Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:512

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-04-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
15/01004
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1240, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplegging Tbs-maatregel bij veroordeling t.z.v. art. 6 jo. 175 WVW 1994. Motiveringsplicht ex art. 359.7 Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:BY8434: ingeval aan verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd t.z.v. een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, dient de rechter zulks – bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359.7 Sv – in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen. I.c. faalt de klacht over het oordeel van het Hof dat de Tbs-maatregel wordt opgelegd t.z.v. een misdrijf als hiervoor bedoeld. De strafbaarstelling van art. 6 WVW 1994 betreft immers - kort gezegd - een ernstig misdrijf met de dood of (zwaar) lichamelijk letsel als gevolg. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de vastgestelde f&o, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01004

Zitting: 26 april 2016

(bij vervroeging)

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 30 september 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens A “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, zesde, lid van deze wet en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en gevaarlijk heeft ingehaald” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. Verder heeft het hof met betrekking tot het onder A bewezenverklaarde gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De verdachte is voorts door het hof wegens het onder B bewezenverklaarde, “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Tot slot heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 4.500,00. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof “dat de TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.” Volgens de toelichting op het middel geeft deze overweging blijk van een onjuiste uitleg van het begrip “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” zoals dat voorkomt in art. 38e lid 1 Sr.

  4. Het hof kon aan de verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf, omschreven in het derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van art. 175 van de Wegenverkeerswet 1994 (art. 37a lid 1, 10, Sr). Aan het slot van de overwegingen waarin het hof uiteen zet waarom dient te worden gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, overweegt het hof:

“Het hof overweegt dat de TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat de totale duur van deze TBS-maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan en dus ongemaximeerd is.”

5. Kennelijk is deze overweging ingegeven door hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434:

“4.2. De Hoge Raad merkt op dat de hiervoor onder 3.3 weergegeven beslissing van het EHRM betrekking had op een zaak waarin de rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging (hierna: TBS) had opgelegd (de zogenoemde opleggingsrechter) zich niet had uitgelaten over de vraag of sprake was van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna kortheidshalve samengevat als: geweldsmisdrijf), en waarin de rechter die aanvankelijk op de vordering tot verlenging van die maatregel had beslist (de zogenoemde verlengingsrechter), had geoordeeld dat geen sprake was van zo een geweldsmisdrijf. Pas de rechter die in hoger beroep moest beslissen over verlenging van de TBS oordeelde anders en merkte het feit waarvoor de maatregel was opgelegd wel aan als een geweldsmisdrijf.

De Hoge Raad verstaat deze beslissing van het EHRM [EHRM 31 juli 2012 nr. 21203/10; WHV], waarin het belang van de rechtszekerheid wordt benadrukt als het gaat om vrijheidsberoving, aldus dat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een vrijheidsberoving te kunnen aanmerken als rechtmatig ("lawful"/"régulière") in de zin van art. 5, eerste lid, EVRM, duidelijk moeten zijn omschreven en dat de wijze waarop zij worden toegepast in redelijkheid voorzienbaar moet zijn. Dat brengt mee dat in gevallen als de onderhavige het oordeel van de opleggingsrechter omtrent de vraag of de TBS is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, beslissend is voor de vraag of de maatregel op de voet van de art. 38d en 38e Sr vatbaar is voor verlenging door de verlengingsrechter. Het is dus de opleggingsrechter die - kort gezegd - oordeelt dat de door hem opgelegde TBS wel of niet is gemaximeerd.

4.3. De vaststelling van dat oordeel door de verlengingsrechter zal in de regel betrekkelijk eenvoudig zijn indien de opleggingsrechter in zijn motivering van de opgelegde TBS - bij voorkeur in de bewoordingen van art. 359, zevende lid, Sv - tot uitdrukking heeft gebracht dat de maatregel wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf - dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen - bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1°, Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd.”

6. Met betrekking tot de vraag of onder het begrip “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” zoals dat voorkomt in art. 38e lid 1 Sr, ook kan worden begrepen overtreding van art. 6 WVW 1994 in de in art. 175 lid 3 WVW 1994 beschreven strafverzwarende vorm zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 37a lid 1 Sr:

“De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1° het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en

2° de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.”

- art. 37b Sr:

“1. De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

2. Indien de rechter naast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een gevangenisstraf heeft opgelegd kan de rechter in zijn uitspraak een advies opnemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen.”

- art. 38e lid 1 (oud) Sr, zoals dat is ingevoerd bij de op 1 september 1988 in werking getreden wet van 19 november 1986, Stb 1986, 5871, houdende Herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen en enkele andere wetten omtrent de maatregel van terbeschikkingstelling en enige andere onderwerpen die met de berechting van geestelijk gestoorde delinquenten samenhangen:

“Verlenging van de termijn der terbeschikkingstelling is slechts mogelijk voor zover de totale duur van die terbeschikkingstelling daardoor een periode van vier jaar niet te boven gaat, tenzij:

1° de maatregel van terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van een geweldsmisdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor een of meer personen, en tevens

2° de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging eist.”

- art. 38e lid 1 (oud) Sr, zoals dat is ingevoerd bij Wet van 15 december 1993, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Beginselenwet gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling en de observatie (Stb. 1994, 13), in werking getreden op 15 januari 1994:

“De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

- art.38e Sr, zoals dat thans luidt:

“1. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

2. Behoudens de gevallen waarin een bevel als bedoeld in artikel 37b of artikel 38c is gegeven, gaat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van negen jaar niet te boven.

3. Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens worden verlengd, wanneer de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging eist.”

- art. 359, leden 7 en 8 Sv:

“7. Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.
8. Alles op straffe van nietigheid."

- Art 11 Grondwet (hierna: Gw):

“Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.”

7. Het hiervoor aangehaalde art. 38e (oud) Sr maakte deel uit van een wijziging van het Wetboek van Strafrecht die erop was gericht de duur van de terbeschikkingstelling in beginsel aan een maximum te binden. Art. 38e (oud) Sr bevatte de uitzondering op die regel. De regering had aanvankelijk voorgesteld de duur van de terbeschikkingstelling in beginsel te beperken tot ten hoogste zes jaar.2 Gedurende het wetgevingsproces wijzigde de regering haar voorstel en koos voor een duur van ten hoogste vier jaar.3

8. Het bepaalde in het op 1 september 1988 ingevoerde art. 38e lid 1 (oud) Sr bleek in de praktijk niet te voldoen. Bezwaar van deze bepaling was, dat onder het begrip “geweldsmisdrijf” enkele ernstige zedendelicten niet werden begrepen hoewel het voor sommige veroordeelden ter zake van die delicten niet gewenst werd geacht de terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan een maximale duur te binden. Dit leidde in 1994 tot een wetswijziging4 waarbij het begrip “geweldsmisdrijf” in art. 38e lid 1 (oud) Sr werd vervangen door “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Bij Wet van 1 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (Aanpassingen tbs met voorwaarden), in werking getreden op 1 september 2010, werd na “terbeschikkingstelling” ingevoegd: “met bevel tot verpleging van overheidswege”. Voorts werd daarbij het huidige tweede lid ingevoegd onder vernummering van het bestaande tweede lid tot derde lid.

9. De parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van 1994 houdt - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - in, voor zover hier van belang:

“In de praktijk zijn bij de verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling problemen gerezen rondom de uitleg van het begrip «geweldsmisdrijf» als bedoeld in artikel 38, onder 1, WvSr. Dit begrip is immers noch in de betekenistitel van het Wetboek van Strafrecht noch in de betekenistitel van het Wetboek van Strafvordering omschreven. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt niet altijd voldoende aanknopingspunten om met betrekking tot die misdrijven, die niet als expliciet delictsbestanddeel «geweld» bevatten, steeds te voorzien of voldaan kan worden aan de in artikel 38, onder 1, WvSr voor de verlenging van de terbeschikkingstelling gestelde voorwaarde.

Artikel 38e WvSr is bij nota van wijzigingen opgenomen in het wetsvoorstel 11 932 . De voorgestelde maximumduur van zes jaar is nadien bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer bij amendement teruggebracht tot vier jaar.

Uitgaande van de verdeling van ter beschikking gestelden, met een looptijd van de maatregel langer dan zes jaar, naar delict is in de memorie van antwoord een opsomming gegeven van de delicten waarvoor in de toekomst de maximumduur niet van toepassing zou zijn. Daaronder vielen de volgende misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht:

- brandstichting indien daaraan levensgevaar voor een ander te duchten is (art. 157, onder 2);

- brandstichting met dood tot gevolg (art. 157, onder 3);

- mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (art. 300, tweede lid);

- zware mishandeling (art. 302);

- doodslag (art. 287);

- moord (art. 289);

- diefstal met geweld (art. 312);

- aanranding der eerbaarheid (art. 246);

- verkrachting (art. 242).

Onder de misdrijven in het Wetboek van Strafrecht waarvoor de maximumduur van toepassing zou zijn, werden gerekend:

- brandstichting met gevaar voor goederen (art. 157, onder 1);

- eenvoudige en gekwalificeerde diefstal (artt. 310, 311);

- ontucht met persoon beneden de zestien jaar (art. 247)

- vleselijke gemeenschap met meisje beneden de twaalf jaar (art. 244).

In de nota naar aanleiding van het eindverslag stelden de toenmalige bewindslieden het navolgende:

«Voorts verzochten de leden om een nadere omschrijving van het begrip geweldsmisdrijf en vroegen zij waarom het delict van artikel 244 WvSr (vleselijke gemeenschap met een meisje beneden de leeftijd van 12 jaar) in de tabel op blz. 11 van de memorie van antwoord niet was ingedeeld bij de categorie geweldsmisdrijven. Het begrip geweldsmisdrijf heeft betrekking op een misdrijf waardoor gevaar voor een of meer personen wordt veroorzaakt. Dit gevaar kan ontstaan ten gevolge van misdrijven die worden omschreven in de titels V (misdrijven tegen de openbare orde, VII (gemeengevaarlijke misdrijven), VIII (misdrijven tegen het openbaar gezag) en XIV (zedenmisdrijven) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Voorts behoren tot de geweldsmisdrijven de delicten omschreven in titel XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XIX (misdrijven tegen het leven gericht) en XX (mishandeling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Het delict vervat in artikel 244 WvSr is in de memorie van antwoord ten onrechte niet bij de geweldsmisdrijven ingedeeld».

De opvattingen omtrent de reikwijdte van het begrip «geweld» wijzigen zich. Te wijzen valt op de Regeringsnota met betrekking tot het beleid ter bestrijding van sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes. Sexueel geweld wordt in de nota in verschillende uitingsvormen beschreven. Uitgangspunt is de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en de vrijheid tot sexuele zelfbeschikking. Op blz. 18 van deze nota wordt onder meer gesteld: «In het Wetboek van Strafrecht worden onder sexuele geweldsmisdrijven verstaan aanranding en verkrachting, sexueel verkeer met minderjarigen en/of afhankelijke of bewusteloze personen». Ook misdrijven die geen toepassing van fysiek geweld veronderstellen, zoals het plegen van ontucht, worden als sexuele geweldsmisdrijven gekenschetst. In de voortgangsrapportage sexueel geweld en het WVC-beleid (blz. 3) wordt als sexueel geweld aangemerkt «iedere situatie waarin iemand er onder dwang toe wordt gebracht sexuele handelingen te ondergaan». Volgens de voortgangsrapportage wordt hierbij de «fysieke en/of psychische integriteit van het slachtoffer geschonden en wel op een wijze die betrekking heeft op haar of zijn geslachtskenmerken».

In het nader gewijzigd voorstel van wet tot wijziging van de artikelen 242 tot en met 249 van het Wetboek van Strafrecht wordt voorgesteld deze strafbepalingen aan te scherpen ten einde betere bescherming te bieden tegen bepaalde vormen van sexueel geweld. Blijkens de memorie van toelichting wordt aangesloten bij de omschrijving van het begrip «sexueel geweld» in voormelde Regeringsnota «Bestrijding seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes». Op 1 december 1991 zijn de gewijzigde artikelen 242 tot en met 249 WvSr in werking getreden. Het voorgaande is ook voor de uitleg van het begrip «geweldsmisdrijf» als bedoeld in artikel 38e, onder 1, WvSr niet zonder betekenis. Indien de executieve en de rechtspraak zich uitsluitend zouden laten leiden door de wetshistorische interpretatie, dan staat alleen vast dat het de bedoeling van de wetgever is geweest het misdrijf van artikel 247 WvSr niet en de misdrijven omschreven in de artikelen 242, 244 en 246 WvSr wél als geweldsmisdrijf aan te merken. Met betrekking tot het misdrijf omschreven in artikel 244 WvSr is uitdrukkelijk in de nota naar aanleiding van het eindverslag gesteld dat dit misdrijf ten onrechte niet bij de geweldsmisdrijven is ingedeeld. Dit standpunt is bij de verdere behandeling van wetsvoorstel 11 932 onweersproken gebleven. Met betrekking tot het misdrijf omschreven in artikel 247 WvSr hebben de toenmalige bewindslieden in de memorie van antwoord gesteld dat het geen geweldsmisdrijf betreft. Met betrekking tot de misdrijven omschreven in de artikelen 242 en 246 WvSr is in de memorie van antwoord gesteld dat zij als geweldsmisdrijven aangemerkt dienen te worden. Dit standpunt is eveneens onweersproken gebleven. De misdrijven omschreven in de artikelen 242 en 244 bevatten als delictsbestanddeel «geweld of bedreiging met geweld». Het misdrijf omschreven in artikel 247 WvSr bevat dit delictsbestanddeel niet. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten bij de beantwoording van de vraag of de misdrijven omschreven in de bestaande artikelen 243, 245, 249 en 250ter WvSr onder het toepassingsbereik van artikel 38e, onder 1, WvSr vallen.

Het valt niet te verwachten dat in de rechtspraak spoedig een algemene definitie omtrent dit begrip zal worden gegeven, evenmin als dat het geval was met betrekking tot het begrip «geweldsmisdrijf». De rechter beperkt zich in de regel tot de beoordeling van het concrete geval zoals hem dat is voorgelegd. Met betrekking tot dat concrete geval zal hij zich afvragen of er al dan niet sprake was van een geweldsmisdrijf. Voor de ontwikkeling van jurisprudentie omtrent de rubricering van verschillende delicten als geweldsmisdrijven is voorts de medewerking van het openbaar ministerie nodig. Als het openbaar ministerie zou besluiten om ter zake van bepaalde delicten na vier jaar geen verlenging te vorderen, omdat het desbetreffende delict door het openbaar ministerie niet als geweldsmisdrijf wordt aangemerkt, zal hieromtrent nooit het rechterlijk oordeel kunnen worden gevraagd. Voorts bestaat onzekerheid over de vraag of de voldoening van de in artikel 38e, onder 1, WvSr gestelde voorwaarde moet worden beoordeeld aan de hand van de bewezenverklaring en de kwalificatie of dat ook de bewijsmiddelen bij de oordeelsvorming betrokken mogen worden. Kortom verwacht moet worden dat de onzekerheid over de uitleg van het begrip «geweldsmisdrijf» niet onmiddellijk en voor altijd kan worden opgelost.

De onzekerheid over de uitleg van het begrip «geweldsmisdrijf» in artikel 38e, onder 1, WvSr is niet alleen merkbaar bij de behandeling van ter beschikking gestelden. Ook de rechter die met de oplegging van de straf of maatregel is belast, kan hier problemen door ondervinden. Juist vanwege de onduidelijkheid omtrent de uitleg van dit begrip en dientengevolge ook omtrent de maximering van de op te leggen terbeschikkingstelling kan de rechter er om die reden toe overgaan over te stappen naar de (lange) gevangenisstraf.

Het lijkt mij thans gewenst dat aan de onzekerheid omtrent de vraag welke sexuele misdrijven als geweldsmisdrijven moeten worden beschouwd een einde wordt gemaakt en dat voorts het dubieuze onderscheid tussen het misdrijf omschreven in artikel 244 enerzijds en het misdrijf omschreven in artikel 247 anderzijds eveneens tot het verleden gaat behoren. Hieraan bestaat te meer behoefte, nu de wettelijke regeling inzake de zedendelicten ingrijpend wordt gewijzigd en het door de toenmalige bewindslieden gemaakte onderscheid tussen de zedendelicten, die wel en niet als geweldsmisdrijven moeten worden aangemerkt, zijn betekenis goeddeels heeft verloren. Voorts wijs ik er op dat ongeveer een derde van de terbeschikkingstellingen (mede) wordt opgelegd ter zake van het begaan van een sexueel delict. De behandeling van sommige sexuele delinkwenten kan langdurig van aard zijn en de periode van vier jaar te boven gaan.

Ik stel daarom voor het begrip «geweldsmisdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor een of meer personen» te vervangen door het begrip: misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Deze omschrijving sluit aan bij het bepaalde in artikel 11 van de Grondwet. Voor een verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging na vier jaar komen behalve de sexuele delicten, waarin het bestanddeel «geweld» is opgenomen zoals de misdrijven omschreven in de artikelen 242 en 246 WvSr, ook de misdrijven omschreven in de artikelen 243, 244, 245, 247, 248ter, 249, 250, eerste lid, aanhef en onder 1, of 250, eerste lid, aanhef en onder 2, en tweede lid, WvSr in aanmerking. Voorts vallen onder het bereik van de nieuwe omschrijving ook de reeds hiervoor genoemde misdrijven die blijkens de memorie van antwoord behorende bij het wetsvoorstel 11 932 thans als geweldsmisdrijven moeten worden aangemerkt.

De in artikel 38e, onder 1, WvSr gestelde voorwaarde, zowel in de huidige tekst als in de door mij voorgestelde tekst, betreft een additionele voorwaarde voor de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging. Voor alle verlengingen geldt immers de voorwaarde dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging moet eisen. Zie de huidige artikelen 38d, tweede lid, en 38e, onder 2, WvSr. Laatstgenoemde voorwaarde vraagt om een prognostisch oordeel van de rechter op het moment dat over de verlenging van de terbeschikkingstelling beslist moet worden. Eerstgenoemde voorwaarde daarentegen betreft de vaststelling van een feit dat zich in het verleden heeft afgespeeld, namelijk of de ter beschikkingstelling is toegepast ter zake van een (gewelds)misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor (de onaantastbaarheid van het lichaam van) een of meer personen. De uitkomst van de beraadslaging door de rechter over de voldoening aan deze voorwaarde op het moment van de oplegging van de terbeschikkingstelling of op het moment van de verlenging van de terbeschikkingstelling behoort in principe dezelfde te zijn. Het gaat hier om een zuivere rechtsvraag waarvoor geen nader feitenonderzoek noodzakelijk is. Van de verlengingsrechter wordt niet geëist dat hij nagaat in hoeverre de ernstige inbreuk op de rechtsorde ten gevolge van het desbetreffende misdrijf is verbleekt en voorts retrospectief onderzoekt of dat misdrijf thans nog een terbeschikkingstelling rechtvaardigt.5

De leden van de SGP-fractie vroegen tegen de achtergrond van hun zorg voor de veiligheid van de samenleving naar de effecten van de nieuwe regeling op de veiligheidsrisico's. Ik verwacht dat de voorgestelde regeling een positieve uitwerking zal hebben; het doel van het wetsvoorstel is immers een verbetering van de besluitvorming bij het opleggen van de terbeschikkingstelling en een verduidelijking van de gevallen waarin een terbeschikkingstelling van onbepaalde duur kan worden opgelegd. De rechter die de maatregel oplegt bepaalt tevens tegelijkertijd of deze van al dan niet beperkte duur zal zijn. De rechter die moet beoordelen of de maatregel moet worden verlengd behoeft die keuze niet meer te maken. Ten tweede voorziet het wetsvoorstel erin dat degene die hetzij reeds meteen medewerking weigert aan een onderzoek naar de aanwezigheid van een geestelijke stoornis hetzij nieuwe medewerking in het verdere verloop van de procedure afwijst, daarmee niet kan bereiken dat er derhalve geen terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. In de derde plaats merk ik op dat het aantal gevallen, waarin de beperking van de maximale duur van de terbeschikkingstelling kan worden opgeheven, wordt verruimd, namelijk door een vervanging van het bestaande begrip «geweldsmisdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor een of meer personen» te vervangen door de omschrijving «misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen». Hiermee komt een einde aan de onzekerheid welke seksuele delicten als zo'n geweldsmisdrijf kunnen worden aangemerkt. Deze leden hadden kennis genomen van het artikel van D.J.F. Hoekstra «Eeuwig» proefverlof voor tbs-gestelden (Nederlands Juristenblad 1993, blz. 141-142) en informeerden naar mijn reactie daarop.

Ik stel voorop dat de door de heer Hoekstra aan de orde gestelde problematiek niet ten gronde in dit wetsvoorstel aan de orde komt; dat zal wel het geval zijn in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing, die voor advies aan de Raad van State is toegezonden.

Voor zover de heer Hoekstra ingaat op de mogelijke discrepantie tussen het strafrechtelijke proportionaliteitsbeginsel (straf naar de - begrensde - mate van schuld) en de lange of soms onbegrensde duur van de tbs-maatregel, verwijs ik andermaal naar de verduidelijking van het hiervoor weergegeven criterium in artikel 38e Sr.: de rechter die de maatregel oplegt bepaalt tevens of het delict van die aard was dat een ongemaximeerde terbeschikkingstelling is aangewezen. Bovendien is zoals hiervoor uiteengezet ook verduidelijkt in welke gevallen een tbs-maatregel van onbepaalde duur kan worden opgelegd, zodat beter rekening kan worden gehouden met de noodzaak om een aangevangen behandeling te voltooien. Ik wijs voorts op het rapport van de z.g. commissie Fokkens Sancties op maat, dat op 28 juni 1993 aan mij is aangeboden, en waarin aan deze problematiek aandacht wordt besteed. Zij stelt voor de mogelijkheid tot voorwaardelijke beëindiging van verpleging door de rechter in te voeren, waarbij bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, als opname in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis, een beschermde woonvorm, het volgen van bepaalde therapieën of het nemen van medicatie.”6

10. Voor de hier aan de orde zijnde vraag is voor alles van belang of culpoze delicten onder het oorspronkelijk in art. 38e lid 1 Sr opgenomen begrip ”geweldsmisdrijf” begrepen worden. Is dat het geval dan betekent dit dat culpoze delicten ook worden omvat door “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”, een begrip dat immers is ingevoerd om de gevallen waarin de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd, uit te breiden.

11. De wet kent geen beschrijving van het begrip “geweldsmisdrijf”. Van Dale beschrijft het synoniem van geweldsmisdrijf, geweldsdelict, als delict dat bestaat uit of gepaard gaat met lichamelijk geweld. Blijkens de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis begreep de wetgever onder “geweldsmisdrijf” uitsluitend doleuze delicten. Deze gaan niet allemaal gepaard met lichamelijk geweld, zoals brandstichting. Maar de wetgever is niet zover gegaan onder “geweldsmisdrijf” ook te begrijpen dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer onder strafverzwarende omstandigheden (art. 6 jo 175, leden 1 en 3, WVW 1994), hoewel het bij de invoering van het hiervoor aangehaalde, in 1988 ingevoerde art. 38e (oud) Sr7 mogelijk bleef ter zake daarvan (toen nog art. 36 lid 3 WVW oud) terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen (art. 37a oud en 37b oud Sr8).

12. De wijziging van “geweldsmisdrijf” in “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” is niet ingegeven door de behoefte ook dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer onder strafverzwarende omstandigheden (art. 6 jo 175, leden 1 en 3, WVW 1994) onder het bepaalde in art. 38e lid1 Sr te begrijpen, maar om buiten twijfel te stellen dat ook de in de memorie van toelichting genoemde zedendelicten vallen onder het bereik van het bepaalde in art. 38e lid 1 Sr.9

13. Bij de wijziging van “geweldsmisdrijf” in “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” is voor wat de gebezigde terminologie betreft aansluiting gezocht bij het bepaalde in art. 11 Gw voor wat betreft de term “onaantastbaarheid van het lichaam”. Daarmee is nog niet gezegd dat ieder misdrijf dat bestaat in aantasting van het lichaam van een persoon valt onder het begrip “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Het misdrijf, vervat in art. 6 jo. 175, leden 1 en 3, WVW 1994, bestaat wel in het inbreuk maken op de onaantastbaarheid van het lichaam maar is daar als culpoos delict niet op gericht. Het kan wel worden gezien als een misdrijf waardoor gevaar voor een of meer personen wordt veroorzaakt.

14. De term “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” komt terug in het voorstel van wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van de bevoegdheid tot het bevelen van een middelenonderzoek bij geweldplegers en enige daarmee samenhangende wijzigingen van de Wegenverkeerswet 1994 (33 799). Dit voorstel bevatte oorspronkelijk de mogelijkheid tot middelenonderzoek in geval van verdenking van “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” (art. 55d nieuw Sv):

“1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 141, onderdelen a tot en met c, kunnen in het belang van het onderzoek bevelen dat een aangehouden verdachte van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, medewerking verleent aan:

a. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht ter vaststelling van gebruik van alcohol;

b. een onderzoek van speeksel of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van gebruik van middelen ten aanzien waarvan is vastgesteld dat die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden, als bedoeld in het vierde lid.”10

15. Op grond van het door haar gewonnen inzicht, dat de voorgestelde bevoegdheid te ruim was11, wijzigde de regering het wetsvoorstel in die zin dat “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” werd vervangen door “geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten”. Zij achtte het gewenst aan te sluiten bij andere bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Deze kunnen ook alleen maar worden toegepast in geval van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.12 Daarmee is overigens niet de vraag beantwoord waarom “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” moest worden vervangen door “geweldsmisdrijf”, een term die het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering alleen kennen in art. 14c en 77c Sr en in art. 257a Sv: “schadefonds geweldsmisdrijven”.

16. Over de vraag of de door de regering nader voorgestelde mogelijkheid tot middelenonderzoek ruim genoeg was, bevat de nota naar aanleiding van het verslag het volgende:

“De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel ziet op toepassing van onderzoeken naar alcohol- of drugsgebruik bij een verdenking van een geweldsdelict waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Deze leden vragen waarom in het wetsvoorstel door het hanteren van dit criterium een aantal strafbaarstellingen van die onderzoeken uitgesloten zijn, bijvoorbeeld artikel 307, eerste lid, Sr (dood door schuld) en 308, eerste lid, Sr (zwaar lichamelijk letsel door schuld). Zij vragen of uitsluiting van deze twee artikelen niet opmerkelijk is in het licht van de veronderstelling dat alcohol- en drugsgebruik ook van invloed kan zijn op het begaan van die delicten.

Aanleiding voor de beperking van de inzet van het middelenonderzoek tot geweldsmisdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, zijn de adviezen van de Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten geweest. Deze organisaties vonden het oorspronkelijk gekozen criterium waarbij die beperking niet gold, te ruim. In het licht van de toepassingsvoorwaarden voor andere bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van de verdachte, heeft hun kritiek mij doen beseffen dat dat inderdaad het geval was. De andere bevoegdheden kunnen ook alleen maar worden toegepast in geval van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De bevoegdheid tot het inzetten van een middelenonderzoek grijpt niet minder in op de lichamelijke integriteit van betrokkene dan die andere bevoegdheden. Het is dan ook vanuit het oogpunt van consistentie logisch dat daarvoor dezelfde of vergelijkbare toepassingsvoorwaarden gelden. Door in dit wetsvoorstel aan te sluiten bij dat criterium is toepassing van een middelenonderzoek bij dezelfde strafbare feiten mogelijk als waarbij bijvoorbeeld tegen de wil van de verdachte celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek kan worden afgenomen of een van de onderzoeksmaatregelen uit artikel 61a Sv kan worden toegepast.”13

17. Het valt op dat de leden van de CDA-fractie het misdrijf van art. 307 lid 2 Sr (dood door schuld bestaande in roekeloosheid) kennelijk wel onder het begrip “geweldsmisdrijf” begrijpen. Zij klagen immers alleen dat door de bevoegdheid tot middelenonderzoek te beperken tot geweldsmisdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan in geval van misdrijven als bijvoorbeeld 307, eerste lid, Sr (dood door schuld) en 308, eerste lid, Sr (zwaar lichamelijk letsel door schuld) geen middelenonderzoek kan worden toegepast. Dit laatste vindt bevestiging in het – door de Tweede Kamer aangenomen – amendement Toorenburg:

“De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel A, wordt in artikel 55d, eerste lid, na «dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen» ingevoegd: of een aangehouden verdachte van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Toelichting

Dit amendement regelt dat opsporingsambtenaren in het belang van het onderzoek eveneens een aangehouden verdachte van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen bevelen medewerking te verlenen aan een voorlopig middelenonderzoek.

In het oorspronkelijk conceptwetsvoorstel kende onderhavig wetsvoorstel een bredere toepassing. Enkele geconsulteerde partijen vonden het gekozen criterium te ruim en naar aanleiding daarvan maakt de regering nu de voorgestelde middelentest enkel mogelijk bij geweldsmisdrijven waarbij voorlopige hechtenis (artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering) kan worden toegepast. De regering motiveert dat door de lichamelijke integriteit van de verdachte te verkiezen boven algemene toepassing van een middelentest, ook bij relatief lichtere misdrijven.

Hoewel veel gepleegde misdrijven geen verband houden met het gebruik van alcohol en/of drugs (vooraf) en de mogelijkheid van een middelentest daarbij dan ook niet nodig is, zou die mogelijkheid bij een aantal misdrijven wellicht toch nuttig kunnen zijn, zo meent de indiener. Indien naar aanleiding van een middelentest vervolgens een hogere straf kan worden opgelegd en/of een bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd kan dat wel degelijk een nuttige bijdrage leveren aan de algemene doelen van rechtspleging.

Indiener begrijpt de grens die door de regering nu wordt gelegd bij het plegen van «geweldsmisdrijven» waarvoor de toepassing van voorlopige hechtenis is vereist. Op verzoek van de fractie van de indiener heeft de regering er bij nota van wijziging voor gekozen om het aantal geweldsmisdrijven uit te breiden die onder toepassing van dit wetsvoorstel vallen. Het gaat dan volgens de regering om de misdrijven als omschreven in de artikelen 282, 282a, 285a, 285b, 287, 288, 290, 291, 300 tot en met 303, 307, tweede lid, 312, 317, 350, 385a, 385b en 385d van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor is het mogelijk dat ook bij gepleegde strafbare feiten die vallen onder titel XXVII «Vernieling of beschadiging» in het Wetboek van Strafrecht, een middelentest wordt ingezet.

Indiener is content dat dit verzoek is ingewilligd. Echter, er missen nog drie cruciale misdrijven die vanwege het strikte criterium van voorlopige hechtenis niet onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel vallen. Het betreft de artikelen 307, eerste lid (dood door schuld in de vorm van nalatigheid), en 308, eerste lid (zwaar lichamelijk letsel door schuld in de vorm van nalatigheid) en tweede lid (zwaar lichamelijk letsel door schuld in de vorm van roekeloosheid), van het Wetboek van Strafrecht.

Indiener meent dat ook bij verdenking van deze misdrijven een middelentest zou moeten worden ingezet indien daar aanleiding toe bestaat. Het is zo dat dit een uitzondering op de wetssystematiek betekent omdat bij deze artikelen geen voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Volgens indiener wordt dit gerechtvaardigd door de ernst van deze delicten en enorme impact die het kan hebben op slachtoffers en nabestaanden. Dat kan zowel gelden bij geweldspleging in de relationele sfeer als wel in het openbare uitgaansleven.

Is het achteraf aan hen uit te leggen dat geen middelentest is ingezet toen de verdachte werd verdacht van de (gepleegde) misdrijven? Indiener meent van niet.

Toepassing van de middelentest indien sprake is van een verdenking van het plegen van één van deze misdrijven, is volgens indiener dan ook gewenst en hiertoe strekt onderhavig amendement.”14

18. De wetgever vat hier het begrip “geweldsmisdrijf” dus zo ruim op dat daaronder culpoze delicten worden begrepen. Wanneer wordt bedacht dat in de opvatting van de wetgever bij dit wetsontwerp “geweldsmisdrijf” in elk geval niet meer strafbare feiten omvat dan “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” dan moet de conclusie zijn dat in de (huidige) ogen van de wetgever “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” ook culpoze delicten omvat.

19. Wordt uitgaande van deze uitleg van “geweldsmisdrijf” bedacht dat de wetgever bij wijziging van art. 38e Sr de opvatting huldigde dat “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” meer misdrijven omvat dan “geweldsmisdrijf” dan zou dat tot de conclusie moeten leiden dat onder “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” in art. 36e Sr ook culpoze misdrijven zouden moeten worden begrepen. Daar staat echter het volgende tegenover.

20. De term “geweldsmisdrijf” komt ook voor in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, zij het dat art. 3 lid 1 van deze wet spreekt van “opzettelijk geweldsmisdrijf”:

“1 Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan:

a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen;

b. (…)”

21. Over de term “geweldsmisdrijven” c.q. “geweldsdelicten” merkt de wetgever op:

“Culpoze delicten worden niet door de voorgestelde regeling bestreken. Aangezien het element van (bewuste) agressie bij deze delicten ontbreekt, kunnen zij trouwens moeilijk tot de geweldsmisdrijven worden gerekend.”15

en

“In de derde plaats is bepleit het fonds open te stellen voor slachtoffers van niet-opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijven. Zoals in de memorie van toelichting (blz. 5) bij de wet wordt opgemerkt kunnen deze culpose delicten moeilijk tot de geweldsdelicten worden gerekend omdat het element van (bewuste) agressie bij deze delicten ontbreekt. De consequentie hiervan is dat slachtoffers van deze delicten, hoe vervelend hun positie ook kan zijn, doorgaans niet kunnen worden gerekend tot de categorie van schrijnende gevallen waarvoor de wet in een tegemoetkoming voorziet. Ook hiermee zou het uitgangspunt van de wet - dat het moet gaan om schrijnende gevallen - worden verlaten.”16

22. In tegenstelling tot het voorstel van wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van de bevoegdheid tot het bevelen van een middelenonderzoek bij geweldplegers en enige daarmee samenhangende wijzigingen van de Wegenverkeerswet 1994 (33 799), zoals dat thans luidt, omvat het begrip “geweldsmisdrijf” in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven juist niet culpoze delicten.

23. Het voorgaande laat zien dat de wetgever een verre van eenduidige uitleg hanteert van de term “geweldsmisdrijf”. Het moge zo zijn dat in een recent wetsvoorstel onder “geweldsmisdrijf” culpoze delicten mede worden begrepen, dit lijkt een breuk te zijn met de uitleg die tot dan toe aan dat begrip werd gegeven, te weten niet omvattende culpoze delicten. Daarom zie ik in de meeste recente invulling van het begrip “geweldsmisdrijf” onvoldoende reden om onder het oorspronkelijk in art. 38e Sr gebezigde begrip “geweldsmisdrijf” culpoze delicten mede te begrijpen. Het komt dus aan op de vraag of de wetgever met de uitbreiding van “geweldsmisdrijf” naar “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” beoogde te bereiken dat ook in geval van veroordeling voor het misdrijf vervat in art. 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet aan een maximumduur zou worden gebonden.

24. Zoals hiervoor onder 9-12 reeds aan de orde is geweest, biedt de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de uitbreiding van gevallen waarin de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd (mede) is ingegeven door de behoefte om onder het in art. 38e lid 1 Sr opgenomen begrip “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” het misdrijf vervat in art. 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 te begrijpen. Daarom dient het in art. 38e lid 1 Sr opgenomen begrip “misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” aldus te worden verstaan dat daaronder culpoze delicten, waaronder het misdrijf vervat in art. 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, niet worden begrepen. Daarbij weeg ik mee dat een andere uitleg ingrijpende gevolgen heeft voor een verdachte, omdat deze de maximering van de terbeschikkingstelling buiten werking stelt en als uitzondering op de regel dus duidelijk door de wetgever moet zijn beoogd, ook uit een oogpunt van voorzienbaarheid17 voor de verdachte.

25. Het middel slaagt.

26. Ten aanzien van de redelijke termijn merk ik nog het volgende op. Namens de verdachte is op 14 oktober 2014 beroep in cassatie ingesteld. Ten tijde van de aanzegging in cassatie was hij gedetineerd. Inmiddels is de redelijke termijn in deze zaak overschreden. Met die overschrijding dient in cassatie in die zin rekening te worden gehouden, dat de opgelegde – en volgens het schrijven van de raadsman reeds door de verdachte uitgezeten – gevangenisstraf dient te worden verminderd overeenkomstig de door de Hoge Raad daarvoor passend geachte maatstaf.

27. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. De Hoge Raad kan er mee volstaan het bestreden arrest te vernietigen voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover het inhoudt dat de TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede dat de totale duur van deze TBS-maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan en dus ongemaximeerd is, met vermindering van de duur van de gevangenisstraf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken 11 932.

2 Kamerstukken II 1980-1981, 11 932, nrs. 5-7, p. 57.

3 Kamerstukken II 1984-1985, 11 932, nr. 32, p. 4.

4 Wet van 15 december 1993, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Beginselenwet gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling en de observatie (Stb. 1994, 13), in werking getreden op 15 januari 1994.

5 Kamerstukken II 1992-1993, 22 909, nr. 3, p. 6-9.

6 Kamerstukken II 1992-1993, 22 909, nr. 6, p. 1, 2.

7 Wet van 19 november 1986, Stb 1986, 587, houdende Herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen en enkele andere wetten omtrent de maatregel van terbeschikkingstelling en enige andere onderwerpen die met de berechting van geestelijk gestoorde delinquenten samenhangen.

8 Zoals ingevoerd bij Wet van 19 november 1986, Stb 1986, 587, houdende Herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen en enkele andere wetten omtrent de maatregel van terbeschikkingstelling en enige andere onderwerpen die met de berechting van geestelijk gestoorde delinquenten samenhangen. De tekst is het resultaat van een amendement Haas-Berger (Kamerstukken II 1983-1984, 11 932, nr. 18), erop gericht voor enkele feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk was terbeschikkingstelling met dwangverpleging te schrappen. De regering had oorspronkelijk voorgesteld terbeschikkingstelling met dwangverpleging te beperken tot alle feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk was (Kamerstukken II 1971-1972, 11 932, nr. 1 en 2).

9 Zie over de vraag of bedreiging ook valt onder “een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 38e, aant. 2 (suppl. 163. april 2014).

10 Kamerstukken II, 2013-2014, 33 799, nr. 2.

11 Kamerstukken II 2014-2015, 33 799, nr. 6, p. 10.

12 Kamerstukken II 2014-2015, 33 799, nr. 7.

13 Kamerstukken II 2014-2015, 33 799, nr. 6, p. 10.

14 Kamerstukken II 2015–2016, 33 799, nr. 16.

15 Kamerstukken II 1972, 12131, nr. 3, p. 5”.

16 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 24.

17 Dit punt wordt ook genoemd in de tweede alinea van rov. 4.2 van het onder 5 aangehaalde HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434.