Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:560

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
16/00914
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2297
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet: PIJ-maatregel. Art. 77t (oud) Sr. 1. Maximale duur. 2. Gevallen waarin de termijn wel en niet loopt. 3. Moment waarop de maatregel van rechtswege voorwaardelijk eindigt (en de nazorgfase aanvangt). 4. Moment waarop de maatregel voorwaardelijk is geëindigd in geval van vordering tot verlenging van de maatregel. 5. Tijdstip waarop de rechter bijzondere voorwaarden kan stellen.

Ad 1. De maximale duur is drie jaar indien geen verlenging wordt bevolen; vijf jaar indien sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (art. 77t.3 (oud) Sr: verlenging mogelijk), en zeven jaar indien bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Ad 2. In de maximale duur van de PIJ-maatregel is niet begrepen de termijn tussen de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel noch de onvoorwaardelijke beëindiging gedurende welke termijn de jeugdige is gebonden aan de voorwaarden ex art. 77ta.1 en 77tb.3.a (oud) Sr en wél begrepen de termijn gedurende welke de jeugdige is teruggeplaatst in een inrichting ex art. 77tb.3 (oud) Sr. De duur van de terugplaatsing mag de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden.

Ad 3. De PIJ-maatregel eindigt van rechtswege voorwaardelijk één jaar voordat de maximale duur van de maatregel is bereikt. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel (de nazorgfase) kan de rechter de jeugdige voor maximaal een jaar terugplaatsen in een inrichting ex art. 77tb (oud) Sr.

Ad 4. Indien het OM vordert dat de maatregel wordt verlengd vóór het moment waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, blijft de maatregel onvoorwaardelijk voortduren totdat onherroepelijk op de vordering is beslist. In geval van toewijzing geldt als moment waarop de verlenging is ingegaan het moment waarop de voorwaardelijke beëindiging zou zijn ingegaan zonder vordering tot verlenging.. In geval van afwijzing gaat de voorwaardelijke beëindiging in op het moment dat deze zou zijn ingegaan indien geen vordering zou zijn ingediend.

Ad 5. In voorkomende gevallen kan de rechter al vóór aanvang van de voorwaardelijke beëindiging bijzondere voorwaarden ex art. 77tb.3 (oud) Sr stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/230 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00914 CW

Zitting: 23 februari 2016

Mr. Hofstee

Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake:

[betrokkene]

1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, (verder: de penitentiaire kamer) van 1 oktober 20151, waarbij de penitentiaire kamer met aanvulling van gronden heeft bevestigd de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2015 inhoudende de (tweede) verlenging van de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twaalf maanden.

2. Tegen deze beslissing van de penitentiaire kamer staat ingevolge art. 502, eerste lid, Sv in verbinding met art. 509x, tweede lid tweede volzin, Sv geen gewoon rechtsmiddel open. Cassatie in het belang der wet is echter wel mogelijk (art. 78, eerste lid, RO in verbinding met art. 456, eerste lid, Sv).

3. Naar aanleiding van de genoemde beslissing van de penitentiaire kamer heeft mr. H.H.J. Knol, senior advocaat-generaal en hoofd van de cassatiedesk van het openbaar ministerie, bij schrijven van 13 november 2015 een verzoek gericht tot de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden om de beslissing van de penitentiaire kamer door middel van een vordering tot cassatie in het belang der wet aan de Hoge Raad voor te leggen. Bij zijn verzoek heeft mr. Knol een notitie overgelegd waarin het belang van het instellen van cassatie nader wordt belicht. Hetgeen in deze notitie naar voren is gebracht, zal ik in mijn vordering verwerken.

4. Ter wille van de leesbaarheid heb ik mijn vordering op de volgende wijze onderverdeeld in van tussenkopjes voorziene paragrafen:

1. De onderhavige zaak (nrs. 5 t/m 7)

2. Aanleiding en reden voor de vordering; probleemstelling: wat is de maximale duur van de PIJ-maatregel? (nrs. 8 en 9)

3. De PIJ-maatregel: een korte historische terugblik (nrs. 10 t/m 15)

4. De PIJ-maatregel: relevante wettelijke bepalingen, wetswijzigingen sinds 1994 en een blik op de naaste toekomst (nrs. 16 t/m 27)

5. De PIJ-maatregel: looptijd, verlenging, (voorwaardelijke) beëindiging en nazorg, mede bezien vanuit de wetsgeschiedenis (nrs. 28 t/m 41)

6. Enige opmerkingen in relatie tot de TBS/een vergelijking (nrs. 42 t/m 44)

7. De PIJ-maatregel: het verloop in de praktijk/enige rechtspraak (nrs. 45 t/m 47)

8. De overwegingen van de rechtbank respectievelijk van de penitentiaire kamer van het Hof (nrs. 48 t/m 50)

9. Vraagstelling aan de Hoge Raad (nr. 51)

10. Het middel van cassatie (nrs. 52 en 53)

10. Afsluiting (nr. 54)

1 De onderhavige zaak

5. Bij vonnis van de rechtbank ’s–Gravenhage van 8 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1052, is aan de betrokkene de PIJ-maatregel opgelegd ter zake van poging tot een gewapende overval in vereniging op een snackbar op 10 juli 2011.2 Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 23 maart 2012. Op dezelfde dag ving de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel aan. Na een eerdere verlenging voor de duur van een jaar, werd de termijn van de PIJ-maatregel bij beschikking van 30 maart 2015 door de rechtbank Den Haag verlengd met twaalf maanden. Tegen deze beschikking heeft de betrokkene op 2 april 2015 beroep ingesteld bij de penitentiaire kamer. In beroep is in verband met de wetswijziging op 1 juli 2011 en de invoering van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel op die datum, bij tussenbeslissing van 23 juli 2015 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, zij het voor niet langer dan drie maanden, omdat de penitentiaire kamer het noodzakelijk achtte dat de reclassering zou rapporteren omtrent de (invulling van de) voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, en de advocaat-generaal, de veroordeelde jeugdige en zijn raadsman daarop zouden kunnen reageren.

6. Als gezegd heeft de penitentiaire kamer bij beslissing van 1 oktober 2015 de beslissing van de rechtbank van 30 maart 2015 bevestigd met aanvulling van gronden. Om de aanvulling van gronden gaat het in deze vordering. Het in dat verband gegeven oordeel van de penitentiaire kamer zal ik op een later moment integraal weergeven (zie hierna onder 49). Ten behoeve van de duidelijkheid, haal ik hier de desbetreffende overwegingen van de penitentiaire kamer puntsgewijs aan. Die overwegingen houden in dat:

- de penitentiaire kamer art. 77s, achtste lid onder c, Sr – bepalende dat de termijn van de PIJ-maatregel niet loopt wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd - zó leest dat de PIJ-maatregel ook van kracht is tijdens de voorwaardelijke beëindiging, met dien verstande dat aan het onvoorwaardelijke deel een einde is gekomen;

- de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege van de PIJ-maatregel tot gevolg kan hebben dat de voorwaardelijke beëindiging met terugwerkende kracht ingaat, met name als de rechtbank de vordering tot verlenging afwijst, terwijl deze beslissing na de einddatum van het - al dan niet eerder verlengde – onvoorwaardelijke deel wordt gegeven, en als de penitentiaire kamer in beroep de vordering tot verlenging alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst dan de rechtbank heeft gedaan;

- het daarom gewenst is dat de inrichtingen en de reclassering daarmee bij hun advisering rekening houden en daarop in voorkomende gevallen anticiperen door een alternatief scenario te schetsen;

- het daarom tevens gewenst is dat het openbaar ministerie daarop anticipeert door in een vroegtijdig stadium daarover in contact te treden met de inrichting en de reclassering;

- de wetgever met de invoering van de voorwaardelijke beëindiging die van rechtswege ingaat, heeft gekozen voor een regeling die in de praktijk tot complicaties kan leiden die niet in het belang zijn van de jeugdige, en die zich niet zouden voordoen bij een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de maatregel van terbeschikkingstelling.

7. In de eerste hierboven weergegeven overweging haakt de penitentiaire kamer aan bij de bepaling van art. 77s, achtste lid onder c, Sr. Ik begrijp deze overweging echter aldus dat de penitentiaire kamer daarbij met name ook het oog heeft op de gelijkluidende bepaling van art. 77s, zevende lid onder c oud, Sr, nu goed beschouwd deze bepaling op de onderhavige zaak van toepassing is. Bij wetswijziging van 1 april 2012 is het zevende lid onder c oud, zonder inhoudelijke wijziging, vernummerd tot het huidige achtste lid onder c. Ik kom daarop hierna nog terug.

2. Aanleiding en reden voor de vordering; probleemstelling: wat is de maximale duur van de PIJ-maatregel?

8. De uitleg die de penitentiaire kamer aan het achtste lid onder c, en daarmee ook aan het zevende lid onder c oud, van art. 77s Sr geeft, vormt de aanleiding voor mijn vordering. Het springende rechtspunt is namelijk dat die bepaling in zoveel woorden zegt dat de termijn van de maatregel niet loopt wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in art. 77s Sr en art. 77t, tweede lid, Sr. De gronden waarmee de penitentiaire kamer haar bevestiging van het vonnis van de rechtbank heeft aangevuld, hebben blijkens het schrijven van mr. Knol van 13 november 2015 en de daarbij horende notitie in de praktijk vragen opgeroepen die ik nader uitgewerkt aan het slot van deze vordering aan de Hoge Raad zal voorleggen. De hoofdvragen zijn:

- wat is de maximale duur van de PIJ-maatregel en hoe dient deze duur te worden berekend?;

- in welk geval loopt (de termijn van) de PIJ-maatregel wel en in welk geval niet (art. 77s, zevende lid aanhef en onder c oud, thans achtste lid, Sr)?;

- kan de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege met terugwerkende kracht ingaan en, zo ja, wanneer en tot aan welk moment?

9. De reden voor mijn vordering is hierin gelegen dat een verduidelijkend antwoord op deze vragen van belang is voor de (proces)partijen en de instellingen, waaronder uiteraard het openbaar ministerie als vervolgende en toezichthoudende instantie, die met betrekking tot de PIJ-maatregel in de praktijk te maken hebben met de oplegging, de verlenging, de voorwaardelijke beëindiging, de tenuitvoerlegging, het vaststellen van algemene en bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan. Meer bepaald is van belang dat de PIJ-maatregel tijdig dient te worden verlengd en dat de desbetreffende systemen bij het openbaar ministerie er thans op zijn ingesteld dat de PIJ-maatregel niet loopt gedurende de voorwaardelijke beëindiging. Blijkens door mij ingewonnen inlichtingen bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, ging het op 2 november 2015 om ongeveer 183 zaken met een lopende PIJ-maatregel die na 1 juli 2011 zijn opgelegd. Ten aanzien van deze zaken kan de uitspraak van de penitentiaire kamer (op enig moment) consequenties hebben voor het tijdstip waarop de verlenging van de termijn van de PIJ-maatregel dient te worden gevorderd.

3 De PIJ-maatregel: een korte historische terugblik

10. Met de inwerkingtreding van de drie Kinderwetten in 1905 vond een hervorming van het jeugdsanctierecht plaats en werd aan het samenstel van kinderstraffen en maatregelen een overwegend pedagogische strekking gegeven.3 Het accent werd daarmee van vergelding verlegd naar aandacht, zorg en opvoeding onder de hoede van de overheid, een nieuw uitgangspunt waarop aard en omvang van de jeugdsancties nader waren afgestemd.4 Zo nodig kon die verzorging en opvoeding van regeringswege worden afgedwongen, om zodoende het zedelijk bewustzijn van de betrokkene tot ontwikkeling te brengen. Voor dat doel was een speciale maatregel ingevoerd, de jeugd-tbr.

11. Kort na de Tweede Wereldoorlog bereidde de Commissie Overwater de regeling van een nieuw kinderstrafrecht voor. Haar rapport verscheen in 1951.5 Gehandhaafd bleef het beginsel van pedagogische bejegening. De vergelding en de algemene en speciale preventie mochten niet zo ver in de sancties worden doorgevoerd dat de jeugdige daardoor werd geschaad.6 Bovendien werd een minimumleeftijdsgrens van twaalf jaar voorgesteld. Het rapport van de Commissie Overwater werd nagenoeg geheel ten grondslag gelegd aan het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet herziening kinderstrafrecht en kinderstrafprocesrecht van 9 november 1961 (Stb. 402). In navolging van het daartoe strekkende voorstel van de Commissie Overwater werd de jeugdmaatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling geïntroduceerd, een behandelings- en beveiligingsmaatregel bestemd voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen.

12. Zowel de jeugd-tbr als de plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling was van onbepaalde duur, met dien verstande dat zij uiterlijk eindigden op het tijdstip waarop de jeugdige veroordeelde meerderjarig werd. Tot aan de bovengrens van meerderjarigheid kon de jeugdmaatregel vervroegd worden beëindigd. Ook een daaraan voorafgaande voorwaardelijke beëindiging was mogelijk, zolang de leeftijd van achttien jaar nog niet was bereikt. Bevoegd tot het voorwaardelijk beëindigen van deze vroegere jeugdmaatregelen was de minister van Justitie, en wel te allen tijde, en de kinderrechter telkens na afloop van twee jaren bij zijn beoordeling van de vraag of het voortduren van de jeugdmaatregel door het belang van de minderjarige nog altijd werd gevorderd (art. 77q oud en art. 77r oud Sr). Op het openbaar ministerie rustte de taak om de zaak tijdig bij de rechter aan te brengen, met overlegging van een verslag van het verloop van de maatregel. Enkel indien het onderzoek daartoe aanleiding gaf – dat wilde zeggen: wanneer dit in het belang van de jeugdige veroordeelde was -, werd de jeugdmaatregel voorwaardelijk (of onvoorwaardelijk) beëindigd. Er werden algemene en eventueel bijzondere voorwaarden opgelegd, waarin uiteraard het pedagogische element sterk vertegenwoordigd was. Volledig was de regeling echter niet. Zo was in het ongewisse gelaten of ingeval van voorwaardelijke beëindiging de jeugdmaatregel doorliep tot aan de meerderjarigheidsgrens.

13. In 1979 stelde de Nederlandse regering de Commissie Anneveldt in om zich te laten adviseren over het uitzetten van weer een nieuwe koers voor het jeugdstrafrecht. Haar voorstellen uit het rapport “Sanctierecht voor jeugdigen”, die voortbouwden op het rapport “Jeugdbeschermingsrecht” van de Commissie Wiarda (1971), hebben hun beslag gekregen in de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 528) en het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 (Stb. 1994, 866). Deze wet van 7 juli 1994 is op 1 september 1995 in werking getreden en bracht een grondige herziening en vereenvoudiging van zowel het jeugdsanctierecht als het jeugdstrafprocesrecht met zich, maar wel met behoud van het pedagogische karakter.7 Hier verdient opmerking dat de jeugd-tbr (een opvoedingsmaatregel) en de plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling (deels een beveiligingsmaatregel) samensmolten tot één nieuwe jeugdmaatregel, de PIJ-maatregel, naar sindsdien wordt aangenomen ‘de zwaarste sanctie uit het sanctiearsenaal voor jeugdigen’.8 Het doel van deze PIJ-maatregel is er vooral op gericht om de jeugdige dader de (her)opvoeding, verzorging en behandeling te geven die voor hem noodzakelijk wordt geacht. Dat neemt niet weg dat deze vrijheidsbenemende jeugdmaatregel ook dient ter bescherming van de samenleving.9

14. De PIJ-maatregel heeft haar wettelijke basis gevonden in art. 77s Sr. Aanvankelijk golden voor de oplegging ervan slechts déze drie voorwaarden:

a. er is sprake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel; en

c. de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Bij de inwerkingtreding van de Wet van 27 november 2013 tot invoering van het adolescentenstrafrecht op 1 april 2014 (Stb. 485) is het eerste lid onder a gewijzigd en is een vierde materiële voorwaarde ingevoegd, waardoor de PIJ-maatregel niet alleen als een ultimum remedium is te beschouwen maar onmiskenbaar ook trekken gemeen heeft gekregen met de TBS voor volwassenen. Het moet thans namelijk gaan om een verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.10 Naast de vier materiële voorwaarden, geldt bovendien als formeel vereiste dat de rechter zich een multidisciplinair advies van gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, doet overleggen (art. 77s, tweede lid, Sr).

15. Aanvankelijk gold de PIJ-maatregel voor de tijd van twee jaar. Verlenging was, met inachtneming van de daarvoor geldende criteria, telkens voor ten hoogste twee jaar mogelijk en in beginsel slechts voor zover de maatregel de duur van vier jaar respectievelijk – indien sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens – de duur van zes jaar niet te boven ging (art. 77t, tweede lid oud Sr). Na ommekomst van de opleggingstermijn, eindigde de Pij-maatregel van rechtswege. Niet was toen nog voorzien in een nazorgtraject.11 Bevoegd tot het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen, was de minister van Justitie te allen tijde, indien het doel van de maatregel was bereikt of op andere wijze beter kon worden bereikt (art. 5 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994). Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de wet van 13 december 2010 (Stb. 818) geldt de termijn van de PIJ-maatregel echter voor een termijn van drie jaar en is onder meer bepaald dat de maatregel na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk eindigt tenzij hij wordt verlengd op de wijze als bedoeld in art. 77t Sr. Door een wetswijziging op 1 juli 2012 heeft de rechter in die fase (weer) een rol gekregen. Over het voorgaande nu meer.

4. De PIJ-maatregel: relevante wettelijke bepalingen, wetswijzigingen sinds 1994 en een blik op de naaste toekomst

16. De artikelen 77s en 77t Sr zijn sinds de invoering van de Wet van 7 juli 1994 een aantal keer gewijzigd. In hun eerste bewoordingen luidden deze artikelen, voor zover hier van belang:

Artikel 77s Sr (1994)

“1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan slechts worden opgelegd, indien

a. het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist, en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

3. De maatregel kan ook worden opgelegd indien de verdachte niet strafbaar is op grond dat het feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Indien bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis bestond, dient bij de toepassing van het eerste lid één

van de gedragskundigen een psychiater te zijn.

(…)

6. De maatregel geldt voor de tijd van twee jaar.”

Artikel 77t Sr (1994)

“1. De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in art 77s zesde lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel de duur van vier jaar niet te boven gaat, tenzij de maatregel is opgelegd aan een verdachte als bedoeld in art 77s derde lid, tweede volzin. In zodanig geval is verlenging mogelijk voor zover de maatregel de duur van zes jaar niet te boven gaat.

3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Art 77s eerste lid onder b en c is van overeenkomstige toepassing.”

17. Op 1 september 2001 trad de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: de Beginselenwet) in werking.12 Deze wet bevat een integrale regeling en versterking van de materiële en formele aspecten van de rechtspositie van jongeren die in een justitiële jeugdinrichting verblijven. Daarmee werd niet alleen een eind gemaakt aan ‘de ontoereikende en verbrokkelde regelgeving’ op dit terrein, maar ook meer duidelijkheid gegeven over de verdeling van taken en bevoegdheden binnen de justitiële jeugdinrichtingen.13Het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en een aantal ministeriële regelingen en circulaires geven nader uitwerking aan de onderwerpen die in de Beginselenwet zijn geregeld.

18. Met de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818) werd de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel geïntroduceerd.14

19. De artikelen 77s, 77t, 77ta en 77tb (alle oud) Sr hielden toen, voor zover hier van belang, het volgende in:

Art. 77s Sr (2011)

“ (…)

6. De maatregel geldt voor de tijd van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij de betrokkene wederom de maatregel wordt opgelegd.

7. De termijn van de maatregel loopt niet:

a. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

b. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen;

c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het zesde lid en artikel 77t, tweede lid.”15

Art. 77t Sr (2011)

“1. De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 77s, zesde lid, eerste volzin, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 509oa en 509q van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van vijf jaar niet te boven gaat, tenzij de maatregel is opgelegd aan een verdachte als bedoeld in art. 77s, derde lid, tweede volzin. In zodanig geval is verlenging mogelijk voor zover de maatregel de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. Artikel 77s, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.

Art. 77ta Sr (2011)

“1. Indien de maatregel voorwaardelijk eindigt als bedoeld in artikel 77s, zesde lid en artikel 77t, tweede lid, geschiedt dit onder de algemene voorwaarde dat:

a. de jeugdige zich ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. de jeugdige zich zal gedragen naar de aanwijzingen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg dan wel, indien de veroordeelde de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt, een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling of bijzondere reclasseringsambtenaar, ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding inhouden;

c. de jeugdige zich niet onttrekt aan het toezicht op de naleving van de voor waarden.

2. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast. Over de wijze waarop de veroordeelde aan de voorwaarden voldoet, wordt het openbaar ministerie door de stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg ingelicht.

3. Het bepaalde in artikel 77s, achtste lid, en in de vorige artikelleden, blijft buiten toepassing indien bij het vonnis of arrest waarbij de maatregel werd opgelegd, eveneens de maatregel bedoeld in artikel 77w werd opgelegd of indien ten aanzien van de jeugdige een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven.”

Art. 77tb Sr (2011)

“1. De voorwaardelijke beëindiging kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.

2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar.

3. De in het eerste lid bedoelde rechter, beslist op vordering van het openbaar ministerie op zijn vroegst na drie maanden en ten hoogste na zes maanden nadat de maatregel voorwaardelijk werd beëindigd tot verlenging als bedoeld in het eerste lid. De rechter kan daarbij ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de jeugdige of diens raadsman:

a) de voorwaardelijke beëindiging omzetten in een onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel, hetzij

b. indien de jeugdige zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige voor een maximale duur van een jaar wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen danwel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b. van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder

deel b. van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

4. Na het einde van de duur van de terugplaatsing als bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

5. De in het eerste lid bedoelde rechter kan daarbij:

a. de voorwaarden aanvullen of wijzigen;

b. aan een andere instelling dan die welke daarmede tevoren was belast, de begeleiding van de jeugdige opdragen;

c. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de jeugdige betreffen,

6. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het vijfde lid, is artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.”

Wat betreft het overgangsrecht, bepaalt art. VI van de eerder genoemde Wet van 13 december 2010 (Stb. 2010, 818):

“De artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, 77ta en 77tb van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten, gepleegd vóór inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van toepassing zoals deze luidden voor dat tijdstip en blijven de artikelen 77ta en 77tb Wetboek van Strafrecht buiten toepassing”.

20. Dat betekent onder meer dat de regeling van de voorwaardelijke beëindiging enkel van toepassing is op zaken waarin de PIJ-maatregel is opgelegd naar aanleiding van een misdrijf dat na 1 juli 2011 is begaan. Ik herinner eraan dat het misdrijf waarvoor de betrokkene in de onderhavige zaak is veroordeeld, op 10 juli 2011 is gepleegd. Het hiernavolgende schrijf ik dan ook in de tegenwoordige tijd.

21. De duur van de maatregel is ingevolge de op 1 juli 2011 in werking getreden wet van 13 december 2010 bepaald op een termijn van drie jaar, met dien verstande dat de maatregel na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk eindigt, tenzij de maatregel wordt verlengd ingevolge de regeling van art. 77t Sr voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De voorwaardelijke beëindiging kan in duur ten hoogste twee jaar bedragen (art. 77tb, tweede lid, Sr). Daarmee heeft de wetgever een variabele proeftijd willen creëren en, mede door de mogelijkheid van terugplaatsing in de justitiële jeugdinrichting na schending van de geldende voorwaarden, willen voorzien in een kader voor verplichte nazorg. Met het oog daarop werden de artikelen 77s en 77t (opnieuw) gewijzigd en de artikelen 77ta en 77tb Sr ingevoerd. Tevens werd de Beginselenwet en haar uitvoerbaarheid voor de praktijk verbeterd.16

22. De voorwaarden waaraan de veroordeelde zich tijdens de voorwaardelijke beëindiging dient te houden, zijn vermeld in art. 77ta, eerste lid, Sr. De voorwaardelijke beëindiging duurt van rechtswege een jaar. Na dat jaar eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk. Zo bezien heeft de maatregel dan in totaal voor de tijd van drie jaar gegolden. Verlenging van de voorwaardelijke beëindiging is echter mogelijk (art. 77tb, eerste lid, Sr). Het behoeft geen betoog dat de maatregel dan niet van rechtswege onvoorwaardelijk eindigt. In deze fase, die ook de nazorg omvat, is een belangrijke taak voor de rechter weggelegd (art. 77tb Sr). Het is immers de opleggingsrechter die de verlengingstermijn bepaalt. De wet laat zich niet uit over het aantal toegestane verlengingen, wel over de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging: deze bedraagt, als gezegd, ten hoogste twee jaar.

23. De artikelen 77s, 77t, 77ta en 77tb (alle oud) Sr zijn vervolgens gewijzigd bij de op 1 april 2012 in werking getreden Wet van 17 november 2011 (Stb. 545) en de eveneens op 1 april 2012 ingevoerde, en reeds eerder genoemde, Reparatiewet van 5 april 2012 (Stb. 155), en wel, voor zover hier van belang, in de navolgende zin:

Art. 77s Sr (2011/2012)

“C. Artikel 77s, zevende lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het zesde lid en artikel 77t, tweede lid.”

Art. 77t Sr (2011/2012)

“D. Artikel 77t wordt als volgt gewijzigd:

1. (…). 2. In het tweede lid wordt na de tweede volzin een volzin ingevoegd, luidende: De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. 3. In het tweede lid wordt «de maximale duur» vervangen door: de door de rechter vastgestelde duur.”

Art. 77ta Sr (2011/2012)

“E. Artikel 77ta wordt als volgt gewijzigd:

1. (…) 2. Het derde lid komt te luiden:

3. Een jaar nadat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in artikel 77s, zesde lid, en artikel 77t, tweede lid, eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk, tenzij de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77tb. In de gevallen waarin de voorwaardelijke beëindiging is verlengd, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk nadat de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging is bereikt.”

Art. 77tb Sr (2011/2012)

“F. Artikel 77tb wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «telkens met ten hoogste een jaar» en wordt een volzin toegevoegd, luidende: De rechter bepaalt de duur van de verlenging. 2. (…). 3. Het derde lid tot en met zesde komen te luiden:

3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de jeugdige of diens raadsman: a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de jeugdige betreffen; b. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de jeugdige opdragen; c. indien de jeugdige zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. 4. (…). 5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd. 6. Indien ten aanzien van de jeugdige een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

(…)

ARTIKEL IV

De artikelen I, onderdelen C tot en met F, II, onderdeel B en III, onderdeel B, werken terug tot het moment waarop de wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties in werking is getreden (Stb. 2010, 818).”

24. De artikelen 77s, 77t, 77ta en 77tb (alle oud) Sr zijn laatstelijk gewijzigd bij de op 1 april 2014 in werking getreden Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485). Voor zover voor mijn vordering van belang, luiden deze artikelen thans:

Art. 77s Sr (2014)

“1. Aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen worden opgelegd, indien:

a. het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en

b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en

c. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

(…)

7. De maatregel geldt voor de tijd van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij aan de betrokkene wederom de maatregel of de maatregel, bedoeld in artikel 37a wordt opgelegd.

8. De termijn van de maatregel loopt niet:

a. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

b. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen;

c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het zevende lid en artikel 77t, tweede lid.”

Art. 77t Sr (2014)

“1. De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 77s, zevende lid, eerste volzin, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 509oa en 509q van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 77s, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.”

Art. 77ta Sr (2014)

“1. Indien de maatregel voorwaardelijk eindigt als bedoeld in artikel 77s, zevende lid, en artikel 77t, tweede lid, geschiedt dit onder de algemene voorwaarde dat:

a. de veroordeelde zich ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking verleent aan het toezicht door de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet dan wel van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d, tweede lid.

2. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast. Over de wijze waarop de veroordeelde aan de voorwaarden voldoet, wordt het openbaar ministerie door de gecertificeerde instelling, de

reclasseringsinstelling of reclasseringsambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ingelicht.

3. Een jaar nadat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in artikel 77s, zevende lid, en artikel 77t, tweede lid, eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk, tenzij de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77tb. In de gevallen waarin de voorwaardelijke beëindiging is verlengd, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk nadat de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging is bereikt.”

Art. 77tb Sr (2014)

“1. De voorwaardelijke beëindiging kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.

2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de veroordeelde zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.

3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde of diens raadsman:

a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen;

b. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de veroordeelde opdragen;

c. indien de veroordeelde zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de veroordeeldetijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

4. De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.

5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan

beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.

6. Indien ten aanzien van de veroordeelde een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

7. Artikel 77cca, eerste lid, derde tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid bij de rechter.”

Ten aanzien van het overgangsrecht bepaalt art. V:

“De bepalingen zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet.”

Daaruit volgt dat de laatst aangehaalde bepalingen niet van toepassing zijn op het misdrijf in de onderhavige zaak.

25. Op deze plaats veroorloof ik mij nog een korte blik op de toekomst. Op 21 november 2014 is het groots opgezette ‘Wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen’ ingediend. De bedoeling is dat daardoor de, nu nog over verschillende wetten verspreide, bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de verschillende straffen en maatregelen in het wetboek van strafvordering in een nieuw boek 6 ‘Tenuitvoerlegging’ worden gerangschikt.17 Het wetsvoorstel behelst een wijziging van het huidige zevende lid van art. 77s Sr – in die zin dat het enkel nog bepaalt dat de maatregel voor drie jaar geldt - en het doen vervallen van het huidige achtste en negende lid van dit artikel.18

26. In het verband van de onderhavige vordering is het voorts interessant kennis te nemen van een aantal artikelen uit de voorgestelde ‘Vijfde titel jeugd’. Deze in het wetsvoorstel ingekaderde artikelen houden op dit moment het volgende in:

“VIJFDE TITEL JEUGD

(…)

Artikel 6:6:31

1. De rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 6:2:23, eerste lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 6:6:10 en 6:6:11 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 6:2:23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing. 3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

4. Een vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt bij de rechtbank behandeld door de meervoudige kamer.

5. Bij de vordering worden overgelegd:

a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en

b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde. 6. De maatregel kan zonder advies, bedoeld in het vijfde lid, onder a, worden verlengd indien dit advies door gebrek aan medewerking van de veroordeelde niet kan worden uitgebracht.

7. Artikel 6:1:1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:32

1. De voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.

2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de veroordeelde zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.

3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde:

a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen;

b. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de veroordeelde opdragen;

c. indien de veroordeelde zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

4. De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.

5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.

6. De rechter die voorwaarden heeft gesteld in het verband van een voorwaardelijk opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kan op vordering van het openbaar ministerie, indien een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, alsnog de tenuitvoerlegging van de maatregel bevelen.

7. Indien ten aanzien van de veroordeelde een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

8. De artikelen 6:3:15, 6:6:21 en 6:6:22 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid, bij de rechter.

Artikel 6:6:33

1. De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die is verlengd tot de in artikel 6:6:31, tweede lid, bedoelde duur van zeven jaren, kan door de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie worden omgezet in de maatregel, bedoeld in artikel 37a, van het Wetboek van Strafrecht, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting in die maatregel eist.

2. De beslissing tot omzetting geldt als een last als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. De rechter geeft daarbij het bevel, bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. De artikelen 37, tweede en derde lid, en 37a van het Wetboek van Strafrecht, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Met de omzetting eindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk.

4. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen:

a. voordat de maatregel voorwaardelijk eindigt op de wijze, bedoeld in artikel 6:6:31, tweede lid;

b. tijdens de voorwaardelijke beëindiging, bedoeld in artikel 6:6:32, eerste en tweede lid.

5. Bij de beslissing betrekt de rechter:

a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en

b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.”

27. Materieel brengt het wetsvoorstel geen wezenlijke wijziging aan in de regeling van de PIJ-maatregel. Op de vraagpunten die in het kader van de onderhavige vordering aan de orde worden gesteld, bieden het wetsvoorstel en de bijhorende parlementaire stukken tot op heden geen verduidelijking. Wellicht kunnen deze vordering en het naar aanleiding daarvan te wijzen arrest van de Hoge Raad een reden voor de wetgever vormen om daaraan alsnog de nodige aandacht te geven.

5. De PIJ-maatregel: looptijd, verlenging, (voorwaardelijke) beëindiging en nazorg, mede bezien vanuit de wetsgeschiedenis

28. Met het oog op de pleegdatum van het misdrijf in de onderhavige zaak (10 juli 2011), en het toepasselijke overgangsrecht, keer ik weer terug naar de wetswijziging van 1 juli 2011 (Stb. 2010, 818) en die van 1 april 2012 (Stb. 2012, 155). De PIJ-maatregel geldt voor een termijn van drie jaar, welke termijn overigens een aanvang neemt op de datum dat het desbetreffende vonnis onherroepelijk is geworden; niet bepalend is het aanvangsmoment van de feitelijke tenuitvoerlegging.19 Na twee jaar wordt de maatregel hetzij verlengd op de wijze als bedoeld in art. 77t, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat, hetzij voorwaardelijk beëindigd. De termijn van de maatregel loopt niet wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd. Aanvankelijk hield art. 77s, zevende lid onder c oud Sr in dat de termijn van de maatregel niet liep wanneer de maatregel voorwaardelijk was geëindigd en de jeugdige veroordeelde buiten de plaats verbleef die voor de tenuitvoerlegging was aangewezen. De laatste zinsnede is vervallen met de inwerkingtreding op 1 juli 2012 van de hierboven aangehaalde Reparatiewet van 5 april 2012 (Stb. 2012, 155). De vraag is nu allereerst hoe de bepaling van art. 77s, zevende lid onder c oud, thans achtste lid onder c, Sr moet worden uitgelegd.

29. Bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat heeft geleid tot de meergenoemde Wet van 13 december 2010 (Stb. 2010, 818) is de looptijd van de PIJ-maatregel en het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging op de hiernavolgende (enigszins ingewikkelde) wijze aan de orde gekomen. Ik citeer eerst de ter zake dienende passages uit de Memorie van Toelichting:20

15.4 Nazorg van een Pij-maatregel

15.4.1 Het stelsel van voorwaardelijke beëindiging

(…)

Bij voorbereiding van het wetsvoorstel zijn, zoals gezegd, verschillende varianten in overweging genomen waarmee in een verplichte kader voor begeleiding na de tenuitvoerlegging van de maatregel in de jeugdinrichting kan worden vormgegeven. De voorgestelde regeling is zoals de Raad voor de rechtspraak terecht constateert geënt op de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van de ter beschikking gestelde. In het voorstel wordt bepaald dat het einde van de Pij-maatregel van rechtswege een voorwaardelijk einde is. Daarbij is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande ministeriële bevoegdheid om de maatregel, al dan niet voorwaardelijk, te doen eindigen, zoals voorzien in artikel 77s, achtste lid, Sr. Met het voorstel wordt deze regeling van voorwaardelijke beëindiging aangepast en verruimd. Als gevolg daarvan kan de rechter na een periode van begeleiding het voorwaardelijke einde omzetten in een onvoorwaardelijk (definitief) einde. Hij kan er echter ook voor kiezen de nazorg voort te laten duren door de periode waarin het einde een voorwaardelijk einde is, te verlengen. Zo kan gedurende een maximale periode van twee jaren toezicht op de jeugdige worden uitgeoefend. In deze periode worden voorwaarden gesteld. Indien de jeugdige zich niet aan deze voorwaarden houdt, behoort een terugplaatsing met een maximale duur van een jaar tot de mogelijkheden.

Deze systematiek is als volgt uitgewerkt.

De Pij-maatregel wordt in eerste instantie opgelegd voor een duur van drie jaren (artikel 77s, vijfde lid, Sr). Na twee jaar eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk (artikel 77s, zesde lid, Sr), tenzij de maatregel wordt verlengd.

Ook voor de gevallen dat de Pij-maatregel wordt verlengd, is het nodig aan het einde van de maatregel in nazorg te kunnen voorzien. Om dit mogelijk te maken zijn aan de bestaande verlengingsregeling enkele elementen toegevoegd. Hierbij is aansluiting gezocht bij de maximale termijn van de maatregel (vier jaar of zes jaar). In het voorgestelde tweede lid van artikel 77t, is bepaald dat in alle gevallen waarin de maatregel is verlengd, de maatregel voorwaardelijk eindigt één jaar voordat de maximale duur van vier jaren of van zes jaren wordt bereikt. Hier zou de voorgestelde regeling voeding kunnen geven aan de gedachte dat met het voorstel wordt beoogd de maximale duur van de maatregel te bekorten. Dit is niet het geval. Door te bepalen dat de termijn van de maatregel niet loopt gedurende de tijd dat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd, wordt dit voorkomen (artikel 77s, zevende lid, onder deel c (nieuw), Sr juncto 77t, tweede lid, laatste volzin). (cursiverin van mij, AG)

Bij de keuze voor dit stelsel, heeft een belangrijke rol gespeeld dat de Pij-maatregel de duur van een jeugddetentie aanzienlijk kan overschrijden. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheid tot het stellen van bijzondere voorwaarden door de rechter, op het moment dat de maatregel wordt opgelegd, te zeer zou vergen dat op onzekere toekomstige omstandigheden wordt geanticipeerd. Om bij het stellen van voorwaarden maximaal aansluiting te kunnen vinden bij de actuele situatie op het moment dat met de begeleiding in het verband van de nazorg een aanvang wordt genomen, is bij de vormgeving van het verplichte begeleidingskader dan ook aansluiting gezocht bij het einde van de maatregel. Vanwege het algemene karakter van de verplichte nazorg, zijn de regie en de uitvoering daarvan primair bij de administratie gelegd en heeft de rechter in beginsel een toetsende rol.”

En:21

“15.4.4 Het stelsel in verhouding tot de bestaande Pij-maatregel

In de regeling van de Pij-maatregel zelve worden in dit verband van de nazorg geen wijzigingen voorgesteld. De maatregel kan voor een maximale duur van twee jaren worden opgelegd. Daarna kan de maatregel op vordering van het openbaar ministerie telkens worden verlengd, totdat een maximale duur van vier jaren is bereikt. In het geval de Pij-maatregel is opgelegd aan een jeugdige bij wie ten tijde van het begaan van het delict een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, kan de maatregel worden verlengd tot een maximale duur van zes jaren.

In de adviezen naar aanleiding van dit voorstel, heeft het openbaar ministerie er voor gepleit bij deze regeling van – herhaalde – verlenging van de maatregel aansluiting te zoeken. Nazorg in een verplicht kader zou dan mogelijk kunnen worden gemaakt doordat de rechter in de gelegenheid wordt gesteld de maatregel voorwaardelijk te verlengen. De huidige regeling voorziet niet in deze mogelijkheid. Erkend moet worden, het openbaar ministerie wijst daar terecht op, dat de duur van de justitiële bemoeienis op die manier de maximale duur van de Pij-maatregel niet zou overstijgen. De keuze voor een stelsel van voorwaardelijke beëindiging, zoals in het wetsvoorstel neergelegd, houdt wel een verlenging van de justitiële interventie in. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dit strijdig te achten met de in de wet opgenomen maximale duur van de maatregel. Ook de Raad voor de rechtspraak heeft zich op dit punt kritisch getoond en gevraagd naar de titel voor terugplaatsing.

De adviezen hebben aanleiding gegeven het voorstel aan te passen. In de bepaling die ziet op de duur van de maatregel (artikel 77s, zesde lid, Sr) is tot uitdrukking gebracht dat de maatregel voor de duur van drie jaren wordt opgelegd maar – behoudens verlenging – na twee jaren voorwaardelijk eindigt. In verband hiermee is in artikel 77s, zevende lid, tot uitdrukking gebracht dat de duur van de maatregel niet loopt, wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd en de veroordeelde buiten de inrichting verblijft. Aldus resteert van de maximale duur van de maatregel telkens een jaar dat niet wordt ten uitvoer gelegd. Zo is in een titel voorzien voor terugplaatsing in het onfortuinlijke geval dat de jeugdige veroordeelde zich niet richt naar de voorwaarden die aan de beëindiging van de maatregel worden gesteld. Een soortgelijke formulering kan worden gevonden in artikel 77t, tweede lid, Sr dat ziet op de maximale duur van de maatregel na verlenging. Ook hier wordt bepaald dat één jaar voordat de gehele looptijd van de maatregel is doorlopen, de maatregel voorwaardelijk eindigt.

Anders dan het openbaar ministerie in zijn advies tot uitdrukking heeft gebracht, ben ik niet het oordeel toegedaan dat met de nazorg aldus een extra straf wordt toegevoegd. Ik hecht er aan te benadrukken dat de noodzaak om te voorzien in begeleiding, nadat de maximale duur van de maatregel is verstreken, aan de intrinsieke noodzaak de maatregel zelf geheel ten uitvoer te leggen op geen enkele wijze afdoet. Net zo min als dat een verlenging van de maatregel wordt beoogd, wordt een verkorting daarvan beoogd (cursivering van mij, AG). De keuze voor een stelsel van voorwaardelijke verlenging zoals door het openbaar ministerie voorgestaan, zou in het uiterste geval een keuze vergen tussen maatregel of nazorg, aangezien de maximale duur van de maatregel beperkingen stelt aan de mogelijkheden de maatregel (voorwaardelijk) te verlengen. Een dergelijk dilemma wordt met dit voorstel voorkomen.

(…)”

30. In de Nota van Wijziging wordt opgemerkt:22

“(…) Van de gelegenheid is gebruik gemaakt deze regeling verder te verduidelijken, aangezien de voorgestelde regeling voeding kan geven aan de veronderstelling dat met de introductie van het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging, de duur van de pij-maatregel zou worden verkort. Dit is niet beoogd (cursivering van mij, AG). Uitgangspunt van de voorgestelde regeling blijft dat de pij-maatregel een minimale duur van twee jaren en, in de zich daarvoor lenende gevallen, een maximale duur van zes jaren heeft. Deze termijnen, die zien op de periode die de jeugdige in een jeugdinrichting verblijft en op grond van de titel die opgelegde pij-maatregel daartoe biedt, behandeling ondergaat in verband met diens gedragsproblematiek, blijven met dit wetsvoorstel ongewijzigd. Aan de bestaande regeling worden met het wetsvoorstel twee elementen toegevoegd.

In de eerste plaats is beoogd een proeftijd te creëren. De duur van deze proeftijd is variabel. Zij duurt ten minste drie maanden (artikel 77tb, derde lid) en kan worden verlengd tot ten hoogste twee jaren (artikel 77tb, tweede lid). Gedurende deze proeftijd loopt de termijn van de maatregel niet (artikel 77s, zevende lid, onderdeel c).(cursivering van mij, AG)

Een tweede aanvulling op de bestaande regeling is gelegen in de mogelijkheid van terugplaatsing in een inrichting bij schending van de voorwaarden die in de proeftijd gelden. Deze terugplaatsing heeft een maximale duur van een jaar. De titel voor deze terugplaatsing ontstaat doordat de maatregel, een jaar voordat de maximale duur van de maatregel is bereikt, van rechtswege voorwaardelijk wordt beëindigd.

Om te voorkomen dat dit voortijdig einde van de maatregel een verkorting van de behandeling in de jeugdinrichting tot gevolg heeft, voorziet deze nota van wijziging er in dat in het voorgestelde artikel 77t, tweede lid, Sr de maatregel een duur heeft van maximaal vijf jaren, of maximaal zeven jaren.

Hieronder gaan wij nader op de gevolgen hiervan in.

De termijn van de maatregel bij het opleggen bedraagt drie jaren. De maatregel eindigt na twee jaren voorwaardelijk (artikel 77s, zesde lid). Waar in artikel 77t, eerste lid, wordt gesproken over de verlenging van de maatregel, wordt in eerste instantie gedoeld op de verlenging van deze termijn van drie jaren. In het voorkomende geval dat de maatregel met twee jaren wordt verlengd, beloopt de totale termijn van de verlengde maatregel daarmee vijf jaren. Dit is met deze nota van wijziging ook in artikel 77t, tweede lid, tot uitdrukking gebracht. Eveneens in dit artikellid is tot uitdrukking gebracht dat de verlengde maatregel een jaar voordat de maximale duur van de maatregel daarvan wordt bereikt voorwaardelijk eindigt. In het hier gegeven voorbeeld, waarin de maatregel met twee jaren werd verlengd tot vijf jaren, eindigt de maatregel voorwaardelijk vier jaren nadat deze werd opgelegd.

In de praktijk komt het veelvuldig voor dat de oorspronkelijk opgelegde maatregel niet met twee jaren wordt verlengd, maar met een kortere termijn, bijvoorbeeld van een jaar. Ook in de hier voorgestelde systematiek is dit mogelijk. In dat geval wordt de termijn van drie jaren genoemd in artikel 77s, zesde lid, met een jaar verlengd en bedraagt de totale duur van de maatregel vier jaren. De maatregel eindigt dan ingevolge artikel 77t, tweede lid, voorwaardelijk na drie jaren.

Indien er bij de jeugdige ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, is naar huidig recht verlenging van de maatregel tot een maximale duur van zes jaren mogelijk. Ook dit blijft met het voorstel ongewijzigd, zij het dat in plaats van de genoemde zes jaren, in artikel 77t, tweede lid, Sr tot uitdrukking is gebracht dat de maatregel, maximaal zeven jaren kan duren. Ook hier geldt dat zes jaren worden gebruikt voor de behandeling van de jeugdige in, of onder de verantwoordelijkheid van, de jeugdinrichting en dat de maatregel een jaar voordat deze zijn maximale duur bereikt, van rechtswege eindigt. Ook in dit geval blijft er dus een jaar «op de lat», voor het geval de jeugdige na een niet geslaagde periode van nazorg, zou moeten terugkeren in een gesloten setting. De verlenging geschiedt volgens dezelfde systematiek zoals hiervoor uiteengezet. Daarbij geldt dat bij de eerste verlenging, die plaats heeft na twee jaren, de in artikel 77s, zesde lid, genoemde termijn van drie jaren wordt verlengd. De termijn van de pij-maatregel bedraagt dan vijf jaren.

Vindt verdere verlenging plaats, dan is het ook deze termijn van vijf jaren die wordt verlengd, totdat het maximum van zeven jaren is bereikt.

In alle gevallen geldt dus dat het deel van de maatregel waarin de jeugdige in de jeugdinrichting verblijft, met de voorgestelde regeling hetzelfde blijft. Aldus gaat het voorgestelde verplichte kader van nazorg niet ten koste van de duur van de behandeling in de jeugdinrichting.

De proeftijd neemt een aanvang op het moment dat de maatregel voorwaardelijk eindigt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nadere voorzieningen te treffen met betrekking tot de beslissingen die de rechter in deze proeftijd kan nemen. Op zijn vroegst drie maanden nadat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd en de proeftijd een aanvang heeft genomen, wordt de jeugdige opgeroepen en zal de rechter hebben te beslissen over de voortzetting van de proeftijd die met het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging is ontstaan. De rechter kan de verplichte begeleiding na drie maanden reeds beëindigen. De rechter kan eveneens beslissen tot verlenging van de proeftijd.

Met deze nota van wijziging wordt deze regeling aangevuld. De rechter kan, naar analogie met het bepaalde in artikel 77x bij een voorwaardelijke veroordeling, bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de jeugdige betreffen. Hiertoe is artikel 77x van overeenkomstige toepassing verklaard (artikel 77tb, zesde lid).”

31. De Memorie van Antwoord EK vervolgt in dit verband:23

“De aan het woord zijnde leden stelden vragen over het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging van de pij-maatregel. Graag zet ik dit onderdeel van het wetsvoorstel op deze plaats uiteen en ga ik daarbij nader in op de gevolgen daarvan. Met het stelsel is beoogd te voorzien in een proeftijd, of een periode van toezicht en begeleiding van de jeugdige, aan het einde van de maatregel. De duur van deze proeftijd is variabel en neemt een aanvang op het moment dat de maatregel voorwaardelijk eindigt. Daarnaast voorziet het voorstel in de mogelijkheid van een eventuele terugplaatsing van de jeugdige in een inrichting. Daarmee wordt een spreekwoordelijke «stok achter de deur» gecreëerd, waarmee wordt beoogd te verzekeren dat de jeugdige zich houdt aan voorwaarden die in de proeftijd gelden. Dit stelsel is als volgt uitgewerkt.

In het voorgestelde artikel 77s, zesde lid, Sr komt tot uitdrukking dat de maatregel geldt voor de tijd van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk. Zoals ook thans reeds het geval is, bereikt de pij-maatregel zijn maximale duur door verlenging van de maatregel. Dit blijft met het voorstel ongewijzigd. Daartoe is in artikel 77s, zesde lid, Sr tot uitdrukking gebracht dat de maatregel na twee jaren voorwaardelijk eindigt, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t, eerste lid, Sr. Dit artikellid, dat ziet op de verlenging, verwijst overigens naar de in artikel 77s, zesde lid, Sr genoemde termijn van drie jaren. Wanneer de termijn van de maatregel wordt verlengd met (bijvoorbeeld) twee jaren, beloopt de totale termijn van de verlengde maatregel derhalve vijf jaren.

Ook deze verlengde pij-maatregel, zo beantwoord ik de vraag daarnaar van de leden van de SP-fractie, kent in de voorgestelde systematiek een voorwaardelijk einde. In het hier gegeven voorbeeld, eindigt de pij-maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van vijf jaren wordt bereikt. Ook hier geldt dat wanneer opnieuw een verlenging van de maatregel noodzakelijk zou worden geacht, deze termijn van vijf jaren wordt verlengd tot bijvoorbeeld een termijn van zeven jaren. Ook in dat geval, zo luidt het voorstel, eindigt de maatregel voorwaardelijk, een jaar voordat de maximale termijn van zeven jaren is bereikt.

De proeftijd die met het wetsvoorstel wordt geïntroduceerd, neemt een aanvang op het moment dat de maatregel voorwaardelijk eindigt. De duur van deze proeftijd is variabel en duurt minimaal drie maanden en maximaal twee jaren. De lengte van de proeftijd is daarmee afhankelijk van de beslissingen die de rechter daaromtrent neemt in de met artikel 77tb Sr voorgestelde procedure. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter binnen een periode van drie tot zes maanden na de voorwaardelijke beëindiging, de jeugdige terugziet op zitting. In deze procedure van artikel 77tb Sr kan de rechter – onder meer – de voorwaarden aanpassen of beslissen dat de voorwaardelijke beëindiging wordt omgezet in een onvoorwaardelijke beëindiging. Daarmee komt de pij-maatregel tot een onvoorwaardelijk einde. Ik zal op deze proeftijd en de rechterlijke betrokkenheid daarbij nader ingaan bij de beantwoording van de vragen van deze leden onder «5. Rechterlijke controle». Voor dit stelsel is gekozen om te voorkomen dat de nazorg ten koste zal gaan van de duur van de behandeling die de jeugdige in de jeugdinrichting ondergaat. Deze behandeling is immers noodzakelijk in verband met een verantwoorde terugkeer van de jeugdige in de samenleving.

Met het wetsvoorstel wordt de duur van de behandeling van de jeugdige ten tijde van de pij-maatregel daarmee niet ingekort of verlengd. In zoverre blijft de duur van de maatregel dus gelijk. Wel is het zo dat als gevolg van het voorstel, een jaar «overblijft». Daarmee ontstaat de titel voor een eventuele terugplaatsing in een inrichting. Dit volgt uit het voorgestelde artikel 77s, zevende lid, onderdeel c, Sr. Hier is tot uitdrukking gebracht dat de termijn van de maatregel niet loopt, gedurende de tijd dat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd. Een dergelijke terugplaatsing kan maximaal één jaar duren.

De leden aan het woord stelden voorts vragen over het onvoorwaardelijk eindigen van de maatregel. Zo vroegen zij naar de redactie van artikel 77ta, eerste lid, Sr. Met de woordkeuze «indien» wordt verwezen naar de uitzonderingssituatie in artikel 77ta, derde lid, Sr. Daar is bepaald dat het stelsel van voorwaardelijke beëindiging in een aantal gevallen buiten toepassing blijft. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien bij het vonnis of arrest waarbij de maatregel werd opgelegd, eveneens de gedragsmaatregel werd opgelegd of wanneer er sprake is van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Ook in deze gevallen komt de pij-maatregel tot een onvoorwaardelijk einde. Overigens is het juist dat, zoals deze leden vroegen, de maatregel ook onvoorwaardelijk eindigt indien de jeugdige werd teruggeplaatst in een justitiële inrichting. Ook op andere wijze kan de maatregel nog een onvoorwaardelijk einde krijgen. In het voorgestelde artikel 77tb, derde lid, Sr wordt tot uitdrukking gebracht dat de rechter ook tijdens de proeftijd de voorwaardelijke beëindiging kan omzetten in een onvoorwaardelijke beëindiging van de maatregel. De aan het woord zijnde leden zien het overigens juist dat een eventuele terugplaatsing maximaal een jaar kan duren. Deze leden noemden als voorbeeld de situatie waarin de maatregel na twee jaren voorwaardelijk eindigt, de jeugdige vervolgens anderhalf jaar buiten de inrichting verblijft, de rechter ook na anderhalf proeftijd, de jeugdige voor een jaar in een jeugdinrichting zou kunnen terugplaatsen. Dit is op grond van het voorstel inderdaad mogelijk. Indien de jeugdige zich niet houdt aan de voorwaarden die in het verband van de nazorg worden gesteld, zal terugplaatsing in de jeugdinrichting daarvan het gevolg kunnen zijn. De rechter kan daarbij de duur van de terugplaatsing aanpassen.

En:24

“Artikel II, A, artikel 77s, lid 7, onder c, Sr

De leden van de SP-fractie vragen verheldering van dit onderdeel, waarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de termijn van de maatregel niet loopt, vanaf het moment dat de pij-maatregel voorwaardelijk eindigt. Op deze wijze wordt een titel voor vrijheidsbeneming verkregen voor het geval de jeugdige teruggeplaatst zou moeten worden in een justitiële inrichting. Anders dan deze leden leken te veronderstellen, ziet de gememoreerde passage dus niet op de situatie, waarin de jeugdige op een andere plek verblijft dan hem was opgedragen. Met het zinsdeel «en de veroordeelde buiten de plaats verblijft die voor de tenuitvoerlegging was aangewezen», wordt tot uitdrukking gebracht dat de jeugdige, gedurende de proeftijd die met de voorwaardelijke beëindiging van de pij-maatregel ontstaat, zich niet langer in de jeugdinrichting of een andere plaats van tenuitvoerlegging van de maatregel, bevindt.”

32. De Reparatiewet van 5 april 2012 (Stb. 2012, 155) bedoelt de wettelijke regeling te vereenvoudigen en meer in het bijzonder de regeling van de tenuitvoerlegging van de verplichte nazorg te verduidelijken, zo kan men lezen in de Memorie van Toelichting.25 Met de bepaling dat de termijn van de maatregel niet loopt gedurende de fase van voorwaardelijke beëindiging, heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat in de proefperiode een titel beschikbaar is voor terugplaatsing in de justitiële jeugdinrichting of voor een verlenging van de voorwaardelijke beëindiging indien de rechter dit noodzakelijk acht in verband met een verantwoorde terugkeer in de samenleving.26 Is rechterlijke tussenkomst niet nodig, dan eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk, en wel op het moment dat één jaar na de voorwaardelijke beëindiging is verstreken (art. 77ta, derde lid, Sr). Geen passage ben ik in de hier aangehaalde parlementaire stukken tegengekomen over het met terugwerkende kracht ingaan van de voorwaardelijke beëindiging indien – in de woorden van de penitentiaire kamer - de rechtbank de vordering tot verlenging afwijst, terwijl deze beslissing na de einddatum van het, al dan niet eerder verlengde, onvoorwaardelijke deel wordt gegeven, en als de penitentiaire kamer in beroep de vordering tot verlenging alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst dan de rechtbank heeft gedaan.

33. Beoogd is de duur van de PIJ-maatregel, in de voorkomende gevallen na verlenging, te bepalen op respectievelijk drie, vijf en zeven jaar, waarbij de maatregel van rechtswege voorwaardelijk eindigt na ommekomst van respectievelijk twee, vier en zes jaar, telkens behoudens rechterlijke verlenging van de maatregel op grond van art. 77t Sr.

34. Ingevolge art. 77ta Sr is aan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel een vorm van verplichte nazorg verbonden. Deze verplichte nazorg wordt uitgeoefend door middel van de in het eerste lid geformuleerde algemene voorwaarden: de betrokkene zal zich niet schuldig maken aan een nieuw strafbaar feit en hij zal medewerking verlenen aan maatregelen om zijn identiteit vast te stellen alsmede aan het toezicht door de jeugdreclassering of — indien hij inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt — de reclassering. Art. 77tb Sr voorziet in een regeling van de beslissingen die kunnen worden genomen in verband met de tenuitvoerlegging binnen het verplichte kader voor nazorg en die onder meer kunnen inhouden dat de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt, het is al meermalen gezegd, ten hoogste twee jaar.

35. Met de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel is blijkens de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis beoogd een variabele proeftijd in het leven te roepen waarin, op basis van de gestelde voorwaarden, nazorg wordt geboden aan de veroordeelde jeugdige. In de Nota naar Aanleiding van het Verslag bij de behandeling van het wetsvoorstel tot ‘Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het herstel van een lacune in de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen’ is in dit verband door de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin bij herhaling benadrukt dat de termijn van de maatregel niet loopt gedurende de proeftijd (de voorwaardelijke beëindiging) en dat de periode van voorwaardelijke beëindiging het einde van een gesloten plaatsing markeert.27

36. Indien de maatregel na twee jaar niet voorwaardelijk wordt beëindigd en dus wordt verlengd op de voet van art. 77t Sr, is blijkens het tweede lid verlenging mogelijk totdat de maximumduur van zeven jaar wordt bereikt. Maar ook dan geldt ten aanzien van het laatste jaar dat de tenuitvoerlegging ervan in voorwaardelijke vorm plaatsvindt en er, gezien art. 77tb Sr, in feite een proeftijd in het leven wordt geroepen nu de voorwaardelijke beëindiging in totaliteit ten hoogste twee jaar duurt - gedurende welke periode de termijn van de maatregel naar de bedoeling van de wetgever dus niet loopt, hetgeen ook uitdrukking heeft gevonden in art. 77s, zevende lid oud, thans achtste lid, onderdeel c Sr. Uit de wordingsgeschiedenis van art. 77s Sr volgt dat één en ander betekent dat de jeugdige veroordeelde hooguit zes jaar onafgebroken in de inrichting kan verblijven en dat één jaar ‘op de lat’ blijft staan voor het geval hij vanwege een niet gelukte nazorg zou moeten terugkeren in een gesloten setting.28

37. De periode van voorwaardelijke beëindiging kan worden verlengd tot maximaal twee jaar (art. 77tb, tweede lid, Sr), daarna eindigt de maatregel onvoorwaardelijk. De terugplaatsing in de inrichting kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging van hooguit een jaar niet overtreffen. Dit één en ander brengt mee dat wanneer de maatregel na zes jaar voorwaardelijk eindigt, een terugplaatsing voor de duur van het restant van de voorwaardelijke beëindiging geen ruimte meer openlaat voor een effectieve nazorg.

38. Het openbaar ministerie kan de vordering tot verlenging indienen niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, aldus het eerste lid van art. 77t Sr. Deze bepaling verklaart hier onder meer art. 509oa Sv van overeenkomstige toepassing. Daardoor is een verlengingsvordering die later dan een maand vóór het tijdstip waarop de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen door tijdsverloop zal eindigen, maar binnen een redelijke termijn is ingediend, niettemin ontvankelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de betrokkene, verlenging van de maatregel eist.29

39. Voor de directeur van de justitiële jeugdinrichting waar de jeugdige veroordeelde is geplaatst, bestaat op grond van het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 de verplichting een advies op te stellen uiterlijk drie maanden voordat de maatregel voorwaardelijk eindigt. Art. 14 van dit Besluit luidt:

“1. Uiterlijk drie maanden voordat de maatregel ingevolge artikel 77s, zesde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk eindigt, maakt de directeur van de inrichting binnen een maand te rekenen

vanaf voornoemd tijdstip een schriftelijk met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies op en zendt dit aan Onze Minister. Het advies betreft:

a. de wenselijkheid van de verlenging van de maatregel;

b. de termijn, waarover naar zijn mening, de verlenging zich zou moeten uitstrekken.

2. Bij het advies wordt een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de jeugdige overgelegd.

3. Indien in het geval, bedoeld in het eerste lid, de jeugdige op grond van een scholings- en trainingsprogramma of een voorwaardelijke beëindiging als bedoeld in artikel 77s, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, buiten de inrichting verblijft, voegt de directeur van de inrichting bij zijn advies tevens de beschouwingen van de jeugdreclassering dan wel de reclassering inzake de wenselijkheid van de verlenging van de maatregel.

4. Onze Minister zendt het advies met bijlagen aan het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd.

Als er sprake is van een verlengbare PIJ, dient er een gedragskundig advies overgelegd te worden aan de minister en aan het openbaar ministerie.”

40. Art. 502 Sv voorziet in de mogelijkheid hoger beroep in te stellen tegen de beslissing tot verlenging van de PIJ-maatregel30, en verklaart daarbij onder meer art. 509q Sv van overeenkomstige toepassing. Daaruit volgt mijns inziens dat de PIJ-maatregel doorloopt totdat op de vordering tot verlenging is beslist.31

41. Wordt de vordering tot verlenging uit hoofde van art. 77t Sr afgewezen, dan resteert nog een jaar voorwaardelijke beëindiging. In de praktijk kan dit jaar, denk ik, feitelijk een kortere periode betreffen, indien, gelijk de penitentiaire kamer heeft overwogen, de rechtbank of in beroep de penitentiaire kamer de vordering tot verlenging afwijst op een tijdstip dat gelegen is ná de einddatum van het - al dan niet eerder verlengde - onvoorwaardelijke deel van de PIJ-maatregel.

6 Enige opmerkingen in relatie tot de TBS/een vergelijking

42. Nu de penitentiaire kamer in haar overwegingen heeft verwezen naar de mogelijkheid van een voorwaardelijke beëindiging door de rechter in het kader van de TBS, wijs ik volledigheidshalve op het volgende.

43. Indien de PIJ-maatregel is verlengd tot de duur van zeven jaren, kan de rechter de maatregel omzetten in een TBS als bedoeld in art. 37a Sr, indien de veiligheid van de samenleving zulks vordert (art. 77tc Sr). De beslissing tot omzetting wordt genomen vóórdat de maatregel voorwaardelijk eindigt op de wijze als bedoeld in art. 77t, tweede lid, Sr, dan wel tijdens de voorwaardelijke beëindiging in de zin van art. 77tb, eerste en tweede lid, Sr. De omzetting is dus niet meer mogelijk wanneer de maximale duur van de PIJ-maatregel inmiddels is verstreken. Met de omzetting eindigt de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk, aldus het derde lid van art. 77tc Sr. Hetzelfde geldt voor het geval waarin ten aanzien van de veroordeelde een rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ is gegeven (art. 77tb, zesde lid, Sr). Ook met het oog op de mogelijkheid van deze omzetting, is het van belang te weten wat de maximale duur van de PIJ-maatregel nu precies is en hoe deze duur dient te worden berekend.

44. Bepaalt art. 77s Sr dat in de daar genoemde gevallen de termijn van de PIJ-maatregel niet loopt, art. 38g, eerste lid, Sr luidt met betrekking tot de verlenging van de maatregel van TBS dat enkel de verpleging van overheidswege voorwaardelijk kan worden beëindigd.32 De maatregel van TBS zelf blijft (na verlenging) doorlopen. De voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan telkens met één dan wel met twee jaar worden verlengd. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging bedraagt in de TBS-sfeer, na achtereenvolgende verlengingen, ten hoogste negen jaren (art. 38j, tweede lid, Sr).

7 De PIJ-maatregel: het verloop in de praktijk/enige rechtspraak

45. De tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel is uit verschillende fasen opgebouwd. Vanuit een gesloten setting wordt via begeleid, onbegeleid en planmatig verlof toegewerkt naar een verblijf buiten de justitiële jeugdinrichting. Door middel van een scholings- en trainingsprogramma (hierna: STP) bij een erkende STP-aanbieder, wordt de nazorg voorbereid, een traject waarvoor de directeur van de jeugdinrichting algemeen verantwoordelijk is (art. 3 Beginselenwet). Een STP geldt ingeval van een PIJ-maatregel voor de duur van zes maanden, met mogelijkheid tot verlenging, eventueel tot aan het einde van de PIJ-maatregel, aldus art. 19 van de Regeling verlof en STP jeugdigen van 1 april 2014. Art. 5 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rjj) bepaalt nader:

“1. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, neemt op zijn vroegst een aanvang:

a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de maatregel die maximaal drie jaren duurt;

b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of;

c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die maximaal zeven jaren duurt.

3. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.”

46. De jeugdreclassering is verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering van het programma. Zij begeleidt de betrokkene en houdt toezicht op het dagelijkse verloop (art. 10, tweede lid, Rjj). De inzet van de jeugdreclassering bij de voorwaardelijke beëindiging, is sinds de wetswijziging van 1 juli 2011 verplicht.33 Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden waaronder de PIJ-maatregel voorwaardelijk eindigt (art. 77ta Sr). Die voorwaarden moeten wel concreet zijn ingevuld om effectief toezicht te kunnen uitoefenen. De betrokken instanties zoals de jeugdzorg en de jeugdreclassering lichten het openbaar ministerie in over de wijze waarop de betrokkene zich aan de gestelde voorwaarden houdt. Zolang de jeugdige veroordeelde aan de voorwaarden voldoet, is gelet op het bepaalde in art. 77ta, derde lid, Sr een rechterlijke tussenkomst voor onvoorwaardelijke beëindiging niet noodzakelijk.

47. In de praktijk is gebleken dat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel onvoldoende is uitgewerkt in de veelheid van regelingen.34 Zo kan de rechter pas over de voorwaarden beslissen indien het onvoorwaardelijke deel van de PIJ-maatregel beëindigd is (dus eerst bij aanvang van de voorwaardelijke beëindiging). Omdat dit in de rechtspraktijk als onwenselijk wordt ervaren, zijn er noodoplossingen bedacht waarvan ik er twee noem. Het komt voor dat het openbaar ministerie de verlenging voor een korte periode vordert, deze vordering ter terechtzitting wijzigt in een vordering tot afwijzing van de vordering tot verlenging en daarnaast het stellen van bijzondere voorwaarden vordert.35 Er zijn ook uitspraken waarin de rechtbank afwijkt van het bepaalde van art. 77tb, derde lid, Sr – luidend dat “tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel” bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld – en het mogelijk acht om vóórdat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel aanvangt alvast bijzondere voorwaarden te stellen, die vervolgens van kracht worden vanaf het moment van aanvang van de voorwaardelijke beëindiging.36

8. De overwegingen van de rechtbank respectievelijk van de penitentiaire kamer van het Hof

48. Op 30 maart 2015 heeft de rechtbank Den Haag de termijn van de PIJ-maatregel verlengd met 12 maanden op grond van de volgende overwegingen:

Beoordeling van de vordering.

De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd terzake van een poging tot een gewapende overval op een snackbar, gekwalificeerd als een poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, in vereniging gepleegd en poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen, derhalve misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht door het advies, de daarbij overgelegde aantekeningen en het verhandelde in raadkamer.

De rechtbank overweegt dat de veroordeelde de afgelopen periode weliswaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar dat hij het voor hem uitgestippelde traject nog niet volledig heeft doorlopen. Het recidiverisico wordt nog altijd als matig ingeschat. Naast een nieuwe verdenking van het plegen van een strafbaar feit, heeft de veroordeelde het afgelopen jaar de met hem afgesproken voorwaarden voor verlof overtreden doordat hij niet steeds op het afgesproken verlofadres verbleef. Voorts stelt de rechtbank vast dat er nog behandeldoelen moeten worden behaald. Voortzetting van MDFT, Brains4Use en cognitieve therapie zijn nog nodig. Het is in het belang van een goede toekomst van de veroordeelde en ter verlaging van de kans op herhaling dat de veroordeelde bij Visie-R gaat werken aan een opleiding en een baan. Middels de begeleiding die hem in het kader van de PIJ-maatregel – met name de STP-fase – zal worden geboden, kan de veroordeelde worden geleid naar een startkwalificatie en dus naar een zinvolle dagbesteding. Op basis van het besproken rapport en hetgeen door drs. Vroomen nar voren is gebracht, acht de rechtbank het onaannemelijk dat de veroordeelde thans in staat is om enkel met behulp van de reclassering naar zelfstandigheid, een opleiding en een baan toe te werken. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de veroordeelde het hem geboden traject als een kans ervaart om te werken aan een goede toekomst. Indien hij goed meewerkt en zich gemotiveerd toont, is de verwachting dat hij over een half jaar in het kader van de STP bij zijn moeder kan gaan wonen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eisen en dat verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de termijn van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twaalf maanden dient te worden verlengd.”

49. De beslissing in beroep van de penitentiaire kamer houdt het volgende in:

“Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen met een termijn van twaalf maanden. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.

Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 77t, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof alsnog vast dat behoudens verdere verlenging de maatregel, die is ingegaan op 23 maart 2012, op 23 maart 2017 onvoorwaardelijk zal eindigen.

Aangezien de jeugdige nog geen begin heeft gemaakt met zijn STP acht het hof het, nu - behoudens verdere verlenging - de voorwaardelijke beëindiging per 23 maart 2016 zal ingaan, van groot belang dat daarmee zo spoedig mogelijk een aanvang zal worden gemaakt.

Aanvang voorwaardelijke beëindiging van de maatregel en einde van de maatregel

Het hof ziet aanleiding in te gaan op de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, zoals deze is ingevoerd met de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818).

Ingevolge artikel 77s, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht geldt de maatregel voor drie jaar en eindigt deze na twee jaar voorwaardelijk, tenzij deze wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 77t, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht kan het openbaar ministerie niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, een vordering tot verlenging van de maatregel indienen. Na de initiële oplegging is dat derhalve voor het einde van het tweede jaar. Als de rechter op grond van die vordering de maatregel verlengt, schuift het moment waarop de voorwaardelijke beëindiging ingaat op met de termijn van de verlenging (en zo voorts). Ingevolge artikel 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht eindigt de maatregel echter hoe dan ook voorwaardelijk aan het einde van het vierde jaar (totale duur maximaal vijf jaar) tenzij bij de jeugdige tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijk stoornis van de geestvermogens bestond, in welk geval de maatregel hoe dan ook voorwaardelijk eindigt aan het einde van het zesde jaar (totale duur maximaal zeven jaar).

Anders dan de deskundigen ter zitting veronderstelden, naar hun zeggen in navolging van het standpunt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, is de maatregel dus ook tijdens de voorwaardelijke beëindiging van kracht, zij het dat aan het onvoorwaardelijke deel een einde is gekomen. De bepaling van artikel 77s, achtste lid onder c, van het Wetboek van Strafrecht leest het hof ook in die zin.

De regeling van de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan - anders dan een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de terbeschikkingstelling - tot gevolg hebben dat de voorwaardelijke beëindiging met terugwerkende kracht ingaat. Dit kan zich met name voordoen als de rechtbank de vordering tot verlenging afwijst, terwijl deze beslissing na de einddatum van het - al dan niet eerder verlengde - onvoorwaardelijke deel wordt gegeven, en als dit hof in beroep de vordering tot verlenging alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst dan de rechtbank heeft gedaan. Het is daarom gewenst dat de inrichtingen en de reclassering hiermee bij hun advisering rekening houden en daarop in daarvoor in aanmerking komende gevallen anticiperen door een alternatief scenario te schetsen. Het is tevens gewenst dat het openbaar ministerie hierop anticipeert door in een vroegtijdig stadium hierover in contact te treden met de inrichting en de reclassering.

Het hof merkt op dat de wetgever met de invoering van de voorwaardelijke beëindiging die van rechtswege ingaat, heeft gekozen voor een regeling die in de praktijk tot complicaties kan leiden die niet in het belang zijn van de jeugdige, en die zich niet zouden voordoen bij een voorwaardelijke beëindiging door de rechter, zoals bij de terbeschikkingstelling.”

50. Het Hof interpreteert art. 77s, zevende lid onder c oud, thans achtste lid, Sr aldus dat de PIJ-maatregel ook tijdens de voorwaardelijke beëindiging van kracht is, zij het dat aan het onvoorwaardelijke deel een einde is gekomen. Naar mijn mening eindigt de maatregel echter - indien een vordering tot verlenging uitblijft - van rechtswege voorwaardelijk na ommekomst van de periode van respectievelijk twee, vier en zes jaar en eindigt deze van rechtswege onvoorwaardelijk na afloop van de daaropvolgende periode van voorwaardelijke beëindiging van een jaar indien de jeugdige veroordeelde gedurende die periode de hem betreffende voorwaarden naleeft, en loopt de termijn van de maatregel niet wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd, zoals art. 77s zevende lid onder c oud, thans achtste lid, Sr in zoveel woorden bepaalt.

9 Vraagstelling aan de Hoge Raad

51. De (andersluidende) opvatting van de penitentiaire kamer en de consequenties daarvan leiden voor de rechtspraktijk tot onduidelijkheid over de precieze looptijd alsmede over de maximale duur van de PIJ-maatregel. Ik meen dat het oordeel van de penitentiaire kamer in dat verband niet juist is en dat het - met het oog op de situatie die is ontstaan na de wetswijzigingen van 1 juli 2011 (Stb. 818) en 1 juli 2012 (Stb. 155) onderscheidenlijk na de wetswijziging van 1 april 2014 (Stb. 485) en het belang voor de praktijk bij het verkrijgen van duidelijkheid daarover - gerechtvaardigd is de volgende (rechts)vragen aan de Hoge Raad voor te leggen:

- wat is de totale duur van de PIJ-maatregel?;

- in welk geval loopt (de termijn van) de PIJ-maatregel wel en in welk geval niet, zulks meer bepaald in het licht van art. 77s, zevende lid aanhef en onder c oud, thans achtste lid, Sr?;

- omvat de totale duur van de PIJ-maatregel ook de voorwaardelijke beëindiging en de nazorgfase, en zo ja op welke wijze?

- kan de voorwaardelijke beëindiging van rechtswege, met terugwerkende kracht ingaan en, zo ja, wanneer en tot aan welk moment?;

- op welk tijdstip kan de rechter bijzondere voorwaarden stellen, of anders geformuleerd: kan de rechter omtrent de bijzondere voorwaarden al beslissen voorafgaand aan en anticiperend op de aanvang van de voorwaardelijke beëindiging (de proeftijd)?

10 Het middel van cassatie

52. Onder verwijzing naar hetgeen ik hierboven heb uiteengezet stel ik in het belang der wet het navolgende middel van cassatie voor.

53. Schending althans verkeerde toepassing van het recht doordat de penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, met betrekking tot de jeugdige veroordeelde, de beslissing van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2015 met aanvulling van onjuiste gronden heeft bevestigd, nu naar luid van de wettekst de termijn van de PIJ-maatregel niet loopt wanneer deze maatregel op de bedoelde wijze voorwaardelijk is geëindigd. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder ten aanzien van art. 77s, zevende lid onder c oud, thans achtste lid, Sr.

11 Afsluiting

54. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beslissing van de penitentiaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 oktober 2015 in het belang der wet zal vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHARL:2015:7390.

2 Blijkens het extract vonnis zou het gaan om een PIJ-maatregel voor de duur van twee jaar. Ingevolge art. 77s, zesde lid oud, Sr geldt de maatregel voor een termijn van drie jaar en eindigt deze na twee jaar van rechtswege voorwaardelijk, behoudens verlenging als bedoeld in art. 77t Sr.

3 Zie: A.D.W. de Vries & F.J.G. van Tricht, Geschiedenis der wetgeving op de misdadige jeugd, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink en Zoon, 1905; G. Delfos en J.E. Doek, Kinderrecht, Strafrechtelijk deel, Tjeenk Willink: Zwolle, 1977, p. 20 e.v.; en Jolande uit Beijerse, Jeugdstrafrecht, Beginselen, wetgeving en praktijk, Maklu: Apeldoorn/Antwerpen, 2013, p. 198 e.v.

4 W.H.A. Jonkers e.a., Het penitentiair recht, XIX, p. 6-8 (suppl. 26).

5 Rapport van de Commissie ingesteld met het doel van advies te dienen over de vraag in welke richting het Rijkstucht- en opvoedingswezen en in verband daarmede het kinderstrafrecht zich zullen moeten ontwikkelen, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, 1951.

6 In dezelfde zin de op het rapport steunende Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1955/56, 4141, p. 14.

7 Vgl. Kamerstukken II 1991/92, 21 327, nr. 6, p. 5: het is juist dit element dat het jeugdstrafrecht zijn bijzondere rechtvaardiging, zo men wil de rechtsgrond, verleent. Zie voorts Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij Titel VIIIA Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (bewerkt door prof. mr. J.W. Fokkens) en I. Weijers & T. Liefaard, ‘Jong vast – 1995 tot 2005. Vrijheidsbeneming in het Nederlandse jeugdstrafrecht – deel 1 en deel 2’, Proces 2007a (4) en 2007b (5), p. 173-181 en 203-212.

8 M.J.M. Verpalen in Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 1 bij art. 77s Sr, Kluwer: Deventer, 2014, p. 749. In dezelfde zin: M.R. Bruning e.a., Wegwijs in het jeugdsanctierecht, Onderzoek naar het juridisch kader voor de zwaarste jeugdsancties in theorie en praktijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2011, p. 21-22.

9 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 3, p. 10, in navolging van de Commissie Anneveldt, Sanctierecht voor jeugdigen. Rapport van de commissie voor de herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, Den Haag: Staatsuitgeverij, 1982, p. 34-37. Zie ook J. uit Beijerse, a.w., p. 203 en Bruning e.a., t.a.p., p. 21.

10 Waaronder een ernstige ontwikkelingsachterstand kan worden begrepen. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 38.

11 Zie hierover onder meer: E. Groenendaal en W. Rutgers van Rozenburg, ‘De PIJ-maatregel, wondermiddel of ultimum remedium? Over gesignaleerde problemen bij verlenging van de PIJ, en een mogelijke oplossing’, FJR 2005, 23. Zie over de praktijk van het opleggen van de PIJ-maatregel onder meer: Paul Vlaardingerbroek, ‘De rechter en de PIJ’, TREMA oktober 2007/2, p. 18 t/m 25.

12 Wet van 2 november 2000, Stb. 2000, 481.

13 Kamerstukken II 1997/98, 26 016, nr. 3, p. 3-4.

14 Zie ook de ‘Wet van 5 april 2012 tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het herstel van een lacune in de regeling van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen’ (Reparatiewet; Stb. 2012, 155). Wat betreft de in 2011 doorgevoerde wijzigingen aangaande de PIJ-maatregel verwijs ik naar onder meer: J. Legemate e.a., Thematische wetsevaluatie, gedwongen zorg, Den Haag: ZonMw, 2014; en R. el Hessaini, ‘Actualiteiten jeugdstrafrecht: wet- en regelgeving in 2011 en 2012’, FJR 2013/5.

15 Art. 77s, zevende lid onderdeel c oud, Sr is met terugwerkende kracht aangepast bij de Reparatiewet van 5 april 2012 (Stb. 2012, 155).

16 Besluit van 15 juni 2011, Stb. 2011, 296. Zie omtrent die verbeteringen nader de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2008/09, 31 915, nr. 3, p. 1-2.

17 Zie het wetsvoorstel ‘herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen’, Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 2.

18 Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 2, p. 65.

19 Hof Arnhem (penitentiaire kamer) 19 november 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB9633, NJFS 2008/47.

20 Kamerstukken II 2008/09, 31 915, nr. 3, p. 25-26.

21 Kamerstukken II 2008/09, 31 915, nr. 3, p. 27-28.

22 Kamerstukken II 2009/10, 31 915, nr. 9, p. 3.

23 Kamerstukken I 2009/10, 31 915, C, p. 10-11.

24 Kamerstukken I 2009/10, 31 915, C, p. 18.

25 Kamerstukken II 2010/11, 33 008, nr. 3, p. 1.

26 Kamerstukken II 2011/12, 33 008, nr. 7, p. 2-3.

27 Kamerstukken II 2011/2012, 33 008, nr. 6, p. 2 en 3.

28 Kamerstukken II 2009/2010, 31 915, nr. 9, p. 4. Zie voorts Verpalen in Tekst & Commentaar Strafrecht, aant. 5 bij art. 77t Sr en diens verwijzing naar Hof Arnhem 19 november 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB9633, NJFS 2008/47.

29 Een voorbeeld waarin het openbaar ministerie ontvankelijk werd verklaard is Hof Arnhem 12 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9418.

30 Ingevoerd op 1 juli 2005 bij de Wet van 7 april 2005, Stb. 2005, 194.

31 Vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25 836, nr. 3, p. 92: “Thans worden in artikel 502, tweede volzin, Sv alleen de artikelen 509v tot en met 509x Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel de verwijzing naar artikel 509w al met zich meebrengt dat de desbetreffende maatregel voortduurt nadat de vordering tot verlenging is afgewezen, wordt dit door ook artikel 509q uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren volledig buiten twijfel gesteld.”

32 Art. 38h Sr maakt dit in een bepaald geval ook mogelijk buiten de verlengingsprocedure om.

33 Opgemerkt zij dat sinds de invoering van de Jeugdwet 2015 (1 januari 2015) de gemeenten verantwoordelijk zijn voor alle vormen van jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, derhalve ook in het kader van de nazorg. Zie daarover Ad de Beer, ‘Het einde van de PIJ’, Proces 2015 (94)04, p. 259-260.

34 Zie over deze problematiek: Ad de Beer, t.a.p., p. 257-270.

35 Voorbeelden zijn de volgende beschikkingen: Rb. Rotterdam 19 mei 2015, parketnummer 10/700593-12 (niet gepubliceerd), Rb. Rotterdam 24 juli 2015, parketnummer 10/651010-13 (niet gepubliceerd) en Rb. Rotterdam 6 augustus 2015, parketnummer 10/691065-11 (niet gepubliceerd).

36 Zo Rb. Den Haag 13 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9854, NJFS 2015/207 en Rb. Amsterdam 25 augustus 2015, parketnummer 13/660232-12, 13/651462-11, 23/000816-13 (niet gepubliceerd).