Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:575

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-03-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/03518
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1384, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klimop-zaak. Bewijsklacht m.b.t. deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) en een strafmotiveringsklacht. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03518

Zitting: 29 maart 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 27 februari 2015 door het gerechtshof Amsterdam1 wegens 1 primair “valsheid in geschrift”, 2 primair “opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst”, 3 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 15/01218, 15/01236, 15/01317, 15/01433, 15/01452, 15/01520, 15/01638, 15/02551, 15/03519 en 15/03520. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het betreft hier één van de zaken uit het zogenaamde Klimoponderzoek. Kort gezegd gaat het om aanzienlijke fraude met vastgoed die de media bepaald niet is ontgaan.2 Daarbij zou meer dan 200 miljoen euro zijn onttrokken aan het toenmalige Bouwfonds (later: Rabo Vastgoedgroep) en het Philips Pensioenfonds. Meer dan honderd natuurlijke personen en rechtspersonen zijn als verdachte aangemerkt. De onderhavige zaak betreft een eigenaar van een goedlopend assurantiebedrijf die - hoewel in de woorden van het hof daartoe bepaald niet genoodzaakt - zich ervoor heeft geleend enige jaren als doorgeefluik van gelden te functioneren. Op 10 februari 2015 deed de Hoge Raad3 twee zaken van verdachten in het Klimoponderzoek af met toepassing van art. 81 RO.

5. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 3.

6. Voor zover van belang bevat het bestreden arrest de volgende bewezenverklaring:

“3. (PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL)

Hij in de periode van 24 februari 1999 tot en met 12 november 2002, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] en [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer valsheid in geschrift.”

7. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging met betrekking tot het ten laste gelegde feit onder 3 (deelname aan een criminele organisatie):

“Standpunt verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De verdachte is in 1999 ingegaan op een voorstel van de medeverdachte [medeverdachte 1], destijds een zeer gerespecteerd zakenman, om ‘iets in vastgoed’ te gaan doen. De verdachte had geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de goede bedoelingen van de medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdachte heeft weliswaar facturen valselijk opgemaakt, maar hij verkeerde in de veronderstelling dat dit nodig was om geld te creëren om het bedrijf [O] BV mee op te zetten. Hij heeft zich in zijn naïviteit, die in de periode 1999-2002 volgens de verdediging ‘aandoenlijke proporties’ aannam, laten meeslepen. Deze naïviteit staat in de weg aan een bewezenverklaring van het onvoorwaardelijke opzet op deelname aan een criminele organisatie en het oogmerk van de criminele organisatie. Dat de verdachte als medepleger facturen heeft vervalst, wat de verdachte niet ontkent, is volgens de verdediging niet gelijk te stellen met deelname aan een criminele organisatie. De verdachte werd door de medeverdachte [medeverdachte 1] ook niet betrokken in de besluitvorming en hij wist niet van enige benadeling van Bouwfonds (paragrafen 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 2.19, 2.21 en 2.24, pleitnotities).

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer, op de navolgende gronden.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij als directeur bij Bouwfonds bij derden zogenoemde geldpotjes creëerde waaruit ‘moeilijke facturen’ werden betaald, om zodoende deze ‘moeilijke betalingen’ niet in de administratie van Bouwfonds te hoeven verantwoorden. De verdachte, zo verklaart de medeverdachte [medeverdachte 1], was een dergelijke tussenpersoon "die wilde samenwerken, die groot wilde worden, die rijk wilde worden en bereid was betalingen te verrichten”. De verdachte had volgens de medeverdachte [medeverdachte 1] een faciliterende rol en hij werd daarvoor betaald.

De verdachte is dit samenwerkingsverband in 1999 aangegaan met de inmiddels overleden [betrokkene 6] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna ook wel: ‘het drietal’). Ten behoeve van deze samenwerking heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] een aparte vennootschap opgericht - te weten [O] BV, hierna [O] BV - en in het WTC te Amsterdam een kantoorruimte gehuurd.

Deze vennootschap verkreeg inkomsten door het uitschrijven - door de verdachte of zijn echtgenote [echtgenote verdachte], op aanwijzingen van het drietal - van valselijk opgemaakte facturen voor zogenaamd door [O] BV verrichte werkzaamheden. De onder feit 1 ten laste gelegde factuur is hiervan een voorbeeld. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof evenwel af dat vanuit de vennootschap nooit enige werkzaamheden zijn ondernomen. De gehuurde kantoorruimte in het WTC is ook nooit als zodanig gebruikt. De door middel van de valse facturen ontvangen geldbedragen werden vervolgens (voor het grootste deel) doorbetaald aan derden. Daartoe werden valse facturen verzonden aan [O] BV, zoals de onder feit 2 ten laste gelegde facturen. De op deze kostenfacturen omschreven werkzaamheden en diensten zijn in werkelijkheid niet voor [O] BV verricht. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat [O] BV als doorgeefluik heeft gefungeerd. Het verschil tussen de door [O] BV ontvangen bedragen, en de vervolgens aan derden doorbetaalde gelden, mocht de verdachte houden. De verdachte omschrijft dat zelf als ‘provisie’ die hij krijgt door “facturen te sturen”.

Het hof acht bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de ten laste gelegde criminele organisatie vanaf het moment dat hij op aanwijzingen van het drietal, op naam van [O] BV, facturen is gaan sturen voor niet verrichte werkzaamheden. Zo de verdachte er bij de eerste contacten met de medeverdachte [medeverdachte 1] nog vanuit is gegaan een legitieme samenwerking op het terrein van de vastgoedontwikkeling aan te gaan, moet hij vanaf dat moment hebben begrepen dat daarvan geen sprake was. In ieder geval volgt uit de aard van deze handeling - het op aanwijzing van derden sturen van een valse factuur en het zodoende op oneigenlijke gronden ontvangen van geld - dat de verdachte vanaf dat moment (in zijn algemeenheid) heeft geweten dat de organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven (in de zin van onvoorwaardelijk opzet).

De eerste factuur (in het dossier) betreft de factuur van 24 februari 1999 voor een ‘introduktie courtage’ van fl. 75.000 aan Bouwfonds (betaald op 26 maart 1999).

Sindsdien is tot aan de betaling van Durell Holding aan [O] BV op 12 november 2002, in feite sprake geweest van het door de verdachte creëren van een papieren werkelijkheid: een facturen- en geldstroom zonder enige realiteitswaarde. Aangezien de verdachte voor dit strafwaardig handelen rijkelijk werd beloond -blijkens de hoogte van de genoten ‘provisie’ waaruit aanzienlijke salarissen aan hem en zijn toenmalige echtgenote (waar nauwelijks werkzaamheden tegenover stonden) konden worden betaald, alsmede de afkoop van alimentatie en een betaling van fl. 600.000 van [O] BV aan [QQ] BV - acht het hof iedere vorm van naïviteit bij de verdachte omtrent het misdadige oogmerk van de organisatie en zijn deelname daaraan, uitgesloten. Dit verhoudt zich ook niet met de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] dat de verdachte rijk wilde worden en bereid was tot het verrichten van betalingen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door bovengenoemde faciliterende handelingen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, omdat hij met genoemde gedragingen een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3). De verdachte behoorde tot die organisatie en hij had ook wetenschap van het oogmerk van de organisatie.”

8. De klacht dat niet bewezen is dat verdachte wist van het criminele oogmerk van de organisatie4 faalt. De overweging van het hof dat vanaf het moment dat iemand in een daarna doorlopend samenwerkingsverband op aanwijzing van drie andere personen bewust niet één enkele, maar verschillende valse facturen verstuurt, hij (gelet op de aard van de gedraging en overige omstandigheden) moet weten dat dat samenwerkingsverband (organisatie) een crimineel oogmerk heeft, is niet onbegrijpelijk. Wat iedereen weet die er voor kiest in een samenwerkingsverband met anderen een begin te maken met valsheid in geschrift betreffende zeer aanzienlijke geldsommen geldt ook voor verdachte: de samenwerking vindt plaats met het oogmerk misdrijven te plegen.

9. In de toelichting op het middel wordt veel aandacht besteed aan de volgende zin uit de bewijsoverweging: “De verdachte heeft in dit verband verklaard dat [O] BV als doorgeefluik heeft gefungeerd.” Anders dan de steller van het middel meent, blijft in deze overweging in het midden op welk moment verdachte wist dat de vennootschap als doorgeefluik fungeerde. Voor zover de klacht inhoudt dat het hof met die overweging tot uitdrukking brengt dat verdachte heeft verklaard dat hij van meet af aan wist dat de vennootschap een doorgeefluik was, faalt deze. Dat bewijs rust immers kort gezegd, omdat het hierboven al naar voren kwam, op het versturen van meer valse facturen in een samenwerkingsverband.

10. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering.

11. In het bestreden arrest heeft het hof ter motivering van de straf onder meer overwogen:

“Het hof heeft oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals de raadsman die naar voren heeft gebracht, en zoals die blijken uit het de verdachte betreffende reclasseringsrapport van 18 januari 2013.

Deze laatstgenoemde (persoonlijke) omstandigheden doen er naar het oordeel van het hof echter niet aan af dat het handelen van de verdachte een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof gaat voorbij aan het verzoek van de verdediging aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Dit zou geenszins recht doen aan de hiervoor geschetste ernst van de feiten.”

12. De klacht dat “de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden in haar algemeenheid reeds ontoereikend is gemotiveerd en daarmee – zonder nadere motivering – onbegrijpelijk is”(schriftuur 2.12) is reeds in het licht van de omvang van die motivering (meer dan twee pagina’s) moeilijk te volgen. Het hof knoopt (ten nadele van verdachte) aan bij de LOVS oriëntatiepunten, bij de omvang van de geldbedragen in de valse facturen, bij het aantal valse facturen, bij de duur van het feit, bij het persoonlijke voordeel van verdachte, bij zijn positie bij het strafbare handelen en bij zijn beperkte bewustheid van zijn zelf verkozen kwalijke rol. Het hof benoemt ook door de verdediging naar voren gebrachte factoren en waardeert die als neutraal (niet meer in staat zijn tot een ‘transactie’, meewerken aan het onderzoek, redelijke termijn). Anders dan de steller van het middel meent, is het niet onbegrijpelijk dat het hof de genoemde factoren toereikend acht voor de opgelegde gevangenisstraf, ook als in aanmerking wordt genomen dat de rechtbank met een werkstraf volstond.5 Dat het hof gehouden zou zijn te motiveren op welke wijze inhoud is gegeven aan de oriëntatiepunten6 of steeds zou moeten aangeven waarom een bepaalde in aanmerking genomen factor anders wordt gewaardeerd dan de verdediging of de rechtbank zie ik zeker nu een nadere toelichting van dat standpunt ontbreekt niet in.

13. Ik wil de steller van het middel wel volgen in zijn stelling dat hetgeen de verdediging in feitelijke aanleg heeft opgemerkt over de toepassing van art. 9a Sr moet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tot toepassing van art. 9a Sr vooral op basis van persoonlijke omstandigheden die zich na het delict hebben voorgedaan. Uit het hierboven onder punt 11 geciteerde deel van de strafmotivering blijkt dat het hof niet alleen op het standpunt heeft gereageerd, maar dat ook heeft gedaan met de motivering dat de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden er niet aan afdoen dat het handelen van verdachte (naar ik begrijp gelet op de ernst en de aard daarvan, zoals die uit de voorafgaande strafmotivering naar voren komt) een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt. Van een gebrek in de motivering tot afwijzing van het standpunt is geen sprake.

14. De middelen falen en kunnen worden verworpen aan de hand van de art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHAMS:2015:658.

2 Er verschenen twee boeken van Van der Boom/Van der Marel: De vastgoedfraude (2011) en De ontknoping (2012).

3 HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:258.

4 Zie voor het opzet op deelneming aan een criminele organisatie HR 18 november 1997, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu. Ook hier geldt - kort gezegd - dat de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht bepalend kunnen zijn voor het opzet. Zie onder meer HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111, m.nt. Keijzer, r.o.. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, r.o. 3.4 (onder verwijzing naar HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma, r.o. 3.6).

5 Ik volsta voor het beoordelingskader met verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (PHR: 2015:2697) voor HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:306 (art. 81 RO).

6 Zie HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. Borgers, r.o. 2.5.