Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:578

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-05-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/03672
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1380, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Conclusie AG over het verband tussen de aangetroffen handpalmafdruk en strafbaar feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03672

Zitting: 17 mei 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 maart 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De voorgestelde middelen hebben beide betrekking op de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat het de verdachte is geweest die op de tenlastegelegde datum een diefstal heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam aan de achterzijde van een bedrijfspand. In het eerste middel wordt met name gesteld dat het enige rechtstreeks relevante bewijs voor het daderschap van de verdachte in de gebezigde bewijsmiddelen wordt gevormd door de resultaten van dactyloscopisch sporenonderzoek en dat de bewezenverklaring van het hof om die reden onvoldoende is gemotiveerd. Het tweede middel richt zich in het bijzonder tegen de bewijsoverweging van het hof dat “het niet anders kan dan dat de verdachte de inbraak (…) heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam van het betreffende pand”. De middelen kunnen gezamenlijk worden besproken.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 2 augustus 2013 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand heeft weggenomen een beamer-projector en Imac Apple computers en een camera en lenzen en geheugenkaarten en een vingerprintscanner en zonnebrillen en keukenmachines toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door de tralies en/of het raam van voornoemd pand te forceren.”

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal met nummer PL33E 2013.192591-1 van 6 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (met goederenbijlage), doorgenummerde pagina 1 e.v.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Ik ben eigenaar van het bedrijf [A]. Ik ben namens [A] gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen 2 augustus 2013 te 17:00 en 3 augustus 2013 te 16:00 uur is een gekwalificeerde diefstal gepleegd, ik doe aangifte van een diefstal in/uit bedrijf aan de [a-straat] te Amsterdam. Er is ingebroken via de achterzijde gelegen aan de [b-straat]. Het bedrijf, was deugdelijk afgesloten. Er zijn tralies voor alle ramen en deuren. De dader is het bedrijf binnengekomen door middel van een raam en kennelijk door gebruik te maken van een onbekend voorwerp. Uit het bedrijf zijn een Beamer-projector, vier Imac Apple computers, een camera, lenzen, twee geheugenkaarten, een vingerprintscanner, 2 Ray-Ban zonnebrillen, en drie keukenmachines weggenomen. Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

2. Een proces-verbaal met nummer PLI35J 2013191205-6 van 3 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina 9.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 5 augustus 2013 is een dactyloscopisch onderzoek ingesteld in perceel [a-straat] te Amsterdam. Bij dit onderzoek werden dactyloscopisch sporen aangetroffen. Deze sporen zijn vervolgens onder nummer 041208130003 ingevoerd, gezocht en opgeslagen in het geautomatiseerde vingerafdrukken- en handpalmensysteem HAVANK, waarna het spoor SIN AAGH5943NL dat volgens de omschrijving was aangetroffen op “traliewerk buitenzijde pand door twee andere onafhankelijke dactyloscopen is geïdentificeerd op (het hof begrijpt: als) een afdruk van de linker handpalm, voorkomend op een 8 juni 2009 te Amsterdam vervaardigd dactyloscopisch signalement gesteld ten name van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994.

3. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend rapport dactyloscopisch sporenonderzoek, opgemaakt door [betrokkene 2], expert D. Dactoyloscopie, betreffende HAVANK-nummer 041208130003001 en SIN AAGH5943NL, doorgenummerde pagina 10 e.v., voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het spoor is geïndividualiseerd op een afdruk voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994. Tussen het onderzochte spoor en de afdruk voorkomend op het genoemde dactyloscopisch vingerafdrukkenblad zijn minimaal 12 dactyloscopische overeenkomsten aangetroffen. Een conclusie van individualisatie betekent dat, door ten minste twee dactyloscopische deskundigen afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar, zowel een zeer grote mate van overeenkomst als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de referentieafdruk is geconstateerd. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor door de donor is geplaatst. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig persoon is verwaarloosbaar klein.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PLI33B-2013192591-10 van 8 februari 2014, doorgenummerde pagina 13, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op zaterdag 8 februari 2014 heb ik telefonisch contact gehad met aangever [betrokkene 1] om duidelijkheid te krijgen op welke wijze er toegang verschaft is door de dader tot het bedrijf. [betrokkene 1] verklaarde mij: “de dader heeft zich toegang tot het bedrijf verschaft door het bovenlicht aan de achterzijde van het bedrijf. Voor dit raam zaten tralies. Ik kon zien dat de tralies die welke voor het raam zaten geheel ontzet en vernield waren. Ik zal u een aantal foto’s sturen welke ik gemaakt heb na de inbraak.

Ik, verbalisant, heb een vijftal foto’s van aangever ontvangen waarop de betreffende tralies waar te nemen zijn. Ik zie dat de tralies ontzet zijn. De schroeven, waarmee de tralies normaal gesproken vastzitten aan het kozijn, zijn samen met de tralies uit het kozijn getrokken. Tevens is ook op de foto’s waar te nemen dat er een ravage is aangericht in de tuin en het bedrijf. De foto’s zijn bij dit proces-verbaal bijgevoegd.”

3.3. Het arrest bevat daarnaast nog de volgende relevante overwegingen van het hof:

Bespreking van de gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd. De aangever heeft verklaard dat de tralies met kracht is verbogen. Gelet op de het postuur en bouw van de verdachte kan hij dit onmogelijk met één hand hebben uitgevoerd. Gezien het tijdsverloop is het niet duidelijk wanneer de handafdruk is geplaatst. Er is binnen niets aangetroffen dat met de verdachte in verband te brengen is. Voorts zijn er geen camerabeelden en getuigen. De verdachte heeft het feit ontkend en heeft verklaard bij de politie dat hij er nooit ter plaatse is geweest maar heeft bij het zien van de foto’s wel de omgeving herkend. Er is derhalve onvoldoende bewijs om te concluderen dat de handpalmafdruk ten tijde van de inbraak op de tralies is terechtgekomen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De verdachte heeft bij de politie verklaard niet op de plaats van de inbraak te zijn geweest. Pas tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard daar wel eens geweest te zijn (maar niet op de dag van de inbraak), waarbij hij enerzijds verklaart daar op een vriend te hebben staan wachten, maar waarbij hij even later verklaart dat hij op vrienden stond te wachten. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep tevens verklaard dat het zou kunnen dat hij de tralies heeft aangeraakt uit verveling terwijl die tralies gelet op zijn eigen lengte zich boven zijn hoofd bevonden en hij zich dus inspanning heeft moeten getroosten die tralies ook daadwerkelijk aan te raken. Voorts is op de tralies een handpalmafdruk van de verdachte aangetroffen, hetgeen duidt op vastpakken van de tralies. Gelet op het voorgaande acht het hof de pas in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte dat hij de tralies op een ander moment dan tijdens de inbraak mogelijk heeft aangeraakt uit verveling niet aannemelijk en is het van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de inbraak op 2 augustus 2013 heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam van het betreffende pand. Dat de inbraak gedurende de Ramadanperiode zou zijn gepleegd leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

3.4. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan – voor zover hier van belang – worden afgeleid dat:

- op de tenlastegelegde tijd en plaats verschillende voorwerpen zijn gestolen uit een bedrijfspand, waarbij de dader zich de toegang tot het bedrijfspand heeft verschaft via ontzetting van het traliewerk uit het kozijn van een afgesloten raam aan de achterzijde van het bedrijfspand (bewijsmiddelen 1 en 4); en

- op het traliewerk bij het raam aan de achterzijde van het bedrijfspand sporen zijn aangetroffen en deze sporen op basis van de resultaten van dactyloscopisch onderzoek zijn gekoppeld aan de linker handpalm van de verdachte (bewijsmiddelen 2 en 3).

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het traliewerk bij het raam onmogelijk met één hand kan zijn ontzet, dat niet duidelijk is op welk moment de aangetroffen sporen op het traliewerk terecht zijn gekomen en dat er geen nader bewijs tegen de verdachte is. Naar aanleiding van dit verweer heeft het hof zijn bewezenverklaring in het arrest nader gemotiveerd door, kort gezegd, te overwegen dat het de door de verdachte gegeven (mogelijke) verklaring voor de aangetroffen sporen op het traliewerk niet aannemelijk acht en dat het – gelet daarop – niet anders kan dan dat de verdachte de tenlastegelegde diefstal met braak heeft gepleegd.

3.5. In de toelichting op het middel wordt gewezen op een tweetal uitspraken uit de feitenrechtspraak met betrekking tot ‘DNA-hits’, die de stelling ondersteunen dat de enkele match van een op de plaats delict aangetroffen DNA-spoor of dactyloscopisch spoor en het profiel van een verdachte onvoldoende bewijs voor het daderschap van de betreffende verdachte oplevert.1 Deze stelling lijkt mij op zichzelf genomen juist. Om (substantiële) bewijswaarde te kunnen hebben, dient een match tussen spoor en verdachte niet zozeer betrekking te hebben op de min of meer abstracte ‘plaats delict', als wel op de concrete context waarbinnen de uitvoering van een delict heeft plaatsgehad. Is een concreet verband tussen een DNA-match of dactyloscopische match en de uitvoering van een delict aanwezig, dan zal het betreffende verband in veel gevallen van betekenis zijn voor de bewijsbeslissing. Omdat de resultaten van forensisch onderzoek natuurlijk nooit volledige zekerheid geven, blijft in een dergelijk geval echter ook de rechterlijke overtuiging en de overige bewijsmotivering van belang.

3.6. Anders dan de steller van het middel (kennelijk) meent, heeft het hof een concreet verband tussen de dactyloscopische onderzoeksresultaten en de uitvoering van de diefstal met braak in casu zonder meer uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Het hof heeft immers zoals hiervoor onder 3.4. aangehaald, vastgesteld dat de dader zich de toegang heeft verschaft tot het bedrijfspand door de tralies die voor het bovenlicht aan de achterzijde van dit pand waren bevestigd te ontzetten, dat zich op deze tralies dactyloscopische sporen bevonden van de verdachte en dat de verdachte heeft toegegeven ter plekke te zijn geweest, waarbij het allerminst onbegrijpelijk is dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij mogelijk uit verveling de tralies heeft aangeraakt, waarop ik hierna nog zal ingaan, gelet op de hoogte waar deze tralies zich bevonden onaannemelijk heeft geacht. De voorgestelde middelen kunnen in zoverre dus sowieso niet slagen. Ook voor zover de middelen opkomen tegen de bewijsoverweging van het hof dat “het niet anders kan dan dat de verdachte de inbraak (…) heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam van het betreffende pand”, treffen zij geen doel. In dit verband is het volgende van belang.

3.7. Het hof heeft naar aanleiding van de eigen verklaring van de verdachte ten aanzien van de sporen op het traliewerk bij het raam aan de achterzijde van het bedrijfspand – inhoudende dat dit traliewerk op enig moment mogelijk uit verveling door hem is aangeraakt – overwogen dat het deze verklaring niet aannemelijk acht, omdat de verdachte zich heeft moeten inspannen om het boven zijn hoofd gesitueerde traliewerk te kunnen aanraken en de sporen van een handpalmafdruk er bovendien op wijzen dat het traliewerk niet zomaar is aangeraakt maar echt is vastgepakt. Het in deze overweging besloten liggende oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd over de onduidelijkheid die de bewijsmiddelen laten bestaan met betrekking tot de specifieke wijze waarop het traliewerk uit het kozijn van het raam is ontzet en het specifieke moment waarop de aangetroffen sporen op het traliewerk terecht zijn gekomen. Wat betreft het resterende bezwaar van de steller van het middel tegen de overweging van het hof dat het niet anders kan dan dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is gepleegd – het bezwaar dat deze overweging “niet houdbaar [is] nu uit bewijsmiddel 4 onomstotelijk blijkt dat er meerdere sporen zijn aangetroffen” –, geldt dat de gebezigde bewijsmiddelen geen nadere informatie bevatten over enig verband tussen andere aangetroffen sporen en de uitvoering van de diefstal met braak. De bewezenverklaring van het hof is derhalve ook op dit punt niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging in hoger beroep wat betreft de aanwezigheid van andere sporen helemaal niets heeft aangevoerd, zodat het voor het hof ook niet voor de hand lag zijn oordeel in dit verband nader te motiveren.

3.8. De voorgestelde middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Hof Leeuwarden 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:BP4646 en Hof Leeuwarden 26 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE, BQ6234.