Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:490

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-04-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
15/02330
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1199, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Beroep op nietigheid inleidende dagvaarding mogelijk indien verdachte n-o wordt verklaard in het h.b.? Art. 422 en 416.2 Sv. 2. Beroep op overschrijding redelijke termijn na uitspraak Hof.

Ad 1. Ex art. 422 Sv is het Hof slechts gehouden tot de beraadslaging a.b.i. art. 348 en 350 Sv indien aan het vereiste is voldaan dat “het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.” Daaruit volgt dat de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding eerst aan de orde komt, wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het h.b. bevestigend is beantwoord. Onder de vraag van art. 422.1 Sv “of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt” moet mede worden begrepen het in art. 416.2 Sv beschreven geval. De mogelijkheid dat de inleidende dagvaarding nietig is staat derhalve niet eraan in de weg dat het Hof toepassing geeft aan art. 416.2 Sv.

Ad 2. Nu de schriftuur geen klachten bevat t.a.v. 's Hofs n-o-verklaring van verdachte in het door hem ingestelde h.b. en de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, kan de klacht dat na het wijzen van het bestreden arrest bij de betekening van de verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid is betracht niet leiden tot vernietiging van 's Hofs uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02330

Zitting: 19 april 2016

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft, na nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep bij arrest van 15 september 2010, bij arrest van 31 januari 2011 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2009 waarbij de verdachte wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, was veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de dagvaarding in eerste aanleg niet nietig heeft verklaard, althans dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig aan de verdachte is betekend, niet begrijpelijk is.

3.2.

De inleidende dagvaarding is blijkens de zich bij de stukken bevindende akte van uitreiking op 23 maart 2009 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam omdat ‘van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is’. De akte vermeldt tevens dat een afschrift van de gerechtelijke brief op diezelfde dag door de desbetreffende parketmedewerker is gezonden aan het aan de ‘ommezijde vermelde adres’, te weten [a-straat 1] , [plaats 1] , België. Op de terechtzitting van de politierechter van 5 juni 2009 verscheen noch de verdachte, noch een door hem gemachtigde raadsman. De verdachte werd bij verstek veroordeeld.

3.3.

Het hof heeft in zijn arrest van 15 september 2010 onder de kop ‘Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep’ als volgt overwogen en beslist:

“Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2010 is gebleken dat de betekening van de dagvaarding van de verdachte om op die terechtzitting te verschijnen niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Van de verdachte is een tweetal - relatief kort geleden door dan wel namens hem opgegeven - adressen in het buitenland bekend.

Bij gelegenheid van de betekening van bovengenoemd vonnis, welke betekening op 31 december 2009 heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte immers aangegeven aan [b-straat 1] te [plaats 2] (Letland) te wonen.

Aldaar is een afschrift van de dagvaarding, nadat deze ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage was uitgereikt, toegezonden, doch eerst op 8 september 2010 en mitsdien niet met inachtneming van de termijn, voorgeschreven in artikel 413, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Van recenter datum, te weten 8 januari 2010, is de appelakte. De door de verdachte bepaaldelijk tot het instellen van het hoger beroep gevolmachtigd raadsman heeft daarin doen opnemen dat de verdachte - nog immer - in [plaats 1] woonachtig is. In die akte staat als adres de [a-straat 1] te [plaats 1] vermeld, naar welk adres op 29 juni 2010 een afschrift van de dagvaarding - wederom nadat deze ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage was uitgereikt - is verzonden.

Blijkens de onderliggende processtukken is laatstgenoemd adres evenwel niet volledig. De verdachte heeft immers, zowel tijdens zijn verhoor door de politie van Antwerpen op 9 mei 2007 (pagina's 19 e.v. van het doorgenummerde dossier), als tijdens zijn verhoor door de politie Amsterdam-Amstelland (pagina 34 van het doorgenummerde dossier) te kennen gegeven dat zijn volledige adresgegevens luiden: [a-straat 1] [plaats 1] (België). Een dagvaarding, vermeldende dat - volledige - adres is op 19 augustus 2010 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage omdat, aldus de betreffende akte, "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

Aldus heeft de betekening van de appeldagvaarding niet overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften - meer in het bijzonder niet overeenkomstig artikel 588, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - plaatsgevonden. Het hof zal deze dagvaarding dan ook, nu de verdachte heden niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van deze terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, nietig verklaren.

BESLISSING

Het hof :

Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.“

3.4.

Na dit arrest is de verdachte opnieuw gedagvaard, dit maal voor de zitting van het hof van 31 januari 2011. De dagvaarding werd niet in persoon aan de verdachte uitgereikt. Op de zitting verscheen de verdachte niet, noch een gemachtigde raadsman. Het hof deed onmiddellijk uitspraak.

3.5.

Het middel keert zich tegen het impliciete oordeel van het hof dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend. De klacht is niet dat het origineel van die dagvaarding niet, zoals art. 588 lid 2 Sv voorschrijft, naar het bekende adres van de verdachte in het buitenland is gezonden (dat origineel is uitgereikt aan de griffier) en dat in plaats daarvan een afschrift van de dagvaarding naar dat adres is gezonden. Die klacht zou ook geen kans van slagen hebben gehad.1 De klacht is wel dat aan de toezending van de inleidende dagvaarding hetzelfde gebrek kleeft als aan de op 29 juni 2010 verzonden appeldagvaarding, namelijk dat het adres incompleet is. Derhalve had het hof ook de inleidende dagvaarding nietig moeten verklaren.

3.6.

De vraag is of dat juist is. In zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overweging stelt het hof vast dat op 19 augustus 2010 een appeldagvaarding met het volledige Belgische adres is uitgereikt aan de griffier. De desbetreffende akte maakt geen melding van toezending van (een afschrift van) die dagvaarding aan het bedoelde adres, hetgeen voor het hof reden zal zijn geweest om niet van een geldige betekening te spreken. Toch is de vraag of toezending achterwege is gebleven. In elk geval bevindt zich bij de stukken een aan het Openbaar Ministerie toegezonden brief van 25 augustus 2010 waarin de schrijver, onder vermelding van het rolnummer en het parketnummer van de zaak tegen verdachte, meedeelt dat ‘ [verdachte] sinds mei 2008 niet meer woont op volgend adres: [a-straat 1] [plaats 1] / België’. De schrijver voegt daaraan toe dat hij sinds juni 2008 woonachtig is op dit adres. Deze informatie spoort met de mededeling die de verdachte op 31 december 2009 deed bij de betekening van het vonnis, namelijk dat hij toen in [plaats 2] woonde. Kennelijk heeft het hof uit een en ander afgeleid dat het adres [a-straat 1] , in [plaats 1] ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding op 23 maart 2009 was achterhaald, zodat achteraf kan worden vastgesteld dat toezending van de dagvaarding naar dat adres niet was vereist en dat met uitreiking daarvan aan de griffier (zoals is geschied) kon worden volstaan. Ik merk daarbij op dat dit oordeel te verenigen valt met de nietigverklaring van de op 29 juni 2010 verzonden appeldagvaarding. Het hof maakt melding van de ‘recente datum’ van de appelakte, waarin de raadsman ‘heeft doen opnemen dat de verdachte - nog immer - in [plaats 1] woonachtig is’. Het is gelet op de betekenis die door de Hoge Raad aan dergelijke recente informatie wordt toegekend2, niet onbegrijpelijk dat het hof daaraan niet is voorbijgegaan bij de beoordeling van de geldigheid van een betekening die nadien heeft plaatsgevonden.3 Voor de beoordeling van een betekening die eerder heeft plaatsgevonden, heeft het hof die recente informatie niet van betekenis kunnen achten.

3.7.

In HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5578 oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting dat de appelrechter bij zijn onderzoek naar de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding geen acht mag slaan op gegevens die eerst na de betekening van die dagvaarding bekend zijn geworden, onjuist is. Het hof had dat miskend en de inleidende dagvaarding nietig verklaard. De Hoge Raad casseerde. Uit het arrest volgt dat in hoger beroep bij de beoordeling van de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding ook ten nadele van de verdachte acht mag worden geslagen op achteraf bekend geworden gegevens.4 Het oordeel van het hof in de onderhavige zaak – verstaan in de hiervoor weergegeven zin – getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin.

3.8.

Een iets andere oplossing is wellicht ook verdedigbaar. De vraag is welk belang de verdachte heeft bij de klacht dat het adres waarnaar de inleidende dagvaarding is gezonden, niet volledig was, nu uit de gedingstukken lijkt te volgen dat de verdachte destijds niet meer op dat adres woonachtig was. Nu dat belang niet evident is, wordt een toelichting in de schriftuur node gemist. Gelet daarop faalt het middel in die redenering bij gebrek aan rechtens te respecteren belang.5

3.9.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt dat na de uitspraak van 's hofs bij verstek gewezen arrest de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

4.2.

Het bedoelde arrest is op 31 januari 2011 gewezen. In de toelichting op het middel wordt met juistheid gesteld dat een verstekmededeling op 4 maart 2011 aan de griffier is uitgereikt, maar dat uit de daarvan opgemaakte akte niet blijkt van toezending van die mededeling aan (één van) de buitenlandse adressen die van de verdachte bekend waren. Uit de stukken kan bovendien niet blijken dat nadien pogingen zijn ondernomen om de verstekmededeling alsnog rechtsgeldig te betekenen.

4.3.

Bij de bestreden uitspraak is aan de verdachte geen straf opgelegd. Dat betekent dat strafvermindering alleen mogelijk is als het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd, zulks ondanks het feit dat het hof het tegen dat vonnis gerichte hoger beroep – naar in cassatie moet worden aangenomen: terecht – niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is begrijpelijk dat de Hoge Raad daarvan niet wil weten, ten minste niet in gevallen waarin het gaat om een tardief ingesteld appel.6 In casu berust de niet-ontvankelijkverklaring op art. 416 lid 2 Sv, maar verschil lijkt mij dat niet te maken. Indien de Hoge Raad toch vanwege het eigenaardige karakter van deze niet-ontvankelijkheid enig verschil wil zien, zou hij met de enkele constatering dat de termijn is overschreden, moeten volstaan. De bestreden uitspraak kan moeilijk vernietigd worden (wat zou daarvoor in de plaats moeten komen?), terwijl het vonnis van de rechtbank onaantastbaar is als de bestreden uitspraak in stand blijft.

4.4.

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.19 (toezending door tussenkomst van de griffier brengt geen nietigheid mee) en HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6989 (geen nietigheid als tevens aan de griffier is uitgereikt). Ik merk op dat de appeldagvaarding voor de zitting van 31 januari 2011 eveneens aan de griffier is uitgereikt en dat de toezending aan (naar ik meen te mogen begrijpen) beide bekende adressen in het buitenland volgens de akte heeft plaatsgevonden op grond van art. 588a Sv. Die onjuiste vermelding maakt de betekening naar ik aanneem evenmin nietig.

2 Zie bijv. HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2436.

3 Ik laat daarbij nog daar dat het hof dat op 31 januari 2011 over de inleidende dagvaarding oordeelde niet gebonden was aan het oordeel dat door het hof op 15 september 2010 was gegeven met betrekking tot de appeldagvaarding.

4 In cassatie moet wel onderscheid gemaakt worden. Op grond van nieuwe, eerst in cassatie gebleken gegevens kan wel de conclusie worden getrokken dat een ogenschijnlijk geldig betekende dagvaarding nietig is, maar niet de conclusie dat een ogenschijnlijk nietige dagvaarding toch geldig is betekend. Zie HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6182.

5 Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:460.

6 Zie o.m. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3112.