Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:493

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-06-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
15/05237
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2229, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie; wijze waarop kindgebonden budget in aanmerking moet worden genomen. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 15/05237

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 10 juni 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(de vrouw)

tegen

[de man]

(de man)

Het gaat in deze kinder- en partneralimentatiezaak over (i) de vraag of het hof behoedzaam gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de wijziging van de onderhoudsverplichting te laten ingaan op een vóór de uitspraak gelegen datum en (ii) of het hof in het kader van de kinderalimentatie het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget op de behoefte van de kinderen in mindering heeft mogen brengen.

1. Feiten1 en procesverloop2

1.1 Partijen zijn op 3 juli 1992 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

Het huwelijk van partijen is op 17 augustus 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 juli 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie op € 144,- per kind per maand vastgesteld.

1.3 Uit het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant van 26 maart 2010 – dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking en daaraan is gehecht – blijkt dat zij zijn overeengekomen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand naast voornoemd bedrag van € 144,- per kind per maand, maandelijks ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 359,- zal storten op een gezamenlijke en/of rekening en een bedrag van € 500,- per maand aan partneralimentatie zal voldoen onder de voorwaarden zoals nader vermeld in de artikelen 2.l tot en met 2.3 van voornoemd echtscheidingsconvenant.

1.4 Uit het - aan de echtscheidingsbeschikking gehechte - ouderschapsplan blijkt dat partijen een co-ouderschapsregeling ten aanzien van de kinderen zijn overeengekomen.

1.5 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Overijssel op 20 januari 2014, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om vanwege gewijzigde omstandigheden (einde co-ouderschap) met ingang van l oktober 2013 de kinderalimentatie op € 582,50 per kind per maand te bepalen en de partneralimentatie op € 1.000,- per maand.

1.6 De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.7 De rechtbank heeft de zaak op 24 april 2014 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten behandeld.

1.8 Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 23 juli 2014 de echtscheidingsbeschikking in zoverre gewijzigd dat zij de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 20 januari 2014 op € 495,- per kind per maand heeft bepaald en de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 20 januari 2014 op € 809,- heeft bepaald. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.9 De man is, onder aanvoering van tien grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hij heeft het hof daarbij verzocht de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de eerder door partijen overeengekomen afspraken betreffende kinder- en partneralimentatie, inhoudende dat de man een kinderalimentatie van € 144,- per kind per maand (geïndexeerd € 151,03 per kind per maand) en een partneralimentatie van € 500,- per maand (geïndexeerd € 524,42 per maand), welke laatste verplichting geldt tot uiterlijk 17 augustus 2015, te bekrachtigen, dan wel een zodanig bedrag aan kinder- en partneralimentatie vast te stellen met ingang van 20 januari 2014 dan wel met ingang van een datum als het hof in goede justitie redelijk acht met compensatie van de kosten van partijen. De man heeft tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank gedaan.

1.10 De vrouw heeft, onder aanvoering van één grief, incidenteel hoger beroep ingesteld en heeft het hof - voor zover thans van belang - verzocht om de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2013 op € 441,50 per kind per maand en vanaf 1 januari 2015 op € 440,- per kind per maand te bepalen en de partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2013 op € 1.000,- per maand te bepalen.

De vrouw heeft voorts verweer gevoerd tegen het schorsingsverzoek.

1.11 Het hof heeft bij beschikking van 25 november 2014 het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring afgewezen.

1.12 Nadat op 30 april 2015 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, waarbij partijen, bijgestaan door hun advocaten, zijn gehoord, heeft het hof bij beschikking van 11 augustus 2015 de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2014, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd. Het hof heeft in zoverre opnieuw rechtdoende de echtscheidingsbeschikking gewijzigd en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie over de periode van 20 januari 2014 tot 1 januari 2015 bepaald op een bedrag van € 317,-- per kind per maand en over de periode vanaf 1 januari 2015 op een bedrag van € 212,- per kind per maand. Met betrekking tot de partneralimentatie heeft het hof het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw afgewezen.

1.13 De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof tijdig3 cassatieberoep ingesteld4.

De man heeft afgezien van verweer.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bestaat uit zes onderdelen. De onderdelen I-IV betreffen het oordeel van het hof inzake de kinderalimentatie. Onderdeel V gaat over de beslissing ten aanzien van de partneralimentatie.

Ik bespreek eerst onderdeel II.

2.2

Onderdeel II is primair gericht tegen rechtsoverweging 5.75, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Voorts dient op de behoefte van de kinderen het voor hen ontvangen kindgebonden budget in mindering te worden gebracht, zoals door de man in zijn tweede grief terecht is voorgesteld.

Uit de voorschotbeschikking toeslagen d.d. 21 oktober 2014 (…) blijkt dat het kindgebonden budget over 2014 € 2.080,—, derhalve afgerond € 173,- per maand, bedraagt. Dit brengt met zich dat de behoefte van de kinderen in 2014 op een bedrag van € 780,- (te weten: € 953,-- minus € 173,-) per maand, derhalve € 390,— per kind per maand, dient te worden gesteld. Uit de voorschotbeschikking toeslagen d.d. 27 december 2014 (…) blijkt dat het kindgebonden budget over 2015 € 5.248,—, derhalve afgerond € 437,— per maand bedraagt. Dit brengt met zich dat de behoefte van de kinderen in 2015 op een bedrag van € 523,— (te weten: € 960,- minus € 437,-) per maand, derhalve € 261,50 per kind per maand dient te worden gesteld.”

2.3

Het onderdeel klaagt dat het oordeel dat op de behoefte van de kinderen het voor hen ontvangen kindgebonden budget in mindering dient te worden gebracht, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omdat het in strijd is met de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 20156. Op basis daarvan had het hof het kindgebonden budget in aanmerking dienen te nemen bij de berekening van de draagkracht van de verzorgende ouder.

2.4

In het door het onderdeel genoemde arrest heeft de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen het volgende antwoord gegeven:

“4.1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

4.2.

Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.”

2.5

Daaraan heeft de Hoge Raad – voor zover thans van belang – de volgende overwegingen laten voorafgaan:

“3.2.1. Op 1 januari 2015 is de Wet Hervorming Kindregelingen (WHK, Wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. In dat kader is de zogenoemde alleenstaande ouderkop geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget (zie hierna in 3.3.2).

(…)

3.3.1

De wetgever heeft in de loop der jaren diverse, ten dele inkomensafhankelijke, regelingen getroffen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen. Tot die regelingen behoort sinds 1 januari 2008 het kindgebonden budget. Het betreft een langs fiscale weg uitgekeerde, inkomensafhankelijke toeslag, die in de plaats is gekomen van de voordien geldende kinderkorting. Alleenstaande, één of meer kinderen verzorgende, ouders konden tot 1 januari 2015 aanspraak maken op aanvullende inkomensondersteuning in de vorm van een alleenstaande oudertoeslag in het kader van een bijstandsuitkering en een alleenstaande ouderkorting in zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001.

3.3.2

De alleenstaande ouderkop vervangt de hiervoor in 3.3.1 genoemde alleenstaande oudertoeslag en alleenstaande ouderkorting. Blijkens een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 22 april 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 33 716, nr. 32, p. 3) is met deze tegemoetkoming beoogd twee doelen na te streven: aanvullende inkomensondersteuning van de alleenstaande ouder, overeenkomend met de doelstelling van de oude regelingen, en, als onderdeel van het kindgebonden budget, een tegemoetkoming in de kosten van kinderen.

(…)

3.4.2

De hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 vermelde overheidsregelingen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen, verminderen de behoefte van het kind niet. Deze wordt immers gevormd door wat het kind nodig heeft. Het bestaan van de bedoelde regelingen laat voorts onverlet dat het aan de ouders is om in de behoefte van hun kind te voorzien. De overheidsondersteuning is dan ook daarop gericht: met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop is beoogd de verzorgende ouder, respectievelijk de verzorgende alleenstaande ouder, inkomensondersteuning te bieden om in de behoefte van zijn kind of kinderen te voorzien (zie hiervoor in 3.3.2). Deze tegemoetkomingen verhogen dan ook de draagkracht van die ouder.”

2.6

De annotatoren Wortmann7 en Vledder8 zijn ingegaan op de vraag of het oordeel van de Hoge Raad ook betrekking heeft op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold9.

Wortmann is stellig daarin. Zij wijst er op dat de prejudiciële beslissing ook gevolgen heeft voor de kinderalimentatiezaken die volgens de nieuwe richtlijn10 vanaf 1 januari of 1 april 2013 zijn beslist waarin een kindgebonden budget aan de orde was. Volgens Wortmann kan dit “ertoe leiden dat, bijvoorbeeld als de verzorgende ouder een bijstandsuitkering heeft, bij voldoende draagkracht van de andere ouder een hogere kinderalimentatie zou moeten worden betaald. Of dat ook met terugwerkende kracht vanaf de datum van de vaststelling na 1 januari of 1 april 2013 moet gebeuren, hangt van de omstandigheden van het geval af.”

2.7

Vledder merkt in zijn annotatie op dat alle kinderalimentaties die sinds 1 januari 2013 zijn vastgesteld en waarbij (een deel van) het kindgebonden budget in mindering is gebracht op de behoefte, niet (meer) in lijn zijn met de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.

2.8

Ik sluit mij daarbij aan. Uit rechtsoverweging 3.4.2 in samenhang met rechtsoverweging 3.3.1 volgt dat het antwoord op de prejudiciële vragen niet alleen ziet op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze sinds de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen op 1 januari 2015 geldt, doch ook op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold.

In de bestreden beschikking heeft het hof in rechtsoverweging 5.7 het kindgebonden budget over zowel 2014 als 2015 op de behoefte van de kinderen in mindering gebracht. Gelet op het vorenstaande heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Onderdeel II is derhalve terecht voorgesteld.

2.9

De onderdelen I en III komen op tegen rechtsoverweging 5.17, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Aangezien de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 20 januari 2014 op een bedrag van € 495,— per kind per maand heeft bepaald, en het hof - zoals hiervoor overwogen - berekend heeft dat de man over de periode van 20 januari 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 317,- per kind per maand en over de periode vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 212,— per kind per maand dient te voldoen, betekent dit dat er een terugbetalingsverplichting voor de vrouw zal ontstaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw hiermee rekening had kunnen en moeten houden en de door haar ontvangen c.q. verhaalde bedragen had dienen te reserveren, temeer nu vast staat dat de behoefte van de kinderen lager is gelegen dan de door haar ontvangen c.q. verhaalde bedragen.”

2.10

Nu het oordeel van het hof inzake de behoefte van de kinderen niet in stand kan blijven, kan ook rechtsoverweging 5.17 niet in stand blijven en behoeven de onderdelen I en III geen behandeling.

2.11

Volledigheidshalve bespreek ik onderdeel I. Daarin wordt geklaagd dat het oordeel inzake de terugbetalingsverplichting getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof de vaste rechtspraak dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum niet heeft toegepast. Uit de gedingstukken11 kan volgens het onderdeel worden afgeleid dat een eerdere ingangsdatum ingrijpende gevolgen zal (kunnen) hebben voor de vrouw, nu als gevolg van deze eerdere ingangsdatum een terugbetalingsverplichting van de vrouw aan de man is ontstaan van € 8.004,-. Indien het hof voornoemde vaste rechtspraak niet heeft miskend, is zijn oordeel gelet op de in het onderdeel genoemde passages uit de gedingstukken ontoereikend gemotiveerd.

2.12

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad12 gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Bij de beoordeling is onder meer van belang: de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerdere bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van onder meer de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bedragen13.

2.13

De rechtbank heeft in haar beschikking van 23 juli 2014 vastgesteld14 dat het maandinkomen van de vrouw met een winst van € 12.192,- bruto per jaar over 2013 niet hoger is dan een bijstandsuitkering.

In zijn verzoekschrift in appel tevens houdende verzoek tot schorsing heeft de man ter toelichting op zijn (spoedeisend) belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank onder meer het volgende aangevoerd:

“ 61. (…) De man vreest, zeker gelet op het financiële regime van de vrouw en de (bedrijfs)schulden die zij heeft dat zij, indien de beschikking van de rechtbank door uw Hof zal worden vernietigd en de alimentatiebedragen ongewijzigd zullen blijven doch in ieder geval op een lager bedrag zullen worden gesteld dan de rechtbank thans heeft bepaald, niet in staat zal zijn om het teveel door hem betaalde terug te betalen, terwijl de vrouw naar alle waarschijnlijkheid ook weinig tot geen verhaalsmogelijkheid heeft. (…)”

2.14

Het hof heeft het schorsingsverzoek van de man bij beschikking van 25 november 2014 in het incident afgewezen. Daartoe heeft het hof in rechtsoverweging 3.7 onder meer het volgende overwogen:

“Voorts heeft de man gewezen op restitutierisico ter onderbouwing van zijn schorsingsverzoek. Het hof overweegt dat ter zitting vast is komen te staan dat de man de in de bestreden beschikking bepaalde onderhoudsbijdragen volledig heeft voldaan en dat de vrouw die onderhoudsbijdragen (grotendeels) heeft uitgegeven aan levensonderhoud voor de kinderen en voor zichzelf. (…)”

Daarnaast is het hof in rechtsoverweging 5.9 van de bestreden beschikking uitgegaan van een minimumdraagkracht van de vrouw ter hoogte van € 50,- per maand voor beide kinderen.

2.15

Gelet op het voorgaande (het vastgestelde inkomen van de vrouw en de vaststelling dat de reeds betaalde onderhoudsbijdragen al volledig op gegaan zijn aan levensonderhoud van de vrouw en de kinderen) heeft het hof m.i. met zijn oordeel in rechtsoverweging 5.17 dat de vrouw rekening had kunnen en moeten houden met een terugbetalingsverplichting met betrekking tot de kinderalimentatie en de door haar ontvangen dan wel verhaalde bedragen had dienen te reserveren, hetzij niet de benodigde terughoudendheid betracht, hetzij zijn oordeel dat in redelijkheid terugbetaling van de vrouw kan worden gevergd niet voldoende gemotiveerd. Het hof heeft zich weliswaar rekenschap gegeven van het gevolg van zijn beslissing om de verlaging van de kinderalimentatie op een eerder moment te laten ingaan dan de datum van zijn uitspraak, te weten dat een terugbetalingsverplichting bestaat, doch gelet op de hoogte van het terug te betalen bedrag en de financiële situatie van de vrouw had het hof mijns inziens beter dienen te motiveren waarom terugbetaling in redelijkheid van de vrouw kon worden gevergd.

Ook onderdeel I is mitsdien terecht voorgesteld.

2.16

Onderdeel IV bevat geen zelfstandige klacht.

2.17

Onderdeel V bevat een soortgelijke klacht als onderdeel I maar dan ten aanzien van de partneralimentatie. Het onderdeel komt op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.24 dat de vrouw rekening had kunnen en moeten houden met een terugbetalingsverplichting met betrekking tot de partneralimentatie en de door haar ontvangen dan wel verhaalde bedragen had dienen te reserveren.

Het onderdeel klaagt dat het hof ook in het kader van de partneralimentatie ten onrechte de vaste rechtspraak dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, niet heeft toegepast. Uit de gedingstukken kan volgens het onderdeel worden afgeleid dat een eerdere ingangsdatum ingrijpende gevolgen zal (kunnen) hebben voor de vrouw, nu als gevolg van deze eerdere ingangsdatum een terugbetalingsverplichting van de vrouw aan de man is ontstaan van € 9.653,-. Indien het hof voornoemde vaste rechtspraak niet heeft miskend, is zijn oordeel gelet op de in het onderdeel genoemde passages uit de gedingstukken15 ontoereikend gemotiveerd.

2.18

Nu het oordeel van het hof inzake de kinderalimentatie niet in stand kan blijven, dient ook de te betalen partneralimentatie opnieuw te worden beoordeeld. Ik merk volledigheidshalve op dat ook dit onderdeel terecht is voorgesteld en verwijs hiervoor naar de behandeling van onderdeel I.

2.19

Onderdeel VI bevat geen zelfstandige klacht.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover in cassatie van belang. Zie de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 augustus 2005, rov. 3.1-3.3.

2 Eveneens voor zover thans van belang.

3 Het verzoekschrift tot cassatie is op 11 november 2015 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

4 In het verzoekschrift is vermeld dat de vrouw op het moment van indiening daarvan nog niet de beschikking had over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof van 30 april 2015 en dat zij zich het recht voorbehoudt haar verzoekschrift aan te vullen en/of te verbeteren, indien de kennisneming van de inhoud van dat proces-verbaal daartoe aanleiding geeft. Bij brief van 3 februari 2016 heeft de vrouw de griffie bericht dat zij afziet van aanvulling van haar verzoekschrift.

5 Het onderdeel richt zich voorts tegen de uitwerking van het oordeel van het hof in de rov. 5.8, 5.9, 5.12, 5.13, 5.17, 6 en in het dictum.

6 ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465 m.nt. S.F.M. Wortmann.

7 NJ 2015/465 onder 13.

8 JIN 2015/218.

9 Zie over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad voorts JPF 2015/120 m.nt. P. Vlaardingerbroek, M.J. Hüsen, “De Hoge Raad en het kindgebonden budget: hoe nu verder?”, EB 2016/3, A.R. van Wieren, “De Hoge Raad en het kindgebonden budget: een nadere beschouwing”, EB 2016/13, GS Personen-en familierecht (S.F.M. Wortmann) art. 404 Boek 1 BW aant. 2b & PFR-updates 2015-0297, m.nt. J.J. Smeenge.

10 Van de werkgroep alimentatienormen voor de berekening van kinderalimentaties. Zie daarover de noot van Wortmann onder 2 die voor de achtergrond van de prejudiciële vragen naar de conclusie van waarnemend A-G Hammerstein verwijst.

11 Zie de vindplaatsen in het cassatieverzoekschrift, p. 5 en 6.

12 Zie recentelijk HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92.

13 Zie mijn conclusie vóór HR 4 maart 2016 onder 2.6.

14 P. 3 onder kopje “draagkracht van de vrouw”.

15 Dit betreft dezelfde gedingstukken als waarnaar in onderdeel I wordt verwezen.