Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:495

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
16/01705
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2119, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Termijnoverschrijding, ontvankelijkheid. Art. 8 EVRM. Procesreglement Civiel Jeugdrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/01705

Mr. P. Vlas

Zitting, 10 juni 2016 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de moeder]

(hierna: de moeder)

tegen

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden

(hierna: de Stichting)

In deze zaak gaat het om de vraag of een termijnoverschrijding met betrekking tot het indienen van een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing op de voet van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht (hierna: Procesreglement) dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de Stichting als gecertificeerde instelling.

1. Feiten en procesverloop1

1.1 De feiten en het procesverloop komen in het kort op het volgende neer. De moeder heeft het gezag over haar drie minderjarige kinderen. De kinderen verblijven bij pleegouders.

1.2 Bij beschikking van 21 april 2015 heeft de kinderrechter van de rechtbank Den Haag de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd van 22 april 2015 tot 22 mei 2015.

1.3 De Stichting heeft vervolgens in de zesde week vóór het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing een verzoekschrift ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar.2 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 mei 2015 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de periode van 22 mei 2015 tot 18 september 2015 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van 7 september 2015.

1.4 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 september 2015 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 18 september 2015 tot 22 april 2016.

1.5 De moeder is tegen de beschikking van rechtbank van 18 mei 2015 in hoger beroep gekomen. In hoger beroep heeft de moeder, voor zover in cassatie van belang, met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aangevoerd dat het verzoekschrift van de Stichting (formele) gebreken bevat waardoor de machtiging tot uithuisplaatsing niet verlengd had kunnen en mogen worden. De moeder heeft onder meer erop gewezen dat het verzoekschrift niet is ingediend conform het Procesreglement, nu het niet acht weken vóór het verstrijken van de duur van de reeds verleende machtiging is ingediend.

1.6 Bij beschikking van 28 oktober 2015 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat, voor zover er al sprake is van een verzoek dat niet geheel voldoet aan de formele vereisten, dat geen grond oplevert om tot een ander oordeel te komen. Het hof heeft, voor zover thans van belang, in rov. 8 overwogen:

‘(…) Ten aanzien van de door de moeder gestelde (formele) gebreken aan het verzoekschrift overweegt het hof dat de moeder – nog afgezien van de vraag wat een schending daarvan voor gevolgen zou moeten hebben voor het verzoek – niet in haar belangen is geschaad nu zij ruimschoots in de gelegenheid is geweest om in eerste aanleg en in hoger beroep haar bezwaren tegen het verzoek naar voren te brengen. (…)’.

1.7 Tegen deze beschikking heeft de moeder geen cassatieberoep ingesteld.

1.8 Tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 september 2015 is de moeder ook in hoger beroep gekomen. Ook in deze procedure heeft de moeder aangevoerd dat het inleidende verzoek van de Stichting conform het Procesreglement acht weken voor het einde van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ingediend had moeten worden bij de rechtbank. Het verzoek is gedateerd van 24 maart 2015 en pas ingekomen bij de rechtbank op 9 april 2015.3

1.9 Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 13 januari 2016 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Ten aanzien van het door de moeder aangevoerde bezwaar dat het inleidende verzoek te laat is ingediend, heeft het hof in rov. 10 het volgende overwogen:

‘(…) Ten aanzien van het oordeel over de formele bezwaren van de moeder verwijst het hof naar de recente beschikking van dit hof van 28 oktober 2015 omdat de bezwaren in de onderhavige procedure nagenoeg hetzelfde zijn als in de procedure die tot voormelde beschikking heeft geleid en het hof geen grond ziet, noch is die gesteld om tot een ander oordeel te komen. (…)’.

1.10 Tegen deze beschikking heeft de moeder (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Op 13 april 2016 is door de moeder nog een aanvullend cassatierekest ingediend in verband met de omstandigheid dat op het moment van indienen van dat rekest het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van het hof op 18 december 2015 ontbrak. Na ontvangst van dit proces-verbaal heeft de moeder op 6 mei 2016 het aanvullend cassatierekest ingetrokken. De Stichting heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen en is gericht tegen rov. 10 van de bestreden beschikking.

2.2

Onderdeel I klaagt dat het hof heeft miskend, althans zijn oordeel niet met voldoende redenen heeft omkleed, dat de Stichting de termijn heeft geschonden voor indiening van een verzoek tot verlenging uithuisplaatsing en dat zij derhalve niet-ontvankelijk was in haar verzoek. Het onderdeel verwijst naar artikel 2.4.10 sub b van het Procesreglement, dat bepaalt dat een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk is. Daarnaast verwijst het onderdeel naar de dwingende bewoordingen van het Procesreglement en naar de toelichting daarop, waarin vermeld staat dat afwijking van het Procesreglement mogelijk moet zijn in het belang van de minderjarige. Ten slotte betoogt het onderdeel dat de termijnregeling van openbare orde is. Volgens het onderdeel zijn de beschikkingen van de rechtbank van 18 mei 2015 en van het hof van 28 oktober 2015 nietig, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid in de procedure omtrent de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 april 2016.

2.3

In cassatie is niet in geschil dat het inleidende verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de Stichting is ingediend tijdens de zesde week vóór het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Art. 2.4.9 sub a van het Procesreglement bepaalt dat een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling wordt ingediend. Art. 2.4.10 sub a van het procesreglement bepaalt dat een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingediend.

2.4

Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding bij dergelijke verzoeken tot een niet-ontvankelijkheid moet leiden, wordt in de rechtspraak de maatstaf gehanteerd of de termijnoverschrijding zorgt voor strijdigheid met de goede procesorde, in het bijzonder of de rechter het ingediende verzoek zorgvuldig kan behandelen, zulks met inachtneming van de belangen van partijen en de minderjarige(n).4 Ik wijs in dit kader ook op art. 1.6 van het Procesreglement, waarin is bepaald dat bij iedere beslissing naar aanleiding van dit reglement het belang van het kind de eerste overweging vormt. Ik meen dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de termijnoverschrijding niet leidt tot een niet-ontvankelijkheid. In de onderhavige zaak is het desbetreffende verzoekschrift immers ingediend in de zesde week vóór het verstrijken van de duur van de reeds verleende machtiging. Voorts heeft het hof in rov. 10 van de bestreden beschikking overwogen dat de moeder niet in haar belangen is geschaad nu zij ruimschoots in de gelegenheid is geweest haar bezwaren tegen het verzoek naar voren te brengen. Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat het verzoek zorgvuldig kan worden behandeld. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk.5 Dat art. 2.4.10 sub b van het Procesreglement bepaalt dat een verlengingsverzoek dat wordt ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk is, maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak is van een dergelijke situatie geen sprake.6 Anders dan het onderdeel betoogt, is de desbetreffende termijnregeling niet van openbare orde en kan er geen sprake zijn van een doorwerking op de beslissingen van de rechtbank van 18 mei 2015 en van het hof van 28 oktober 2015. Het hof heeft immers in zijn beschikking van 28 oktober 2015 geoordeeld dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid en tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld. Het onderdeel dient derhalve te falen.

2.5

Onderdeel II klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de verwerping van het verweer van de moeder, waardoor het hof het recht heeft geschonden, althans zijn beschikking niet met voldoende redenen omkleed heeft. Het onderdeel bouwt voort op onderdeel I en moet het lot daarvan delen.

2.6

Onderdeel III betoogt dat het hof het recht heeft geschonden, met name art. 8 EVRM, doordat de inmenging in het familie en gezinsleven van de moeder niet bij de wet is voorzien. Volgens het onderdeel heeft het hof met zijn oordeel de deur opengezet voor een willekeurige toepassing van de bevoegdheid van een gecertificeerde instelling om op ieder moment een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen. Dit is in strijd met de voorzienbaarheidseis die art. 8 lid 2 EVRM stelt aan een wet die inmenging in het gezinsleven van de moeder kan rechtvaardigen, aldus het onderdeel. Daarnaast zijn de minderjarigen sinds 22 mei 2015 uit huis geplaatst zonder dat dit bij de wet is voorzien, hetgeen een onrechtmatige inmenging in het familie- en gezinsleven van de moeder oplevert.

2.7

Het onderdeel faalt. Gelet op de maatstaf die het hof heeft gehanteerd bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, heeft het hof – anders dan het middel betoogt – geenszins de deur opengezet voor een gecertificeerde instelling om op ieder moment een verzoekschrift tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen zonder dat dit zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid. Daarnaast is de onderhavige uithuisplaatsing van de minderjarigen wel degelijk bij de wet voorzien, zie art. 1:265a t/m art. 1:265d BW en het Procesreglement. Deze bepalingen hebben als doel de belangen van minderjarigen te beschermen. Dat bij de beoordeling van een eventuele niet-ontvankelijkheid ingeval van een termijnoverschrijding de maatstaf is gehanteerd die ik in 2.4 van deze conclusie heb omschreven, betekent niet dat sprake is van een inmenging die niet bij de wet is voorzien.7

2.8

Onderdeel IV, gericht tegen het niet beschikbaar zijn van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, behoeft geen behandeling. Ik verwijs naar 1.10 van deze conclusie.

2.9

Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 september 2015, onder procesverloop, alsmede de beschikking van het hof Den Haag van 13 januari 2016, onder procesverloop eerste aanleg en vaststaande feiten.

2 Verzoekschrift van 24 maart 2015 (processtuk nr. 1 (B dossier)).

3 Zie het beroepschrift verlenging machtiging uithuisplaatsing (processtuk nr. 9 (B dossier)), p. 4 en 5, evenals rov. 4. van de beschikking van het hof Den Haag van 13 januari 2016.

4 Aldus o.a. Rb. Noord-Nederland 6 mei 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5086; Rb. Utrecht 12 mei 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BI4724.

5 Zie in gelijke zin Rb. Breda van 4 september 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ6990, rov. 3.8.

6 Zie in dit verband hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5822, rov. 4.11; hof Leeuwarden 22 maart 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5069, rov. 20.

7 Zie in dit verband EHRM 24 maart 1988, Olsson v Sweden (No.1), zaak 10465/83, rov. 60 en 61, NJCM-Bulletin 1988, p. 366; EHRM 2 augustus 1984, Malone, zaak 8691/79, ECLI:NL:XX1984:AB8061, NJ 1988/534, m.nt. P. van Dijk, rov. 66; S. Greer, the exceptions to Articles 8 to 11 of the European Convention on Human Rights, in Human rights files no. 15, Council of Europe Publishing, 1997, p. 9-17.