Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:507

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
16/00408
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2046, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht. Ontneming ouderlijk gezag na periode van ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing in pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00408

mr. Keus

Zitting 3 juni 2016

Conclusie inzake:

[de moeder]

(hierna: de moeder)

verzoekster tot cassatie

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam

(hierna: de Raad)

verweerder in cassatie

advocaat: mr. M.M. van Asperen

Het gaat in deze zaak om de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarige kinderen ten aanzien van wie de rechtbank en het hof na een periode van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij een pleeggezin hebben geoordeeld dat terugplaatsing naar de moeder niet in het belang is van de kinderen.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Uit de moeder zijn geboren [kind 1] op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] en [kind 2] op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: de kinderen).

1.2 De kinderen verblijven sinds 12 november 2012 respectievelijk 22 augustus 2013 in een pleeggezin.

1.3 Het ouderlijk gezag over de kinderen werd door de moeder uitgeoefend. Dit ouderlijk gezag is door de rechtbank Rotterdam op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht bij beschikking van 31 juli 2015 beëindigd. Deze beëindiging volgde op een (verlengde) ondertoezichtstelling en een (verlengde) machtiging tot uithuisplaatsing.

1.4 Bij de beëindiging van het ouderlijk gezag is de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond benoemd tot voogdes over de kinderen.

1.5 Het hof heeft in zijn beschikking van 25 november 2015 de door de moeder tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerde grieven ongegrond verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.6 De moeder heeft bij cassatierekest van 25 januari 2016 (gedateerd 2015, maar bedoeld zal zijn 2016; LK), op dezelfde datum per telefax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, en derhalve tijdig, cassatieberoep tegen de beschikking van het hof van 25 november 2015 ingesteld. De Raad heeft bij verweerschrift van 21 maart 2016 verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep

2.1

Het cassatierekest omvat één cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen bestaat. Met de onderdelen 1 en 2 wordt geklaagd over de volgende rechtsoverwegingen:

“6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden het gezag van de moeder over de minderjarigen heeft beëindigd. Het hof neemt de gronden over waarop de rechtbank heeft geoordeeld en beslist en maakt deze tot de zijne. Anders dan de moeder stelt, is in de onderhavige situatie wel degelijk de aanvaardbare termijn verstreken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beantwoording van de vraag wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, afhankelijk is van zijn leeftijd en ontwikkeling en dat voor jonge kinderen de aanvaardbare termijn over het algemeen korter zal zijn dan voor oudere. Naar het oordeel van het hof ziet de aanvaardbare termijn niet enkel op de periode na de uithuisplaatsing, maar kan dit eveneens zien op de periode daaraan voorafgaand. De minderjarigen zijn drie respectievelijk twee jaar oud. In de thuissituatie bij de moeder zijn diverse hulpverleningstrajecten vergeefs ingezet. Zo zijn het Uitwijktraject van oktober 2012 tot begin november 2012, en vervolgens Families First, ingezet. Medio april/mei 2013 is Beter Beschermd Plus, een intensieve vorm van ambulante begeleiding, ingezet. Op 3 oktober 2013 is het Uitwijktraject gestart. Gedurende dit traject is gebleken dat de moeder niet in staat is de randvoorwaarden te scheppen die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, die nog erg jong en kwetsbaar zijn. Zo was er sprake van onder meer een vervuilde woonsituatie en persoonlijke problematiek van de ouders. De moeder is onder meer chaotisch en impulsief. Daarnaast is zij onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de minderjarigen en toont zij weinig affectie. De begeleide contacten bevestigen het beeld dat de moeder pedagogisch onmachtig is. Het is van belang voor de minderjarigen en de moeder dat duidelijkheid bestaat over hun opvoedingsperspectief. Dat ligt niet langer bij de moeder, maar bij de pleegouders. De minderjarigen ontwikkelen zich daar goed en zijn gehecht aan de pleegouders. Het is op dit moment niet meer verantwoord om te werken aan een terugplaatsing. De gezagsbeëindiging is dan ook terecht uitgesproken.

7 Gelet op het vorenstaande bekrachtigt het hof de bestreden beschikking.”

Onderdeel 1 van het middel klaagt over beide geciteerde rechtsoverwegingen en voert aan dat zowel het hof als de rechtbank hebben miskend dat op voet van art. 8 EVRM jo art. 3 IVRK jo art. 6 EVRM de belangen van de minderjarigen en de gezinssituatie van de minderjarigen steeds als eerste moeten worden beoordeeld en door de rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. Bij ontzegging van het gezag moet het belang van het kind groter zijn dan of gelijk zijn aan het probleem waarmee de ouders worstelen. Als het hof zulks niet heeft miskend, verwijt het onderdeel het hof zijn beschikking onvoldoende te hebben gemotiveerd.

Ter adstructie van de klacht wordt gesteld dat het hof prematuur, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het criterium van art. 1:266 lid 1 aanhef en onder a BW is voldaan en dat het perspectief van de minderjarigen bij de pleegouders ligt. In hoger beroep heeft de moeder volgens het onderdeel betoogd dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing niet was verstreken en dat het gezag dus niet diende te worden beëindigd. Daartoe heeft zij, nog steeds volgens het onderdeel, aangevoerd dat het uitwijktraject goed was verlopen, dat de gezinsbegeleider het verloop van de verzorging van de minderjarigen door de moeder onvoldoende heeft gemonitord, dat geen enkele andere vorm van hulpverlening is ingezet om toe te werken naar thuisplaatsing, dat de mogelijkheid van gezinsopname en netwerkplaatsing nooit is onderzocht en dat er nooit is onderzocht of het betrekken van William Schrikker Jeugdbescherming binnen een aanvaardbare termijn tot een thuisplaatsing van de kinderen zou kunnen leiden.

2.2

Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat er geen enkele aanwijzing is dat het hof de door het onderdeel bedoelde stellingen van de moeder niet bij zijn afwegingen heeft betrokken. Het tegendeel is het geval. In rov. 3 heeft het hof de bedoelde stellingen van de moeder uitvoerig weergegeven, evenals (in rov. 4) de reactie daarop van de Raad. Bij die stand van zaken ligt het alleszins voor de hand dat het hof die stellingen, alsmede de reactie daarop van de Raad, bij de vorming van zijn oordeel in rov. 6 in aanmerking heeft genomen.

De klacht van het onderdeel houdt ook niet in dat het hof die stellingen niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken. Veeleer lijkt de klacht te zijn gericht tegen de waardering van die stellingen in het licht van art. 1:266 lid 1 BW in samenhang met de door het onderdeel genoemde verdragsbepalingen. Die waardering, die goeddeels van feitelijke aard is, was aan het hof als feitenrechter voorbehouden. Voor zover het onderdeel erop is gericht dat de Hoge Raad opnieuw aan de hand van de stellingen van partijen beoordeelt of aan de door art. 1:266 lid 1 BW gestelde voorwaarden voor een beëindiging van het ouderlijk gezag is voldaan, is het tevergeefs voorgesteld. Voor een dergelijke beoordeling is in cassatie geen plaats.

2.3

Met betrekking tot de klacht dat het hof onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen en de gezinssituatie van de kinderen, teken ik het navolgende aan.

2.4

De kinderbeschermingsmaatregelen van boek 1 BW zijn in eerste instantie erop gericht de ouders zoveel mogelijk te faciliteren hun taak in de verzorging en opvoeding van minderjarigen naar behoren te vervullen. Zo wordt tijdens een ondertoezichtstelling intensief in het gezin geïnvesteerd opdat het pedagogisch gezag van de ouders wordt versterkt2.

2.5

Uit art. 1:266 lid 1 aanhef en onder a BW volgt dat het gezag van een ouder kan worden beëindigd indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding als bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. De verzorging en opvoeding behelzen volgens art. 1:247 lid 2 BW mede de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Voorts schrijft de bepaling voor dat de ouders in de verzorging en opvoeding van het kind geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toepassen.

Als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, behoeft niet onmiddellijk een gezagsbeëindiging te volgen. Indien te verwachten valt dat de ouders die het gezag uitoefenen, binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in de zin van art. 1:247 lid 2 BW te dragen, kan met een ondertoezichtstelling worden volstaan, zo volgt uit art. 1:255 lid 1 aanhef en onder b BW3.

2.6

In de onderhavige zaak zijn de kinderen aanvankelijk onder toezicht gesteld. Kennelijk was daarbij de verwachting dat de met de moeder en de kinderen in te zetten trajecten binnen een aanvaardbaar te achten termijn zouden kunnen leiden tot de situatie dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zou kunnen dragen. Wat een aanvaardbaar te achten termijn is, valt niet in de wet te lezen. Wel bepaalt art. 1:265j lid 3 BW dat een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing die minimaal twee jaar heeft geduurd, slechts kan worden verlengd als het verzoek daartoe van de gecertificeerde instelling vergezeld gaat van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming. In dat advies zou de Raad dan vooral moeten ingaan op de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel niet meer aangewezen is, zo volgt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming4:

“(…) Deze bepaling is opgenomen, omdat de kinderrechter goed moet kunnen beoordelen of verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds is aangewezen of dat wellicht de maatregel kan vervallen omdat de ouders de noodzakelijke zorg aanvaarden of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt. De raad geeft zijn visie in de vorm van een advies waarbij hij ingaat op de vraag of de ondertoezichtstelling niet onnodig wordt verlengd en of eventueel een gezagsbeëindigende maatregel meer aangewezen is.”

Art. 1:255 BW beoogt de minderjarige stabiliteit en continuïteit te bieden. De memorie van toelichting merkt met betrekking tot art. 1:255 lid 1 aanhef en onder b BW het volgende op5:

“In het eerste lid onder b is tot uitdrukking gebracht dat stabiliteit en continuïteit in de opvoeding van een kind belangrijk is. Deze bepaling is met name van belang bij verlenging van een ondertoezichtstelling. Bij een uithuisplaatsing die langer duurt, zal het steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen. Verlenging van een ondertoezichtstelling zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouders is derhalve niet meer mogelijk.”

Mocht blijken dat de ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige niet op zich kunnen nemen, dient aldus een gezagsbeëindigende maatregel te worden overwogen. In een dergelijk geval wordt het gezag zo mogelijk overgedragen aan de feitelijk opvoeders, zoals de pleegouders6:

“Indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, dient de - nieuwe - maatregel tot gezagsbeëindiging te worden overwogen waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders. Dit is een belangrijke concretisering van het belang dat een kind heeft bij stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding. Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, moet overwogen worden of het kind nog langer in onzekerheid mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. Voor jongere kinderen zal de termijn over het algemeen korter zijn dan voor oudere kinderen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk; precieze termijnen zijn niet te geven.”

2.7

In het onderhavige geval gaat het om minderjarigen die uit huis zijn geplaatst en zijn geplaatst bij een pleeggezin. Daarover wordt het volgende opgemerkt7:

“Wel kunnen de volgende factoren worden genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst:

a. Wanneer een kind in een pleeggezin is geplaatst, moet het zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind.

b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.

c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag.”

Over de verhouding tussen gezagsbeëindiging en art. 8 EVRM is het volgende opgemerkt8:

“Een gezagsbeëindiging betekent, evenals bij een ondertoezichtstelling, een inmenging in het gezinsleven van ouders en kind. Om die reden vereist artikel 8 van het EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.

Teneinde aan de vereisten van het EVRM te kunnen voldoen, zal in de meeste gevallen aan een gezagsbeëindiging een ondertoezichtstelling vooraf gaan. Niet zelden zullen immers zonder voorafgaande ondertoezichtstelling te weinig feiten beschikbaar zijn om het verzoekschrift gezagsbeëindiging voldoende te kunnen onderbouwen. Dit is na een ondertoezichtstelling eenvoudiger, omdat dan beter verantwoord kan worden dat, ondanks de verleende hulp en steun, de ouders niet in staat zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen. Deze vraag of een gezagsbeëindiging aan de orde is, komt bij iedere verlenging van de ondertoezichtstelling steeds nadrukkelijker aan de orde. (…)

(…)

Overigens betekent een beëindiging van het gezag niet dat de ouders geen rol meer in het leven van hun kind spelen. Zo hebben zij recht op informatie over de ontwikkeling van hun kind en op contact met hun kind voor zover het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. De ouders behouden hun onderhoudsplicht jegens hun kind en hebben te allen tijde de mogelijkheid om een verzoek in te dienen om hersteld te worden in het gezag. Dit verzoek kan worden toegewezen indien aan de gronden voor herstel van het gezag is voldaan (…).”

2.8

Onderdeel 1 behelst in hoofdzaak de klacht dat het hof heeft miskend dat de belangen van de minderjarigen als eerste in de beoordeling moeten worden betrokken, zoals vermeld in art. 3 IVRK9, en dat aan het criterium van art. 1:266 lid 1 aanhef en onder a BW niet is voldaan, althans dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom daaraan wél zou zijn voldaan.

Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Bij de beoordeling of er aanleiding was het gezag van de moeder te beëindigen, heeft het hof de maatstaf van art. 1:266 lid 1 aanhef en onder a BW gehanteerd. In die wettelijke maatstaf ligt reeds besloten dat de belangen van de minderjarige vooropstaan. Ik wijs op de hiervoor reeds aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt dat bij de formulering van het wettelijke criterium het doel van een stabiele, perspectief biedende omgeving voor de minderjarige leidend is geweest10. Het hof heeft in de omstandigheden van de onderhavige zaak, waarin diverse malen hulpverleningstrajecten zijn ingezet en het gewenste resultaat uitbleef en is gebleken dat de moeder niet in staat is noodzakelijke randvoorwaarden te scheppen voor de verzorging en opvoeding van de nog jonge en kwetsbare kinderen, aanleiding gezien te oordelen dat aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging is voldaan. Het oordeel dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, stoelt het hof mede op zijn vaststelling dat de woonsituatie vervuild is, de moeder chaotisch en impulsief is, onvoldoende aansluit bij de minderjarigen, weinig affectie toont en pedagogisch onmachtig is. Het oordeel van het hof dat het in het belang van de kinderen is om het gezag van de moeder te beëindigen en zodoende duidelijkheid over het opvoedingsperspectief te bieden, stelt de belangen van de kinderen voorop en is niet onbegrijpelijk, gelet op de in aanmerking genomen, hiervoor aangehaalde, feiten en omstandigheden.

Met betrekking tot de niet nader onderbouwde verwijzing naar art. 8 EVRM verwijs ik naar de hiervoor onder 2.6 geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis. Van strijd met het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op gezinsleven is geen sprake11.

2.9

Onderdeel 2 richt klachten tegen de hiervóór (onder 2.1) geciteerde rov. 6 van de bestreden beschikking, in het bijzonder tegen ’s hofs overweging dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat voor de beoordeling wat als een aanvaardbare termijn heeft te gelden, de periode vóór de uithuisplaatsing niet dient te worden meegerekend, omdat juist de periode van uithuisplaatsing moet worden gebruikt en in casu ook is gebruikt om de thuissituatie te verbeteren en eerst daarna dient te worden beoordeeld of binnen een aanvaardbare termijn tot terugplaatsing kan worden gekomen.

Los van de klacht over de aanvaardbare termijn klaagt het middelonderdeel dat de hulpverlening te wensen overliet, dat er te weinig rekening is gehouden met het feit dat de minderjarigen zeer jong zijn en zich in een cruciale hechtingsfase bevinden en dat het recht op gezinsleven zou zijn geschonden.

2.10

Het onderdeel mist doel, voor zover het ten betoge strekt dat het hof, bij de beoordeling welke termijn in het onderhavige geval als een aanvaardbaar te achten termijn in de zin van art. 1:266 lid 1 aanhef en onder a BW heeft te gelden, de periode vóór de uithuisplaatsing van de kinderen niet in aanmerking had mogen nemen.

Het hof, dat erop heeft gewezen dat van oktober 2012 tot begin november 2012 het Uitwijktraject en vervolgens Families First en medio april/mei 2013 Beter Beschermd Plus (een intensieve vorm van ambulante begeleiding) zijn ingezet, heeft bij de bepaling van de mogelijkheden tot ontwikkeling en verbetering van de moeder binnen aanvaardbaar te achten termijn, naast de periode van uithuisplaatsing, kennelijk mede van belang geacht dat de moeder reeds in de periode vóór de uithuisplaatsing buiten staat was de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, te dragen en dat de in die periode ondernomen interventies in die zin tevergeefs zijn geweest, dat zij uithuisplaatsing niet hebben kunnen voorkomen. Dat oordeel is rechtens niet onjuist en is evenmin onbegrijpelijk. Overigens ligt het niet voor de hand dat die voorliggende periode voor het hof veel gewicht in de schaal heeft gelegd, nu het oudste kind (geboren op 16 januari 2012) reeds sedert 12 november 2012 bij de pleegouders verblijft en het jongste kind (geboren op 7 augustus 2013) reeds sedert 22 augustus 2013 bij hen verblijft en veruit het grootste deel van de door hof in aanmerking genomen periode derhalve die van de uithuisplaatsing betreft.

Zoals hiervóór (onder 2.2) al aan de orde kwam, is er geen reden om aan te nemen dat het hof de door het onderdeel bedoelde stellingen van de moeder over de gebrekkigheid van de hulpverlening (en de reactie van de Raad op die stellingen) niet in aanmerking zou hebben genomen. Dat die stellingen (en de reactie van de Raad daarop) het hof niet tot een ander oordeel hebben geleid, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk.

De omstandigheid dat het hier om zeer jeugdige minderjarigen gaat en dat het hechtingsproces in het geding is, is in de visie van de wetgever veeleer een argument voor een kortere dan voor een langere “aanvaardbaar te achten termijn”. Ik verwijs in dit verband naar de passage uit de memorie van toelichting, hiervóór (onder 2.6, in fine) reeds aangehaald.

Ook onderdeel 2 is derhalve tevergeefs voorgesteld.

2.11

Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek van de moeder een nadere raadsrapportage te gelasten, zo het zich op basis van het voorliggende verzoek van de Raad onvolledig voorgelicht zou achten. Volgens het onderdeel was er alle reden een nadere rapportage te vragen, gelet op de proportionaliteit van enerzijds het door de Raad verzochte en anderzijds de cruciale hechtingsproblematiek van de kinderen ten opzichte van hun moeder.

2.12

Uit de bestreden beschikking kan niet anders worden afgeleid dan dat het hof zich voldoende voorgelicht achtte. Het onderdeel adstrueert niet waarom dit oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Dat de te nemen beslissing zowel voor de moeder als voor de kinderen van groot gewicht is, is door het hof niet miskend en doet aan de (impliciete) beslissing van het hof dat het voldoende was voorgelicht, niet af.

Ook onderdeel 3 biedt daarom geen grond voor cassatie.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Uitgegaan wordt van de feiten zoals vastgesteld door het hof in de bestreden beschikking van 25 november 2015, onder “PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN”, en in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2015, onder “De feiten”.

2 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 10.

3 Uit art. 1:269 jo 268 BW volgt dat een ondertoezichtstelling ook kan worden uitgesproken als aan de gronden voor gehele of gedeeltelijke schorsing in de uitoefening van het gezag is voldaan.

4 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 33-34.

5 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 9.

6 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 10-11.

7 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34.

8 Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34/35.

9 Dat artikel luidt als volgt: “Het belang van het kind moet voorop staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. De overheid moet het welzijn van alle kinderen bevorderen en houdt toezicht op alle voorzieningen voor de zorg en bescherming van kinderen.”

10 In dit verband zij ook verwezen naar Asser/De Boer I* 2010/813 (p. 684).

11 Asser/De Boer I* 2010/814 en 842, onder aanhaling van rechtspraak (p. 684-685 en p. 748-752).