Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:549

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
15/03649
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1341, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wettelijke rente vordering benadeelde partij. AG: uit het voegingsformulier noch uit de pv’s van de terechtzittingen blijkt dat de benadeelde partij de wettelijke rente heeft gevorderd. Geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat het hof het toegewezen bedrag heeft vermeerderd met de wettelijke rente omdat vernietiging daarvan de verplichting voor de verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat in stand laat. HR: 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03649

Zitting: 7 juni 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 29 juli 2015 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2014 bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij dat vonnis was de verdachte - met vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde - wegens 1. "diefstal", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur1 in totaal drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [betrokkene] toegewezen bedrag aan materiele schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente.

3.2.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 340. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 60. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd tot een bedrag van € 60.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 52,50. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige - met betrekking tot de vervangingskosten voor de bankpas ter zake waarvan de vordering inhoudt dat deze € 15 bedragen - heeft de verdediging de vordering gemotiveerd deels weersproken en betoogd dat deze kosten maximaal € 7,50 bedragen. Nu de vordering door de benadeelde partij in zoverre niet (nader) is onderbouwd, zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 52,50 (tweeënvijftig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat die in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd R.l. [betrokkene], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 52,50 (tweeënvijftig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot, betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

3.3.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een voegingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene] d.d. 15 september 2014, ingekomen bij de rechtbank op 16 september 2014. Nu uit dit voegingsformulier noch uit de processen-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de benadeelde partij de wettelijke rente over het gevorderde bedrag heeft gevorderd, had het hof het toegewezen bedrag niet mogen vermeerderen met de wettelijke rente.2 Daarbij zij opgemerkt dat de omstandigheid dat een benadeelde partij niet heeft gevorderd dat de wettelijke rente wordt vergoed, er echter niet aan in de weg staat dat het hof, zoals in casu het geval is, heeft geoordeeld dat de verdachte in het kader van de op de voet van art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichting (schadevergoedingsmaatregel) wettelijke rente verschuldigd was.3

3.4.

Het hof heeft ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag als de toegewezen vordering en daarbij bepaald dat het bedrag van de betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente. Nu een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof dat de wettelijke rente betaald moet worden over het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag, de verplichting voor de verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat in stand laat, betekent dit dat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht.4

3.5.

Het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring. Daartoe wordt gesteld dat het hof de verklaring van de getuige [getuige] voor de bewezenverklaring redengevend heeft geacht, met name op het punt inhoudende dat aangever [betrokkene] direct na de schermutseling tegen haar zei dat het zijn spullen waren en dat hij vervolgens de achtervolging inzette. Echter, nu de gebezigde bewijsmiddelen - ook niet de voor het bewijs gebezigde verklaring van getuige [getuige] - ten aanzien van het inzetten van een achtervolging door [betrokkene] niets inhouden, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aldus de steller van het middel.

4.2.

Het middel gaat uit van een verkeerde lezing van de betreffende overweging van het hof. Met de in het middel bedoelde omstandigheid heeft het hof in het kader van de verwerping van een gevoerd verweer ten aanzien van art. 342 lid 2 Sv slechts tot uitdrukking willen brengen dat en op welke wijze de verklaring van de getuige [getuige] het verhaal van [betrokkene] ondersteunt. Aldus heeft het hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, deze omstandigheid niet redengevend geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde diefstal. De bewezenverklaring is zonder meer toereikend gemotiveerd.

4.3.

Het middel is evident kansloos voorgesteld.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel behelst de klacht dat bewezenverklaring5 ontoereikend is gemotiveerd, omdat de betrokkenheid van de verdachte enkel uit de verklaring van aangever [betrokkene] volgt. Bij gebrek aan (voldoende) steun hiervoor in de verklaring van de getuige [getuige] zou niet voldaan zijn aan de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv.

5.2.

Het hof heeft ter verwerping van een ter terechtzitting gevoerd verweer aangaande art. 342 lid 2 Sv gemotiveerd en niet onbegrijpelijk aangegeven dat het de verklaring van de aangever, met name op het punt dat de door de verdachte weggenomen spullen aan hem toebehoorden, betrouwbaar acht en dat die verklaring voldoende steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige]. Gezien de bewijsconstructie bevestigt [getuige], zoals [betrokkene] heeft verklaard, dat er een confrontatie was tussen [betrokkene] en de verdachte, dat er over en weer werd geduwd en getrokken, dat er spullen, waaronder een mobiele telefoon en pasjes op de grond vielen, dat de verdachte er met de spullen vandoor is gegaan en dat zij [betrokkene] hoorde zeggen dat het zijn spullen waren. Voorts heeft het hof ook in aanmerking genomen de omstandigheid dat het borstzakje van het shirt van [betrokkene] was gescheurd, zoals door [getuige] is verklaard, en het feit dat de verdachte plotseling is vertrokken. Het hof heeft uitdrukkelijk de verklaringen van de verdachte - die betoogt dat de spullen zijn eigendom zijn - als onaannemelijk terzijde gesteld.

5.3.

Als ik het goed begrijp valt de steller van het middel in cassatie met name over de vaststelling van het hof dat de door de verdachte weggenomen goederen toebehoren aan de aangever [betrokkene].6 In zoverre miskent de steller van het middel het uitgangspunt dat het hof vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Tevens wordt hierbij uit het oog verloren dat het voorschrift van art. 342 lid 2 Sv betrekking heeft op de bewezenverklaring in haar geheel; uit voornoemde bepaling volgt geenszins dat de bewezenverklaarde eigendom van de weggenomen spullen niet kan berusten op één bewijsmiddel.

5.4.

Het vorenstaande brengt mee dat de bewezenverklaring toereikend en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd. Van schending van art. 342 lid 2 Sv is geen sprake. Ook dit middel kan duidelijk geen doel treffen.

6. Alle drie de middelen zijn kansloos voorgesteld en rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Mr. Van de Bergh heeft tijdig zijn schriftuur aangevuld met een derde middel.

2 Vgl. o.m. HR 11 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262, NJ 2000/217, HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:707, rov. 3.2, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303, rov. 2.3, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547.

3 Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, rov. 2.4.

4 Vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362, rov. 2.7 en de conclusie van mijn ambtgenoot AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2016:225) vóór HR 2 februari 2016, nr. 14/02944 (niet gepubliceerd; HR: art. 80a RO).

5 In de aanvullende schriftuur is vermeld ‘bewezenverklaarde feit 5’. Aangezien het in de onderhavige zaak slechts om één feit gaat (feit 1) neem ik aan dat de steller van het middel hier kennelijk een schrijffout heeft gemaakt.

6 Zie de laatste alinea op pag. 3 van de aanvullende schriftuur.