Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-04-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
16/01175
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1232, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Nationaliteitsrecht. Vaststelling Nederlanderschap (art. 17 RWN). Erkenning van Ghanees huwelijk (art. 1 lid 1, onder d, in verbinding met art. 3 lid 1 RWN).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 16/01175

Mr. P. Vlas

Zitting, 22 april 2016

Conclusie inzake art. 80a RO:

[de moeder], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1]

(hierna: [de moeder])

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)

1. Voor zover in cassatie van belang gaat het om de volgende feiten. [de moeder] heeft zich als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1]. [de moeder] heeft daartoe aangevoerd dat zij op 15 januari 2008 in Ghana op gewoonterechtelijke wijze is gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), maar dat daarvan nooit een huwelijksakte is opgemaakt. [betrokkene 1] is op [geboortedatum] 2008 te Prampram (Ghana) geboren. In de geboorteakte staat [de moeder] vermeld als de moeder en [betrokkene 2] als de vader; de geboorte is op 17 februari 2009 op aangeven van [de moeder] geregistreerd. Bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1992 heeft [betrokkene 2] de Nederlandse nationaliteit verkregen. [betrokkene 2] is op 26 januari 2010 te Utrecht overleden.

2. Bij beschikking van 3 december 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het voor de vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1] van belang is of sprake is van een geldig huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2]. Een in Ghana gesloten gewoonterechtelijk huwelijk kan onder voorwaarden als rechtsgeldig worden aangemerkt en het bestaan daarvan kan door alle middelen rechtens worden bewezen (rov. 5.8). De rechtbank acht de door [de moeder] overgelegde bewijsmiddelen (verklaringen van haarzelf en haar ouders, alsmede een aantal foto’s die de huwelijksdag in beeld zouden brengen) onvoldoende en is van oordeel dat het bestaan van een Ghanees huwelijk met [betrokkene 2] niet is aangetoond (rov. 5.9), zodat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] is geboren uit een in Ghana rechtsgeldig gesloten huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 1] (rov. 5.10).

3. [de moeder] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen en is gericht tegen rov. 5.8, 5.9 en 5.10 van de bestreden beschikking.

4. De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Onderdeel 1 betoogt dat de rechtbank niet de vraag aan de orde had moeten stellen of sprake is van een geldig (voor erkenning in Nederland vatbaar) huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2], maar de vraag of [betrokkene 1] een kind is van [betrokkene 2]. Krachtens art. 1 lid 1, aanhef en onder d, juncto art. 3 lid 1 RWN is Nederlander het kind waarvan ten tijde van de geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Het onderdeel faalt, omdat het miskent dat ten einde na te gaan of [betrokkene 1] in een familierechtelijke betrekking tot [betrokkene 2] staat (zie art. 1 lid 1, aanhef en onder d, RWN) een onderzoek naar de grondslag waarop die betrekking berust noodzakelijk is. Nu [de moeder] heeft gesteld dat die grondslag moet worden gevonden in het huwelijk van haar met [betrokkene 2], heeft de rechtbank terecht onderzocht of ten tijde van de geboorte van [betrokkene 1] sprake was van een geldig, in Nederland te erkennen huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2]. Onderdeel 2 bevat motiveringklachten tegen rov. 5.10. Het oordeel van de rechtbank is in het licht van rov. 5.8 en 5.9 niet onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt. Onderdeel 3 betoogt dat de rechtbank ten onrechte het Ghanese huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2] niet heeft erkend. Het onderdeel faalt, omdat de rechtbank heeft overwogen dat een dergelijk huwelijk onder voorwaarden wel degelijk kan worden erkend en met alle middelen rechtens kan worden bewezen. De rechtbank heeft in rov. 5.9 de overgelegde bewijsmiddelen (drie verklaringen: van [de moeder] en van haar ouders, alsmede een aantal foto’s) als onvoldoende beoordeeld. Hierop stuit het onderdeel af. In onderdeel 4 wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het bestaan van het Ghanese huwelijk niet is aangetoond en dat de rechtbank bij weging van de bewijsmiddelen de door [de moeder] aangevoerde andere argumenten en bewijsmiddelen heeft miskend. Ook dit onderdeel faalt. Het is aan de rechter het bewijs te waarderen (art. 152 lid 2 Rv) en een dergelijke waardering is, als overwegend van feitelijke aard, voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie verder niet op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 en 5.10 is overigens niet onbegrijpelijk.

5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G