Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
15/02737
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2182, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Samenhangende overeenkomsten. Leaseovereenkomst kopieermachine. Niet-nakoming, ontbinding. Gebondenheid lessor door mededelingen van “verkoper”. Uitsluiting in algemene voorwaarden lessor van binding door toezeggingen van een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 324
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02737

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 10 juni 2016

Conclusie inzake:

Grenkefinance N.V.

(hierna: Grenke),

eiseres tot cassatie,

adv.: mr. J.P. Heering

tegen

1) De Jongens V.O.F.

2) [verweerder 2]

3) [verweerder 3]

(hierna gezamenlijk: De Jongens c.s.)

verweerders in cassatie,

adv.: mr. F.I. van Dorsser

Inzet van dit geding is de vraag of Grenke, die als leasemaatschappij een kopieermachine aan De Jongens V.O.F. verhuurt, op grond van art 3:61 lid 2 BW gebonden is aan door de leverancier gedane mededelingen omtrent de functionaliteiten van het apparaat.


1. Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

  1. Grenke is een lease/financieringsmaatschappij. De Jongens V.O.F. drijft ten minste één winkel in tabaksproducten, tijdschriften en kranten.

  2. Op of omstreeks 1 september 2011 heeft een vertegenwoordiger van EenGroep B.V. (hierna: EenGroep), een onderneming die kopieermachines en dergelijke verkoopt, een winkel van De Jongens V.O.F. bezocht. Bij die gelegenheid heeft EenGroep informatie verschaft aan De Jongens V.O.F. omtrent een multifunctionele kopieer- en printmachine van het type Develop Ineo 220+ met toebehoren (hierna: de copier) (hierna: het verkoopgesprek). De Jongens V.O.F. heeft ter plekke een door EenGroep ingevuld leaseaanvraagformulier van Grenke2 ondertekend met betrekking tot deze copier. De leaseovereenkomst is tot stand gekomen tussen Grenke en De Jongens V.O.F. Grenke heeft de copier van EenGroep gekocht teneinde deze aan De Jongens V.O.F. te kunnen leasen.

De leaseovereenkomst is voor de duur van 72 maanden aangegaan met een maandelijks leasebedrag van € 284,- exclusief btw, te incasseren per kwartaal. Art. 18 lid 2, eerste volzin, van de algemene voorwaarden (hierna: AV) 3, waarnaar in de leaseovereenkomst wordt verwezen, luidt als volgt:

‘Indien de Lessor gebruik maakt van zijn recht op ontbinding of indien de Lessee gebruik maakt van zijn opzeggingsrecht overeenkomstig artikel 15, dan heeft de Lessor recht op betaling van de voor de totale leasetijd nog uitstaande leasetermijnen.’

De copier is op 17 november 2011 afgeleverd in de winkel van De Jongens V.O.F. Deze heeft voor ontvangst van de copier getekend middels een afgiftebevestiging4 die zij aan Grenke heeft geretourneerd. Deze bevestiging luidt (onder meer) als volgt:

‘1. Ik heb/wij hebben bovengenoemd leaseobject vandaag, op de dag van de afgifte, ontvangen.

2. Het leaseobject bevindt zich in een correcte en functionele staat.

(…)

4. Het leaseobject stemt overeen met de beschrijvingen in de lease aanvraag/het leasecontract en voldoet aan alle, met de fabrikant of de leveringsfirma, gemaakte afspraken (bv. technische afspraken, afspraken m.b.t. kwaliteit en prestatie). Het bezit alle door de leverancier toegezegde eigenschappen.

(…)

Belangrijk: Op grond van de afgiftebevestiging betaalt de lessor de koopprijs aan de leverancier. Indien de lessee niet aan diens onderzoeksverplichting voldoet en controle of het leaseobject/de leaseobjecten volledig en in correcte staat zijn ontvangen niet uitvoert en/of dit document ondertekent alvorens hij het leaseobject of de leaseobjecten volledig en in correcte staat ontvangen heeft, dan stelt hij de lessor vrij van alle claims en vergoedt hij de daardoor eventuele ontstane schade aan de lessor.’

Op grond van de leaseovereenkomst was De Jongens V.O.F. per 1 januari 2012 de maandelijkse leasetermijnen verschuldigd. Voor de periode van 17 november 2011 tot 1 januari 2012 was De Jongens V.O.F. een gebruiksvergoeding verschuldigd van 1/30 van de afgesproken leasetermijn per dag.

Met ingang van december 2011 heeft De Jongens V.O.F. betaling van het door haar verschuldigde bedrag achterwege gelaten.

Op 27 december 2011 heeft De Jongens V.O.F. aan EenGroep een brief gestuurd die (onder meer) als volgt luidt:

‘Op 17 november 2011 is bij ons de nieuwe kopieermachine afgeleverd en op 18 november in gebruik genomen. Helaas moet ik u vertellen dat wij met de machine niet tevreden zijn. Tijdens het verkoopgesprek zijn er andere zaken beloofd dan dat de machine waar kan maken. (…)

U zult begrijpen dat de kosten voor deze machine te hoog worden, en dat deze kosten niet terugverdiend kunnen worden. Zeker niet na wat er in het verkoopgesprek is voorgespiegeld.

Hierbij trek ik de machtiging voor rekeningnummer: [001] in, zowel voor de EenGroep als voor Grenke. (…)

Een kopie van deze brief sturen wij naar Grenke (…)’.

Op 2 januari 2012 heeft De Jongens V.O.F. aan Grenke telefonisch laten weten dat zij niet tevreden is met de copier en daarom niet meer aan Grenke zal betalen.

Op 23 februari 2012 heeft De Jongens V.O.F. andermaal een brief aan EenGroep gestuurd, die (onder meer) als volgt luidt:

‘Ik wil u vragen om het contract buitengerechtelijk te ontbinden. Mijn redenen hiervoor zijn (…)

- Als de klant foto’s wil afdrukken moet er foto papier nog in de machine gedaan worden.

- Overzenden voor een af te drukken foto vanaf de telefoon gaat niet met een i-phone, de meest gebruikte telefoon op dit moment.

- De kwaliteit van de afgedrukte foto’s is erg slecht, waar geen geld voor berekend kan worden.

- Het touch-screen is te onduidelijk voor klanten in onze winkel en deze vragen daar te vaak en te veel hulp bij wat een grote druk legt op de medewerkers.

- De gebruiksaanwijzing is niet te gebruiken, te veel om af te drukken, en voortdurend de CD lezen werkt niet in een winkel. (…)

Per fax en aangetekend verzonden naar EenGroep en Grenke’.

j. Grenke heeft De Jongens V.O.F. gesommeerd de achterstallige leasetermijnen te voldoen, en, na uitblijven van voldoening, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden bij brief van 16 maart 2012. De copier is op 20 februari 2013 opgehaald en weer in het bezit gekomen van Grenke.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 31 januari 2013 heeft Grenke gevorderd, voor zover in cassatie nog van belang, De Jongens V.O.F. en haar vennoten [verweerder 2] en [verweerder 3] (De Jongens c.s.) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 24.349,50 in hoofdsom, bestaande uit de onbetaald gebleven gebruiksvergoeding/leasetermijnen tot aan de ontbinding door Grenke op 16 maart 2012 plus de door die ontbinding opeisbaar geworden toekomstige leasetermijnen.

De Jongens c.s. hebben tot hun verweer aangevoerd, onder meer, dat de copier niet voldeed aan de tijdens het verkoopgesprek gedane beloften/toezeggingen omtrent het gebruiksgemak (zelfstandig gebruik door de klanten), het draadloos afdrukken vanaf mobiele telefoons en de kwaliteit van de foto-afdrukken.5

1.3

Bij vonnis van 27 juni 2013 heeft de kantonrechter te Den Haag de vorderingen van Grenke afgewezen. Samengevat heeft de kantonrechter overwogen dat de copier niet voldeed aan de verwachtingen omtrent de eigenschappen – in het bijzonder: het gebruiksgemak en mogelijkheid tot afdrukken vanaf een mobiele telefoon – die door de mededelingen van EenGroep tijdens het verkoopgesprek gewekt waren. Deze mededelingen omtrent de eigenschappen van de copier kunnen aan Grenke worden toegerekend, omdat alle informatie omtrent het lease-object bij uitsluiting van de verkoper afkomstig was. Aangezien de copier niet de eigenschappen had die De Jongens V.O.F. mocht verwachten, was zij gebrekkig in de zin van art. 7:204 lid 2 BW en was De Jongens V.O.F. op grond daarvan gerechtigd de leaseovereenkomst te ontbinden per 23 februari 2012, waardoor zij vanaf dat moment van haar betalingsverplichting onder de leaseovereenkomst is bevrijd. De tot dat moment vervallen, maar door De Jongens V.O.F. met een beroep op opschorting nog niet betaalde leasetermijnen zijn niet verschuldigd, omdat De Jongens V.O.F. van meet af aan niet het verwachte genot heeft gehad van de gehuurde zaak en daarom recht heeft op compensatie, aldus de kantonrechter.

1.4

Op het hoger beroep van Grenke heeft het hof Den Haag bij arrest van 24 februari 20156 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, De Jongens c.s. veroordeeld tot betaling van € 680,- vermeerderd met de wettelijke rente. Daartoe heeft het hof, kort samengevat, als volgt overwogen.

De Jongens c.s. beroepen zich bij wijze van verweer op de buitengerechtelijke ontbinding van de leaseovereenkomst bij brief van 23 februari 2012 wegens gebreken aan het gehuurde (rov. 5). Zij voeren aan dat de EenGroep tijdens het verkoopgesprek heeft toegezegd dat (i) met de copier draadloos geprint zou kunnen worden vanaf een iPhone, (ii) de copier zonder hulp van het winkelpersoneel door klanten zou kunnen worden bediend, en (iii) de afdrukkwaliteit van foto’s hoog (‘briljant’) zou zijn. De copier bleek in de praktijk niet aan deze kenmerken te voldoen, aldus De Jongens c.s. (rov. 6).

Gelet op de omstandigheden van het geval kunnen de (eventuele) door EenGroep tijdens het verkoopgesprek gedane toezeggingen of gewekte verwachtingen over de functionaliteiten van de copier aan Grenke worden toegerekend (rov. 7-8).

Het beroep op de ondermaatse afdrukkwaliteit wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd (rov. 9). Als vaststaand kan worden aangenomen dat sprake is van gering gebruiksgemak en dat EenGroep heeft toegezegd dat de copier geschikt was voor gebruik door de klanten zonder hulp van het winkelpersoneel (rov. 10). Ten overvloede wordt opgemerkt dat het onder (iii) gestelde gebrek onvoldoende is betwist (rov. 11).

De copier was derhalve gebrekkig in de zin van art. 7:204 lid 2 BW, zodat De Jongens V.O.F. gerechtigd was bij brief van 23 februari 2012 de leaseovereenkomst met Grenke te ontbinden (rov. 12 i.v.m. 12.9-12.10). Alle overige verweren van Grenke worden verworpen (rov. 12.1 t/m 12.8).

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat De Jongens V.O.F. wel enige gebruiksvergoeding moet betalen, te weten een bedrag ad € 680,- in totaal (rov. 13).

1.5

Grenke heeft bij cassatiedagvaarding van 26 mei 2015 tijdig7 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Jongens c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en hun standpunt schriftelijk toegelicht. Grenke heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt met twee onderdelen op tegen het in rov. 7 en 8 vervatte oordeel van het hof – kennelijk gegeven in respons op grief III van Grenke – dat de (eventuele) door EenGroep gedane mededelingen over de eigenschappen van de copier aan Grenke kunnen worden toegerekend. Voor een goed begrip geef ik de bestreden rov. 7 en 8 weer:

voorop: (eventuele) toezeggingen aan Grenke toe te rekenen?

7. Volgens Grenke wordt zij niet gebonden door eventuele door EenGroep tijdens het verkoopgesprek gedane toezeggingen of gewekte verwachtingen. De Jongens stelt daar tegenover dat bij haar de schijn is gewekt dat EenGroep in deze als gevolmachtigde van Grenke heeft gehandeld en dat de uitlatingen van EenGroep tijdens het verkoopgesprek daarom aan Grenke kunnen worden toegerekend. Het hof stelt in dit verband voorop dat de partij bij een rechtshandeling die in naam van een ander is verricht, en die op grond van een verklaring of gedraging van die ander, waaronder moet worden begrepen een toedoen van die ander of het bestaan van feiten of omstandigheden die in de risico-sfeer van die ander liggen, het bestaan van een toereikende volmacht mocht aannemen, de onjuistheid van die veronderstelling niet kan worden tegengeworpen. Of een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, hangt af van wat de feitelijk handelende personen jegens elkaar verklaard hebben en wat zij daaruit over en weer mochten afleiden.

8. Vast staat dat EenGroep tijdens het verkoopgesprek een door haar ingevuld (standaard)formulier voor de leaseovereenkomst van Grenke ter ondertekening aan De Jongens V.O.F. heeft overhandigd. Het feit dat EenGroep dit formulier zelf kon invullen impliceert naar het oordeel van het hof dat EenGroep deze formulieren van Grenke ter beschikking (‘op zak’) heeft bij verkoopgesprekken zoals die met De Jongens V.O.F. De wederpartij (in casu De Jongens V.O.F.) mag daar redelijkerwijs uit afleiden dat Grenke en EenGroep kennelijk overeen zijn gekomen dat EenGroep op deze wijze financieringen aanbiedt namens Grenke, althans dat Grenke weet van deze handelwijze en deze toelaat. Bovendien is alle informatie omtrent de copier door EenGroep gegeven; Grenke en De Jongens V.O.F. hebben geen contact gehad hierover. Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang gezien, mocht De Jongens V.O.F. ervan uitgaan dat EenGroep de mededelingen over de functionaliteiten van de copier mede namens de uiteindelijke verhuurster, Grenke, deed. Dat Grenke in haar standaardformulier uitdrukkelijk verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van derden doet hier niet aan af. Immers, door de feitelijke situatie waarin EenGroep apparatuur zoals kopieermachines in combinatie met financiering van Grenke aanbiedt wordt de schijn van vertegenwoordiging reeds gewekt voordat enig document (waaronder de algemene voorwaarden) is gewisseld tussen partijen. Daar komt bij dat op grond van genoemde omstandigheden De Jongens V.O.F. EenGroep terecht niet als (zomaar) een derde beschouwde, maar als behorend tot of handelend namens Grenke, althans handelend met diens goedvinden.’

2.2

In de kern betoogt onderdeel 1 dat het hof in zijn hiervoor weergegeven overwegingen een onjuiste toerekeningsmaatstaf heeft gehanteerd. De vraag of de gedragingen van (de verkoper van) EenGroep jegens De Jongens V.O.F. (mede) hebben te gelden als gedragingen van Grenke en/of aan haar kunnen worden toegerekend, is volgens subonderdeel 1.1 door het hof ten onrechte beoordeeld aan de hand van de in rov. 7 aangehaalde maatstaf omtrent de schijn van volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW). Daartoe wordt aangevoerd dat de in titel 3 van Boek 3 BW neergelegde regeling met betrekking tot volmacht slechts betrekking heeft op het onbevoegd verrichten van rechtshandelingen, waarvan in het onderhavige geval geen sprake zou zijn. Voorts wordt geklaagd dat de door het hof aan het slot van rov. 7 aangehaalde – aan HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521, m.nt. GJS ontleende – maatstaf in het onderhavige geval evenmin een juiste toetsingsmaatstaf vormt, omdat die maatstaf slechts zou zien op de situatie dat (vaststaat dat) sprake is van toereikende volmachtverlening voor het namens de volmachtverlener verrichten van (rechts)handelingen. Volgens het middel heeft het hof miskend dat voor de vraag naar de toerekening van feitelijke handelingen – zoals de door (de verkoper van) EenGroep gedane uitlatingen over de eigenschappen van de copier – een andere maatstaf geldt, namelijk of deze uitlatingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen of uitlatingen van de vertegenwoordigde (i.c. Grenke) kunnen worden beschouwd. Daarvan zou in de door het hof aangehaalde omstandigheden geen sprake zijn. Subonderdeel 1.2 neemt tot uitgangspunt dat het hof niet heeft miskend dat de door een derde (in casu EenGroep) gedane uitlatingen niet (zonder meer) rechtshandelingen opleveren en klaagt dat het hof in dat geval zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door niet (nader) te motiveren waarom de door (de verkoper van) EenGroep gedane mededelingen c.q. toezeggingen omtrent de eigenschappen van de copier in dit geval rechtshandelingen opleveren. Tot slot klaagt het subonderdeel erover dat het hof evenmin heeft gemotiveerd of en in hoeverre de omstandigheden van het geval meebrengen dat de (feitelijke) uitlatingen van (de verkoper van) EenGroep in het maatschappelijk verkeer (mede) hebben te gelden als uitlatingen van Grenke.

2.3

Deze subonderdelen falen. Zij zien er in de eerste plaats aan voorbij dat de regeling van art. 3:61 lid 2 BW zich niet beperkt tot het verrichten van de rechtshandeling in enge zin (in casu: het aanvaarden van het in het aanvraagformulier besloten liggende aanbod van de (adspirant)lessee8), maar zich ook uitstrekt tot toezeggingen c.q. mededelingen die de inhoud van de tot stand te brengen rechtshandeling (overeenkomst) mede bepalen.

Voorts miskent het subonderdeel dat het in de laatste volzin van rov. 7 aangehaalde zogenoemde Kribbebijter-criterium9 uitsluitend betrekking heeft op de vraag of iemand jegens een ander bij het verrichten van een rechtshandeling al dan niet in eigen naam is opgetreden. Het al of niet bestaan van een toereikende volmacht is daarbij niet relevant.

2.4

Subonderdeel 1.3 betoogt dat ’s hofs oordeel over de toerekening van de uitlatingen van (de verkoper van) EenGroep omtrent de eigenschappen van de copier aan Grenke onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd, waarbij volgens het middel van belang is dat toerekening van uitlatingen van een ander aan een afwezige derde partij slechts met terughoudendheid dient te geschieden. De door het hof in rov. 8 genoemde omstandigheden rechtvaardigen volgens het middel niet de slotsom dat De Jongens V.O.F. ervan mocht uitgaan dat EenGroep de mededelingen over de functionaliteiten van de copier mede namens Grenke deed. ’s Hofs bestreden oordeel zou althans onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitdrukkelijke vermelding op het standaardformulier alsmede op de daarbij behorende algemene voorwaarden dat de leverancier en/of andere derden niet bevoegd zijn om namens Grenke uitlatingen of toezeggingen te doen of haar op een andere manier te vertegenwoordigen.

2.5

Bij de beoordeling van dit subonderdeel dient tot uitgangspunt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van gerechtvaardigd en aan de vertegenwoordigde toe te rekenen vertrouwen op het bestaan van vertegenwoordigingsbevoegdheid geen bijzondere maatstaf (‘terughoudendheid’) geldt10 en dat de waardering van in dit kader aangevoerde feiten en omstandigheden aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts met een motiveringsklacht kan worden bestreden.11 In zijn motivering heeft het hof afgewogen, enerzijds, (i) dat De Jongens V.O.F. uit het feit dat EenGroep met door haar in te vullen standaardformulieren van Grenke op zak liep, mocht afleiden dat Grenke en EenGroep zijn overeengekomen dat EenGroep op deze wijze financieringen aanbiedt namens Grenke, althans dat Grenke weet van deze handelwijze en deze toelaat, (ii) dat alle informatie omtrent de copier door EenGroep is gegeven en (iii) dat Grenke en De Jongens V.O.F. geen contact hierover hebben gehad, en, anderzijds, (iv) dat Grenke in haar standaardformulier uitdrukkelijk verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van derden. Bij de weging van deze laatste factor acht het hof van belang dat laatstgenoemd beding eerst aan het licht komt nadat de schijn van vertegenwoordiging reeds is gewekt. Het resultaat van de afweging komt mij, hoezeer dat wellicht ook anders zou hebben kunnen uitvallen, niet onbegrijpelijk voor. Subonderdeel 1.3 treft geen doel.

2.6

Onderdeel 2 komt op tegen de betekenis die het hof in rov. 8 toekent aan de omstandigheid dat Grenke in haar standaardformulier uitdrukkelijk verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van derden. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen.

2.7

Volgens subonderdeel 2.1 heeft het hof in rov. 8 miskend dat bij de beantwoording van de vraag of de uitlatingen van (de verkoper van) EenGroep aan Grenke kunnen worden toegerekend en/of geacht moeten worden (mede) namens Grenke te zijn gedaan, mede betekenis toekomt aan feiten en omstandigheden die zich ná het onbevoegdelijk verrichten van de betrokken (rechts)handeling hebben voorgedaan. Verwezen wordt naar HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119, NJ 2015/221, waaruit volgt dat ook posterieure feiten relevant kunnen zijn bij een dergelijk oordeel. Volgens het middel heeft het hof de verklaring van Grenke ten onrechte niet meegewogen.

2.8

Naar mijn mening zal de klacht moeten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de eerste plaats blijkt uit niets dat het hof ervan is uitgegaan dat het bij de verklaring van Grenke gaat om een aan de totstandkoming van de leaseovereenkomst posterieur feit als in voormelde rechtspraak bedoeld. Het omgekeerde lijkt veeleer het geval. Immers, nadat de kantonrechter als vaststaand feit had aangemerkt dat tussen Grenke en De Jongens V.O.F. op 1 september 2011 (zijnde de datum van ondertekening van de aanvraag door De Jongens V.O.F., toev. A-G) een leaseovereenkomst tot stand was gekomen (vonnis, rov. 1-c), heeft Grenke met haar tegen die vaststelling gerichte grief 1c en ook elders in haar memorie van grieven nadrukkelijk betoogd dat de leaseovereenkomst tussen Grenke en De Jongens V.O.F. eerst tot stand is gekomen bij ondertekening van het leasecontract (het aanvraagformulier) door Grenke (MvG nr. 21 resp. nrs. 2-3, 18-19 en 34). Uit de door Grenke in het geding gebrachte stukken blijkt dat de ondertekening door Grenke eerst heeft plaatsgevonden op 28 november 201112, waarna zij bij brief van 29 november 2011 aan De Jongens V.O.F. heeft bevestigd dat het contract, na levering van het lease-object, van kracht is geworden.13 De Jongens c.s. hebben de stelling van Grenke in hun memorie van antwoord niet bestreden, zodat ’s hofs vaststelling (in rov. 2.2 i.v.m. rov. 1) dat ‘de leaseovereenkomst is tot stand gekomen tussen Grenke en De Jongens V.O.F.’ niet anders kan worden begrepen dan dat ook het hof ervan uitgaat dat dit op het moment van ondertekening door Grenke is geweest. In de tweede plaats heeft het hof, zoals hiervoor onder 2.5 besproken, de – anterieure – omstandigheid dat Grenke in het aanvraagformulier en in haar AV verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van de leverancier en/of andere derden uitdrukkelijk meegewogen in zijn oordeelsvorming over art. 3:61 lid 2 BW aangaande de toezeggingen van EenGroep.

2.9

Subonderdeel 2.2 berust op de lezing dat het hof in rov. (7 en) 8 heeft geoordeeld dat al tijdens het verkoopgesprek een leaseovereenkomst althans een Grenke bindende rechtsverhouding tot stand is gekomen.

Uit het voorgaande volgt dat het subonderdeel feitelijke grondslag mist.

2.10

Subonderdeel 2.3 klaagt dat het hof in rov. 8 de grenzen van de rechtsstrijd in appel heeft overschreden althans in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van het verweer van De Jongens V.O.F. heeft aangevuld, nu De Jongens V.O.F. niet heeft aangevoerd dat het leasecontract al tot stand was gekomen voordat zij haar handtekening had gezet.

Ook deze klacht faalt op de grond dat, zoals hiervoor uiteengezet, het hof niet aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd dat het leasecontract al voor de ondertekening van het aanvraagformulier door De Jongens V.O.F. tot stand was gekomen.

2.11

Subonderdeel 2.4 is gericht tegen de overweging dat De Jongens V.O.F. EenGroep ‘terecht niet als (zomaar) een derde beschouwde’, maar als behorend tot of handelend namens Grenke althans handelend met haar goedvinden. Geklaagd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van de eerder genoemde bedingen, waarin Grenke er niet alleen op wijst dat zij niet gebonden is door mededelingen van derden maar uitdrukkelijk ook aangeeft dat de leverancier niet het recht heeft om haar te vertegenwoordigen of toezeggingen namens haar te doen.

2.12

Het subonderdeel faalt nu de bestreden overweging (aanvangend met ‘Daar komt bij’) niet dragend is voor het oordeel van het hof dat de verklaring van Grenke niet gebonden te zijn aan mededelingen van derden niet afdoet aan zijn oordeel dat De Jongens V.O.F. ervan mocht uitgaan dat de mededelingen van EenGroep over de functionaliteiten van de copier mede namens Grenke werden gedaan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 e.v. van het arrest van het hof Den Haag van 24 februari 2015.

2 Prod. 2 bij inleidende dagvaarding.

3 Prod. 4 bij inleidende dagvaarding.

4 Prod. 3 bij inleidende dagvaarding.

5 Conclusie van antwoord, nr. 7-9; aantekeningen griffier comparitie d.d. 23 mei 2013, p. 1 (onder ‘gedaagde’).

6 ECLI:NL:GHDHA:2015:462.

7 Op 25 mei 2015 was het tweede Pinksterdag.

8 Volgens de tekst van het aanvraagformulier ‘vraagt de lessee bij de lessor de afsluiting van het leasecontract aan’ en verklaart de lessee ‘vier weken aan dit aanbod gebonden te blijven’. Het formulier bevat tevens een door de lessor in te vullen vak ‘lease aanvraag geaccepteerd’. Zie prod. 2 bij inleidende dagvaarding.

9 HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521, m.nt. GJS.

10 HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115, rov. 3.4.

11 Vgl. Asser-Van der Grinten-Kortmann 2-I (De vertegenwoordiging), 2004, nr. 41 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157, rov. 3.4.

12 Prod. 2 bij inleidende dagvaarding.

13 Prod. 13 bij inleidende dagvaarding.