Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:52

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/00658
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:720, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Schadeloosstelling. Eliminatiebeginsel (art. 40c Ow). Waardevermindering overblijvende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00658

mr. J.C. van Oven

12 februari 2016

Conclusie inzake:

mr. Jan Peter van den Berg q.q., in zijn hoedanigheid van derde in de zin van art. 20 Ow voor de erven van [betrokkene 1] ,

eiser tot cassatie

(mr. J.P. van den Berg)

tegen

de provincie Zuid-Holland,

verweerster in cassatie

(mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink)

Het cassatieberoep in deze zaak is gericht tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag waarin de schadeloosstelling is vastgesteld na vervroegde onteigening van 1,87 ha grond ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’ van de gemeente Pijnacker-Noordorp uit 2007. Dit bestemmingsplan geeft aan het onteigende onder meer de bestemming ‘Recreatieve Doeleinden Bos- en Natuurgebied’. Mr. Van den Berg q.q. heeft betoogd dat bij de waardebepaling van het onteigende het huidige bestemmingsplan en twee voorafgaande bestemmingsplannen op grond van art 40c Ow moeten worden geëlimineerd, zodat zou moeten worden uitgegaan van een bestemmingsplan uit 1962, dat volgens mr. Van den Berg q.q. het onteigende bestemde voor agrarische doeleinden met mogelijkheid van kassenbouw. De rechtbank heeft dit betoog verworpen. Daartegen is het eerste cassatiemiddel gericht, dat dus de problematiek aansnijdt waarover Uw Raad inmiddels het een en anders heeft gezegd in de arresten van 15 januari j.l. in de zaken van het Bureau Beheer Landbouwgronden (nrs. 14/04378, 14/04383 en 14/04432).

Het tweede middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zich geen (te vergoeden) waardevermindering van het overblijvende voordoet.

Naar mijn mening kan geen van de klachten tot cassatie leiden.

1 Procesverloop

1.1

Bij beschikking van 5 april 2013 heeft de rechtbank op de voet van art. 20 Ow eiser tot cassatie (hierna: Van den Berg q.q.) als derde benoemd voor de erven van [betrokkene 1], overleden op 3 maart 2004.

1.2

Op vordering van de Provincie heeft de rechtbank Den Haag vervolgens bij vonnis van 17 juli 2013 vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van de Provincie van een gedeelte ter grootte van 01.87.00 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente Nootdorp, sectie [A], nummer [001], totaal groot 02.21.35 hectare (grondplannummer [002]). In hetzelfde vonnis bepaalde de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor Van den Berg q.q. op € 134.100, zijnde 100% van het door de Provincie aangeboden bedrag. De rechtbank heeft verder een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd.

1.3

Het vonnis van vervroegde onteigening is op 27 december 2013 in de openbare registers ingeschreven.1

1.4

De deskundigen hebben op 26 augustus 2014 een rapport (hierna: het deskundigenrapport) uitgebracht, dat op 3 september 2014 ter griffie is gedeponeerd. In het deskundigenrapport hebben de deskundigen geadviseerd de waarde van het onteigende te bepalen op € 124.550, de waardevermindering van het overblijvende op nihil en de bijkomende schade op € 350.

1.5

Partijen hebben de zaak ter zitting van de rechtbank van 4 november 2014 in aanwezigheid van de deskundigen bepleit.

1.6

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 20142 de schadeloosstelling vastgesteld op € 125.130 en de erven [betrokkene 1] veroordeeld om het verschil tussen het door de Provincie betaalde voorschot en het door de rechtbank toegewezen bedrag, te weten € 8.970, aan de Provincie terug te betalen, te vermeerderen met een rente van 2% over dit bedrag vanaf de dag van de uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening.

1.7

Bij akte van 12 december 2014 heeft Van den Berg q.q. (tijdig)3 cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 3 december 2014. De cassatieverklaring heeft hij bij exploot van 28 januari 2015 (tijdig)4 aan de Provincie laten betekenen met dagvaarding in cassatie. De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping. De advocaten van partijen hebben de zaak vervolgens schriftelijk toegelicht, Van den Berg q.q. mede door mr. R.W. Keus. De advocaten van Van den Berg q.q. hebben gerepliceerd.

2 Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing

2.1

De onteigening is uitgesproken uit kracht van het Koninklijk Besluit van 11 april 2011, no. 11.000927, Stcrt. nr. 6963 van 11 april 2011. Het gaat blijkens dit Koninklijk Besluit om een onteigening op grond van de art. 77 en 78 van Titel IV van de Onteigeningswet en wel ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’ van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Op basis van dit bestemmingsplan, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 28 juni 2007, heeft het onteigende onder meer de bestemming ‘Recreatieve Doeleinden Bos- en Natuurgebied’ gekregen. Op een gedeelte van het onteigende rusten verder de dubbelbestemmingen ‘(kernzone) waterkeringsdoeleinden’, ‘(beschermingszone) waterstaatsdoeleinden’ en ‘molenbiotoop’. 5

2.2

Vóór de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’ heeft het onteigende diverse bestemmingen gehad. In chronologische volgorde:6

- in 1962 heeft de gemeente het bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak Nootdorp 1962’ vastgesteld. Het onteigende heeft daarin de bestemming ‘Agrarische doeleinden’ gekregen.

- op 20 maart 1973 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld. In dit plan is het onteigende bestemd als ‘Recreatiegebied’, te gebruiken voor recreatieve doeleinden van actieve aard met daartoe behorende bebouwing en voorzieningen, hetgeen nog nader moest worden uitgewerkt. Onder het bij het bestemmingsplan behorende overgangsrecht mocht het bestaande agrarisch gebruik van het onteigende worden voortgezet.

- op 7 juli 1999 is het bestemmingsplan ‘Balij’ vastgesteld. In dit plan heeft het onteigende wederom een recreatieve bestemming gekregen, namelijk ‘Dagrecreatieve doeleinden’, met nadere aanduiding ‘paarden-schapenweiden’. Het bestaande agrarisch gebruik mocht evenzeer op basis van overgangsrecht worden voortgezet.

2.3

Het voortgezette agrarisch gebruik is (in ieder geval) geëindigd op 7 juni 2012.7

2.4

Op het overblijvende, een stuk grond met een omvang van 00.34.35 hectare, rust de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’.8

2.5

In de procedure bij de rechtbank heeft Van den Berg q.q. aangevoerd dat bij de waardering van het onteigende moet worden uitgegaan van agrarisch gebruik met de waardeverhogende mogelijkheid om ter plaatse glastuinbouw te realiseren. Hij heeft in dat kader gesteld dat naast het elimineren van de bestemmingsplannen ‘Balij-Bieslandse Bos’ en ‘Balij’ ook het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 1973 - waarin voor het eerst een recreatieve bestemming aan het onteigende werd toegekend - moet worden geëlimineerd. De rechtbank heeft zijn stellingen als volgt samengevat:9

“(…) Het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 moet worden geëlimineerd, omdat de daarin aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming is bepaald door het ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaande beleidsplan “Delftse Hout”. Het plan voor het werk is het Bieslandse Bos. De aanleg daarvan dateert van het begin van de jaren zeventig. Het maakte toen deel uit van het plan “De Delftse Hout”. “Delftse Hout” is later “Bieslandse Bos” gaan heten. In het bestemmingsplan “Buitengebied” was al sprake van een concreet plan en dit bestemmingsplan, alsmede de daarop volgende bestemmingsplannen “Balij” uit 1999 en “Balij.- Bieslandse Bos” uit 2007 zijn in zoverre dan ook slechts vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Aangenomen moet worden dat wanneer het plan “Delftse Hout” er niet was geweest, het onteigende in het bestemmingsplan “Buitengebied” niet een recreatieve bestemming, maar net als de naastgelegen percelen een agrarische bestemming met de mogelijkheid tot glastuinbouw zou hebben gekregen. Glastuinbouw was op grond van het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962” - dat voorafging aan bestemmingsplan “Buitengebied” - op het onteigende immers toegestaan.”

2.6

De rechtbank heeft het betoog van Van den Berg q.q. niet gevolgd. Zij stelde voorop (rov. 2.18) dat het, gelet op de aanwezige dijkweide, nog maar de vraag is of het onteigende in zijn geheel feitelijk geschikt zou kunnen zijn voor glastuinbouw en dat bovendien niet met zekerheid kan worden gesteld dat het onteigende onder vigeur van het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962’ een glastuinbouwbestemming had. Maar zelfs als het die bestemming inderdaad had, kan dat naar het oordeel der rechtbank de erven [betrokkene 1] niet baten, omdat het die bestemming al bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 1973 heeft verloren:

“2.19. Al aangenomen dat het perceel in het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962” een glastuinbouwbestemming had, kan dit de erven gelet op het navolgende ook niet baten. Uit de toelichting op het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 blijkt dat de bestemmingsplanwijziging - van agrarisch naar recreatief - deels een eigen en zelfstandige werkzaamheid was van de gemeente Nootdorp, waarbij deze “het belang van een open en recreatief Nootdorp” onderstreepte (pag. 8 van de toelichting). Dat de gemeente Nootdorp daarbij aansluiting heeft gezocht bij het (indicatieve) streekplan “Haagse Agglomeratie” en het plan “Delftse Hout”, past in een gangbare planologische ontwikkeling en laat onverlet dat zij in 1973 in vrijheid heeft kunnen kiezen voor de inpassing van een recreatieve bestemming ten behoeve van een groene bufferzone en voor de exacte begrenzing van de recreatieve bestemming die zich mede over het onteigende uitstrekt. Niet gebleken is dat de gemeente Nootdorp zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden, maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de desbetreffende vaststelling noopte. Niet aannemelijk is aldus geworden dat zich rond 1973 een situatie voordeed waarbij de gemeente geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een hoger ontwikkeld plan waarbij aan het onteigende al een concreet uitgewerkte recreatieve bestemming was toebedacht. (vgl. HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1684, en de conclusie van Advocaat-Generaal Huydecoper bij HR 8 februari 2013, NJ 2013, 318, in het bijzonder nrs. 31-32).

2.20.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 niet moet worden geëlimineerd.

2.21.

De deskundigen merken nog op dat in het midden kan blijven of bepaalde documenten uit de jaren ’90 kunnen worden gekwalificeerd als plan voor het werk. Het onteigende had namelijk ook in de jaren ’80 al een recreatieve bestemming en het onteigende ontleent zijn hoogste waarde aan het onder het overgangsrecht toegestane agrarische gebruik.

2.22.

De rechtbank acht dit standpunt van de deskundigen juist. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat een oordeel over de vraag of de bestemmingsplannen “Balij” uit 1999 en “Balij-Bieslandse Bos” uit 2007 geëlimineerd moeten worden, achterwege kan blijven, omdat dit voor het uitgangspunt van de waardering geen verschil maakt.

2.23.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de deskundigen terecht zijn uitgegaan van een waardering van het onteigende op basis van de bestemming agrarisch gebruik zonder de waardeverhogende mogelijkheid om ter plaatse glastuinbouw te realiseren.”

2.7

In de procedure bij de rechtbank heeft Van den Berg q.q. voorts betoogd dat een vergoeding moet worden toegekend voor waardevermindering van het overblijvende, omdat dat een slechtere lengte/breedte-verhouding heeft, de kwaliteit van de grond door de uitvoering van het werk zal verslechteren en de ontsluiting van het overblijvende naar de Oudeweg wordt beperkt. Tijdens het pleidooi heeft hij verder naar voren gebracht dat als gevolg van de onteigening op het overblijvende geen glastuinbouw meer mogelijk is, omdat op basis van art. 4.2.2 onder b van de voorschriften in het huidige bestemmingsplan tussen de kas en de perceelgrens een strook van vijf meter dient vrij te blijven. Indien niet onteigend wordt en dus van andere perceelgrenzen wordt uitgegaan, zal glastuinbouw - ondanks deze bepaling over de vijf meter - volgens Van den Berg q.q. toch nog mogelijk zijn.10

2.8

De deskundigen hebben ter zitting verklaard dat glastuinbouw op het overblijvende, ook zonder de onteigening, niet rendabel is. Zij hebben in dat verband gesteld dat het overblijvende bestaat uit smalle percelen van circa 50 meter breed, die worden gescheiden door sloten. Gelet op het slotenpatroon en de smalte van de percelen achten zij glastuinbouw, ook zonder het vrijhouden van een strook van vijf meter, technisch wel mogelijk, maar economisch niet rendabel en reëel. De heer R.J.H. van Kester van Agro Advies Buro heeft namens Van den Berg q.q. aangevoerd dat, hoewel de glastuinbouw wordt gekenmerkt door een tendens tot schaalvergroting, het technisch mogelijk is om kassen op het overblijvende te realiseren. Dit kan naar zijn mening onder meer bereikt worden door het dempen van sloten en ruilverkaveling met de naastgelegen manege. De deskundigen hebben daartegen ter zitting ingebracht dat zij de mogelijkheid om sloten te dempen hebben overwogen, maar dat die sloten elders moeten worden gegraven, hetgeen een kostbare maatregel is waarvoor bovendien toestemming moet worden verkregen van het Hoogheemraadschap.11

2.9

De rechtbank heeft zich aangesloten bij het oordeel van de deskundigen. Zij oordeelde in rov. 2.35:

“De rechtbank is, gelet op het verhandelde ter zitting, met de deskundigen van oordeel dat glastuinbouw op het overblijvende, mede gelet op de kostbare maatregelen die daarbij zouden moeten worden genomen, economisch niet rendabel en reëel is. Bij de waardering van het overblijvende zijn de deskundigen daarom terecht uitgegaan van de agrarische grondwaarde van het overblijvende, zonder glastuinbouw, te weten € 6,50 per m2. De deskundigen hebben vervolgens op goede gronden geconcludeerd dat de waarde van het geheel vóór onteigening niet meer was dan de waarden van het onteigende en het overblijvende na onteigening. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat geen sprake is van waardevermindering van het overblijvende.”

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1

Van den Berg q.q. bestrijdt het vonnis met twee middelen. Het eerste heeft betrekking op de eliminatie van het bestemmingsplan en het tweede op de waardevermindering van het overblijvende.

Middel I: eliminatie van bestemmingsplan(nen)

3.2

Het middel, dat twee klachten (onderdelen a en b) bevat, keert zich tegen rov. 2.19.

3.3

Onderdeel a klaagt dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ aan het onteigende gegeven bestemming op grond van art. 40c Ow bij de waardering van het onteigende moet worden weggedacht, ten onrechte van belang heeft geacht:

(i) dat de gemeente in 1973 in vrijheid heeft kunnen kiezen voor de inpassing van de recreatieve bestemming ten behoeve van een groene bufferzone en voor de exacte begrenzing van de recreatieve bestemming die zich mede over het onteigende uitstrekt;

(ii) dat niet gebleken is dat de gemeente Nootdorp zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de betreffende vaststelling noopte; en

(iii) dat aldus niet aannemelijk is geworden dat zich rond 1973 een situatie voordeed waarbij de gemeente geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een hoger ontwikkeld plan waarbij aan het onteigende al een concreet uitgewerkte recreatieve bestemming was toebedacht.

Volgens het onderdeel heeft de rechtbank miskend dat deze punten niet spelen bij beantwoording van de vraag of de in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ aan het onteigende gegeven bestemming bij de waardering van het onteigende moet worden weggedacht. Het gaat er bij de beantwoording van deze vraag volgens het onderdeel - slechts - om of de in genoemd bestemmingsplan aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend is.

3.4

In hun schriftelijke toelichting betogen de mrs. Scheltema en Wiegerink dat het onderdeel reeds faalt bij gebrek aan belang.12 Zij wijzen erop dat de in cassatie niet bestreden gronden die de rechtbank in rov. 2.18 noemt, te weten (i) dat niet vaststaat dat het onteigende perceel in zijn geheel feitelijk geschikt zou zijn voor glastuinbouw, hetgeen op zich zelf bezien al voldoende is om te betwijfelen of een redelijk handelend koper voor het perceel een prijs zou willen betalen als grond met glastuinbouwmogelijkheden, en (ii) dat niet zeker is dat het onteigende in het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak’ werkelijk een glastuinbouwbestemming had, elk afzonderlijk de beslissing kunnen dragen dat eliminatie van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Van den Berg q.q. ‘hoe dan ook niet kan baten’, omdat de waardering in ieder geval gebaseerd zou blijven op de recreatieve bestemming van het onteigende.

3.5

Ik denk dat dit betoog geen hout snijdt. De rechtbank heeft overwogen dat gelet op de aanwezige dijkweide ‘niet vast staat’ dat het onteigende perceel in zijn geheel feitelijk geschikt zou kunnen zijn voor glastuinbouw en dat ‘niet met zekerheid kan worden gesteld’ dat het onteigende perceelgedeelte in het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962’ werkelijk een glastuinbouwbestemming had, omdat de handgeschreven planregels en de plankaart slecht leesbaar zijn. Naar mijn mening kan niet worden gezegd dat de rechtbank met haar vooropstellingen in rov. 2.18 de stelling van Van den Berg q.q. dat onder vigeur van het genoemde uitbreidingsplan moet worden uitgegaan van de mogelijkheid om kassen op het onteigende te bouwen, heeft gelogenstraft, en dat dus de door het onderdeel bestreden oordelen in rov. 2.19 ten overvloede zijn gegeven. Daarvoor zijn de vooropgestelde omstandigheden te onbestemd, nu immers de rechtbank (in rov. 2.18) niet oordeelt dat het gehele onteigende perceelsgedeelte feitelijk ongeschikt is voor glastuinbouw en ook niet dat vaststaat dat het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962’ geen kassenbouw op het onteigende toestond. Dat zijn punten die zo nodig nader zullen moeten worden onderzocht als de tegen rov. 2.19 gerichte klachten slagen.

3.6

Bij de bespreking van het onderdeel stel ik voorop dat de rechtbank een begrijpelijke route (die als zodanig ook niet in cassatie is bestreden) heeft gekozen voor de behandeling van het betoog van Van den Berg q.q. De rechtbank heeft een zwakke schakel in dat betoog getest en is daarbij tot de conclusie gekomen dat die schakel ondeugdelijk is. Wil men bij de waardering kunnen uitgaan van de fictie dat kassenbouw op het onteigende op de peildatum mogelijk was, moet men niet alleen het huidige bestemmingsplan, maar ook de beide voorgaande uit 1999 en 1973 daterende bestemmingsplannen elimineren, omdat die evenmin als het huidige toelieten dat er kassen op het onteigende werden gebouwd. Indien eliminatie van het plan uit 1973 onhaalbaar is, behoeft dus eliminabiliteit van de plannen van 1999 en 2007 niet meer te worden onderzocht, zie rov. 2.22 (in cassatie niet bestreden).

3.7

Een met dat van Van den Berg q.q. vergelijkbaar betoog heeft (eveneens in zaken met betrekking tot onteigeningen ten behoeve van onderdelen van de zogenoemde ‘Groenblauwe Slinger’) gehoor gevonden bij de rechtbank Rotterdam in drie vonnissen van 18 juni 2014 (onteigeningen van het Bureau Beheer Landbouwgronden). Daarbij verdient wel opmerking, dat Uw Raad die vonnissen bij uitspraken van 15 januari j.l. heeft vernietigd (zaaknrs. 14/04378, 14/04383 en 14/04432).1314 De oordelen van Uw Raad in die zaken (waarmee de advocaten in de onderhavige zaak dus nog geen rekening hebben kunnen houden) zijn naar mijn mening ook voor de onderhavige zaak relevant.

3.8

Het onderdeel laakt de maatstaf die de rechtbank heeft aangelegd bij de beantwoording van de vraag of de in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 1973 aan het onteigende gegeven bestemming ‘Recreatiegebied’, te gebruiken voor recreatieve doeleinden van actieve aard met daartoe behorende bebouwing en voorzieningen, hetgeen nog nader zou moeten worden uitgewerkt (zie rov. 2.8.3 van het bestreden vonnis) voor eliminatie in aanmerking komt. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank de maatstaf van de arresten van 9 juli 2010 had moeten aanleggen en dus had moeten onderzoeken of de in genoemd bestemmingsplan aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend is.

3.9

Inderdaad lijkt de rechtbank te hebben onderzocht of de in het bestemmingsplan van 1973 aan het onteigende gegeven recreatiebestemming een zogeheten dwangbestemming was, en heeft zij dus blijkbaar toepassing willen geven aan de Matser-Marcusleer en niet aan de in het arrest van Uw Raad van 9 juli 2010 inzake […] c.s./Provincie Zuid-Holland15 neergelegde leer. De rechtbank heeft in de bestreden rov. 2.19 verwezen naar het arrest van Uw Raad van 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1684, NJ 2006/655 met noot P.C.E. van Wijmen (Staat/[…]). Dat was een zaak waarmee de onderhavige een zekere gelijkenis vertoont. Het betrof een onteigening van gronden die lagen in het bestemmingsplan ‘Noord Kethel Polder’ uit 1967 van de gemeente Rotterdam, dat aan die gronden de bestemming ‘recreatie’ gaf. De onteigening vond plaats in 2003, en de rechtbank te Rotterdam stelde, in het voetspoor van de deskundigen, de waarde van het onteigende vast met eliminering van die bestemming (“dwangsituatie als bedoeld in de Matser/Markusjurisprudentie”). Het cassatieberoep van de Staat slaagde. Uw Raad overwoog (rov. 3.6) dat de rechtbank met haar oordeel blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting:

“Het door de Staat betoogde komt erop neer dat de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan een stap was op de weg naar een planologische ontwikkeling, te weten de realisering van groene bufferzones, die de Gemeente al geruime tijd nastreefde en waarvoor zij ook op Provinciaal- en Rijksniveau steun heeft gezocht en gekregen. Indien daarvan wordt uitgegaan, valt aan te nemen dat de Gemeente ook in volle vrijheid zou hebben gekozen voor een bestemmingsplan dat voorziet in de realisering van een groene bufferzone, met recreatieve bestemming die zich mede over het onteigende uitstrekt. In dat geval heeft zich bij de totstandkoming van het bestemmingsplan geen dwangsituatie voorgedaan als bedoeld in de arresten Staat/Matser en Staat/Markus en behoort de bestemming die aan het onteigende is gegeven bij de waardebepaling in aanmerking te worden genomen. Van een bestemming die met het oog op het werk waarvoor later onteigend zal worden ook al door het Rijk of de Provincie aan het onteigende was toegedacht kan dan immers niet worden gesproken. Het onderdeel slaagt derhalve.”

De voorlaatste volzin van dit citaat preludeert op de arresten van 9 juli 2010, waarin Uw Raad leerde dat de waardeverminderende of waardevermeerderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van onder meer het onteigende (als bedoeld in art. 40c onder 3o Ow) en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk te maken.16

3.10

Kennelijk ligt aan het onderdeel de opvatting ten grondslag, dat de in de rechtspraak van voor 9 juli 2010 gehanteerde Matser-Markusmaatstaf (was het een door Rijk of provincie opgelegde dwangbestemming?) geen betekenis meer heeft. Het ligt echter iets genuanceerder. In rov. 3.6.1 van het arrest van 15 januari 2016 inzake […]/Provincie Zeeland17 heeft Uw Raad uiteengezet in hoeverre de Matser-Markusleer achterhaald is door het arrest van 9 juli 2010 inzake […] c.s./Provincie Zuid-Holland. Laatstgenoemd arrest behelst

“slechts in zoverre een verruiming ten opzichte van de leer van de ‘dwangbestemming’ uit eerdere rechtspraak (de zogenoemde Matser-Markusleer), dat niet langer is vereist dat de bestemming is opgelegd door de Provincie of het Rijk. Voor het overige heeft het arrest geen wijziging gebracht in de bestaande rechtspraak, die inhoudt dat, bij de bepaling van de werkelijke waarde van de zaak, en als uitzondering op het uitgangspunt dat alle waardebepalende omstandigheden moeten worden meegewogen, het bestemmingsplan wordt geëlimineerd voor zover dit niet zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar slechts ertoe strekt de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk maakt.”

Men kan hieruit gevoeglijk afleiden dat Uw Raad het ervoor houdt dat het oordeel: ‘geen dwangbestemming’ (in beginsel) impliceert dat de vaststelling van de betreffende bestemming niet is geschied teneinde een concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt te faciliteren. Indien de rechtbank inderdaad de Matser-Markus maatstaf heeft aangelegd, maakt dat haar uitkomst: geen eliminatie, dus nog niet onjuist.

3.11

Daar komt bij, dat de rechtbank in haar vonnis enerzijds (geïnspireerd door het arrest Staat/[…]) onderzocht heeft of de in 1973 aan het onteigende gegeven bestemming een dwangbestemming was, maar anderzijds óók blijk heeft gegeven de maatstaf van de 9 juli-arresten te hanteren. Zie haar oordeel in rov. 2.19 “Niet is gebleken dat de gemeente Nootdorp zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden, maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de betreffende vaststelling noopte.” Hier zegt de rechtbank in wezen niets anders dan dat het bestemmingsplan Buitengebied uit 1973, voor zover het betreft de aan het onteigende gegeven recreatiebestemming, zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en dat de raad van de gemeente Nootdorp destijds die bestemming niet heeft vastgesteld teneinde de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven voor de uitvoering van een destijds al concreet bestaand plan (van de Provincie) voor het werk waarvoor thans wordt onteigend.

3.12

Dit sluit ook geheel aan bij de visie van de deskundigen dat een eventueel plan voor het werk waarvoor onteigend wordt niet voor begin jaren ’90 kan zijn ontstaan (zie rov. 2.17 en het deskundigenrapport blz. 13). Voorts wijs ik erop, dat de bij het bestemmingsplan Buitengebied behorende planvoorschriften regelden (art. II.4) dat gronden met de bestemming ‘Recreatiegebied’ mochten worden gebruikt voor ‘recreatieve doeleinden van actieve aard met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen’,18 terwijl die bebouwing slechts zou mogen worden opgericht ‘overeenkomstig een door burgemeester en wethouders nader uit te werken bestemmingsplan ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke ordening’ (zie rov. 2.8.2 en blz. 4-5 van het deskundigenrapport). Bij die stand van zaken is evident dat de raad van de gemeente Nootdorp in 1973 nog geen concrete invulling van de inrichting van de in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ tot ‘Recreatiegebied’ bestemde gronden voor ogen stond en dat die bestemming dus onmogelijk kan zijn bepaald door het plan voor de inrichting van (onder meer) het onteigende conform het bestemmingsplan van 2007.19 Ook indien dit niet de gedachtegang van de rechtbank mocht zijn geweest, acht ik ondenkbaar dat een verwijzingsrechter tot de conclusie zou kunnen komen dat de in 1973 gegeven bestemming ‘Recreatiegebied’ reeds ertoe strekte de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven voor de inrichting die de Provincie thans aan het onteigende, conform het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’ van 2007, wil geven.

3.13

In dit verband kan ik nog wijzen op de arresten van Uw Raad van 15 januari j.l. in de hierboven in 3.7 al genoemde onteigeningszaken van het Bureau Beheer Landbouwgronden. De rechtbank Rotterdam had in die zaken bij de waardering van het onteigende niet alleen het op de peildatum vigerende bestemmingsplan, maar ook twee daaraan voorafgaande wijzigingen van een vroeger bestemmingsplan geëlimineerd. Uw Raad vernietigde deze vonnissen en oordeelde, verwijzend naar (rov. 3.3 van) Uw arrest van 8 februari 2013 inzake Ballast Nedam/Staat,20 “dat voor eliminatie alleen plaats is indien de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, concreet zijn op het moment waarop de planologisch-juridische grondslag wordt bepaald.” Er was in 1973 kennelijk zelfs, getuige art. art. II.4 van de planvoorschriften (zie hierboven in 3.12), nog niet eens een concreet plan voor de inrichting van het onteigende in overeenstemming met het Nootdorper bestemmingsplan van 1973!

3.14

Onderdeel 1a stuit hierop af. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor onderdeel b, dat uit een motiveringsklacht bestaat. Indien men (anders dan dit onderdeel doet) van het juiste begrip van een al bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend is uitgaat,21 lijkt mij het bestreden oordeel van de rechtbank in 3.19 ruim voldoende begrijpelijk.

Middel II: waardevermindering van het overblijvende

3.15

Het middel is gericht tegen het oordeel in rov. 2.35 dat glastuinbouw op het overblijvende, mede gelet op de kostbare maatregelen die daarbij zouden moeten worden genomen, economisch niet rendabel en reëel is. Het klaagt dat dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is en stelt in dat verband dat de deskundigen weliswaar ter zitting van 4 november 2014 hebben verklaard dat glastuinbouw op het overblijvende, ook zonder onteigening, niet rendabel en reëel is22, doch dat deze stelling als volgt is betwist door de heer R.J.H. van Kester van Agro Advies Buro:23

“Het klopt dat er steeds meer schaalvergroting in de glastuinbouwsector is. Ik ben het niet eens met deskundige Leonard. Door het dempen van de sloten en ruilverkaveling met de naastgelegen manege is het technisch wel mogelijk om kassen op het overblijvende te bouwen. Volgens Leonard zou een kas van 50 meter niet rendabel zijn, maar er worden wel meer kassen met die breedte gebouwd. Wij hebben onlangs een kas gebouwd van 30 meter. Een en ander is uiteraard wel van invloed op de waarde van de glastuinbouw.”

Het middel voert aan dat de deskundigen ter zitting wel zijn ingegaan op de stelling dat het dempen van de sloten mogelijk is, doch niet op de overige stellingen. Omdat ook de rechtbank hierop niet is ingegaan, is haar oordeel dat glastuinbouw op het overblijvende economisch niet rendabel en reëel is, volgens het middel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Dit klemt volgens het middel temeer nu de deskundigen op blz. 16 van hun rapport hebben aangegeven dat glastuinbouw op het overblijvende juist wel mogelijk zou zijn.

3.16

De in art. 41 Ow geregelde vergoeding van de waardevermindering van het overblijvende is uitvoerig aan de orde geweest in (mijn conclusie voor en) het arrest van Uw Raad van 25 september 2015 in de zaken Staat/[…] en […]/Staat,24 zodat het mij niet nodig lijkt de in de rechtspraak van Uw Raad op dat punt ontwikkelde beginselen in de herinnering te brengen.

3.17

Uit de processtukken laat zich het volgende afleiden. Op het onteigende rust (uit kracht van het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’) de bestemming ‘Recreatieve Doeleinden Bos- en Natuurgebied’ (zie hierboven bij nr. 2.1). De hoogste waarde (6,50 per m²) ontleent het onteigende volgens de deskundigen aan het krachtens overgangsrecht voort te zetten agrarische gebruik (zie rov. 2.13). Het overblijvende (d.w.z. het resterende deel van perceel [A] [001] en de niet onteigende percelen [A] [003] en [A] [004], groot 2.74.60 ha, totaal 02.74.60 ha) ligt niet in het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos’ en heeft volgens het aldaar geldende bestemmingsplan de bestemming ‘agrarische-glastuinbouw’.25 De deskundigen hebben niettemin bij hun taxatie van het gehele complex vóór onteigening26 aan het onteigende en het overblijvende dezelfde grondwaarde, n.l. € 6,50 per m², gegeven.27 De glastuinbouwbestemming brengt dus volgens de deskundigen geen meerwaarde met zich mee. Op de pleitzitting van 4 november 2014 hebben de deskundigen zich hierover nader uitgelaten (zie rov. 2.34), in het proces-verbaal van de zitting als volgt weergegeven:28

“Wij blijven erbij dat geen sprake is van waardevermindering van het overblijvende. Het overblijvende bestaat uit smalle percelen van circa 50 meter breed, die gescheiden worden door sloten. Gezien het slotenpatroon en de smalte van de percelen is glastuinbouw niet rendabel en reëel. De sloten zouden eventueel kunnen worden gedempt, maar moeten dan elders weer worden gegraven. Dat is een kostbare maatregel waarvoor bovendien toestemming moet worden verkregen van het Hoogheemraadschap. Je hebt een pad nodig om de kas te onderhouden en een pad om de sloot te kunnen onderhouden. Daarbij verlies je sowieso al twee meter. Daarom is glastuinbouw economisch niet reëel, noch voor noch na de onteigening. De meest gerede waarde is de agrarische waarde. Het is wel technisch mogelijk, maar economisch niet reëel.

Wij hebben naar de mogelijkheid gekeken om in samenwerking met de manege te verkavelen. Daar ligt echter ook een sloot tussen. Sloten kan je wel dempen, maar die moet je dan ook mogen dempen. De gedempte sloten moeten dan ook weer elders teruggebracht worden en dat gaat ten koste van de waarde van de grond.”

3.18

Op de vraag of het overblijvende in combinatie met het onteigende meerwaarde ontleende aan de op het overblijvende rustende glastuinbouwbestemming geeft het onteigeningsrecht geen antwoord. De deskundigen achten de glastuinbouw op het overblijvende niet rendabel en reëel, en zien daarom geen meerwaarde. Dat is een zuiver feitelijke kwestie waarin de rechtbank de visie van de deskundigen heeft gevolgd.

3.19

Met betrekking tot de drie argumenten die het middel aanvoert voor het gestelde motiveringsgebrek wijs ik op het volgende.

- Anders dan het middel stelt, zijn de deskundigen ter zitting van 4 november 2014 wel degelijk ingegaan op de mogelijkheid van ruilverkaveling met de naastgelegen manege. Zie de laatste alinea van het citaat hiervoor in 3.17.

- De deskundigen zijn inderdaad niet ingegaan op de ter zitting afgelegde verklaring van de partijdeskundige Van Kester, dat er wel meer kassen met een breedte van 50 meter worden gebouwd en dat Van Kester zelfs onlangs nog een kas met een breedte van 30 meter heeft gebouwd. Ik vermag evenwel niet in te zien waarom dat tot vernietiging zou moeten leiden. De rechtbank heeft haar oordeel dat kassenbouw ter plaatse niet reëel is, kennelijk29 (mede) gebaseerd op de door de rechtbank gedeelde visie van de deskundigen dat zodanige bouw ter plaatse te kostbaar is wegens de noodzaak om sloten te dempen en elders weer te graven waarvoor toestemming nodig is van het Hoogheemraadschap.

- De klacht van het middel (die ik aldus begrijp:) dat de deskundigen zichzelf tegen-spreken omdat zij op blz. 16 van hun rapport verklaarden dat glastuinbouw op het overblijvende juist wel mogelijk zou zijn, lijkt mij ongegrond. Het middel doelt naar ik aanneem op de passage in het rapport (blz. 16):

“Op het overblijvende (de percelen [A] [003], [A] [004] en [A] [001] ged., tezamen groot 02.74.60 hectare) is daarentegen de enkelbestemming ‘agrarisch-glastuinbouw’ geprojecteerd. Aldaar kunnen dus wel kassen worden opgericht.”

Deze passage is kennelijk, en begrijpelijk, door de rechtbank aldus opgevat dat kassenbouw planologisch-juridisch toegestaan is, en niet in die zin dat kassenbouw economisch reëel is.

3.20

Ook dit middel lijkt mij dus ongegrond.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Zie hiervoor het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014, rov. 2.4.

2 ECLI:NL:RBDHA:2014:15081.

3 Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo. art.54t lid 1Ow.

4 Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1Ow.

5 Zie rov. 2.8.4 van het vonnis van 3 december 2014. In het Koninklijk Besluit is vermeld dat het bestemmingsplan de resultante is van een beleidsontwikkeling die door de Provincie begin jaren negentig is ingezet om doorlopende natuur- en recreatiegebieden aan te leggen in de S-vormige ruimte tussen de rond Den Haag en Rotterdam gelegen steden, en dat de Provincie met het programma Groenblauwe Slinger deze gebieden groen wil houden en op sommige plekken wil uitbreiden met natuur en recreatie.

6 Het hierna volgende is ontleend aan rov. 2.8.1-2.8.3 van het vonnis alsmede blz. 4-7 van het deskundigenrapport.

7 Rov. 2.9.

8 Rov. 2.10.

9 Zie rov. 2.16, in cassatie niet bestreden, par. 1-10 van de reactie van Van den Berg q.q. van 16 april 2014 op het concept-deskundigenrapport van 5 februari 2014 en het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2014, blz. 3.

10 Rov. 2.33 en de pleitaantekeningen van mr. Van den Berg ten behoeve van de zitting van 4 november 2014, nrs. 21-26.

11 Zie rov. 2.34 alsmede het proces-verbaal van de pleitzitting van 4 november 2014, blz. 5.

12 S.t. mrs. Scheltema en Wiegerink, par. 2.4 en 2.8.

13 ECLI:NL:HR:2016:66, ECLI:NL:HR:2016:67 en ECLI:NL:HR:2016:68.

14 De uitspraak van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam viel tussen de opstelling van het conceptrapport en die van het definitieve deskundigenrapport in de onderhavige zaak. In het in de maand februari 2014 opgestelde conceptrapport hebben de deskundigen zich gebogen (blz. 12-14) over de vraag of er ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandsebos’ (28 juni 2007) aan het onteigende al een bestemming werd gegeven die slechts werd vastgesteld om de planologische onderbouwing te geven van een al bestaand concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, en die vraag in ontkennende zin beantwoord. In het definitieve deskundigenrapport (blz.12-13) hebben de deskundigen gerefereerd aan de vonnissen van de Rotterdamse rechtbank, maar die boden de erven [betrokkene 1] volgens de deskundigen geen soelaas, omdat (naar de deskundigen uit het onteigenings-KB van 11 april 2011 (Stcrt. 2011 nr. 6963) afleidden) een eventueel plan voor het werk dat ten grondslag kon hebben gelegen aan het bestemmingsplan ‘Balij-Bieslandse Bos uit 2007 in beginsel pas in de jaren ’90 kan zijn ontstaan, zodat het in 1971 opgestelde plan ‘De Delftse Hout’ niet kan gelden als plan voor het werk dat heeft geleid tot de daaropvolgende bestemmingsplannen.

15 ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631.

16 Ontleend aan rov. 3.6.1. van Uw arrest van 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:1016:1700 ([…]/Provincie Zeeland).

17 ECLI:NL:HR:1016:1700.

18 Bij ‘Recreatieve doeleinden van actieve aard met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen’ moet volgens mij worden gedacht aan sportvelden met kleedruimten en sportkantines e.d., niet aan bos- en natuurgebied.

19 Zie hierboven bij 2.1. Ik ga ervan uit dat die inrichting moet worden aangemerkt als het werk waarvoor onteigend is.

20 ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2013/110 met noot E.J.W. de Groot.

21 Daarover: rov. 4.1.4 van Uw arrest van 15 januari j.l. inzake Bureau Beheer Landbouwgronden/[…], ECLI:NL:HR:2016:68: plannen die slechts een algemeen karakter hebben en nader dienen te worden uitgewerkt alsmede toekomstige plannen, kunnen geen plan voor het werk waarvoor onteigend wordt (als bedoeld in art. 40c Ow) zijn.

22 Het onderdeel verwijst naar rov. 2.34 van het vonnis van 3 december 2014 en blz. 5 van het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2014.

23 Het onderdeel verwijst naar blz. 4 en 5 van het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2014.

24 ECLI:NL:HR:2015:2805.

25 Deskundigenrapport blz. 16 en blz. 26.

26 Waarbij het dus, volgens de beginselen van (rov. 3.2.3 van) Uw arrest van 21 november 2008 inzake […]/Rivierenland (ECLI:NL:HR:2008:BF0415, NJ 2009/303 met noot P.C.E. van Wijmen) gaat om de waarde van het complex waarbij geen rekening is gehouden met het werk waarvoor onteigend wordt en het plan daarvoor.

27 Deskundigenrapport blz. 25-26.

28 Proces-verbaal van de zitting van 4 november 2014, blz. 5l.

29 Zie de woorden van de rechtbank in rov.2.35: “De deskundigen hebben vervolgens op goede gronden geconcludeerd (…)”.