Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:478

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-04-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/02925
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1176, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroep op psychische overmacht bij geweldshandelingen t.g.v. verwijdering hekwerk op last van gemeente. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02925

Zitting: 19 april 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 19 maart 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1A “poging tot zware mishandeling”, 1B, 1C, 1D en 1E telkens “bedreiging met zware mishandeling”, 1F en 2 telkens “poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 3 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, en 4 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan twaalf maanden voorwaardelijk. Het hof heeft verder beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in het arrest is vermeld.

  2. Namens de verdachte heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De aanleiding voor deze zaak was een sinds 2002 escalerend conflict tussen de verdachte en bewoners van een aan zijn huis grenzend woonwagenkamp, waarbij de verdachte ernstig in zijn woonomgeving werd bedreigd en zich door de autoriteiten in de steek gelaten voelde. Toen van gemeentewege op 21 juni 2012 een hekwerk dat hij ter bescherming voor zijn huis had geplaatst werd verwijderd, sloegen bij de verdachte de stoppen door en heeft hij zich met geweld verzet. Daarbij heeft hij onder meer brandende benzine naar een medewerker van een door de gemeente ingehuurd bergingsbedrijf en naar daar aanwezige politieagenten gegooid, een politieagent met een mes bedreigd en in de richting van het hoofd geschopt en gedreigd met een gespannen handboog. In de strafzaak heeft hij zich beroepen op psychische overmacht. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het op basis van het dossier niet anders kan concluderen dan dat de gemeente in deze kwestie op meerdere momenten ernstig is tekort geschoten. Het hof acht het invoelbaar dat de verdachte zich door het optreden van de gemeente in de steek gelaten voelde, maar komt tot het oordeel dat dit het handelen van de verdachte op 21 juni 2012 niet kan rechtvaardigen en oordeelt dat er geen sprake is van psychische overmacht. Het hof heeft de context van het handelen van verdachte wel in de strafmaat verdisconteerd en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

  4. In het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping van het beroep op psychische overmacht.

4.1. Het hof heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen1:

“De verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van psychische overmacht. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat, gelet op de voorgeschiedenis rondom het conflict met de bewoners van het naastgelegen woonwagenkamp en de rol van de gemeente en de politie daarbij, sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden toen de gemeente overging tot het verwijderen van het hekwerk bij de woning van de verdachte nu dit hekwerk de verdachte en zijn gezin nog enigszins een gevoel van veiligheid en rust gaf. Volgens de verdediging was de verdachte buiten zinnen. Ondanks dat de gemeente en de politie hiervan op de hoogte waren, hebben zij hun actie doorgezet. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte bijgevolg ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Uit het dossier volgt dat de onderhavige zaak een lange voorgeschiedenis kent. Hoewel het hof het voorstelbaar acht dat de situatie waarin de verdachte verkeerde en de gebeurtenissen in de jaren voorafgaand aan 21 juni 2012 bij de verdachte hebben geleid tot oplopende spanningen, is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte op de dag dat het hekwerk voor zijn woning van gemeentewege zou worden verwijderd, geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon of behoefde te handelen dan dat hij toen heeft gedaan. Uit de in het kader van de onderhavige zaak door psychiater H.E.M. van Beek en psycholoog J.J.M. van der Heijden verrichte onderzoeken volgt dat bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat hij volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Verdachte moet dan ook hebben ingezien dat wat hij deed om verwijdering van hekwerk te voorkomen (het gooien met brandende benzine en/of een brandende molotovcocktail naar een betrokken medewerker van een door de gemeente ingeschakeld bergingsbedrijf en politieambtenaren, het op een trap schoppen naar het hoofd van een politieambtenaar en het dreigen met een mes naar die politieambtenaar die in de woning was om met verdachte over de situatie te spreken en het dreigen met een (gespannen) handboog en pijlen naar omstanders) volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere (minder vergaande) mogelijkheden en middelen waren om zich tegen de verwijdering van het hekwerk te verzetten. Het handelen van de verdachte in de periode direct voorafgaand aan het incident (het prepareren van molotovcocktails, het klaarzetten van een handboog en pijlen en het informeren van de media over de actie die aanstaande was) duidt naar het oordeel van het hof meer op weloverwogen en planmatig handelen. Hieraan doet niet af dat, zoals hiervoor ten aanzien van de voorbedachte raad is overwogen, het hof het voor mogelijk houdt dat het bericht van de gemeente op de dag voorafgaand aan het incident dat het hekwerk de volgende dag zou worden verwijderd bij de verdachte heeft geleid tot een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De omstandigheid dat is gehandeld onder invloed van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling staat er echter niet aan in de weg dat bij dat handelen inzicht in het ongeoorloofde van dat handelen aanwezig was en dat voor de verdachte de mogelijkheid bestond om zijn bewezen verklaarde gedragingen te beëindigen. Psycholoog Van der Heijden heeft in dat verband op de terechtzitting van het hof verklaard dat naar zijn oordeel bij verdachte geen sprake was van een onweerstaanbare zucht tot zelfbehoud omdat de verdachte nog in staat was om zijn wil te bepalen en een afweging te maken over het wel of niet staken van zijn acties. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte op de dag van het incident het gevolg is geweest van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof verwerpt mitsdien het beroep op psychische overmacht. Dat neemt niet weg dat het hof hierna bij de bepaling van de op te leggen straf uitdrukkelijk rekening zal houden met de bijzondere situatie waarin de verdachte destijds verkeerde.”

4.2. Bij psychische overmacht moet het gaan om een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden, omdat dat redelijkerwijs niet van de verdachte kan worden gevraagd.2 Voor de aanvaarding van deze strafuitsluitingsgrond zijn echter ‘zeer prangende omstandigheden vereist’, aldus De Hullu.3 Een beroep op psychische overmacht wordt niet snel aanvaard, ook niet als het strafbare feit gepleegd wordt na een langdurige periode van treiteren, vernederen en bedreigen zoals bijvoorbeeld in het geval van een zogenaamd ‘battered woman-syndrome’.4 Psychische overmacht is zowel een psychologisch als een juridisch, normatief begrip.

4.2.1. Vanwege dat normatieve karakter is in zekere zin sprake van een objectivering: een enkel beroep op vrees is niet voldoende, die vrees moet, in het licht van de persoon van de verdachte, ook redelijk zijn. Ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit spelen hierbij een rol. Hoe ernstiger het feit, hoe zwaarder de toets of sprake is van een verontschuldigbare psychische overmacht. Daarbij gaat het dus niet om optimaal of gerechtvaardigd handelen maar om redelijke eisen die gesteld worden aan de dader in kwestie in exceptionele omstandigheden.5

4.2.2. Naast de normatieve component is in het kader van psychische overmacht ook ruimte voor een psychologische component; de persoon van de verdachte kan (en volgens De Hullu: moet) daarbij worden betrokken.6

4.2.3. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. De rechter heeft hierbij te beoordelen of de feitelijke grondslag van het verweer aannemelijk is geworden. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel kan in cassatie niet anders dan op begrijpelijkheid worden getoetst.

4.3. Het hof heeft bij de beoordeling van het beroep op psychische overmacht de juiste maatstaf aangelegd door bij zijn oordeel te betrekken dat de aangevoerde omstandigheden niet een zodanig van buiten komende drang tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten opleverden dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Zijn verwerping van het beroep op psychische overmacht is niet onbegrijpelijk. Dat bij de verdachte door de voorafgaande gebeurtenissen sprake was van (oplopende) spanningen en frustratie staat wel vast. Mede gelet op die gebeurtenissen, acht ik het niet onwaarschijnlijk dat het verwijderen van het hekwerk rondom zijn woning bij de verdachte ‘de stoppen heeft doen doorslaan’. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het handelen van verdachte is bepaald door een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

De vraag is hier of de verdachte redelijkerwijs weerstand had behoren te bieden tegen de drang om zich te verzetten tegen de verwijdering van het hekwerk en met name tegen de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Het hof oordeelt kennelijk dat er geen sprake was van een onvermijdelijke keuze voor de verdachte om zich op een dergelijke wijze te verzetten. Daaruit kan worden afgeleid dat er wellicht wel sprake was van een van buiten komende drang om te handelen zoals verdachte heeft gedaan, maar dat het hof van oordeel is dat van de verdachte redelijkerwijs verwacht mocht worden dat hij daaraan weerstand zou bieden. Dat oordeel is gegrond op een waardering van de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval. Het hof heeft daarover niet onbegrijpelijk overwogen dat de verdachte moet hebben ingezien dat zijn handelen volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere (minder vergaande) mogelijkheden waren om zich tegen de verwijdering van het hekwerk te verzetten. Daarbij heeft het hof betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het handelen van de verdachte in de periode direct voorafgaand van het incident duidt op weloverwogen en planmatig handelen en heeft het mede op grond daarvan kunnen oordelen dat er geen sprake was van een situatie waarin de verdachte geen inzicht had in het ongeoorloofde van zijn handelen, zijn wil niet meer kon bepalen en geen afweging meer kon maken over het wel of niet staken van zijn acties.

4.4. Mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en in aanmerking genomen dat hoe ernstiger het strafbare feit is, hoe zwaarder de toets is of van de verdachte verlangd kon worden anders te handelen dan hij heeft gedaan, heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat hier geen beroep op psychische overmacht kon worden aanvaard. Het verweer is op goede gronden verworpen.

4.5. Het middel faalt.

5. In het tweede middel wordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek om een (nieuwe) deskundige te benoemen voor het opmaken van een psychologisch rapport.

5.1. Bedoeld verzoek is gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2015. Het proces-verbaal van die zitting houdt daarover het volgende in:

“De raadsvrouw deelt mede:

(…)

Primair ben ik van oordeel dat cliënt ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat sprake is van psychische overmacht. Mocht het hof mij daarin niet volgen, dan verzoek ik dat door een nieuwe gedragsdeskundige een nieuw onderzoek zal worden verricht. Psycholoog Van der Heijden had onvoldoende kennis van de voorgeschiedenis. Ik wil wel aannemen dat in 2013 bij cliënt geen sprake was van een stoornis. De vraag is echter of dat in 2012 ook zo was. Was cliënt toen niet blind van woede en zeer angstig? Psycholoog Van der Heijden heeft vandaag verklaard dat hij in het kader van het onderzoek graag met de partner van cliënt had gesproken over de relatie tussen cliënt en zijn partner. Het was naar mijn mening echter veel interessanter om met de partner van cliënt te spreken over de gedragsveranderingen bij cliënt. De partner van cliënt wist dat cliënt aan het doordraaien was. Zij is naar de politie gegaan voor hulp omdat zij bang was dat cliënt zichzelf iets zou aandoen. Cliënt was niet meer in staat om zichzelf een halt toe te roepen. Mogelijk zijn bij cliënt de stoppen doorgeslagen toen hij de brief van de gemeente kreeg dat het hekwerk voor zijn woning zou worden verwijderd. Met de verwijdering van het hekwerk zou de enige veiligheid die cliënt nog had worden weggehaald. Reeds in 2002 is getracht om bij cliënt binnen te komen door een dikke deur. Cliënt was toen in zijn woning met zijn jonge zoon. Cliënt kon niet anders handelen.

(…)

De advocaat-generaal deelt mede:

De voorgeschiedenis van de zaak is bekend. De verdachte heeft een verklaring afgelegd. De partner van de verdachte heeft een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard over de situatie, de persoon van de verdachte en het handelen van de verdachte. Psycholoog Van der Heijden heeft gerapporteerd en is vandaag ter terechtzitting als deskundige gehoord. Uiteindelijk komt het bij de beantwoording van de vraag of de verdachte strafbaar is aan op een waardering van alle elementen. Ik ben in staat om die vraag te beantwoorden. Gelet daarop acht ik een nieuw onderzoek door een nieuwe gedragsdeskundige niet noodzakelijk zodat het verzoek van de verdediging dient te worden afgewezen.

De raadsvrouw deelt in reactie daarop mede:

De advocaat-generaal stelt dat het aankomt op een waardering van alle elementen. Dat heeft psycholoog Van der Heijden bij zijn onderzoek niet gedaan terwijl dat wel belangrijk is. Het hof is niet in staat om te oordelen over het handelen van cliënt op 21 juni 2012. De partner van cliënt heeft ook bij de burgemeester en bij Hompe om hulp gevraagd. Zonder kennis van de voorgeschiedenis van de zaak is het niet mogelijk om over de zaak te oordelen. Psycholoog Van der Heijden had zich bij zijn onderzoek moeten afvragen waarom een man die geen stoornis heeft zo door het lint is gegaan. Een normaaldenkend persoon gaat niet met pijl en boog in de richting van de politie op zijn dak staan. Dat is vreemd en dat moet worden uitgezocht. In het rapport van psycholoog Van der Heijden is sprake van tegenstrijdigheden. De oudste raadsheer heeft psycholoog Van der Heijden daarover bevraagd maar die vragen zijn onvoldoende beantwoord. Ik acht een nieuw onderzoek door een nieuwe gedragsdeskundige dan ook wel noodzakelijk.

De oudste raadsheer vraagt de verdachte of hij bereid is om mee te werken aan een nieuw onderzoek door een nieuwe gedragsdeskundige, mocht het hof daartoe besluiten.

De verdachte verklaart daarop:

Ik heb medicatie tegen depressiviteit. U kunt zich wel voorstellen dat ik een lange geschiedenis met depressiviteit heb. Mijn vraag om bescherming is nooit gehonoreerd. Ik ben bereid om mee te werken aan een nieuw onderzoek door een nieuwe gedragsdeskundige, maar dan moet er wel een vakbekwaam persoon worden gestuurd.

(…)

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Vervolgens wordt het onderzoek hervat.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:

Het hof acht het niet noodzakelijk dat door een nieuwe gedragsdeskundige een nieuw onderzoek zal worden verricht. Het hof heeft kennisgenomen van de voorgeschiedenis van zaak. Mede in dat licht is het hof in staat om het rapport van psycholoog Van der Heijden naar waarde te schatten. Het verzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen. Dat betekent dat de inhoudelijke behandeling van de zaak is afgerond.”

5.2. Het hof heeft het ter terechtzitting gedane verzoek afgewezen omdat het een nieuw onderzoek door een andere gedragskundige niet noodzakelijk achtte. Het hof heeft daarbij de juiste maatstaf toegepast. Daarover wordt terecht niet geklaagd.

5.3. Het verzoek van de verdediging om een aanvullend deskundigenrapport is kennelijk gedaan om de deskundige nader onderzoek te laten verrichten naar hetgeen is voorafgegaan aan de handelingen van verdachte op 21 juni 2012, wat volgens de verdediging van belang is voor de beantwoording van de vraag of bij de verdachte sprake is geweest van psychische overmacht. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het op grond van de zich in het dossier bevindende stukken in samenhang met het rapport van deskundige Van der Heijden in staat is om die vraag te beantwoorden en dat een nader onderzoek door een deskundige dus niet noodzakelijk is.

5.4. Daarbij wil ik opmerken, dat anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld7, Van der Heijden zich in zijn rapport wel degelijk heeft uitgelaten over de geestestoestand ten tijde van de delicten. In het zich bij de processtukken bevindende rapport concludeert Van der Heijden:

“Verband diagnose en delict

Naar de mening van onderzoeker was er ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een zeer hoog opgelopen conflict tussen onderzochte, autoriteiten van gemeente Leudal en de plaatselijke politie, waarbij onderzochte zich in de steek gelaten voelde door de instanties. Onderzochte had door de hoog opgelopen spanningen en gebrek aan uitzicht op een oplossing, het plan opgevat een daad te stellen en daarbij de pers uit te nodigen, zonder zich in te leven in de mogelijk ernstige gevolgen van zijn daden. Onderzochte heeft geen spijt van wat hij gedaan heeft. Omdat geen verband gelegd kon worden tussen het ten laste gelegde en een ziekelijke stoornis of een uit nader onderzoek van de voorgeschiedenis aantoonbare gebrekkige ontwikkeling, wordt geadviseerd onderzochte voor het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig toerekeningsvatbaar te achten.”

En de daarop betrekking hebbende door het hof gestelde vragen worden in het rapport als volgt beantwoord:

1.Is onderzochte lijdend aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zoja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Bij onderzochte is geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling.

In dit onderzoek worden narcistische, antisociale en theatrale persoonlijkheidskenmerken gezien.

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?

Genoemde persoonlijkheidstrekken hebben invloed uitgeoefend op onderzochtes gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde.

4. Zoja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat gebeurde,

De narcistische, antisociale en hysterische trekken hadden door toename van gevoelens van gekrenktheid tot gevolg dat onderzochte zich geen beeld meer vormde over de gevolgen van zijn gedrag bij de slachtoffers.

b. in welke mate dat gebeurde,

Vanwege de gekrenktheid door de instanties ontstond bij onderzochte heftige woede.

c. Welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.

Geadviseerd wordt onderzochte voor het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig toerekeningsvatbaar te achten.”8

Tijdens de zitting van het hof van 5 maart 2015 is Van der Heijden door het hof uitvoerig gehoord. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt dat de deskundige op een van de vragen van de raadsvrouw als volgt heeft geantwoord:

“De vraag of iemand die gezond is, niet meer in staat is om zijn wil te bepalen indien een bepaalde grens wordt overschreden kan ik niet beantwoorden omdat dit te maken heeft met psychische overmacht. Mij is in het onderhavige geval niet gevraagd om daar onderzoek naar te doen en daar antwoord op te geven. Bij mijn onderzoek heb ik mij gehouden aan de vraagstelling of er een verband is tussen de ten laste gelegde feiten en een eventuele ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Op basis van mijn onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat er bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De vraag of het mogelijk is dat de verdachte niet kon stoppen omdat hij tot het uiterste is getergd kan ik niet beantwoorden omdat ik mij daarmee op het terrein van de rechter zou begeven. Het klopt dat de omstandigheden zodanig waren dat er bij de verdachte een opbouw van spanning is geweest. Dit staat evenwel niet gelijk aan het geen weerstand meer kunnen bieden. Daar kan ik geen uitspraak over doen. Ik heb op basis van mijn onderzoek wel een uitspraak gedaan over de toestand in 2012, namelijk dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht.”

5.5. Zoals ook door de deskundige Van der Heijden wordt opgemerkt is het aan de feitenrechter om een beroep op psychische overmacht te beoordelen. De afwijzing van het verzoek om een nieuw onderzoek te laten doen door een andere gedragskundige is dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Zoals ik bij de bespreking van het vorige middel heb aangegeven heeft het hof op basis van de zich in het dossier bevindende gegevens kunnen oordelen dat van psychische overmacht geen sprake is geweest. Omdat het hof de voorgeschiedenis van de zaak kende kon het op grond daarvan oordelen dat geen nader onderzoek door een andere deskundige noodzakelijk was.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De door het hof opgenomen verwijzingen naar de desbetreffende bewijsmiddelen zijn niet opgenomen.

2 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734.

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, 6e druk, p. 300 en 302.

4 Vgl. HR 26 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1686.

5 HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9394. Zie ook: De Hullu, a.w., p. 303-304 en Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 40 Sr (bijgewerkt door prof. mr. A.J. Machielse tot 2 april 2013).

6 De Hullu a.w. p. 302-303 en de conclusie van AG Hofstee van 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:133, waarin hij in dit verband verwijst naar HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144. De Hoge Raad deed het desbetreffende middel af met toepassing van art. 81, eerste lid, RO).

7 Zie pagina 10 van de schriftuur.

8 Psychologisch onderzoek Pro Justitia van de verdachte d.d. 28 november 2013 van Drs. J.J.M. van der Heijden.