Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:544

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-04-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15/01891
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1333, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep op n-o OM, art. 69 AWR. Het feit dat de verdachte over het jaar 2002 geen aangifte heeft gedaan, kan op zichzelf onder de delictsomschrijving van art. 69.1 (oud) AWR worden gebracht. Geen samenloop ex art. 69.4 (oud) AWR: het indienen van een bezwaarschrift met gebruikmaking van een (al dan niet) onjuist/onvolledig ingevulde aangiftebiljet, is immers niet een feit dat valt onder 69.1 (oud) AWR. Vervolging had evenmin kunnen plaatsvinden op grond van art. 69.1 (oud) AWR i.v.m. art. 68.2.a. (oud), AWR had kunnen plaatsvinden. De delictsomschrijving ex art. 69.1 (oud) AWR ziet op het onjuist aan de inspecteur verstrekken van de in art. 68.2.a AWR bedoelde inlichtingen, gegevens en aanwijzingen door degene die daartoe "desgevraagd" ingevolge art. 47.1 AWR verplicht is. Die omstandigheid doet zich hier niet voor. CAG anders. Samenhang met 15/01890.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01891

Zitting: 26 april 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 maart 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1.“witwassen, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en 3. “valsheid in geschrift” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak met rolnummer 15/01890P. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Blijkens de daarvan opgemaakte akte van 11 november 2015 is het cassatieberoep niet gericht tegen “de beslissing van het Hof tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde witwassen van onroerend goed op Ibiza”. Ik meen dat aan deze beperking moet worden voorbijgegaan, gelet op HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610 en HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:406.1

4. Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

5. Het eerste middel keert zich - op grond van de inkeerbepaling van art. 69, derde lid, AWR - met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot feit 2.

6. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

3.3 Met betrekking tot feit 2: Beroep op inkeer

De verdachte heeft erkend dat hij over de periode van de maand juni 2003 tot en met de maand september 2007 onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, maar heeft daarbij een beroep gedaan op de zogenoemde ‘inkeerbepaling’ van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), als gevolg waarvan aan het openbaar ministerie geen recht op strafvervolging meer zou toekomen.

Artikel 69, lid 3 AWR luidt:

Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op die bepaling kan worden gedaan, is niet alleen beslissend of de belastingplichtige - subjectief gezien - ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte wist dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar ook of hij - objectief gezien - op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend zouden raken (vgl. HR 2 mei 2001, LJN AB1375, BNB 2001/319).

Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld op welk moment voor verdachte de wetenschap moet zijn ontstaan dat er door de belastingdienst een onderzoek werd ingesteld naar de door verdachte ingediende belastingaangiften, dan wel een vermoeden ontstond dat zodanig onderzoek ingesteld zou gaan worden. Hierbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

a. Op vrijdag 12 oktober 2007 hebben er in de woning aan de [a-straat 1] te Driel en op het bedrijfsadres van [A] BV aan [b-straat 1] te Arnhem doorzoekingen plaatsgevonden conform artikel 110 van het wetboek van Strafvordering.

In de machtigingen tot de doorzoeking is vermeld, dat de doorzoekingen plaatsvonden onder meer op basis van onderzoek naar het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften (artikel 69 AWR). Bij deze huiszoeking zijn onder meer schriftelijke bescheiden gevonden die verwijzen naar de Volksbank Emmerich-Rees.

b. Na de uitvoering van het rechtshulpverzoek door de Duitse autoriteiten bij de Volksbank Emmerich-Rees, is de zoon van [verdachte], [betrokkene 1], tijdens zijn gevangenhouding op 28 februari 2008 gehoord over zijn banktegoeden in Duitsland. Na de schorsing van de gevangenhouding van [betrokkene 1], zijn [betrokkene 1] en verdachte “verhaal gaan halen” bij de Volksbank te Emmerich.

c. Voorts is bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek beslag gelegd op de tegoeden van [verdachte] in Luxemburg. Hiervan is [verdachte] per brief op 25 juni 2008 op de hoogte gesteld door KBL European Private Bankers. Door de raadsman van [verdachte] zijn hierover, voordat door mr. Caljé de brief aan de Belastingdienst is gezonden, vragen gesteld aan de officier van justitie.

d. Bij brief van 26 augustus 2008 geeft mr. P.A. Caljé van kantoor Siekman & Stassen advocaten en belastingadviseurs namens verdachte te kennen, dat verdachte alsnog zijn banktegoeden in Duitsland en Luxemburg wil verantwoorden en de daarover verschuldigde belasting wil voldoen. Mr. Caljé verzoekt de Belastingdienst de brief te zien als een verbeterde aangifte in de zin van artikel 69 lid 3 AWR.

Gelet op het bovenstaande onder a. tot en met c. kan gesteld worden dat verdachte al voor 26 augustus 2008 op de hoogte was of moest zijn van een (aanstaand) onderzoek door de Belastingdienst naar de onjuistheid van zijn aangiften inkomstenbelasting. Zijn inkeer is daarom tardief. Het hof laat daarbij nog in het midden of het enkel doen van een mededeling omtrent het aanhouden van tegoeden in het buitenland, welke de Belastingdienst niet bekend zijn, heeft te gelden als het doen van inkeer.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat een onrechtmatige doorzoeking maakt dat verdachte niet verweten kan worden dat hij door deze doorzoeking wetenschap zou hebben verkregen van een mogelijk onderzoek door de fiscus naar zijn belastingaangiften, vindt dit standpunt geen steun in het recht.

Het verweer wordt verworpen. Het OM is daarom ontvankelijk in de vervolging van feit 2.”

7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de overweging van het hof in de slotalinea (zoals hierboven weergegeven) van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat de verwerping van het bedoelde verweer niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, nu sprake is van een “(onrechtmatige) doorzoeking [die] niet aan rekwirant kan worden tegengeworpen bij een door of namens hem gedaan beroep op de inkeerbepaling van art. 69 lid 3 AWR”.

8. Art. 69, derde lid, AWR luidt:

“3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.”

9. Ik stel voorop dat het hof de doorzoeking rechtmatig heeft geacht, zodat de vraag of een onrechtmatigheid aan een doorzoeking met zich brengt dat niet gezegd kan worden dat een schuldige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een onjuistheid of onvolledigheid bij een belastingambtenaar bekend is of bekend zal worden, in de onderhavige zaak geen beantwoording behoeft. Het hof heeft immers overwogen:

“3.2.4 Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking

Ten aanzien van het beoordelen van de beslissingen van de rechter-commissaris is het hof slechts een marginale toets voorbehouden.

Het onderzoek naar onder meer verdachte is gestart op grond van een verdenking van grootschalige handel in hennep. Tijdens het verdere onderzoek is die verdenking ten aanzien van deze verdachte niet geconcretiseerd. Wel rezen tijdens het onderzoek andere verdenkingen tegen verdachte. Dat deze verdenkingen door de politie zijn gecreëerd, zoals de verdediging stelt, is door de verdediging niet onderbouwd, en ook overigens niet aannemelijk geworden.

De rechter-commissaris kon op grond van voormelde verdenking en de onderbouwing daarvan in het proces-verbaal d.d. 9 oktober 2007 behorende bij de vordering doorzoeking, in redelijkheid komen tot zijn beslissing een machtiging tot doorzoeking af te geven. Dat bij de aanvraag doorzoeking niet gearchiveerde tapverslagen zijn gebruikt om de verdenking tegen verdachte te staven, doet hieraan niet af. Van enige onrechtmatigheid ten aanzien van de tap (voor zover er al sprake zou zijn geweest van enige onrechtmatigheid) kon de rechter-commissaris destijds niet op de hoogte zijn. Ook dit verweer wordt verworpen.”

10. Overigens merk ik op dat de in het eerste middel bestreden overweging van het hof in de bovengenoemde slotalinea naar het mij voorkomt juist is.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel richt zich – op grond van art. 69, vierde lid, AWR - met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot feit 3 (valsheid in geschrift).

13. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“3.4 Met betrekking tot feit 3

De raadsman heeft voor de niet-ontvankelijkheid van het OM aangevoerd dat op grond van art. 69, vierde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) strafvervolging op grond van art. 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten indien het feit ook valt onder het bereik van art. 69, eerste of tweede lid AWR.

Het hof verwerpt dit verweer. Over het jaar 2002 is door de belastingdienst, nadat verdachte in gebreke was gebleven een aangifte in te dienen, een ambtshalve aanslag opgelegd. Als reactie hierop is namens verdachte door Flex Account bezwaar aangetekend en is alsnog een aangiftebiljet ingediend.

Artikel 9 AWR bepaalt op welke wijze en binnen welke termijnen een aangifte moet worden gedaan. Is eenmaal een belastingaanslag opgelegd dan wordt een nadien doch binnen de wettelijke termijn voor bezwaar ingekomen aangiftebiljet aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag. Een na aanslagoplegging ingediend aangiftebiljet kan daarom niet meer gelden als een (tijdige) aangifte als bedoeld in de wet. Derhalve is het namens verdachte later opgestelde aangiftebiljet geen aangifte als voorzien bij hoofdstuk II AWR en is de uitzondering van artikel 69, lid 4 AWR niet van toepassing.

Het OM is daarom ontvankelijk in de vervolging van feit 3.”

14. De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde bepalingen uit de AWR luiden:

“Artikel 9 1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. 2. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. Hij kan aan de verlenging voorwaarden verbinden, onder meer dat vóór een door hem te bepalen datum op bij ministeriële regeling te bepalen wijze gegevens voor het opleggen van een voorlopige aanslag worden verstrekt. 3. De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.

(…)

Artikel 69

1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet (…), wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

(…)

4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.”

15. Het hof heeft geoordeeld dat namens de verdachte door Flex Account alsnog een aangiftebiljet is ingediend. Het hof heeft tevens geoordeeld dat op basis van art. 9 AWR een na een ambtshalve aanslag binnengekomen aangiftebiljet geen aangiftebiljet is, maar moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift.

De conclusie die ik daaruit trek is dat door of namens de verdachte géén aangifte is gedaan. Dat betekent mijns inziens dat vervolging op basis van art. 69, eerste lid, AWR openstaat. Daarin wordt immers onder meer strafbaar gesteld het niet doen van een aangifte. Voorts zij nog opgemerkt dat het hof in de aanvulling op het arrest in bewijsmiddel 3 heeft vastgesteld dat de aangifte inkomstenbelasting 2002 niet tijdig is gedaan en dat dit naar de letter genomen niet overeenstemt met de overweging van het hof dat de verdachte gezegd kan worden geen aangifte over het jaar 2002 te hebben gedaan.

16. Het oordeel van het hof dat de uitzondering van art. 69, vierde lid, AWR niet van toepassing is, getuigt daarom van een te beperkte en dus onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet begrijpelijk.

17. Het tweede middel is terecht voorgesteld.

18. Ik heb mij afgevraagd of dat in het onderhavige geval tot cassatie dient te leiden. Feit 3 betreft op zichzelf bezien alléén de aangifte inkomstenbelasting 2002. Kan nu worden aangenomen dat dit feit in het licht van de aard en ernst van de andere bewezenverklaarde feiten én de strafmotivering geen gevolgen heeft gehad voor de strafoplegging? Ik meen van niet. Onder het hoofd “10. Oplegging van straf en/of maatregel heeft het hof onder meer overwogen:

“Verdachte heeft zich meermalen, gedurende een jarenlange periode, schuldig gemaakt aan belastingfraude. Het hof rekent de verdachte aan dat hij geen enkele intentie heeft gehad om op een juiste wijze aangifte te doen. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin laten prevaleren en daardoor de fiscus voor ruim € 800.000 benadeeld. (…). Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming.“

19. Indien de Hoge Raad mijn standpunt niet volgt en zou oordelen dat op dit punt voor de verdachte belang bij cassatie ontbreekt, kan hij om doelmatigheidsredenen de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3.2

20. Het derde en het vierde middel klagen over de verwerping van in hoger beroep gevoerde verweren met betrekking tot feit 1 en over de bewezenverklaring van dat feit. Het derde middel spitst de klacht toe op het bewezenverklaarde zinsdeel dat de geldbedragen afkomstig waren “uit enig misdrijf”, het vierde middel ziet op het andere bewezenverklaarde zinsdeel dat de verdachte met betrekking tot alle in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde bedragen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van de bedoelde geldbedragen niet zonder nadere toelichting (die ontbreekt) gekwalificeerd kunnen worden als witwassen. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

21. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

hij op tijdstippen in de periode van de maand januari 2002 tot en met de maand november 2008 in Nederland, en te Emmerich am Rhein in Duitsland, en in Luxemburg en op Ibiza in Spanje, telkens van voorwerpen, te weten:

- geldbedragen (-contante- stortingen op bankrekeningen van een Duitse bank (Volksbank Emmerich-Rees), te weten in totaal 55.737,65 euro in 2002 en in totaal 736.050 euro in 2004 en een -contante- storting op een rekening van Basler Versicherungen/Basler Leben Luxemburg A.G. te Luxemburg van in totaal 504.000 euro in 2007 en een -contante- geldopname van een Duitse bankrekening van in totaal 430.000 euro in 2002) en

- een geldbedrag/banksaldo van in totaal 1.233.081,41 euro (te weten: een verzekeringspolis met nr [001] bij de Baloise Assurances met een tegoed ter waarde van 548.683,06 euro; een rekening met nr [002] bij de Kredietbank Luxembourg SA ter waarde van 68,57 euro; een rekening met nr [003] bij de WGZ Bank Luxembourg SA met een tegoed ter waarde van 684.329,78 euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,

terwijl hij telkens wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en die voorwerpen telkens heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij telkens wist, dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

22. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde in:

Storting gelden

Naar het oordeel van het hof kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

- In 2002 heeft verdachte in totaal een contant bedrag van € 55.737,65 gestort op een rekening bij de Volksbank Emmerich-Rees in Emmerich. In 2004 heeft verdachte op diezelfde rekening een bedrag van € 736.050,- gestort;

- In 2007 heeft verdachte een contante storting gedaan van een bedrag van € 504.000,- op een rekening van Basler Versicherungen/Basler Leben Luxemburg A.G. in Luxemburg;

- In 2002 heeft verdachte een contant bedrag van € 430.000,- opgenomen van een Duitse bankrekening;

- In dezelfde periode bezat verdachte een verzekeringspolis met nr. [001] bij de Baloise Assurances met een tegoed ter waarde van € 548.683,06, een rekening met nr. [002] bij de Kredietbank Luxembourg SA ter waarde van € 68,57 en een rekening met nr. [003] bij de WGZ Bank Luxembourg SA met een tegoed ter waarde van € 684.329,78.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat feit 1 partieel niet wettig overtuigend bewezen kan worden.

De in de tenlastelegging genoemde bedragen zijn afkomstig van gelden die verdachte van zijn vader geschonken heeft gekregen alsmede van de verkoop van een grote hoeveelheid tin die hij ook van zijn vader geschonken heeft gekregen. Deze verworven bedragen heeft verdachte weliswaar verzuimd op te geven voor de inkomstenbelasting en ook zijn er geen schenkingsrechten over die bedragen betaald en verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan overtredingen van artikel 69 AWR, maar hij bestrijdt, gegrond op feiten en omstandigheden als in de pleitnota weergegeven, dat hij (voor het meerdere) deze gelden heeft witgewassen.

Beoordeling van het hof

Ten aanzien van de herkomst van de geldbedragen.

De politie heeft familieleden van verdachte gehoord met betrekking tot de vermogenspositie van verdachtes vader.

Verdachtes broer [betrokkene 2] heeft daarbij onder meer als volgt verklaard:

“Mijn vader had een lompen- en metaalhandel. Hij heeft dat gedaan tot zijn overlijden.

Toen hij dood ging lag er nauwelijks nog voorraad. (...)

Na het overlijden moest het bedrijf verkocht worden (...)

Het bedrijf is door [verdachte] (naar het hof begrijpt: verdachte) gekocht van mijn moeder (...). Het geld kwam mijn moeder toe en zij heeft vervolgens haar kinderen ieder € 10.000 gegeven (...).

De laatste jaren deed hij niet veel meer. (...)

Het vermogen van mijn vader bestond volgens mij enkel uit het bedrijf. Hij had niet veel geld. (...)

Voor zijn overlijden heb ik nooit iets van mijn ouders gekregen. Ik kon ook nooit geld van hem lenen. Zover ik weet hebben andere broers of zussen ook nooit iets gehad. (...)

Ik heb nooit gemerkt dat mijn vader over heel veel geld beschikte. Ik heb ook nooit gezien dat mijn vader over zodanige voorraden in zijn bedrijf beschikte dat deze vele duizenden euro 's of tonnen waard waren".

Verdachtes zuster [betrokkene 3] heeft onder meer verklaard:

“Na het overlijden van mijn vader heb ik van mijn moeder 10.000 gulden geschonken gekregen. Het kan ook zijn dat het 10.000 euro was. ”

Verdachtes moeder [betrokkene 4] heeft als volgt verklaard:

Vraag: hoe vermogend was uw man? Had uw man veel geld?

“Nou nee, wij konden eten en de kinderen verzorgen. (...)

Mijn man had zelf ook nooit geen geld, een hoop geld had hij niet.

Verdachte heeft - behoudens het hiernavolgende - op geen enkele wijze onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat zijn vader over dusdanige bedragen en voorraden beschikte dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen daarvan afkomstig (zouden) kunnen zijn. Ook uit de verklaringen van verdachtes broer, zuster en moeder blijkt van het tegendeel.

Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij na de dood van zijn vader vier containers vol tin, die hij van zijn vader geschonken had gekregen, in 2003 contant heeft verkocht aan een Belgisch bedrijf. Verdachte kan van deze verkoop geen factuur noch enig ander bescheid ter onderbouwing van deze verkoop tonen. Verdachte verklaart dit niet te hebben ontvangen. Ter terechtzitting van het hof kon verdachte ook niet de naam van de koper noemen Het hof komt het onwaarschijnlijk voor dat een bedrijf dat een zo grote hoeveelheid tin (volgens verdachte 60 ton) koopt, dit contant betaalt zonder een factuur te verstrekken. Het hof hecht dan ook geen waarde aan deze verklaring. Daar komt bij dat ook indien de hoeveelheid tin aldus verkocht zou zijn, de opbrengst bij lange na niet de stortingen dekt die door verdachte zijn gedaan.

Verdachte heeft immers verklaard dat hij rond de 60 ton tin heeft verkocht voor een bedrag van tussen de acht en tien euro per kilo tin. Ook indien het hof uitgaat van een opbrengst van tien euro, zou de verkoop € 600.000 hebben opgebracht, dit terwijl verdachte in 2003 en 2004 bedragen van € 378.905,09 en € 1.130.025,57 heeft gestort. Voor het surplus boven de € 600.000 heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven.

Gelet op hetgeen hiervóór is weergegeven acht het hof de verklaring van verdachte volstrekt niet aannemelijk geworden en kan het niet anders dan dat verdachte het geld door enig misdrijf heeft verkregen.

Verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd over andere legale economische activiteiten die hij in Luxemburg of Duitsland zou hebben ontplooid en waaruit de omvangrijke geldbedragen verklaard zouden kunnen worden. Ook is geen enkele andere legale bron van herkomst aannemelijk geworden. Het gaat voorts om grote geldbedragen, die over een langere periode steeds contant op buitenlandse rekeningen zijn gestort. Daarbij heeft verdachte afschriften en andere bescheiden die konden verwijzen naar deze buitenlandse rekeningen naar adressen in het buitenland laten sturen. Door het storten van de gelden op niet op eenvoudige wijze te traceren rekeningen heeft verdachte deze gelden opzettelijk verhuld. Dat verdachte niet zou weten dat hij deze rekeningen niet behoefde op te geven acht het hof niet aannemelijk nu verdachte, zoals hij ter terechtzitting van het hof verklaarde, wel zijn Nederlandse rekeningen aan de fiscus opgaf.

Maar zelfs indien het hof de verklaring van verdachte zou volgen, hetgeen het dus niet doet zoals hiervoor is overwogen, dan nog is het hof van oordeel, anders dan de verdediging, dat verdachte zich niet alleen schuldig heeft gemaakt aan fiscale gronddelicten.

Immers, naast de fiscale delicten:

- het niet opgeven van het verkregen vermogen voor de heffing van schenkings- en successierechten;

- het niet opgeven van het verkregen vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting,

- het niet opgeven van de winst die hij bij de verkoop van het tin heeft gemaakt voor de inkomstenbelasting,

zou verdachte zich aldus ook vermogen dat behoorde tot de nalatenschap van zijn vader onrechtmatig hebben toegeëigend. In dat kader is het volgende namelijk van belang.

Op 4 juni 2002 zijn de loodsen/schuren aan de [c-straat 1] te Velp door de moeder van verdachte [betrokkene 4] verkocht aan verdachte. In de leveringsakte van deze verkoop is het volgende opgenomen:

“[betrokkene 5], hierna te noemen: erflater (...)

Erflater (...) heeft bij zijn niet herroepen testament, op 28 juni 1983 verleden (...), zijn genoemde echtgenote en zijn genoemde vier levende zijnde kinderen benoemd tot zijn erfgenamen, ieder voor één/zevende gedeelte van zijn nalatenschap en zijn genoemde vier kleinkinderen voor één/veertiende gedeelte van zijn nalatenschap en voorts, gebruikmakende van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 1167 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek zijn nalatenschap verdeeld en daarbij aan zijn genoemde echtgenote toebedeeld alle tot zijn nalatenschap behorende bezittingen onder verplichting om de tot zijn nalatenschap behorende schulden voor haar rekening te nemen en voorts onder verplichting om aan haar mede-erfgenamen hun netto- erfdelen uit te keren met de bepaling, dat de vorderingen van de kinderen en kleinkinderen pas opeisbaar zijn onder meer bij overlijden van zijn genoemde echtgenote”.

Ook [betrokkene 2] (broer van verdachte) heeft verklaard dat het vermogen van zijn vader “op langste leven” (naar het hof begrijpt: langstlevende) stond.

Een deel van het volgens verdachte door zijn vader aan hem geschonken geld en de hoeveelheid tin behoorde gelet op het bovenstaand alsdan toe aan de huwelijksgemeenschap respectievelijk de nalatenschap waarop verdachte, zolang zijn moeder nog leefde, vooralsnog geen enkel (opeisbaar) recht had. Het zich toe-eigenen van het geld en het tin was alsdan en in zoverre onrechtmatig. Door de storting van de opbrengst op buitenlandse bankrekeningen heeft verdachte dit geld witgewassen.

Het hof acht witwassen van het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 62.500,= niet bewezen. Alhoewel er aanwijzingen zijn dat dit bedrag eveneens is witgewassen, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat dit bedrag op door verdachte op de rekening van zijn moeder is gestort en op die wijze witgewassen. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Woning in Spanje

De advocaat-generaal acht bewezen dat verdachte geld van misdrijf afkomstig heeft geïnvesteerd in de aankoop in Spanje en op deze wijze geld heeft witgewassen.

Met betrekking tot het onroerend goed op Ibiza betoogt de verdediging dat sprake is van een normale waardestijging veroorzaakt door marktontwikkelingen en verbetering van het pand door investering van de huuropbrengsten door verdachte.

Beoordeling door het hof

In 2002 is verdachte eigenaar geworden van onroerend goed op Ibiza, te weten een gedeelte van het perceel [het perceel].

Verdachte heeft verklaard dit pand te hebben gekocht voor € 125.000,-. In een tapgesprek van 2 oktober 2007 zegt “[betrokkene 6]” van “Immobiliaria San Jose” tegen verdachte “wij hebben het huis van jou en [betrokkene 1] te koop voor 1,6 miljoen euro.” Verdachte zegt hierop “jaja, ik kom aan het eind van de maand”. Dit tapgesprek duidt er op dat verdachte wist dat zijn onroerend goed te koop stond.

Dat verdachte zijn onroerend goed te koop heeft aangeboden voor een dergelijk hoog bedrag wordt bevestigd door een onderzoek naar de internetpagina van genoemd bedrijf waarop het onroerend goed te koop staat voor een bedrag van € 1.450.000,=.

Dit wordt eveneens bevestigd door getuige [getuige]. Deze heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij als makelaar was gevraagd of hij interesse had om een onroerende zaak van verdachte te verkopen. Hiervoor werd een afspraak bij die onroerende zaak gemaakt. Het betrof twee onroerende zaken van in totaal 2500 m2 met twee woningen van in totaal ongeveer 260 m2, met een toren die dienst deed als hoofdverblijf van ongeveer 130 m2 en aangrenzend een gastenverblijf van twee verdiepingen. Bij elk van de woningen was een zwembad en er was een tuin. In het hoofdverblijf van de toren was een benedenverdieping, een kelder die werd gebruikt voor bewoning. Getuige had het getaxeerd op 1,3 of 1,4 miljoen euro en zijn makelaarskantoor had een advertentie geplaatst voor 1,7 of 1,8 miljoen euro. De getuige verklaarde dat hij dacht dat verdachte de woning destijds voor € 800.000 had gekocht.

Verdachte heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat niet hij maar een Duitse kunstenaar die als huurder in een deel van het pand woonde, het pand te koop zou hebben gezet. Het hof sluit zich aan bij de overweging die de rechtbank heeft gemaakt ten aanzien van dit punt, inhoudende:

“Verdachte heeft die verklaring niet onderbouwd. Voorts kan de rechtbank geen enkele reden bedenken waarom een huurder al die moeite zou doen een woning waar hij in woont te koop te zetten. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat een Duitse kunstenaar het pand te koop zou hebben gezet ongeloofwaardig.”

Dat verdachte, als door de verdediging gesteld, slechts voor een beperkt deel eigenaar zou zijn van woning, acht het hof niet aannemelijk geworden. Uit een Kaufvertrag (pagina 855 van het proces-verbaal van politie) tussen [getuige 2] namens Urbunization El-Pardiso en verdachte blijkt dat er sprake is van een gehele verkoop zonder enige beperking.

De verklaring die hierover door de getuige [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris is afgegeven acht het hof ongeloofwaardig, mede omdat niet valt uit te sluiten dat deze getuige zelf een eigen belang heeft bij zijn verklaring, bijvoorbeeld door het buiten de koopakte om aannemen van een bedrag aan contanten en daarover niet te willen verklaren.

Het discussiepunt tussen de advocaat-generaal en de verdediging of het bij de aankoop en verkoop gaat om één of meer woningen acht het hof niet van belang omdat de verkoop ziet op percelen met een eigen kadastrale aanduiding. Op welke wijze deze percelen zijn bebouwd is voor de vraag of de meerwaarde van deze investering is witgewassen niet van belang.

Het hof acht het onaannemelijk dat het onroerend goed van verdachte in vijf jaar tijd in waarde zou zijn vermeerderd van € 125.000,= tot een door de politie geschatte waarde van € 1.232.500,=. Het hof gaat er vanuit dat verdachte de aankoop van dit pand naast het bedrag van € 125.000,= mede heeft gefinancierd met het bedrag van € 430.000,= dat hij in 2002 bij een Duitse bank contant heeft opgenomen en waarvoor verdachte desgevraagd geen geloofwaardige verklaring over de bestemming van het geld heeft afgegeven.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte niet van het gehele onroerend goed in Spanje de werkelijke aard heeft verborgen of verhuld maar slechts een gedeelte en wel dat deel dat naar het oordeel van het hof is gefinancierd met de € 430.000,=.

Gelet hierop zal het hof verdachte vrijspreken van dit onderdeel het onder feit 1 tenlastegelegde.

De raadsman heeft voorts gesteld dat er in de tenlastelegging sprake is van dubbeltellingen hetgeen in strijd is met het ne bis in idem beginsel.

Het hof verwerpt dit verweer omdat met door misdrijf verkregen geld meermalen handelingen kunnen worden verricht, die telkens afzonderlijk worden verricht om dit geld wit te wassen.”

23. Eerst de klacht over het “verwerven”, het “voorhanden hebben” en het “omzetten”. Ik stel voorop dat zowel de tenlastelegging als de bewezenverklaring van feit 1 is gestoeld op het bepaalde in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr en dat wat wel de recente rechtspraak van de Hoge Raad over witwassen wordt genoemd, betrekking heeft op (bepaalde onderdelen van) art. 420bis, eerste lid onder b Sr. Voor zover in de toelichting op het derde middel respectievelijk die op het vierde middel deze recente rechtspraak wordt aangehaald ten behoeve van het betoog over het “voorhanden hebben”, het “verwerven” , het “omzetten” en “uit eigen misdrijf verkregen”, stuiten de desbetreffende klachten reeds daarop af.3

24. Dat geldbedragen die een verdachte voorhanden heeft gehad "uit enig misdrijf afkomstig" zijn, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs bij te brengen waaruit feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid voor een dergelijk oordeel.4 In de onderhavige zaak heeft het hof op grond van het strafrechtelijk onderzoek vastgesteld dat de verdachte over een langere periode grote geldbedragen steeds contant op buitenlandse rekeningen heeft gestort. Dit was niet bekend bij de Belastingdienst. Uit dit een en ander volgt het gerechtvaardigde vermoeden dat de verdachte ofwel zich bezig hield met criminele activiteiten en de illegale inkomsten daaruit wegzette op buitenlandse bankrekeningen en de geldbedragen daarvan weer (gedeeltelijk) opnam, dan wel dat de verdachte zich schuldig maakte aan het witwassen van grote geldbedragen en/of belastingontduiking. Bij die stand van zaken heeft het hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat, gelet daarop, van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Een plausibele en verifieerbare verklaring heeft de verdachte echter geenszins gegeven. Meer dan dat hij van zijn vader geld heeft gekregen, een grote partij tin heeft verkocht en dat het onroerend goed in Ibiza in waarde is gestegen, heeft de verdachte niet naar voren gebracht. Hoewel de verdachte deze bewering op geen enkele wijze wist te onderbouwen, is er toch nog enig justitieel onderzoek gedaan naar de juistheid ervan. Ook de uitkomst daarvan – naast de overweging dat de verdachte de naam van de koper van de partij tin niet kon noemen en in dat verband evenmin een factuur of enig ander bescheid kon tonen – is door het hof ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte volstrekt niet aannemelijk is geworden en dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het geld door enig misdrijf heeft verkregen.

25. Op grond van het voorgaande, en dus ook in aanmerking genomen hetgeen het hof daarover heeft overwogen, vind ik het oordeel van het hof dat de verdachte zijn bewering volstrekt niet aannemelijk heeft gemaakt, niet onbegrijpelijk en acht ik ’s hofs oordeel omtrent het delictsbestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

26. Door meermalen grote geldbedragen contant te storten op buitenlandse rekeningen en ervoor te zorgen dat afschriften en andere bescheiden, die daarnaar konden verwijzen, naar adressen in het buitenland te (laten) sturen, en in aanmerking genomen dat de verdachte bij gebreke van een aannemelijke verklaring er niet in is geslaagd de verdenking tegen hem weg te nemen, kan worden gezegd dat deze uit een misdrijf afkomstige opbrengsten aan het zicht zijn onttrokken. Derhalve geeft het oordeel van het hof dat de verdachte de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en de verplaatsing van die geldbedragen heeft verborgen of verhuld in de zin van art. 420bis, eerste lid onder a, Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.5

27. Het derde middel en het vierde middel falen.

28. Het vijfde middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou zonder nadere toelichting niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte in de maand juli 2005 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals aangifteformulier inkomstenbelasting 2002, althans dat de verdachte pleger is van dit misdrijf nu Flex Account niet zonder meer gelijk is te stellen met de verdachte.

29. Ik meen dat dit middel geen bespreking meer behoeft op grond van hetgeen ik over feit 3 heb opgemerkt in mijn bespreking van het tweede middel.

30. Ten overvloede wijs ik op het volgende. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het aangifteformulier is ingediend door Flex Account. Dit is, ook blijkens de pleitnota die in hoger beroep is overgelegd (punt 84), de adviseur van de verdachte. Het oordeel van het hof dat dit advieskantoor niet als medepleger is aan te merken, en de verdachte dus als pleger overblijft, is niet onbegrijpelijk. Overigens, in de toelichting op het tweede middel heeft de steller van het middel in het geheel geen moeite om de (niet tijdige) ‘aangifte’ door Flex Account aan de verdachte toe te schijven.

31. Het vijfde middel behoeft geen bespreking. Subsidiair meen ik dat het faalt.

32. Het zesde middel keert zich met een motiveringsklacht klaagt tegen de strafoplegging.

33. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de strafoplegging als volgt gemotiveerd (met het oog op het zevende middel geef ik hieronder meteen de overwegingen inzake de redelijke termijn weer):

“(…)

Overweging van het hof

Verdachte heeft zich meermalen, gedurende een jarenlange periode, schuldig gemaakt aan belastingfraude. Het hof rekent de verdachte aan dat hij geen enkele intentie heeft gehad om op een juiste wijze aangifte te doen. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin laten prevaleren en daardoor de fiscus voor ruim € 800.000 benadeeld. Voorts heeft verdachte het geld dat hij de fiscus heeft onthouden en andere uit misdrijf afkomstige gelden door middel van witwassen verhuld.

Uit het tegelijk met dit arrest gewezen arrest inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt dat verdachte ruim 1,6 miljoen euro voordeel uit zijn handelen heeft genoten. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming.

Redelijke termijn

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit rekening te houden met het feit dat de sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behandeld dient te worden als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg als in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting telkens dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Naar aanleiding van een doorzoeking van de woning en bedrijfspand in 2007 is er een nader onderzoek gedaan naar de bij die zoekingen in beslag genomen administratie. Verdachte is uitgenodigd om op 25 november 2008 op het politiebureau te verschijnen teneinde te worden gehoord en aangehouden. Dit is naar het oordeel van het hof het eerste moment dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang neemt.

Op 26 maart 2009 is het definitieve proces-verbaal op het parket ingeleverd.

Op 1 oktober 2009 vindt een regiezitting plaats, waarbij de rechtbank onder meer bepaalt dat er een getuige, woonachtig op Ibiza, dient te worden gehoord.

Na veel organisatorische problemen, ook met de verdediging, wordt deze getuige eerst op 10 september 2010 op Ibiza gehoord.

Vervolgens vindt op 2 februari 2012 de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank plaats en wordt op 16 februari 2012 vonnis gewezen.

De termijn tussen 25 november 2008 en 16 februari 2012 bedraagt ruim drie jaar en twee maanden. Deze overschrijding wordt deels verklaard door het op verzoek van de verdediging horen van een getuige op Ibiza waardoor de zaak bijna een jaar stil heeft gelegen, de gecompliceerdheid van de zaak en de internationale aspecten. De omvang van de zaak brengt met zich dat daarvoor ook een meer dan gemiddelde zittingscapaciteit dient te worden gereserveerd c.q. vrijgemaakt. Ook daarin is een element van tijdverloop in gelegen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg niet zodanig lang is geweest dat hieraan consequenties dienen worden te verbonden.

Verdachte is op 23 februari 2012 in hoger beroep gekomen. Op 16 september 2013 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Bij tussenarrest van 30 september 2013 is bepaald dat er op verzoek van de verdediging vier getuigen dienen te worden gehoord. De laatste getuige kon eerst op 5 augustus 2014 gehoord worden. Op 11 maart 2015 is deze zaak ter terechtzitting behandeld. De termijn tussen 23 februari 2012 en 11 maart 2015 bedraagt ruim drie jaar.

Een deel van deze periode, tien maanden, is te verklaren door het op verzoek van de verdediging horen van getuigen. De periode die gelegen is tussen het verhoor van de laatste getuige door de raadsheer-commissaris en de daarop volgende zitting is, afgezet tegen factoren als inplanning in relatie tot beschikbare zittingstijd, omvang en ingewikkeldheid van de zaak niet onevenredig lang te noemen.

Gelet op het bovenstaande acht het hof anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging dat er geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, waarmee bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden.

Hetzelfde geldt voor de eventuele vormverzuimen nu het hof geconcludeerd heeft dat er geen gevolg aan deze vormverzuimen behoeven te worden gegeven. Wel houdt het hof rekening met de ouderdom van de feiten en de op zichzelf lange duur van de procedure.

Het hof is van oordeel dat voor afdoening van de bewezenverklaarde feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een werkstraf als bepleit door de verdediging doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de feiten. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte totaal geen blijk heeft gegeven het strafwaardige van zijn handelen in te zien. Bij de straftoemeting is rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof verwijst in dit kader nog naar de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting waaruit blijkt dat het uitgangspunt bij een fraudebedrag van meer dan € 1.000.000 een gevangenisstraf vanaf vierentwintig (24) maanden en hoger is.

Het hof acht alles overwegende een gevangenisstraf van dertig (30) maanden onvoorwaardelijk passend en geboden als afdoening voor de strafbare feiten.”

34. De opgelegde straf wekt niet die verbazing dat de straf daardoor van een nadere motivering moet worden voorzien. Anders dan bij overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM waarbij is voorzien in strafvermindering als een van de rechtsgevolgen die aan die overschrijding kunnen worden verbonden6, hoeft de feitenrechter niet inzichtelijk te maken welke straf zou zijn toegepast indien geen sprake zou zijn van ouderdom van de feiten en een op zichzelf lange duur van de procedure. Voorts heeft het hof verwezen naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Met het oog op de toelichting op het middel, merk ik twee dingen op. In de eerste plaats noemen deze oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 24 maanden of hoger bij een fraudebedrag van € 1.000.000,-. Voorts heeft het hof naast het bedrag van € 800.000,- waarvoor de verdachte naar het oordeel van het hof de fiscus heeft benadeeld, in aanmerking genomen dat de verdachte ook andere uit misdrijf afkomstige gelden door middel van witwassen heeft verhuld. In de tweede plaats heeft het hof bij de strafoplegging tevens het bewezenverklaarde witwassen en de bewezenverklaarde valsheid in geschrift betrokken.7 De steller van het middel heeft wel een klein punt wat betreft de opmerking van het hof over het genoten voordeel; het bedrag van 1.6 miljoen euro voordeel dat de verdachte blijkens het samenhangende ontnemingsarrest van het hof uit zijn handelen zou hebben genoten, is nog niet onherroepelijk vastgesteld.8 Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, wegens het ontbreken van voldoende belang, nu de precieze hoogte van het door de verdachte genoten voordeel van ondergeschikt belang is in het geheel van de strafmotivering.

35. Het zevende middel klaagt over het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM.

36. Het hof heeft de verschillende fasen van de onderhavige procesgang beschreven en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het lange tijdsverloop voor een belangrijk deel op het conto van de verdediging kan worden geschreven. Voorts heeft het hof gewezen op de omvang en de ingewikkeldheid van de zaak, het tijdrovende onderzoek en de organisatorische problemen, ook met de verdediging.

37. Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheden geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

38. Het zevende middel faalt.

39. Het eerste, het derde, het vierde, het zesde en het zevende middel falen. Behoudens het vierde middel, kunnen deze middelen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel behoeft geen bespreking. Subsidiair ben ik van oordeel dat dit middel faalt en dan eveneens op de voet van art. 81 RO kan worden afgedaan. Het tweede middel slaagt.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zij het niet zonder aarzeling, omdat feit 1 wellicht kan worden beschouwd als een cumulatieve tenlastelegging waarin uitgesplitst in vijf gedachtestreepjes telkens witwassen is tenlastegelegd. Het uitsluiten van een van die gedachtestreepjes zou de rechter naar wie de zaak eventueel zal worden teruggewezen of verwezen mogelijk niet ontoelaatbaar hinderen bij het in acht nemen van het beslissingsschema van de artikelen 348 en 350 Sv of het anderszins naar behoren opnieuw recht doen op het bestaande hoger beroep.

2 Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3065 waarin de Hoge Raad een verdachte alsnog vrijspreekt van een tenlastegelegd feit.

3 Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80 (rov. 4.4): “Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat bedoelde recente rechtspraak van de Hoge Raad ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, verdient opmerking dat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304, rov. 3.3)”.

4 Zie HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, NJ 2007/278, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 (rov. 2.5), NJ 2010/456 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500.

5 Vgl. Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3 (MvT), p. 1, 2, 5, 14 en 17. In de toelichting op het middel wordt inzake het storten op een bankrekening nog gewezen op de arresten van HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer. Ik merk daarbij op dat die uitspraak betrekking had op het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn en mitsdien op art. 240b, eerste lid onder b, Sr. Zie voorts HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83 m.nt. Keulen.

6 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.

7 Zie evenwel over de valsheid in geschrift en de straftoemeting ook mijn bespreking van het tweede middel.

8 In mijn conclusie in deze samenhangende zaak kom ik tot de slotsom dat de op dat bedrag betrekking hebbende berekening een nadere motivering behoeft.