Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:484

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/03642
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1194, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van nepvuurwapen, “pepperspray”-wapen en munitie in woning, art. 13.1 WWM en art. 26.1 WWM. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1169 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152 m.b.t. het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Gelet op hetgeen het Hof blijkens zijn bewijsvoering heeft vastgesteld t.a.v. het aantreffen van de wapens en de munitie in de woning en ’s Hofs oordeel dat onder de vastgestelde omstandigheden van verdachte een redelijke verklaring mag worden gevergd voor het aantreffen van de wapens en munitie in zijn woning en dat verdachte geen verklaring heeft gegeven, is ’s Hofs oordeel dat verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad en zich derhalve in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die wapens en munitie in de woning, niet onbegrijpelijk. CAG: anders. Samenhang met nr. 14/02276, nr. 14/03756 en nr. 15/03441.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03642

Zitting: 22 maart 2016 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 juni 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, en 2. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof heeft voorts ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen de onttrekking aan het verkeer dan wel de teruggave gelast zoals in het arrest is vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 14/02276, 14/03756 en 15/03441. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. In het eerste middel wordt geklaagd over het onder 1 en 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van pepperspray, munitie en een imitatie pistool en over de verwerping van een daaromtrent gevoerd verweer.

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 16 februari 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek, een wapen van categorie II in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray (merk: Piexon, type Guardian Angel II), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, en munitie van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten 100 patronen (merk: CCI, kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 16 februari 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek, een wapen van categorie I onder 7° in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een nabootsing/imitatie van een pistool (Smith & Wesson, type 4013 TSW), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen dat het voor bedreiging en afdreiging geschikt is, voorhanden heeft gehad.”

4.2. Die bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“1. Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 3 juni 2013 betreffende het in beslag genomen imitatiepistool.

“Op 16 februari 2011 werd door de politie Brabant Zuid-Oost [...] het perceel [a-straat 1] te Mariahout doorzocht. [...] Daarbij werden een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen. Een van deze goederen betreft een nep-vuurwapen [...] Dit voorwerp bevond zich in een kluis, aanwezig op slaapkamer 1 in de woning op betreffend perceel, op de eerste etage.

2. Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 31 december 2012 betreffende de in beslag genomen munitie.

"Op woensdag 16 februari 2011 werd [...] binnengetreden in de woning [a-straat 1] te Mariahout. [...] Bij de zoeking werden onder andere in beslag genomen: ”[...] 100 stuks munitie, verpakt in een doosje, type .22 CCI Long Rifle. Deze bevond zich op een zolder van de garage."

3. Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 22 december 2011 betreffende het in beslag genomen pepperspray-wapen.

Op woensdag 16 februari 2011 [...] werd [...] binnengetreden in de woning [a-straat 1] te Mariahout. [...] Tijdens deze doorzoeking werden diverse goederen [...] in beslag genomen. [...] Op de beslaglijst werd [...] vermeld dat er in de keuken een "taser ” (stroomstootwapen) werd aangetroffen. Deze "taser” werd aangetroffen in de lade in de keukentafel. [...] Uit onderzoek is echter gebleken dat het hier niet ging om een taser, maar om een "pepperspray ” wapen.”

4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 maart 2011 betreffende de doorzoeking op 16 februari 2011.

"Op woensdag 16 februari 2011 vond er een doorzoeking plaats in een woning op het adres [a-straat 1] te Mariahout [...]. Tijdens de zoeking werd een imitatiepistool, een doos patronen [...] en een pepperspray-wapen in beslag genomen. [...]

(…)

5. Proces-verbaal van verbalisant AOE-ZN 308 d.d. 16 februari 2011 betreffende de aanhouding van de verdachte.

"Op woensdag 16 februari 2011 te 04:43 uur [...] heb ik [in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Mariahout] [...] aangehouden: [verdachte] [...], wonende aan de [a-straat 1] te Mariahout. ”

6. Proces-verbaal van verbalisant AOE-ZN 316 d.d. 16 februari 2011 betreffende de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte].

“Op woensdag 16 februari 2011 om 04:44 uur heb ik [...] [in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Mariahout] aangehouden: [medeverdachte], [...] wonende aan de [a-straat 1] te Mariahout. ”

4.3. Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft in subsidiaire zin op een andere grond vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman schiet het bewijs tekort om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning.

Ook dit verweer treft geen doel. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan de bewoner in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. Dat is, anders dan de rechtbank meent, geen onweerlegbaar uitgangspunt (vandaar de toevoeging “in beginsel”). Het hof is echter wel met de rechtbank van oordeel dat van de verdachte bij het aantreffen van contrabande in zijn woning, welke woning hij op het moment van het aantreffen ook daadwerkelijk bewoont en waarin hij dan ook verblijft, wel een redelijke verklaring mag worden gevergd.

De verdachte heeft zich in dit geval steevast beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft zelfs niet verklaard dat de wapens en munitie niet aan hem toebehoorden. Dat is slechts door zijn raadsman medegedeeld. Daar komt nog bij dat de wapens en munitie op verschillende plaatsen, die typisch behoren tot het privédomein van de bewoner, zijn aangetroffen: de munitie op de zolder van de bij de woning behorende garage, het pepperspray-wapen in de lade van de keukentafel en het imitatiewapen in een kluis op een slaapkamer. Deze feiten en omstandigheden doen veronderstellen dat een eventueel alternatief scenario waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de wapens en munitie in de door hem bewoonde woning heeft geplaatst, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad, zoals bewezen is verklaard. Het hof spreekt de verdachte wel vrij van het ten laste gelegde medeplegen. Hoe aannemelijk dat ook moge zijn, het bewijs schiet tekort voor het medeplegen.”

4.4. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in het licht van de omstandigheid dat het hof heeft vastgesteld dat de woning op de in de bewezenverklaring genoemde datum niet alleen werd bewoond door de verdachte maar (in ieder geval) ook door medeverdachte [medeverdachte], de hiervoor weergegeven verwerping van het verweer onbegrijpelijk is. Daarbij wordt aangevoerd dat de zolder van de garage, de kluis in de slaapkamer en de lade van een keukentafel niet kunnen worden beschouwd als plekken waar iedere bewoner dagelijks komt of in kijkt. Voorts wordt erop gewezen dat het hof ook ten laste van de medeverdachte [medeverdachte] heeft bewezenverklaard dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van dezelfde wapens en munitie als die de verdachte voor handen zou hebben gehad. Uit de overweging van het hof dat het scenario dat zonder wetenschap van de verdachte een ander de wapens in de woning heeft geplaatst als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven, zou rechtstreeks volgen dat het hof niet uitsluit of kan uitsluiten dat een ander dan de verdachte inderdaad de hand heeft gehad in het plaatsen van de contrabande in de woning.

4.5. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet wapen en munitie (hierna: WWM) is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.1

4.6. In het onderhavige geval heeft het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsmotivering vastgesteld dat de wapens en munitie op verschillende ‘typisch tot het privédomein behorende’ plaatsen zijn aangetroffen in de woning waar verdachte woonde. Mede in aanmerking genomen dat uit die gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] eveneens in die woning woonachtig was ten tijde van het aantreffen van de bedoelde wapens en munitie en (dus) ook toegang had tot de plaatsen waar deze zijn aangetroffen terwijl de wapens en munitie op die plaatsen aan het directe zicht waren onttrokken, is het oordeel van het hof dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een ander dan de verdachte de wapens zonder wetenschap van de verdachte in de woning heeft geplaatst niet zonder meer begrijpelijk. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan immers niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld [medeverdachte] de wapens en munitie zonder medeweten van de verdachte in de woning heeft verborgen, terwijl het hof evenmin heeft gemotiveerd waarom het die mogelijkheid kennelijk niet aannemelijk heeft geacht. Het enkele feit dat de verdachte zich in dit verband steeds heeft beroepen op zijn zwijgrecht, zoals het hof heeft overwogen, lijkt mij daartoe onvoldoende. De uitdrukkelijke overweging van het hof dat het bewijs tekort schiet voor het (tenlastegelegde) medeplegen van dat voorhanden hebben sluit op zichzelf aan bij het kennelijke oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat er anderen betrokken zijn geweest bij de opslag van de wapens en munitie in de woning. Het hof heeft echter niet nader gemotiveerd in welke zin het bewijs voor dat medeplegen te kort schiet en hoe die vrijspraak voor het medeplegen zich verhoudt tot het gebezigde bewijsmiddel waaruit blijkt dat ook [medeverdachte] woonachtig was in de desbetreffende woning. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de samenhangende strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte], waarin ook cassatieberoep is ingesteld en in welke zaak ik vandaag ook concludeer2 mij ambtshalve bekend is dat het hof met een vrijwel gelijkluidende bewijsoverweging [medeverdachte] wegens het voorhanden hebben van dezelfde wapens en munitie als waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld, van oordeel was dat [medeverdachte] wel was betrokken bij dat plaatsen van de wapens en munitie in de woning. Ook in het licht daarvan acht ik het kennelijke oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat verdachte de wapens en munitie (alleen) voorhanden heeft gehad niet zonder meer begrijpelijk.

5. Het middel slaagt.

6. In het tweede middel wordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.

6.1. Namens verdachte is op 23 juni 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn bij de Hoge Raad op 5 augustus 2015 binnengekomen waardoor de inzendtermijn van acht maanden met bijna zes maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Nu die overschrijding ook niet meer door een voortvarende behandeling kan worden gecompenseerd betekent dit dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel slaagt en de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, kan hier met die constatering worden volstaan en zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen of verwezen bij de (eventuele) straftoemeting met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening dienen te houden.

7. Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dan wel verwijzing naar een ander hof, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804 en HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370.

2 Welke thans in cassatie aanhangig is onder nummer 14/03756.