Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:475

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
15/03346
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2118, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR; goederenrecht. Toepasselijk recht op eigendom van auto’s die zich in Nederland bevinden; betekenis van eerdere verkrijging van de auto’s in het buitenland (art. 10:127 leden 4 en 5 BW). Is voor bezitsverkrijging voor een ander (art. 3:110 BW) vereist dat die ander ten tijde van de verkrijging bepaald, althans bepaalbaar is? Reactie op betwisting van echtheid van handtekening toereikend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/323 met annotatie van prof. mr. H.L.E. Verhagen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/03346

Mr. P. Vlas

Zitting, 3 juni 2016

Conclusie inzake:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats]

(hierna: [eiser] )

tegen

Evelyne Korn q.q.

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar buitenlands recht Daytona Investments S.A.,

gevestigd te Luxembourg (Luxemburg)

hierna: (Daytona)

Deze zaak heeft betrekking op de vraag wie eigenaar is van een omvangrijke collectie klassieke auto’s. De auto’s zijn door een middellijk vertegenwoordiger in het buitenland gekocht.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 De feiten en het procesverloop komen in het kort op het volgende neer. Daytona is een door Trust International Luxemburg in trust gehouden rechtspersoon, waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) tot zijn overlijden op 1 januari 2006 enig begunstigde was. Na het overlijden van [betrokkene 1] is zijn voormalig partner [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) enig begunstigde geworden.

1.2 John [eiser] (hierna: [eiser] ) is de zoon uit een eerder huwelijk van [betrokkene 1] en directeur/enig aandeelhouder van Texag Amsterdam BV (hierna: Texag).

1.3 Texag houdt in haar bedrijfspand te Zaandam enige klassieke auto’s van onder meer de merken Ferrari, Maserati en Lancia, waaronder de in geschil zijnde auto’s die zijn vermeld op de in rov. 3.2 van het bestreden arrest weergegeven lijst (hierna: de lijst). Deze auto’s zullen hierna worden aangeduid met het desbetreffende nummer op de lijst. De waarde van de collectie bedraagt circa € 20.000.000,-.

1.4 Tussen partijen is een geschil ontstaan over onder meer de vraag wie eigenaar is van de op de lijst genoemde auto’s.

1.5 Texag heeft bij verzoekschrift van 28 juli 2006 aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem verlof gevraagd en gekregen om tot verhaal van een vordering op Daytona ter zake van onbetaald gebleven facturen onder meer conservatoir beslag onder zichzelf te kunnen leggen op de auto’s met nummers: 18, 25, 28, 29, 37, 38 en 39.

1.6 Op 16 augustus 2006 heeft de deurwaarder op verzoek van Daytona in het bedrijfspand van Texag conservatoir beslag gelegd op de auto’s met nummers: 1, 3, 5-7, 10, 13-18, 20-25, 27-29, 31, 32 en 36-39.

1.7 Op 13 augustus 2008 heeft de deurwaarder op verzoek van Texag ten laste van Daytona conservatoir beslag tot verhaal van haar vorderingen gelegd op de auto’s met nummers: 1, 2, 6, 7, 10, 13-18, 20-32, 33, 37, 38 en 39.

1.8 Op 18 augustus 2008 heeft de deurwaarder op verzoek van Texag en [eiser] ten laste van Daytona conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de auto’s met nummers: 1, 3, 5-7, 10, 13-18, en 20-32.

1.9 De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 juli 2011, zoals hersteld bij vonnis van 3 augustus 2011, in conventie onder meer geoordeeld dat de op de lijst vermelde auto’s met nummers 1, 3, 5, 6, 10, 13-18, 20, 21, 23-25, 29, 30 en 36-39 eigendom van Daytona zijn. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de op de lijst vermelde auto’s met de nummers 36-39 eigendom zijn van Daytona (rov. 5.2). Ten aanzien van de auto’s met de nummers 1, 3, 5, 6, 10, 13-18, 20, 21, 23-25, 29 en 30 oordeelt de rechtbank dat deze alle door of met financiële middelen van [betrokkene 1] of één van zijn vennootschappen zijn gekocht. Tegen die achtergrond en gelet op de verklaringen van twee getuigen is de rechtbank van oordeel dat Daytona, na overdracht door [A] Ltd. (hierna: [A] ), ook eigenaar van die auto’s is geworden. De rechtbank acht de stelling van [eiser] , dat hij deze auto’s nadien van [betrokkene 1] geschonken heeft gekregen, niet bewezen (rov. 5.3). De rechtbank heeft Texag en [eiser] veroordeeld tot opheffing van het conservatoire beslag op de genoemde auto’s en tot afgifte aan Daytona van de op de lijst vermelde auto’s met nummers 3 en 5, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts worden Texag en [eiser] veroordeeld om aan Daytona mee te delen alle gegevens omtrent de reparatie van auto nummer 36 en mee te delen waar die auto zich bevindt, gestaafd met bescheiden.

1.10 In reconventie heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [eiser] eigenaar is van auto nummer 7 en Texag eigenaresse van de auto’s met nummers 22, 27, 28, 31 en 32. Tevens is Daytona veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 152.679,93 voor reparatiekosten aan auto nummer 36.

1.11 [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld (zaak met rolnummer 200.093.246/01). Daytona heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen hetzelfde vonnis (zaak met rolnummer 200.093.405/01). Bij arrest van 7 april 2015 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarbij heeft het hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘3.1 De centrale vraag in dit geding is wie eigenaar is van een aantal race- en sportauto’s uit een collectie die uit bijzondere, deels unieke en grotendeels erg dure auto’s bestaat. De collectie is voornamelijk opgebouwd door [eiser] en zijn vader, wijlen [betrokkene 1] (verder: erflater). Erflater, een vermogend man, is op 1 januari 2006 onverwacht overleden. Is eigenaar [eiser] , een van de twee zonen van erflater uit zijn door echtscheiding ontbonden huwelijk, dan wel Texag, een rechtspersoon waarvan [eiser] enig aandeelhouder is? Of rust de eigendom bij Daytona, een in trust gehouden rechtspersoon waarvan thans de enig economisch gerechtigde [betrokkene 2] is, tot het overlijden van erflater diens partner en de moeder van zijn drie jongste dochters?

(…)

In beide zaken

3.7. Het hof stelt vast dat de vraag naar de eigendom van de auto’s met nummers 2, 4, 7, 8, 9, 11, 12, 19, 22, 26, 28 en 33 tot en met 39 buiten het bestek van het hoger beroep valt.

3.8 Het hof benadrukt, waar nodig reeds rekening houdend met de devolutieve werking van het hoger beroep in geval een van de grieven zou slagen, dat kern van het geschil tussen partijen niet is of een verkoper de eigendom van een auto rechtsgeldig aan een koper heeft overgedragen, maar wie van partijen thans eigenaar is van de nog in geschil zijnde auto’s. Deze bevonden zich in een pand te Zaandam dat eigendom is van [B] B.V. (een vennootschap van - uiteindelijk - erflater) dat (zo volgt uit de getuigenverklaring van [eiser] ) in ieder geval mede voor het onderbrengen van de collectie is gebouwd, maar dat gedeeltelijk werd gehuurd door Texag, een vennootschap waarvan [eiser] grootaandeelhouder/bestuurder is. Dat brengt mee dat [eiser] de auto’s feitelijk in zijn macht heeft. Aan de orde bij de vraag naar de eigendom van de auto’s is dan, in welke hoedanigheid [eiser] ten opzichte van (de rechtsvoorganger van) Daytona de auto’s in zijn macht heeft gekregen: voor zichzelf, dan wel in enigerlei hoedanigheid als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. Deze vraag wordt krachtens artikel 10:127 BW beheerst door Nederlands recht, nu (daargelaten een enkele tijdelijke verplaatsing naar het buitenland voor revisie) alle auto’s zich in Nederland bevinden.

3.9 Het hof overweegt op voorhand dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden wordt aangenomen dat er een zeer nauw verband bestaat tussen erflater en Daytona (waarvan erflater de economisch gerechtigde was) alsook tussen erflater en de relevante rechtsvoorgangsters van Daytona, zoals [A] Ltd (hierna: [A] ), en niet gebleken is dat het onderscheid tussen deze verschillende (rechts)personen door iets anders geïnspireerd is dan het regelen van bepaalde fiscale gevolgen. Dat zeer nauwe verband brengt naar het oordeel van het hof mee dat voor de in deze procedure opgeworpen vraag wie eigenaar is van de in geschil zijnde auto’s, geen onderscheid zal worden gehanteerd tussen erflater en voornoemde vennootschappen omdat, mede gezien de familieverhoudingen tussen erflater en diens zes kinderen en [betrokkene 2] , een beroep op onderscheiden (rechts)persoonlijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.10 De vraag naar de eigendom zal moeten worden beantwoord aan de hand van de door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden die zij te bewijzen hebben aangeboden en de onderbouwing die zij hebben verstrekt.

(…)

in de zaak met rolnummer 200.093.256/01 [lees: 200.093.246/01, A-G]

(…)

3.22 [eiser] beroept zich er op dat de financiering door of namens Daytona niet meebrengt dat zij eigenaar is en dat uit de autobescheiden (zoals koopovereenkomsten, kentekenbewijzen, polisbladen, etc.) en andere documenten (zoals brieven van derden) volgt dat de eigendom van iedere individuele auto aan hem is overgedragen, en niet aan Daytona of haar rechtsvoorgangster [A] . Dat administratieve bescheiden op naam van [eiser] staan en/of derden uit de feitelijke omstandigheden hebben afgeleid dat [eiser] of Texag van een bepaalde auto eigenaar is, moet naar het oordeel van het hof echter worden bezien in het licht van de – uit de hierboven onder r.o. 3.11 geciteerde brochure blijkende – rol van Texag met betrekking tot de collectie, die bestaat uit dienstverlening aan (uiteindelijk) Daytona door het kopen en verkopen, onderhouden, exploiteren door het deelnemen aan wedstrijden en het administreren van de auto’s. Met die dienstverlenende (doch niet op eigendomsverkrijging gerichte) rol strookt dat auto’s op naam van [eiser] /Texag werden gesteld en dat die namen als koper op koopovereenkomsten zijn vermeld, dan wel anderszins op documentatie voorkomen, maar die tenaamstelling als zodanig bevat onder de gegeven omstandigheden geen voldoende aanknopingspunt voor de eigendom.

3.23 Het hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, af dat [eiser] bij de overdracht aan hem of aan Texag van de auto’s niet voor zichzelf, noch voor Texag handelde maar – krachtens overeenkomst – voor de rechtspersoon die erflater daarvoor aanwees en die uiteindelijk Daytona is geworden. Dat laatste volgt uit de onvoldoende gemotiveerd bestreden omstandigheid dat erflater de balansen van Daytona, waarop de auto’s voorkomen, heeft goedgekeurd. [eiser] is dan ook voor (uiteindelijk) Daytona gaan houden, en niet voor zichzelf.

3.24 Voor zover [eiser] zich nog heeft beroepen op de verklaring van erflater [ [betrokkene 1] , A-G] d.d. 26 februari 2004 heeft te gelden dat Daytona de echtheid van de handtekening onder deze verklaring gemotiveerd heeft betwist en deze betwisting door overlegging van een verklaring van een deskundige heeft onderbouwd. Daarop heeft [eiser] niet (voldoende) gereageerd, zodat het beroep op dat document [eiser] niet meer kan baten’.

1.12 [eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 7 april 2015 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Daytona heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

1.13 Daytona is op 27 november 2015 failliet verklaard. De curator, mr. Evelyne Korn, heeft verklaard de onderhavige procedure over te nemen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit vijf onderdelen en is gericht tegen rov. 3.8, 3.9, 3.19, 3.21-3.27 en 3.42 van het bestreden arrest.

2.2

De kern van het onderhavige geschil is door het hof in rov. 3.1 van het bestreden arrest bondig samengevat: wie is eigenaar van de collectie auto’s? Is dat [eiser] of Texag, of komt de eigendom toe aan Daytona?

2.3

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.8. Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vraag in welke hoedanigheid [eiser] de auto’s verkreeg – en daarmee de vraag of hij eigenaar is geworden van die auto’s – moet worden beoordeeld naar het recht van de plaats waar de auto’s zich thans bevinden (in Nederland). Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat uit art. 10:127 lid 1, lid 4 en lid 5 BW volgt dat de vraag in welke hoedanigheid een persoon een auto verkrijgt – en daarmee ook de vraag wie door de overdracht eigenaar is geworden – (in beginsel) dient te worden beantwoord naar het recht van het land waar die auto zich bevond op het moment van de verkrijging, terwijl de verplaatsing van een auto (in dit geval naar Nederland) in die eigendomspositie geen verandering brengt. Indien het hof dit niet zou hebben miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de onbestreden stellingen van [eiser] , namelijk dat hij ieder van de door hem genoemde auto's heeft verworven terwijl zij zich in het buitenland bevonden, dat de koopcontracten op zijn naam staan en dat de auto’s in het buitenland aan hem zijn geleverd. Volgens het onderdeel is derhalve buitenlands recht van toepassing op de vraag in welke hoedanigheid [eiser] die auto’s verkreeg en daarmee op de vraag of hij daarvan eigenaar is geworden.

2.4

Bij de bespreking van het onderdeel stel ik het volgende voorop. Art. 10:127 lid 1 BW onderwerpt het goederenrechtelijke regime van een zaak aan het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt (de lex rei sitae).2 De bepaling stemt overeen met het vóór de invoering van Boek 10 BW – op 1 januari 2012 – geldende internationaal privaatrecht, toen in art. 2 lid 1 Wet conflictenrecht goederenrecht eveneens naar de lex rei sitae werd verwezen.3 De regel is in art. 10:127 lid 1 BW ongewijzigd teruggekeerd.4 Art. 10:127 lid 4 BW geeft de omvang van het goederenrechtelijke statuut aan, in die zin dat het de lex rei sitae is die in het bijzonder bepaalt of een zaak roerend of onroerend is, of een zaak vatbaar is voor overdracht van de eigendom of voor vestiging van een recht erop, welke vereisten aan die overdracht of vestiging worden gesteld, welke rechten op een zaak kunnen rusten en wat de aard en de inhoud van die rechten is en op welke wijze die rechten ontstaan, zich wijzigen, overgaan, tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is. Deze opsomming is niet uitputtend, zoals blijkt uit de in art. 10:127 lid 4 gebruikte woorden ‘in het bijzonder’, maar er is naar gestreefd deze opsomming zo volledig mogelijk samen te stellen.5 Revindicatie is niet met zo veel woorden in art. 10:127 lid 4 BW genoemd, maar ook de vraag of en zo ja, door wie revindicatie kan worden ingesteld, is onderworpen aan de lex rei sitae.6 De door de eigenaar ingestelde vordering tot revindicatie wordt beheerst door Nederlands recht als de lex rei sitae van de zaken ten tijde van de instelling van de revindicatie.7 Uiteraard geldt de lex rei sitae ten tijde van het relevante rechtsfeit om te beoordelen of degene die pretendeert een eigendomsrecht te hebben dat recht ook daadwerkelijk heeft, zie art. 10:127 lid 5 BW.8 Art. 10:130 BW heeft betrekking op de kwestie in hoeverre rechten op een zaak blijven rusten in het geval die zaak wordt verplaatst naar een andere staat (‘conflit mobile’). De rechten die overeenkomstig de oorspronkelijke lex rei sitae op de zaak zijn gevestigd, blijven daarop rusten, ook bij verplaatsing van de zaak naar een andere staat, maar zij kunnen niet worden uitgeoefend op een wijze die onverenigbaar is met het recht van de nieuwe lex rei sitae.

2.5

Het hof heeft in rov. 2.8 overwogen dat de vraag naar de eigendom van de auto’s wordt beheerst door Nederlands recht overeenkomstig het bepaalde in art. 10:127 BW, nu de litigieuze auto’s zich in Nederland bevinden. In cassatie is onbestreden dat, zoals het hof in rov. 3.8 heeft vooropgesteld, in de onderhavige zaak de eigendomsoverdracht zelf niet in geschil is en dat, voor zover alle daarvoor noodzakelijke rechtsfeiten reeds waren geschied in het buitenland, het eigendomsrecht na verplaatsing van de auto’s naar Nederland daarop is blijven rusten. Evenmin is de inhoud van het eigendomsrecht onderwerp van geschil. Het gaat om de vraag of de vordering tot revindicatie van [eiser] slaagt, welke vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht als lex rei sitae op het moment van het instellen van de vordering. Het hof heeft een en ander niet miskend, zodat het onderdeel in zoverre faalt.

2.6

Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof had moeten beoordelen of het naar het recht dat de koop van een auto beheerst, mogelijk is om op grond van een rechtsverhouding voor een ander te verkrijgen, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Het gaat hier om een goederenrechtelijke vraag die niet beoordeeld moet worden aan de hand van het recht dat op de koopovereenkomst van toepassing is.9

2.7

Voor zover het onderdeel – welwillend gelezen10 – betoogt dat de (buitenlandse) lex rei sitae van toepassing is op de vraag in welke hoedanigheid [eiser] de auto’s verkreeg, merk ik het volgende op. In de kern gaat het in deze zaak inderdaad om de vraag in welke hoedanigheid [eiser] ten opzichte van (de rechtsvoorganger van) Daytona de auto’s in zijn macht heeft gekregen: voor zichzelf of als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. Voor het antwoord op deze vraag is beslissend de beoordeling van de strekking van de rechtsverhouding ter uitvoering waarvan de verkrijging van de auto’s plaatsvond tussen [eiser] en [betrokkene 1] dan wel één van de rechtspersonen waarvan de laatste economisch gerechtigde was. De vraag of van middellijke dan wel onmiddellijke vertegenwoordiging sprake is en wat de verhouding is tussen vertegenwoordigde en vertegenwoordiger wordt, voor zover sprake is van een vertegenwoordigingsverhouding met internationale elementen, niet beheerst door het recht dat op de koopovereenkomst van de desbetreffende auto van toepassing is, maar door het recht dat wordt aangewezen door het Haagse Vertegenwoordigingsverdrag.11 Het verdrag is op 1 oktober 1992 in werking getreden voor Nederland. Het verdrag heeft een universeel formeel toepassingsgebied (art. 4). Art. 1 regelt het materiële toepassingsgebied van het verdrag en omvat de onmiddellijke en middellijke vertegenwoordiging, evenals de bemiddeling (art. 1).12 Krachtens art. 6 lid 1 Vertegenwoordigingsverdrag geldt, bij gebreke van rechtskeuze, dat de interne verhouding tussen de vertegenwoordigde en de vertegenwoordiger wordt beheerst door het recht van de staat waarin op het tijdstip van het tot stand komen van de vertegenwoordigingsverhouding, de vertegenwoordiger zijn kantoor, of bij gebreke daarvan, zijn gewone verblijfplaats heeft. Vaststaat dat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zodat Nederlands recht op de vertegenwoordigingsverhouding van toepassing is.

2.8

De vraag of [eiser] voor zichzelf is gaan houden of voor Daytona is echter een goederenrechtelijke vraag die buiten het materiële toepassingsgebied van het Vertegenwoordigingsverdrag valt. In het Toelichtend Rapport van I.G.F. Karsten op het Vertegenwoordigingsverdrag valt hierover het volgende te lezen:

‘The relationships with which the Convention is concerned belong to the law of obligations and not to the law of property. The Convention covers personal, not real, rights. Although agency in relation to transactions concerning both movable and immovable property is within the scope of the Convention, the applicable law only governs such questions as the obligations of the parties under the agency agreement, or the authority of the agent to enter into a contract to transfer the property to the third party. It does not govern questions involving proprietary or possessory rights in respect of such property. In other words, while questions relating to the obligation to transfer property may be within the Convention, the transfer itself is outside it’.13

2.9

De vraag of bij middellijke vertegenwoordiging de directe leer dan wel de doorleveringsleer geldt, dient naar Nederlands internationaal privaatrecht te worden gekwalificeerd als een kwestie van goederenrecht en wordt derhalve beheerst door de lex rei sitae van de zaken op het moment van het relevante rechtsfeit. Bepalend is de lex rei sitae van de auto’s op het moment van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling (art. 10:127 lid 5 BW). Bevinden de auto’s (of een van de auto’s) zich op dat moment in Nederland, dan geldt art. 3:110 BW, waarin wat het Nederlandse recht betreft de directe leer is gecodificeerd.14 Art. 3:110 BW is derhalve een goederenrechtelijke bepaling, ook gelet op de plaatsing ervan in Titel 5 (Bezit en houderschap) van Boek 3 BW. Wat het internationaal privaatrecht betreft, leidt dit ertoe dat in een internationale situatie de omstandigheid dat de middellijke vertegenwoordiging (in de relatie tussen vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde) wordt beheerst door Nederlands recht, nog niet de toepassing van art. 3:110 BW tot gevolg behoeft te hebben. De goederenrechtelijke kwestie van de toepassing van de directe leer of de doorleveringsleer wordt immers, zoals ik heb aangegeven, beheerst door de lex rei sitae ten tijde van het relevante rechtsfeit. Nu de auto’s zich in verschillende landen bevonden op het moment dat [eiser] als middellijk vertegenwoordiger de auto’s heeft gekocht, dient aan de hand van de desbetreffende rechtsstelsels (te weten Californisch, Engels, Monegaskisch, Zwitsers, Italiaans en Frans recht)15 te worden bepaald of [eiser] voor zichzelf is gaan houden dan wel als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. In zoverre meen ik dat het middel slaagt en dat het verwijzingshof alsnog moet onderzoeken welke goederenrechtelijke gevolgen de middellijke vertegenwoordiging in de desbetreffende rechtsstelsels heeft.

2.10

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.9, 3.19, 3.21, 3.22 van het bestreden arrest en valt in vier subonderdelen uiteen.

2.11

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof in rov. 3.9 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er geen onderscheid zal worden gehanteerd tussen [betrokkene 1] en de verschillende rechtspersonen waarvan hij economisch gerechtigde was, aangezien de verkrijger op het moment van de overdracht bepaalbaar dient te zijn. Volgens het middel ligt zulks besloten in art. 5:1 BW, namelijk dat door een overdracht slechts één of meer bepaalde (of op het tijdstip van de overdracht tenminste bepaalbare) personen een eigendomsrecht kunnen verkrijgen.

2.12

Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.9 geenszins geoordeeld dat op het moment van de overdracht van de desbetreffende auto’s (ingeval van middellijke vertegenwoordiging) de opdrachtgever waarvoor de tussenpersoon de auto’s houdt niet bepaalbaar was, maar dat ter beantwoording van de in dit geding centraal staande vraag kan worden volstaan met de beoordeling van de strekking van de rechtsverhouding ter uitvoering waarvan de verkrijging van de auto’s plaatsvond tussen [eiser] en [betrokkene 1] dan wel één van de rechtspersonen waarvan hij economisch gerechtigde was. Bij deze beoordeling is het niet noodzakelijk een dergelijk onderscheid te maken, gelet op de zeer nauwe band tussen [betrokkene 1] en de desbetreffende rechtspersonen, welk onderscheid niet door iets anders geïnspireerd is dan het regelen van bepaalde fiscale gevolgen. Volgens het hof is een beroep op het onderscheid, mede gelet op de familieverhoudingen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Ook volgt uit het oordeel van het hof niet dat de verbintenissen niet voldoende bepaalbaar zouden zijn in de zin van art. 6:227 BW met als gevolg dat er geen sprake zou zijn geweest van wilsovereenstemming in de zin van art. 6:217 BW ten aanzien van de verkoop van de betreffende auto’s (daargelaten de vraag of het Nederlandse recht van toepassing is op de koopovereenkomsten).

2.13

Subonderdeel 2.2. betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat een beroep op onderscheiden (rechts)persoonlijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat slechts aan het onderscheid voorbijgegaan kan worden, indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen die verschillende (rechts)personen. Indien het hof deze regel niet heeft miskend, is het oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk.

2.14

Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het onderscheid tussen [betrokkene 1] en de rechtspersonen waarvan hij economisch gerechtigde was niet te specificeren, aangezien dit onderscheid niet noodzakelijk is voor de beantwoording van de centrale vraag in de onderhavige zaak. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat ter beantwoording van die centrale vraag kan worden volstaan met de beoordeling van de strekking van de rechtsverhouding ten behoeve waarvan de verkrijging van de auto’s plaatsvond tussen [eiser] en [betrokkene 1] dan wel één van de rechtspersonen waarvan hij economisch gerechtigde was. Daarbij heeft het hof gewezen op de zeer nauwe band tussen [betrokkene 1] en de desbetreffende rechtspersonen en op het feit dat het onderscheid niet door iets anders geïnspireerd is dan het regelen van bepaalde fiscale gevolgen. Het subonderdeel faalt derhalve.

2.15

Subonderdeel 2.3 klaagt dat onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.9 en 3.22 geoordeeld heeft dat [A] een rechtsvoorgangster van Daytona is. Volgens het subonderdeel is het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd getreden, althans is het oordeel, gelet op het partijdebat, onbegrijpelijk.

2.16

Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof heeft geoordeeld dat [A] de rechtsvoorgangster onder algemene titel van Daytona zou zijn, mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Het hof heeft geen oordeel van dergelijke strekking gegeven. In het bijzonder ligt in rov. 3.8, 3.22 en 3.23 besloten dat het hof van oordeel is dat Daytona de in het geding zijnde auto’s onder bijzondere titel heeft verkregen, namelijk via eigendomsoverdracht. Voor zover het subonderdeel geen feitelijke grondslag mist, merk ik op dat het voor het oordeel van het hof met betrekking tot het achterwege laten van het onderscheid tussen [betrokkene 1] en de desbetreffende rechtspersonen niet bepalend is geweest of [A] wel of geen rechtsvoorgangster onder algemene titel is van Daytona. Dat [A] geen rechtsvoorgangster onder algemene titel is, maakt het oordeel van het hof ten aanzien van het niet hanteren van een onderscheid tussen [betrokkene 1] en de desbetreffende rechtspersonen niet anders. Ook deze klacht faalt.

2.17

Subonderdeel 2.3 bevat verder nog de klacht dat voor zover het oordeel van het hof is gegrond op de overweging dat geen onderscheid zal worden gehanteerd tussen [betrokkene 1] en diens rechtspersonen, het oordeel op de in subonderdelen 2.1 en 2.2 genoemde gronden onjuist of onbegrijpelijk is. De klacht bouwt op deze onderdelen voort en moet het lot daarvan delen.

2.18

Ten slotte klaagt subonderdeel 2.3 dat voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat Daytona wat betreft de auto’s de rechtsopvolgster onder bijzondere titel van [A] is, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is op grond van de hierna in subonderdeel 3.2 aan te voeren gronden. De klacht behoeft geen bespreking, waarvoor ik verwijs naar 2.21 van deze conclusie.

2.19

Subonderdeel 2.4 betoogt dat indien één van de voorgaande klachten uit onderdeel 2 slaagt, de daarop voortbouwende rov. 3.19, 3.21 en 3.22 evenmin in stand kunnen blijven. De klacht bouwt op de voorafgaande onderdelen voort en deelt het lot daarvan.

2.20

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.22, 3.23 en 3.25 van het bestreden arrest en valt in twee subonderdelen uiteen. Subonderdeel 3.1 klaagt dat het kennelijk op art. 3:110 BW gestoelde oordeel van het hof dat [eiser] de auto’s niet voor zichzelf verkreeg, maar krachtens overeenkomst voor de rechtspersoon die [betrokkene 1] aanwees en die (uiteindelijk) Daytona is geworden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Subonderdeel 3.2 klaagt dat voor zover aan het oordeel van het hof de overweging ten grondslag mocht liggen dat de auto’s na de verwerving door [eiser] (al dan niet ten behoeve van een derde) of door een derde (rechts)persoon zijn overgedragen aan Daytona, dit oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is.

2.21

Nu naar mijn mening één van de klachten van onderdeel 1 slaagt, kan bespreking van onderdeel 3 achterwege blijven. Op de vraag naar de goederenrechtelijke gevolgen van middellijke vertegenwoordiging is van toepassing de lex rei sitae ten tijde van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling. Gelet op de omstandigheid dat de auto’s zich op dat moment in het buitenland bevonden, mist art. 3:110 BW toepassing. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven onder 2.7-2.9 heb geschreven.

2.22

Subonderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.24 en valt in twee subonderdelen uiteen.

2.23

Subonderdeel 4.1 klaagt dat het oordeel van het hof dat [eiser] op de betwisting van de echtheid van de handtekening niet voldoende heeft gereageerd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht, althans dat oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het subonderdeel betoogt dat het hof voorbij is gegaan aan twee essentiële stellingen van [eiser] , namelijk (i) de conclusie van een door [eiser] overgelegd rapport van een handschriftdeskundige, waaruit blijkt dat de betwiste handtekening met zeer hoge waarschijnlijkheid van de hand van [betrokkene 1] is, en (ii) een e-mail van [C] , waaruit blijkt dat dit bureau reeds onderzoek bleek te hebben verricht in deze zaak, dat de resultaten van dit onderzoek bij Daytona bekend (moeten) zijn, dat die feiten Daytona mogelijk onwelgevallig zijn en dat zij er klaarblijkelijk om die reden voor heeft gekozen de uitkomsten niet te openbaren. Volgens het subonderdeel kunnen deze stellingen de conclusie dragen dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gereageerd op de betwisting van Daytona.

2.24

Daytona heeft de echtheid van de verklaring betwist en zich op het standpunt gesteld dat het een valselijk opgemaakt document betreft, waarbij Daytona gemotiveerd betwist heeft dat [betrokkene 1] de verklaring heeft opgesteld en dat hij zijn handtekening zou hebben geplaatst (zie productie DAA4 bij processtuk nr. 28), waarbij zij erop heeft gewezen dat slechts een kopie van de verklaring is overgelegd.16 Uit art. 159 lid 2 Rv volgt dat de in het geding zijnde verklaring geen bewijs oplevert, zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Bij onderhandse akten rust de bewijslast voor de echtheid van de handtekening op degene die zich op de akte beroept.17 Aangezien [eiser] zich beroept op de desbetreffende verklaring, valt het ontbreken van het origineel binnen zijn risicosfeer. Daarnaast kan worden opgemerkt dat [eiser] niet een nader, daartoe strekkend gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan en dat uit de e-mail van [C] niet zonder meer volgt hetgeen [eiser] stelt onder (ii). Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk en voor het overige zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het oordeel in cassatie verder niet op juistheid kan worden onderzocht. Met betrekking tot het betoog dat voor zover het oordeel van het hof impliciet is gegrond op de gedachtegang dat de stellingen van [eiser] tardief zijn, mist het subonderdeel feitelijke grondslag, aangezien het hof geen oordeel van dergelijke strekking heeft gegeven. Het subonderdeel dient derhalve te falen.

2.25

Subonderdeel 4.2. klaagt dat [eiser] op de voet van art. 843a Rv en art. 22 Rv inzage en/of afschrift van de rapportage van [C] heeft gevorderd en het hof niet op deze vordering heeft gerespondeerd, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een ontoereikende motivering. Volgens het subonderdeel zou de stelling van [eiser] dat uit het rapport zou kunnen blijken dat de handtekening van [betrokkene 1] authentiek is, een vordering ex. 843a Rv en art. 22 Rv kunnen dragen. Voor zover het oordeel van het hof impliciet is gegrond op de gedachtegang dat de vordering van [eiser] tardief is, is het oordeel van het hof onjuist en onbegrijpelijk, omdat het hof eraan heeft voorbijgezien dat Daytona de echtheid van de handtekening eerst bij memorie van antwoord heeft bestreden, zodat [eiser] de vordering niet eerder dan bij pleidooi in appel kon instellen.

2.26

De vordering op de voet van art. 843a Rv is een incidentele vordering.18 Blijkens art. 208 Rv worden incidentele vorderingen ingesteld bij dagvaarding of bij met redenen omklede conclusie. Aangezien de vordering pas tijdens het pleidooi in appel is opgeworpen, is zulks in een zodanig laat stadium van de procedure niet meer toelaatbaar en was het hof, mede gelet op de wijze waarop art. 843a Rv is ingeroepen, niet gehouden hierover iets op te merken. Art. 843a Rv geeft geen mogelijkheid tot het opvragen van documenten waarvan een partij indicaties heeft dat de wederpartij over die stukken beschikt en waarvan zij vermoedt dat deze documenten steun zouden kunnen geven aan haar stellingen.19 Art. 22 Rv betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het staat de rechter derhalve vrij van deze bevoegdheid geen gebruik te maken. Het subonderdeel faalt derhalve.

2.27

Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 3.26, 3.27 en 3.42 van het bestreden arrest en bevat een voortbouwende klacht. Het hof heeft in deze overwegingen geoordeeld dat de desbetreffende auto’s eigendom van Daytona zijn. Het slagen van één van de klachten van onderdeel 1 brengt mee dat ook onderdeel 5 slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.-3.2 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1332, alsmede rov. 2.1-2.8 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2011.

2 Zie over deze bepaling o.a.: J.A. van der Weide, T&C (Burgerlijk Wetboek), art. 10:127 BW; F. Ibili, Goederenrecht, Praktijkreeks IPR, deel 10, 2014, nr. 16-26; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/248 e.v.; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2015, nr. 157.

3 Wet van 25 februari 2008, Stb. 2008, 70. De Wet conflictenrecht goederenrecht trad op 1 mei 2008 in werking en heeft gegolden tot aan de inwerkingtreding van Boek 10 BW. Krachtens art. IV van de Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 BW (Stb. 2011, 272) is de Wet conflictenrecht goederenrecht per 1 januari 2012 komen te vervallen.

4 Zie Kamerstukken II, Invoerings- en Vaststellingswet Boek 10 BW, 2009–2010, 32 137, MvT, nr. 3, p. 71; Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/XI.3.1.2.

5 Zie reeds onder het regime van het aan art. 10:127 lid 4 BW gelijkluidende art. 2 lid 4 Wet conflictenrecht goederenrecht: Kamerstukken II, Wet conflictenrecht goederenrecht, 2006–2007, 30 876, MvT, nr. 3, p. 5.

6 Zie Van der Weide, a.w., art. 10:127 BW, aant. 6; Ibili, a.w., nr. 19; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/264.

7 Asser/Kramer & Verhagen, t.a.p.

8 Zie ook HR 3 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2954, NJ 2001/405, m.nt. Th.M. de Boer (Van der Boon/Lease), rov. 3.3.

9 Zie HR 3 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2954, NJ 2001/405, m.nt. Th.M. de Boer (Van der Boon/Lease).

10 Zie onderdeel 1, slot, in samenhang met onder meer 4.3 van de schriftelijke toelichting van [eiser] .

11 Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging, ’s-Gravenhage 14 maart 1978, Trb. 1987, 138.

12 Zie ook S.C.J.J. Kortmann/H.L.E. Verhagen, Middellijke vertegenwoordiging: een terreinafbakening, in: Vertegenwoordiging en tussenpersonen, Serie Onderneming en Recht, 1999, p. 27; H.L.E. Verhagen, Agency in Private International Law, 1995, p. 128-129 en p. 141-143; M.V. Polak, Vermogensrechtelijke meerpartijenverhoudingen, Praktijkreeks IPR, deel 15, 1993, nr. 14.

13 Rapport Karsten, Actes et Documents de la Treizième session (1976), Tome IV, Convention on the Law Applicable to Agency, 1979, nr. 43 (p. 389).

14 Zie hierover o.a. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/162.

15 Zie nr. 4.6 van de schriftelijke toelichting van [eiser] , met verwijzing naar nadere vindplaatsen in de gedingstukken.

16 Memorie van antwoord zijdens Daytona (processtuk nr. 28), par. 8.16-8-21.

17 Beenders, T&C (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 159 Rv, 2014, p. 419.

18 Zie HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774, NJ 2006/547 (Meijer/Cornelis cs).

19 Bosch-Boesjes, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art.843a Rv, aant. 1.