dat het hof de veroordeling wegens medeplegen voldoende had gemotiveerd, nu het hof ook had vastgesteld dat de verdachte van de hoed en de rand wist, na afloop had geholpen met het wissen van de sporen en het wegvoeren van het lijk en zich niet had gedistantieerd. In dit geval achtte de Hoge Raad deze handelingen na het strafbare feit kennelijk niet voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking.

4.18.

Wij zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad na het overzichtsarrest van 2 december 2014 geen zaken tegengekomen waarin een veroordeling wegens medeplegen uitsluitend was gebaseerd op gedragingen verricht ná het strafbare feit en deze veroordeling vervolgens in cassatie stand hield. In de zaak waarbij het ging om de vraag of de verdachte de diefstal van een navigatiesysteem uit een auto had medegepleegd, kon volgens de Hoge Raad uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat de verdachte de auto had bestuurd waarmee de daders waren gevlucht nadat het feit was gepleegd en dat achtte hij onvoldoende, in aanmerking nemend dat verdere overwegingen over een nauwe en bewuste samenwerking in het arrest van het hof ontbraken. 31 Ook een andere zaak betrof ‘het behulpzaam zijn’ bij de vlucht. De verdachte had twee medeverdachten als passagiers in zijn auto naar de plaats delict gebracht, was met draaiende motor in de auto blijven wachten, had de bestuurder van een andere auto (die vóór hem wilde parkeren) gemaand weg te gaan, en had door de beide achterportieren van de auto open te houden een vrije vluchtweg willen creëren voor de medeverdachten. Het hof meende uit dit samenstel van gedragingen een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering ‘voorafgaand aan’ en ‘na afloop van’ de beroving te kunnen afleiden. De Hoge Raad zag dit anders: “Nu deze door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en het Hof uit die omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering ‘voorafgaand aan’ en ‘na afloop van’ de beroving, is 's Hofs oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de beroving, ontoereikend gemotiveerd.”32

In zijn noot onder de arresten van de Hoge Raad van 24 maart 201533 stelt Nan dat uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 volgt dat degene die uitsluitend handelingen verricht nádat het feit is begaan niet als medepleger kan worden aangemerkt. Mijn ambtgenoot Spronken heeft in haar conclusie voorafgaand aan HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 het standpunt ingenomen dat handelingen die zijn begaan na het strafbare feit op zichzelf niet genoeg kunnen zijn om van medeplegen te kunnen spreken, maar hoogstens in bewijsrechtelijke zin een indicatie kunnen opleveren voor de beantwoording van de vraag of de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd voorafgaand of tijdens het uitvoeren van het strafbare feit.34 Dat is een uitgangspunt waar wij nog steeds achter staan.

5 Samenvatting en beslisschema

5.1.

Uit de voorgaande analyse blijkt onzes inziens dat de criteria die de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 heeft geformuleerd om de bewijsbeslissing in geval van medeplegen van een preciezer beslissingskader te voorzien en beter te markeren ten opzichte van medeplichtigheid, niet steeds eenvoudig zijn toe te passen en soms leiden tot uitkomsten die aan de hand van die criteria niet goed verklaarbaar zijn. In concrete zaken blijkt de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid nog altijd moeilijk en is de afloop van een cassatieberoep dat daarop is gericht niet goed te voorspellen. Nu is enige onvoorspelbaarheid tot op zekere hoogte onlosmakelijk verbonden met rechtspraak – en dat er ruimte blijft voor debat is maar goed ook – maar de regelmaat waarmee medepleegvraagstukken aan de Hoge Raad worden voorgelegd verraadt ook onzekerheid over de (invulling van de) toetsingsmaatstaven. Het gaat daarbij niet alleen om een nauwkeurige waardering van de concrete omstandigheden van het geval, maar ook over de interpretatie van die maatstaven zelf. Vandaar dat wij hebben getracht om in de rechtspraak na 2 december 2014 lijnen te ontdekken die in de praktijk ondersteuning kunnen bieden bij de toepassing van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria.

5.2.

Wij geven onze bevindingen hieronder weer in de vorm van een min of meer chronologisch beslisschema voor de beoordeling van zaken waarbij medeplegen ten laste is gelegd.

a) Het kerncriterium van medeplegen is de bewuste en nauwe samenwerking waarbij de bijdrage van de verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Voor de beoordeling of daarvan sprake is komt het aan op de precieze bewijsvoering: welke handelingen of gedragingen kunnen uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid c.q. daardoor worden gestaafd? In sommige gevallen vergt dat een expliciete motivering in die zin dat niet met een verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen kan worden volstaan.

b) Het medeplegen kan bestaan uit twee modaliteiten (die zich ook in combinatie met elkaar kunnen voordoen):

(I) een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, welke zich over meer fasen kan uitstrekken en waaronder wij de fysieke uitvoering verstaan waarbij de verdachte aanwezig is geweest en daarbij in enige fase uitvoeringshandelingen heeft verricht dan wel

(II) gedragingen die ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit hebben plaatsgevonden.

c) In beide modaliteiten moet het gaan om intellectuele en/of materiële bijdragen van voldoende gewicht.

d) Daarvan is geen sprake als uit de bewijsmiddelen enkel blijkt :

(I) dat de verdachte aanwezig is geweest ten tijde van de verwezenlijking van het delict en geen enkele uitvoeringshandeling heeft verricht;

(II) en zich daar niet van heeft gedistantieerd.

e) Een uitzondering hierop lijkt mogelijk bij delicten die bestaan uit (bedreigingen) met geweld in groepsverband. Dan kan de aanwezigheid binnen de groep bijdragen aan het bedreigende karakter van het geweld en zodanig zwaarwegend zijn dat op grond daarvan medeplegen kan worden aangenomen. Ook een dergelijke kwalificatie vergt naar ons inzicht een extra motivering.

f) Voor beide onder b) genoemde modaliteiten, of een combinatie daarvan, geldt eveneens dat bij gedragingen die het delict bevorderen of gemakkelijk maken en die normaliter als medeplichtigheid worden aangemerkt, dit het aannemen van medeplegen in beginsel in de weg staat. Indien dergelijke gedragingen toch als medeplegen worden gekwalificeerd, vergt dat een extra motivering waarin wordt onderbouwd dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bijdrage van de verdachte, ook al valt deze (op het eerste gezicht) binnen de categorie medeplichtigheid, van wezenlijke betekenis en dus van voldoende gewicht is geweest.

g) De tweede onder b) genoemde modaliteit, die gedragingen ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit behelst, heeft in onze visie betrekking op situaties waarbij de verdachte niet lijfelijk aanwezig is geweest bij de feitelijke uitvoering van het delict of daaraan niet fysiek heeft deelgenomen. Ook hier moet het gaan om bijdragen die van wezenlijk intellectueel en/of materieel belang zijn bij de verwezenlijking van het delict zoals:

(I) het vervullen van een sturende en leidende rol, al dan niet achter de schermen of op afstand;

(II) het initiatief nemen en de uitdenker zijn van het strafbare feit;

(III) anderszins handelingen die in combinatie met elkaar van zodanig gewicht zijn dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Ook in deze situaties dient uit een extra motivering te blijken waarom het gerechtvaardigd is medeplegerschap aan te nemen.

h) Hoe medeplegerschap zou moeten worden geconstrueerd enkel en alleen op grond van gedragingen de uitvoering van het strafbare feit – waaronder wij mede verstaan het vervullen van een van de delictsbestanddelen bij een gekwalificeerd misdrijf – zien wij niet. In dergelijke gevallen lijkt slechts een kwalificatie als medeplichtigheid mogelijk.

5.3.

Tot slot willen wij opmerken dat het uiteraard uiteindelijk aankomt op de concrete bewijsvoering in de zaak zelf en een inzichtelijke motivering waarom medeplegen wordt bewezenverklaard. Wij hebben in het voorafgaande een aantal zaken besproken waarbij het voor ons onduidelijk blijft waarom de Hoge Raad al dan niet een veroordeling wegens medeplegen in stand heeft gelaten. Daarbij denken wij met name aan de zaak van de overval op de juwelier35, de Rioolputmoord36 en het medeplegen van de openlijke geweldpleging waarbij op de deur was geschoten.37 Het zijn deze zaken die in de praktijk twijfel kunnen veroorzaken over de hantering van de criteria voor het aannemen van medeplegen en waarbij ook wij niet hebben kunnen achterhalen wat precies de overwegingen van de Hoge Raad zijn geweest om in het ene geval wel en in het andere geval niet tot een vernietiging van het arrest te besluiten. Het zou helpen als de Hoge Raad in dergelijke grensgevallen meer inzicht in zijn redenering zou geven dan thans het geval is. In zijn studiepocket strafrecht Cassatie in strafzaken (achtste druk 2015, p. 131) schrijft Van Dorst: “In latere jaren is de Hoge Raad in toenemende mate afgeweken van de gewoonte om zeer summier te motiveren, meer bepaald bij kwesties van enige juridische importantie.” Wellicht kan de Hoge Raad daar nog een schepje bovenop doen door met betrekking tot medeplegen en medeplichtigheid in grensgevallen zijn beslissing van een wat uitvoerigere motivering te voorzien. Een aantal door ons geselecteerde zaken leent zich daarvoor.

6 Bespreking van het middel

6.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het medeplegen en het opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

6.2.

Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat:

“hij op 21 mei 2014 te [plaats] , gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte en mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [betrokkene 1] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met mededaders, op drie plaatsen aan de woning, deuren en een raam heeft beschadigd en getracht te forceren met behulp van één of meer werktuigen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

6.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-1 (pagina’s 119-120), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van poging tot inbraak, gepleegd op 21 mei 2014 in mijn woning aan de [a-straat 1] [plaats] , gemeente Montferland. Vanmorgen, 21 mei 2014, omstreeks 07.00 uur heb ik als laatste onze woning verlaten. Voordat ik bij de woning wegging heb ik eerst alle buitendeuren en ramen gecontroleerd. Ze waren allemaal afgesloten. Vanmiddag omstreeks 16.00 uur werd ik door een buurman gebeld dat er bij onze woning gepoogd was om in te breken. Toen ik thuis kwam heb ik samen met de politie mijn woning bekeken. Ik zag dat men op drie plaatsen rondom de woning gepoogd heeft om zich toegang te verschaffen tot mijn woning. Bij de voordeur en bij een achterdeur heeft men geprobeerd om de deur te forceren met een breekvoorwerp, waardoor schade aan de deur en het deurkozijn is ontstaan. Ook bij het bovenlicht links naast de voordeur heeft men schade veroorzaakt aan het kozijn. Tevens werd de raamvergrendeling aan de binnenzijde van dit bovenlicht vernield.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-3 (pagina’s 141-142), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 2] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant 8] :

Ik woon samen met mijn vrouw aan de [a-straat 2] te [plaats] . Op 21 mei 2014 omstreeks 13.20 uur was mijn vrouw bezig in de voortuin van onze woning. Vanuit hier zag zij dat er een donkere Volkswagen ter hoogte van het zitbankje bij perceel [a-straat 3] stond. Hier stonden vier jongens bij te dansen en te springen. Ik was achter in de tuin toen ik door mijn vrouw geroepen werd om dit te bekijken. Ik zag de auto en de jongens ook. Ongeveer tien minuten later gingen mijn vrouw en ik met onze auto van huis. We wilden naar Zevenaar om een boodschap te doen. Ter hoogte van [a-straat 1] , bij de familie [betrokkene 1] , zag ik de donkere auto op de oprit staan. Ik zag dat de voorzijde van de auto in de richting van de weg stond. Ik zag hier wederom het viertal jongens dat eerder op de weg stond. Ik zag dat ze bij de achterdeur van de woning stonden. Ik stopte en reed achteruit omdat ik het niet vertrouwde. Ik reed achteruit en ik zag dat de jongens in hun auto sprongen en wegreden.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-25 (pagina 143), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 3] , inspecteur van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

Vanmiddag, 21 mei 2014 omstreeks 13.35 uur, bevond ik mij in de keuken van mijn woning aan de [a-straat 3] te [plaats] . Vanuit de keuken via het keukenraam heb ik zicht op de [a-straat ] en dan kan ik kijken in de richting van de percelen [a-straat 5] en [a-straat 1] aan de [a-straat ] te [plaats] . Toen ik uit het raam keek, zag ik verderop op de [a-straat ] een personenauto stilstaan midden op de weg. Ik zag dat bij deze auto vier personen stonden en dat enkele van deze personen stonden te plassen. Ik zag vervolgens dat de vier personen weer in de auto stapten en wegreden in de richting van de buren op [a-straat 5] en [a-straat 1] van de [a-straat ] . Ik zag dat de auto een donkere Volkswagen betrof. Ik zag vervolgens dat de auto achterwaarts de oprit van de woning van de [a-straat 1] te [plaats] opreed. Op dat moment dacht ik dat de auto wilde keren en weer de richting uit wilde rijden als waar zij vandaan waren gekomen, maar het duurde mij te lang en ik zag dat de auto niet meer de weg op kwam, maar kennelijk op de oprit bleef staan. Op dat moment dacht ik dat dit niet goed was en dat de personen misschien wel eens wat van plan waren bij de woning en heb ik de politie gebeld. Temeer omdat ik wist dat de bewoners niet thuis waren, maar alle twee de bewoners aan het werk waren.

4. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0648-2014069091-50 (pagina’s 146- 147), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 mei 2014 door [verbalisant 3] , voornoemd, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] :

Op 21 mei 2014 omstreeks 13.30 uur stond ik op de weg voor mijn woning aan de [a-straat 2] te [plaats] en ik keek in de richting van de afgaande nummers de straat in. Ik zag verderop in de straat een auto stilstaan met vier personen bij de auto. Na ongeveer tien minuten zijn mijn man en ik met onze auto weggegaan om naar Zevenaar te rijden. Toen we voorbij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] reden, zag ik de auto weer staan die ik even daarvoor op de weg had zien staan. Ik zag vier personen bij de achterdeur van de woning staan. Mijn man zei: “Daar wordt ingebroken.”

En hij stopte de auto en zette hem in de achteruit. Ik zag dat de vier personen vervolgens in de bewuste auto stapten en er snel vandoor reden in de richting van ons huis over de [a-straat ] te [plaats] . Mijn man zei dat ik het kenteken van de auto die weg was gereden bij de woning moest noteren en dit heb ik gedaan op een zakdoekje en ik noteerde het kenteken [001] .

5.

Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-11 (pagina’s 130-131). in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 4] , agent van politie, en [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Op 21 mei 2014 omstreeks 13.40 uur kregen wij, verbalisanten, via de Regionale Meldkamer Apeldoorn het verzoek te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland. Volgens de melder zou op de oprit bij het huis op voornoemd adres een zwarte personenauto staan. Melder gaf aan dat er een aantal personen met donkere huidskleur rond het huis liep en dat zij dat verdacht vond. Toen wij op ongeveer 100 meter van de woning verwijderd waren, zagen wij dat vanaf het erf van voornoemde woning een zwart voertuig wegreed. Wij zagen dat het voertuig vanaf de oprit linksaf sloeg. Wij zagen dat het voertuig van het merk Volkswagen was, type Polo. Wij zagen dat de Polo met hoge snelheid bij de woning wegreed. Hierop zijn wij de Polo gevolgd en werd de bestuurder van de Polo door ons een stopteken gegeven door middel van het stoptransparant. Wij zagen dat de bestuurder van de zwarte Polo geen snelheid minderde, maar zijn snelheid verhoogde. Kort daarop zagen wij dat er een opvallend politievoertuig uit tegenovergestelde richting over de [a-straat ] in onze richting kwam rijden. Wij zagen dat het politievoertuig de weg blokkeerde voor de zwarte Polo. Wij zagen dat de zwarte Polo met hoge snelheid rechtsaf sloeg. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er vanuit de zwarte Polo vanuit de rechterkant voorwerpen werden gegooid, naar later bleek kunststof handschoenen. Ik, [verbalisant 5] , zag dat er vanuit de linkerzijkant van die zwarte Polo lichtkleurige handschoenen werden gegooid. Wij zagen dat de zwarte Polo remde en nadat deze tot stilstand was gekomen er een aantal personen uit het voertuig sprong en wegrende. Hierop hebben wij ons dienstvoertuig tot stilstand gebracht en zijn wij uit ons dienstvoertuig gesprongen om zo te voet de achtervolging in te zetten. Ik, [verbalisant 4] , zag drie mannen wegrennen door de tuin van de woning aan de [a-straat 4] . Ik, [verbalisant 4] , zag dat de drie mannen over de akker achter de woning wegrenden in de richting van [plaats] . Ik, [verbalisant 4] , zag dat de inmiddels gearriveerde collega’s [verbalisant 8] en [verbalisant 7] deze personen te voet achtervolgden over de akker.

6.
Het stamproces-verbaal van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0630-2014079804 (pagina’s 17 en 18), opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 6] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zetten te voet de achtervolging in. Verbalisant [verbalisant 4] zag drie mannen wegrennen door de tuin van perceel [a-straat 4] te [plaats] . Twee mannen scheidden zich af van de derde man. Verbalisant [verbalisant 4] zag één van de twee mannen in zijn richting komen rennen, terwijl deze achtervolgd werd door verbalisant [verbalisant 8] . Daar werd hij aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 1] . Verbalisant [verbalisant 5] zag de tweede man naar de achterzijde van een bedrijfspand lopen, waar hij zich op het erf verstopte.

Daar werd deze man aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 2] . De derde man rende het terrein op rond perceel [a-straat 3] te [plaats] . Dit terrein werd afgegrendeld en een verbalisant met diensthond kwam ter plaatse. De bewoonster meldde de politie dat ze een man in de tuin zag liggen en deze werd aldaar mede met behulp van de diensthond aangehouden. Het betrof hier de verdachte [verdachte] . Op het moment dat de zoekactie werd beëindigd zag verbalisant [verbalisant 3] uit de bosjes, rond perceel [a-straat 4] te [plaats] , een man komen kruipen en deze zette het op een lopen. Er werd een gebied afgezet rond de plek waar de man het laatst werd gezien. De man werd tussen struiken en planten van perceel [a-straat 4] te [plaats] aangetroffen Hij werd aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 3] .

7.

Het proces-verbaal sporenonderzoek van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0660-2014069091-33 (pagina 152), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 mei 2014 door [verbalisant 9] , brigadier van politie, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 21 mei 2014 werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot gekwalificeerde diefstal in/uit een woning.

Het onderzoek is verricht in een woning te [a-straat 1] [plaats] binnen de gemeente Montferland.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

Aan de voorzijde van de woning zag ik aan de voordeur braaksporen. Ook aan het bovenlicht van het raam in de aanbouw zag ik enkele braaksporen in het kozijn. Op aanwijzen van de bewoner zag ik ook aan de achterdeur enkele braaksporen. Op het raamkozijn zag ik aan de buitenzijde van het bovenlicht een greepspoor. Dit greepspoor werd gezet om het raam open te houden en werd veroorzaakt door een handschoenspoor met golfpatroon. In de woning zag ik op het raamkozijn van dit bovenlicht van het inklimraam een fragment van een handschoenspoor. Alle sporen werden door mij veiliggesteld.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0660-2014069091-33 (pagina 171), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 mei 2014 door [verbalisant 9] , voornoemd, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 27 mei ontving ik enkele handschoenen welke waren veiliggesteld door verbalisanten op de plaats waar de verdachten het voertuig hadden verlaten. Verzocht werd de handschoenen te vergelijken met de aangetroffen sporen op de plaats delict, [a-straat 1] te [plaats] , waar door mij een sporenonderzoek werd ingesteld en waar handschoensporen werden veiliggesteld op het bovenlicht van het inklimraam. Het handschoenspoor dat werd aangetroffen werd genummerd met een Spoor Identificatie Nummer (SIN) [002] Tijdens het vergelijkend onderzoek bleek mij dat het fragment handschoenspoor met SIN [002] aangetroffen op het inklimraam qua wave profielen overeenkomsten vertoont met de veiliggestelde en aangeboden handschoenen.

9.
Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0630-2014069091-56 (pagina 166), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 mei 2014 door [verbalisant 10] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:


Op 22 mei 2014 heb ik een onderzoek ingesteld in de personenauto, merk Volkswagen, voorzien van het kenteken [001] . Hierbij zijn door mij op de achterzitting een schroevendraaier, een breekijzer en vier handschoenen veiliggesteld en inbeslaggenomen.

10.
Het proces-verbaal betreffende ‘Een vergelijkend werktuigsporenonderzoek naar aanleiding van een poging woninginbraak te [plaats] ’, van de politie Noord- en Oost- Gelderland, zaaknummer BVH PL0660 2014-069091 WS 126-2014 Utrecht (pagina’s 173A), in de wettelijke vorm opgemaakt op 24 juni 2014 door [verbalisant 11] , brigadier van politie en als Deskundige A Werktuigsporen werkzaam bij Forensische Opsporing, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Aanleiding werktuigsporenonderzoek

Op 23 juni 2014 werd op verzoek van Forensische Opsporing Noord-Oost Gelderland een vergelijkend werktuigsporenonderzoek gestart naar overeenkomsten tussen werktuigsporen en een schroevendraaier.

Ontvangen materiaal en context

Ten behoeve van het werktuigsporen vergelijkend onderzoek ontving ik van Forensische Opsporing Politie Noord-Oost Gelderland een schroevendraaier en drie afvormingen van werktuigsporen. De schroevendraaier werd aangetroffen in een personenauto, merk Volkswagen, kenteken [001] .

Werktuig (A)

Object: schroevendraaier

Kleur: geel

Sin nummer: [003]

Onderzoekslocatie:

[a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland

Werktuigsporen 1

(1.1)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van voordeur woning

(1-2)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van inklimraam woning

(1.3)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van voordeur woning t.h.v. slotplaat

Conclusie:

Op grond van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat:

Het werktuigspoor (1.1) waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).

Het werktuigspoor (1.2) zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).

Het werktuigspoor (1.3) zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).”

Voorts bevat de aanvulling bewijsmiddelen de volgende overweging aangaande de gebezigde bewijsmiddelen:

“Het hof overweegt dat de verklaringen van getuigen en in het relaas van de verschillende opsporingsambtenaren wordt gesproken van een Volkswagen Golf en van een Volkswagen Polo en dat ook in de bewijsoverwegingen in het arrest afwisselend wordt gesproken van een Volkswagen Golf en een Volkswagen Polo maar dat het blijkens de huurovereenkomst (p. 157) moet gaan om een Volkswagen Polo. Voor het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat de getuigen en de opsporingsambtenaren het over hetzelfde voertuig hebben.”

6.4.

Met betrekking tot het bewijs heeft het hof nog het volgende overwogen:


Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Volgens aangever [betrokkene 1] is er op 21 mei 2014 gepoogd in te breken in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland. Op drie plaatsen rondom de woning is er gepoogd om toegang te krijgen tot de woning. Aangever heeft verklaard dat er geprobeerd is om de voordeur en de achterdeur te forceren met een breekvoorwerp en dat bij het bovenlicht naast de voordeur schade is veroorzaakt aan het kozijn. Tevens werd de raamvergrendeling aan de binnenzijde van het bovenlicht vernield.

Getuige [verbalisant 8] , die aan de [a-straat 2] te [plaats] woont, heeft verklaard dat zijn vrouw op 21 mei 2014 omstreeks 13.20 uur een donkere-Volkswagen Golf zag staan bij het perceel [a-straat 3] . Vier jongens stonden bij de auto te dansen en te springen. [verbalisant 8] werd door zijn vrouw geroepen en zag ook zelf de auto en de jongens. Ongeveer tien minuten later ging [verbalisant 8] met zijn vrouw boodschappen doen en toen zagen zij de donkere Golf ter hoogte van [a-straat 1] , bij de familie [betrokkene 1] , met de voorzijde van de auto in de richting van de weg staan. [verbalisant 8] zag de vier jongens die hij eerder zag bij de achterdeur van de woning staan. Toen [verbalisant 8] achteruit reed omdat hij het niet vertrouwde, zag hij dat de jongens in de auto sprongen en wegreden.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 21 mei 2014 omstreeks 13.35 uur in de keuken stond van haar woning aan de [a-straat 3] te [plaats] toen zij een personenauto midden op de weg stil zag staan in de richting van de percelen 2 en 1 aan de [a-straat ] . Het betrof een donkere Volkswagen. Er stonden toen vier personen bij deze auto. Zij zag vervolgens dat deze personen in de auto stapten en wegreden in de richting van de nummers 2 en 1 van de [a-straat ] . De auto reed achterwaarts de oprit van de woning van [a-straat 1] op. Toen zij de auto niet meer zag en deze dus kennelijk op de oprit bleef staan terwijl zij wist dat de bewoners niet thuis waren, heeft zij de politie gebeld.

Ten slotte heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat zij zich op 21 mei 2014 omstreeks 13.30 uur op de weg bevond voor haar woning aan de [a-straat 2] te [plaats] toen zij verderop in de straat een auto zag stilstaan waar vier personen bij stonden. Na tien minuten is zij met haar man in de auto vertrokken en toen zij voorbij de woning aan de [a-straat 1] reden, zag zij diezelfde auto staan. Zij zag vier personen bij de achterdeur van de woning staan. Haar man heeft toen de auto gestopt en deze in de achteruit gezet. [getuige 2] zag toen dat de vier personen in de bewuste auto stapten en er snel vandoor reden. Toen zij er achter aan reden, zag zij dat het een Volkswagen Polo betrof met kenteken [001] .

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] kregen op 21 mei 2014 omstreeks 13.40 uur via de Regionale Meldkamer Apeldoorn het verzoek te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats] , waar volgens de melder op de oprit een zwarte personenauto stond en een aantal personen met donkere huidskleur verdacht rond het huis liepen. Toen de verbalisanten op ongeveer 100 meter van de woning verwijderd waren, zagen zij vanaf het erf van voornoemde woning een zwart voertuig rijden. Het betrof een Volkswagen, type Polo. De Polo reed met hoge snelheid bij de woning weg. De verbalisanten zijn de Polo gevolgd en de bestuurder van de Polo is een stopteken gegeven door middel van het stoptransparant. De verbalisanten zagen dat de bestuurder zijn snelheid verhoogde. Een opvallend politievoertuig uit tegenovergestelde richting blokkeerde de weg voor de Polo, waarna de Polo met hoge snelheid rechtsaf sloeg. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat er vanuit de Polo vanuit de rechterkant voorwerpen werden gegooid, naar later bleek kunststof handschoenen. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat er vanuit de linkerzijkant van de Polo lichtkleurige handschoenen werden gegooid. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de Polo remde en er een aantal personen uit het voertuig sprong en wegrende toen het voertuig tot stilstand was gekomen.

Na een achtervolging vanaf de Volkswagen Polo werden verdachte en twee van zijn medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 3] is enige tijd later aangehouden in de tuin van de woning aan de [a-straat 4] te [plaats] .


Blijkens het sporenonderzoek dat is uitgevoerd aan de woning van aangever, was er sprake van braaksporen aan de voordeur, aan het bovenlicht van het raam in de aanbouw, in het kozijn en aan de achterdeur. Tijdens het onderzoek in de personenauto met kenteken [001] zijn op de achterzitting een schroevendraaier, een breekijzer en vier handschoenen aangetroffen. Uit het vergelijkend werktuigsporenonderzoek dat is verricht naar overeenkomsten tussen werktuigsporen en de schroevendraaier die in de Volkswagen Golf is aangetroffen, is gebleken dat het werktuigspoor dat is aangetroffen op de kopse kant van de voordeur waarschijnlijk is veroorzaakt met voornoemde schroevendraaier en dat de werktuigsporen die op de kopse kant van het raam en op de kopse kant van de voordeur zijn aangetroffen zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met die schroevendraaier. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de handschoensporen die waren veiliggesteld op het bovenlicht van het inklimraam van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , wat betreft wave-profielen overeenkomsten vertonen met de veiliggestelde handschoenen die op de plaats waar de verdachten het voertuig hadden verlaten, zijn aangetroffen.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning van aangever in [plaats] op 21 mei 2014.

Het hof komt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, met name gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, tot de conclusie dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat die samenwerking was gericht op een inbraak in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .”

6.5.

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat:

- de verdachte één van de vier mannen is geweest die bij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] aanwezig waren;

- de vier mannen gezamenlijk zich buiten de auto bevonden;

- de vier mannen gezamenlijk bij de achterdeur van de woning stonden;

- de vier mannen gezamenlijk in de Volkswagen Polo stapten;

- de vier mannen kort na de melding vanaf het erf van de woning wegreden;

- de bestuurder van de VW Polo daarop een stopteken van de politie negeerde en zijn snelheid verhoogde, waarna een achtervolging plaatsvond;

- de verdachte na de achtervolging van de VW Polo door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] uit deze auto is gestapt, is weggerend en na achtervolging is aangehouden;

- in de auto op de achter zitting een schroevendraaier, een breekijzer en vier handschoenen zijn aangetroffen;

- uit sporenonderzoek is gebleken dat het werktuigspoor op de kopse kant van de voordeur van de woning waarschijnlijk is veroorzaakt door die schroevendraaier;

- de werktuigsporen op de kopse kant van het raam en van de voordeur zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met die schroevendraaier;

- de handschoensporen die zijn veiliggesteld op het bovenlicht van het inklimraam van de woning, wat betreft wave-profielen overeenkomsten vertonen met de handschoenen die in de auto zijn aangetroffen.

6.6.

Op grond van deze concrete feiten en omstandigheden is het hof tot de slotsom gekomen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en dat die samenwerking was gericht op de tenlastegelegde poging tot woninginbraak. Dat oordeel komt mij in het licht van de “Aan het middel voorafgaande beschouwing” niet onbegrijpelijk voor en acht ik toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik het volgende in aanmerking genomen. De verdachte was met zijn medeverdachten lijfelijk aanwezig tijdens de poging tot woninginbraak. Hij stond tezamen met de anderen buiten de auto, en bij de achterdeur van de woning. Voorts stapte de verdachte samen met de anderen in de VW Polo die direct daarna van het woningerf afreed. In de VW Polo bevonden zich inbrekersspullen die overeenkomsten vertoonden met de bij de woning achtergelaten sporen. Voor zijn aanwezigheid bij de woning en in de auto heeft de verdachte geen verklaring gegeven; zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft hij met betrekking tot de feiten een beroep op zijn zwijgrecht gedaan. Nu het hof als zijn niet onbegrijpelijk oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte in de uitvoeringsfase geheel en al deel uitmaakte van een groep die uit hem en zijn medeverdachten bestond, en de verdachte zelf geen redengevende verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid en rol bij de woning en in de auto, gaat naar mijn mening de algemene ervaringsregel op: de verdachte was erbij en deed volwaardig mee.38 Daaraan doet niet af de in de toelichting op het middel betrokken stelling dat de bewijsconstructie van het hof de mogelijkheid openlaat dat de verdachte slechts medeplichtig was of er wel bij was “maar niets heeft gedaan”, welke mogelijkheid overigens niet op de terechtzitting in hoger beroep (noch in eerste aanleg) is aangevoerd.

6.7.

Het middel faalt.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het betreft onderhavige zaak en de zaken: 14/06441 [A] , 15/00715 [B] , 15/00283 [C] , 15/01573 [D] , 14/06394 [E] , 15/00276 [F] .

2 Arresten gewezen na 29 maart 2016 zijn in deze analyse niet meer betrokken.

3 Waarbij nu al zij aangetekend dat medeplegen en medeplichtigheid niet alleen als deelnemingsfiguren in het Algemeen Deel van het Wetboek van het Strafrecht zijn geregeld (art. 47 respectievelijk art. 48), maar als zodanig ook in verschillende bijzondere delictsbepalingen zijn omschreven.

4 HR 4 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396 m.nt. P.A.M. Mevis.

5 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

6 Zie A-G Vellinga, ECLI:NL:PHR:2015:419, onder punt 11, voorafgaand aan HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393, m.nt. P.A.M. Mevis.

7 Daarvoor verwijzen wij naar A. Postma, Facetten van medeplegen, DD 2015/4, afl. 2 februari 2015, p. 123 t/m 141 en H.D. Wolswijk, Deelneming in ontwikkeling, Strafblad 2015/6, 67. Zie in dit verband ook: A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen (diss. Groningen), Nijmegen, WPL 2014. Zie ook het arrest en de daaraan voorafgaande conclusie van Knigge in de Nijmeegse scooterzaak HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964.

8 J. de Hullu, Materieel Strafrecht, zesde druk 2015, p. 454.

9 Zie ook De Hullu, a.w., p. 455.

10 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474. Zie ook HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:929, NJ 2015/394, m.nt. P.A.M. Mevis.

11 HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382.

12 HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2029; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2449; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3443; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3271. Zie voorts ook: HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2029; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2449; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3443; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3271. In die zaken vond de Hoge Raad de veroordeling wegens medeplegen kennelijk zo evident niet onbegrijpelijk dat (onder meer) het beroep daartegen werd afgedaan met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

13 Zie het eerder in de tekst genoemde arrest van HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453.

14 HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en 716.

15 Zie in gelijke zin bijvoorbeeld HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823.

16 Zie De Hullu a.w., p. 455.

17 Zie hierna onder 4.15.

18 ECLI:NL:HR:2015:883.

19 Zie in dit verband ook De Hullu, a.w., p. 454.

20 Zie ook De Hullu, a.w., p. 391 e.v.

21 HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NBStraf 2015/101 m.nt. J.S. Nan; NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.

22 Zie voor een bespreking van deze arresten ook De Hullu, a.w., p. 457.

23 Zie het Containerarrest, HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983 m.nt. Van Veen en HR 15 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4107; zie ook De Hullu, a.w., p. 455.

24 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1756; HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:176 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:169.

25 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761.

26 ECLI:NL:HR:2015:3029.

27 HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861; HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317; en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1094.

28 HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2453; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860; en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218.

29 HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696. Zie in dit verband ook: De Hullu, a.w., p. 460.

30 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

31 Genoemd kan hier nog worden HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1094, NJ 2015/392 m.nt. P.A.M. Mevis.

32 HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393, m.nt. P.A.M. Mevis. Zie voor een vergelijkbaar geval HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860.

33 ECLI:NL:HR:2015:716, NBSTRAF 2015/99 en ECLI:NL:HR:2015:713, NBSTRAF 2015/100.

34 ECLI:NL:PHR:2015:297, onder 16-19.

35 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

36 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

37 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761.

38 Vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2029, in welke zaak de verdachte eveneens geen verklaring gaf voor zijn aanwezigheid ter plaatse. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:293 had de verdachte wél een verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid. Uit ’s hofs bewijsvoering kon worden afgeleid – ik volg nu de conclusie van ambtgenoot Knigge – dat de verdachte voordat de bewezenverklaarde diefstal werd gepleegd door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in Leiden was opgehaald, dat hij – op zijn hoogst enkele uren – nadat de bewezenverklaarde diefstal was gepleegd in de auto zat waarin bij die diefstal gestolen goederen werden aangetroffen, dat de verdachte aan de verbalisant die de auto staande hield op eigen initiatief een bij de diefstal gestolen laptop liet zien, dat het schoenspoor van medeverdachten [medeverdachte 2] op de plaats delict was aangetroffen en dat een ander schoenspoor niet, of althans niet met enige zekerheid, tot de verdachte kon worden herleid. Niet kon uit de bewijsvoering worden afgeleid dat de verdachte enige uitvoeringshandeling had verricht of op andere wijze nauw bij de uitvoering van de diefstal was betrokken, terwijl de bewijsvoering de mogelijkheid openliet dat de verdachte tijdens de inbraak in de auto was blijven zitten zonder aan die inbraak een bijdrage te leveren. De Hoge Raad oordeelde dat er onvoldoende was voor het bewijs van een bewuste en nauwe samenwerking met anderen en dus onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen.