Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:538

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-04-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15/02164
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1326, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wots-zaak. De strafoplegging is niet toereikend gemotiveerd gelet op hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde sedert de schorsing van zijn detentie en in aanmerking genomen dat de Rb. heeft volstaan met een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en met de opmerking dat de Duitse rechter hiermee ook al rekening heeft gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02164 W

Zitting: 19 april 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

  1. Bij vonnis van 24 april 2015 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Landgericht Krefeld (Bondsrepubliek Duitsland) van 30 april 2014, waarbij [veroordeelde] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren ter zake van het medeplegen van handelen in verdovende middelen (marihuana) in niet geringe hoeveelheid en het zonder vergunning invoeren van verdovende middelen (cocaïne) in eendaadse samenloop met het handelen in verdovende middelen (cocaïne) in telkens niet geringe hoeveelheid, in vijf gevallen. De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die veroordeelde al voor deze zaak heeft doorgebracht in detentie en in overleveringsdetentie in Duitsland en Nederland. Deze tijd wordt door de rechtbank vastgesteld op 478 dagen.

  2. Namens de veroordeelde heeft mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen hebben alle betrekking op de motivering van de opgelegde straf en de schending van art. 31 WOTS in dit verband. In het eerste middel wordt de rechtbank verweten bij de strafmotivering onvoldoende te zijn ingegaan op de concrete strafbare feiten die de veroordeelde in Duitsland heeft gepleegd en wat zijn de rol daarbij was. Het tweede middel stelt aan de orde dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en het derde middel behelst de klacht dat de opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven verbazing wekt althans onvoldoende is gemotiveerd.

  4. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking, waarbij het volgende moet worden vooropgesteld. In zijn arrest van 28 januari 20141 heeft de Hoge Raad het toetsingskader voor de omzetting van een door een buitenlandse rechter opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven als volgt verwoord:

“Ingevolge art. 31, eerste lid, WOTS dient de exequaturrechter zijn uitspraak met redenen te omkleden en dient de uitspraak de bijzondere redenen op te geven die de opgelegde straf hebben bepaald of tot de opgelegde maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. Gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in HR 26 juni 1990, NJ 1991/190 moet deze bepaling aldus worden verstaan (a) dat de exequaturrechter bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden, en (b) dat hij in voorkomend geval onder de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald, dient te vermelden waarom hij tot een lagere strafoplegging is gekomen. (Vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6410, NJ 2004/511.)”

In deze zaak vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank vanwege haar overweging dat de rechtbank bij de strafoplegging tot uitgangspunt had genomen dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Daarmee had de rechtbank het toetsingskader zoals hiervoor geciteerd miskend. De rechtbank had in dat verband het volgende overwogen:

“De rechtbank meent dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. De rechtbank houdt derhalve rekening met het feit dat ook in Zweden het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Voorts meent de rechtbank dat veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank, eveneens van oordeel dat van een ernstig vergrijp sprake is, is van oordeel dat de in Zweden aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, in redelijkheid verantwoord is.”

4.1. De Hoge Raad heeft ook in daaropvolgende arresten uitspraken van rechtbanken vernietigd wegens miskenning van de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten die in het kader van art. 31 WOTS in acht moeten worden genomen.

In de zaak die leidde tot het arrest van 15 april 20142, waarin het ging om een omzetting van een Duitse veroordeling wegens drugsdelicten tot vijf jaren en zes maanden gevangenisstraf, kon de volgende overweging van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging niet door de beugel:

“[…]

De rechtbank meent dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. De rechtbank houdt derhalve rekening met het feit dat ook in Duitsland de verkoop van grote hoeveelheden cocaïne aan afnemers die de cocaïne vervolgens naar Duitsland brachten als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Voorts meent de rechtbank dat veroordeelde, door zich in Duitsland schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank acht gelet op de aard en de ernst van de feiten, de straffen die in vergelijkbare zaken naar Nederlands recht worden opgelegd en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, een gevangenisstraf van vijf jaren op zijn plaats.”

Hetzelfde gebeurde in HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1162,3 waarin het ging om een veroordeling door de Duitse rechter tot zes jaren en tien maanden gevangenisstraf wegens drugsdelicten en de rechtbank had overwogen:

“[…]

De rechtbank meent dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. De rechtbank houdt derhalve rekening met het feit dat ook in Duitsland het importeren en verkopen van grote hoeveelheden verdovende middelen als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt.

Voorts meent de rechtbank dat veroordeelde, door zich in Duitsland schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank acht gelet op de aard en de ernst van de feiten, de straffen die in vergelijkbare zaken naar Nederlands recht worden opgelegd en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren op zijn plaats."

In voornoemde uitspraken hebben de betrokken rechtbanken steeds overwogen dat “de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan”. Ik lees in de arresten van de Hoge Raad dat dit de gewraakte overweging is op grond waarvan de beslissingen zijn vernietigd. Daaraan deed kennelijk niet af dat de betrokken rechtbanken daarbij tevens in algemene bewoordingen hadden overwogen dat zij mede de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in acht hadden genomen en welke straffen in vergelijkbare zaken naar Nederlands recht worden opgelegd. Bovendien bevatten de vonnissen van de betrokken rechtbanken ook steeds de overweging dat de rechtbank ingevolge art. 31, eerste lid, WOTS voor de straf die de buitenlandse rechter aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, of woorden van gelijke strekking. Ik leid daaruit af dat bij een strafoplegging in het kader van de WOTS niet kan worden volstaan met dit soort algemene overwegingen, maar dat de rechter door middel van een precieze, op de zaak en de persoon van de veroordeelde toegespitste motivering dient te verantwoorden waarom de opgelegde straf voldoet aan de Nederlandse maatstaven. Daarbij kan de rechter weliswaar rekening houden met internationale gevoeligheden en mogen die bij de vermindering of verzwaring van de straf ook een rol spelen, zolang maar duidelijk wordt gemaakt dat het uitgangspunt blijft dat er een straf of maatregel naar Nederlandse maatstaven wordt opgelegd.4

4.2. Ik keer terug naar de bespreking van de middelen. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient op grond van artikel 31 van de WOTS de straf op te leggen, welke op overeenkomstige feiten naar Nederlands recht zijn gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het ten laste van veroordeelde naar Duits recht bewezen verklaarde naar Nederlands recht te worden gekwalificeerd als:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder O van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl dit feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid.

De maximale straf naar de wettelijke omschrijving bedraagt hiervoor, rekening houdend met artikel 57 Wetboek van Strafrecht, 16 jaren gevangenisstraf of een geldboete van de 5C categorie.

Bij het bepalen van de hoogte van de in Nederland ten uitvoer te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de internationale gevoeligheden, namelijk het feit dat misdrijven met betrekking tot verdovende middelen in Duitsland als een zwaardere inbreuk op de openbare orde worden beschouwd dan in Nederland. De rechtbank dient daarnaast echter ook rekening te houden met de nationale opvattingen en cultuur, waarbij zij bij toepassing van de WOTS evenwel het Duitse vonnis dient te respecteren. Zij overweegt voorts als volgt.

Door zich schuldig te maken aan voormelde strafbare feiten in Duitsland heeft veroordeelde het risico genomen dat hij zwaarder gestraft zou worden dan in Nederland gebruikelijk is. Hij heeft zich daarvan bewust kunnen zijn, immers hij heeft zich aan deze feiten schuldig gemaakt nadat hij al eerder in Duitsland - ook ten aanzien van druggerelateerde feiten - een gevangenisstraf van zes jaren had uitgezeten. Aldus heeft een langdurige gevangenisstraf veroordeelde er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke ernstige feiten te begaan.

De rechtbank zal ook hiermee rekening houden.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, maar constateert daarbij wel dat de Duitse rechter dat in het vonnis van 30 april 2013 ook al gedaan heeft.

De door de raadsvrouw voorgestelde strafmaat, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die veroordeelde al gedetineerd is geweest, met aftrek, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het vorengaande en de omvang van de feiten, niet aan de orde.

Op grond van alle genoemde omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden, een en ander met aftrek van de tijd die veroordeelde al voor deze zaak heeft doorgebracht in detentie en in overleveringsdetentie in Duitsland en Nederland. Deze tijd wordt door de rechtbank vastgesteld op 478 dagen.”

4.3. Weliswaar heeft de rechtbank niet met zoveel woorden, zoals het geval was in de hiervoor besproken jurisprudentie, overwogen dat “de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan”, maar hetgeen de rechtbank daarover wél heeft overwogen wijst sterk in de richting dat de rechtbank zich kennelijk vooral door de maatstaven die in Duitsland gelden heeft laten leiden. Dit komt naar voren uit de overwegingen dat zij rekening houdt met de omstandigheid dat drugsdelicten in Duitsland als een zwaardere inbreuk op de openbare orde worden beschouwd dan in Nederland en de veroordeelde door deze feiten daar te plegen het risico heeft genomen zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is. Daarbij is het mij niet duidelijk wat de rechtbank heeft bedoeld met de overweging: “De rechtbank dient daarnaast echter ook rekening te houden met de nationale opvattingen en cultuur, waarbij zij bij toepassing van de WOTS evenwel het Duitse vonnis dient te respecteren.” Heeft de rechtbank hiermee willen aangeven dat zij het Duitse vonnis moet volgen? De verwijzing naar “de nationale opvattingen en cultuur” lijkt mij, ook bij welwillende lezing, onvoldoende specifiek om te kunnen doorgaan voor een verwijzing naar de Nederlandse maatstaven op basis waarvan de rechtbank als exequaturrechter een straf of maatregel moet opleggen die wordt geacht te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader. Bovendien krijg ik uit de drie hiervoor genoemde arresten de indruk dat de Hoge Raad niet geneigd is de strafmotivering wat dit aspect aangaat welwillend te lezen, hetgeen ik wel kan begrijpen omdat hierin juist een van de kerntaken (zo niet de kerntaak) van de exequaturrechter ligt, waarbij voor de veroordeelde veel op het spel staat en waartegen geen hoger beroep open staat.

4.4. Daarbij valt op dat uit de beslissing van de rechtbank niet blijkt op welke wijze inhoud is gegeven aan de beoordelingsgrond dat een straf moet worden opgelegd naar de opvattingen en maatstaven die voor overeenkomstige feiten naar Nederlands recht zijn gesteld. De rechtbank heeft de opgelegde straf niet gerelateerd aan de concrete feiten die aan het oordeel van de Duitse rechter ten grondslag lagen (5000 hennepplanten en 5 maal 100 gram cocaïne), waarover in het eerste middel wordt geklaagd. Voor de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank min of meer verwezen naar hetgeen door de Duitse rechter in zijn vonnis daaromtrent is meegewogen, zonder in te gaan op hetgeen op de terechtzitting van 10 juli 2015 nog als persoonlijke omstandigheden is aangevoerd, welke omstandigheden betrekking hadden op de periode na de veroordeling.5 Daarover wordt in het tweede middel geklaagd. Tot slot heeft de rechtbank een straf opgelegd van zes jaren, een straf die aanzienlijk hoger is dan in de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting wordt geïndiceerd. Deze houden bij art. 2 onder A Opiumwet, in- en uitvoer van harddrugs in georganiseerd verband van 500-1000 gram in: 8-12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf; en bij art. 3 onder B Opiumwet bij 500-1000 hennepplanten vermelden de oriëntatiepunten 180 uur taakstraf en 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk. Weliswaar gaat het in de onderhavige zaak om een veroordeling voor 5000 hennepplanten, maar alles bij elkaar is zes jaren gevangenisstraf voor deze feiten naar Nederlandse maatstaven ongebruikelijk hoog. Over de hoogte van de opgelegde straf wordt in het derde middel geklaagd.

4.5. Gelet op het voorgaande acht ik de middelen, die mijns inziens in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, gegrond. Door uitsluitend te verwijzen naar de Duitse situatie, geen enkele overweging te wijden aan de ernst en de aard van de feiten en de straffen die voor gelijksoortige feiten naar Nederlands recht worden opgelegd en geen aandacht te besteden aan de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde na de veroordeling, lijkt het erop dat de rechtbank in materiële zin tot uitgangspunt heeft genomen “dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan”. Indien de overwegingen van de rechtbank zo worden opgevat, dan is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Hoe dan ook is de strafmotivering niet zonder meer begrijpelijk.

4.6. De middelen slagen.

5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak ten einde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:177, r.o. 2.3.

2 HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:921, NJ 2014/254, r.o. 2.3 en 2.4.

3 ECLI:NL:HR:2014:1162, r.o. 2.3 en 2.4.

4 Zie H. Sanders, “Overdracht en overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke beslissingen”, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek Internationaal Strafrecht, Wolters Kluwer, Deventer 2015, 425-486 op p. 438-439.

5 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 april 2015, p. 2 en 3. In de aanhef van dit proces-verbaal staat 10 juli 2015 vermeld, maar gelet op de overige stukken van het geding en de verdere inhoud van dit proces-verbaal betreft het een kennelijke verschrijving en betreft het de zitting van 10 april 2015.