Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:467

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
16/00972
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1173, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging zonder schone lei wegens tekortschieten in informatieplicht (art. 354 leden 1 en 2 in verbinding met art. 358 lid 2 Fw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 16/00972

Mr. R.H. de Bock
Zitting: 12 april 2016

conclusie inzake

[verzoeker],
wonende te [woonplaats]
(hierna: [verzoeker])

1. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft in haar vonnis van 4 december 2015 de schuldsaneringsregeling beëindigd met de vaststelling dat de schuldenaar ([verzoeker]) toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De schuldsaneringsregeling was bij vonnis van 9 augustus 2012 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing verklaard en bij vonnis van 4 september 2015 verlengd met een periode van drie maanden in verband met een boedelachterstand.

2. [verzoeker] is van het vonnis van 4 december 2015 in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 11 februari 2016 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“3.4 Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat [verzoeker] is tekort geschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.5

Uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Op 25 november 2014 is op de bankrekening van [verzoeker] een bedrag van € 8.559,78 bijgeboekt dat afkomstig was van het UWV. Uit de brief van het UWV van 18 september 2015, gericht aan [verzoeker], blijkt dat dit bedrag een nabetaling betrof in verband met een vanaf 22 juni 2011 aan [verzoeker] toegekende IVA-uitkering. Die IVA-uitkering is door het UWV gedurende de periode 22 juni 2011 tot 16 december 2013 verrekend met de door [verzoeker] ten onrechte ontvangen WW-uitkering en [verzoeker] had na die verrekening nog recht op genoemd bedrag. [verzoeker] heeft dat bedrag op dezelfde dag, 25 november 2014, overgeboekt naar de rekening van zijn gewezen echtgenote en later in contanten van haar terug gekregen, waarna hij deze gelden heeft uitgegeven.

[verzoeker] heeft de bewindvoerder indertijd niet meegedeeld dat hij genoemd bedrag van het UWV had ontvangen. Hij heeft toen wel een overzicht van de mutaties op zijn bankrekening betreffende de maand november 2014 (digitaal) naar de bewindvoerder gezonden, maar in dat overzicht ontbreken de mutaties ter zake van de bijboeking en de afschrijving van het bedrag van € 8.559,78.

De bewindvoerder is pas met de nabetaling bekend geworden nadat [verzoeker] haar de brief van 18 september 2015 van het UWV had doen toekomen. [verzoeker] heeft vervolgens - desgevraagd - wederom een overzicht van de mutaties op zijn bankrekening verstrekt betreffende de maand november 2014. In dat overzicht stonden de bijboeking en de afschrijving van het bedrag van € 8.559,78 wel vermeld.

3.6

Het hof stelt voorop dat op een persoon die is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling de verplichting rust om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling. [verzoeker] had de bewindvoerder daarom ook tijdig en volledig moeten inlichten over de ontvangen nabetaling. Dat wordt niet anders wanneer [verzoeker] meende dat het bedrag van de nabetaling zag op de periode gelegen vóór de wettelijke schuldsaneringsregeling op 9 augustus 2012 op hem van toepassing werd verklaard en dit bedrag daarom in zijn visie aan hem toekwam. Het is immers in eerste instantie aan de bewindvoerder om te beoordelen of door [verzoeker] tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling ontvangen inkomsten onder de toepassing van die regeling vallen. Indien [verzoeker] de inkomsten had gemeld aan de bewindvoerder dan had hij vernomen dat zijn visie in beginsel onjuist is. [verzoeker] heeft evenwel niet kort na ontvangst van de nabetaling de bewindvoerder daarvan op de hoogte gesteld. In tegendeel: hij heeft voornoemd, onvolledig, overzicht van de mutaties op zijn bankrekening aan de bewindvoerder verstrekt. [verzoeker] heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat de mutaties van 25 november 2014 op dat overzicht ontbreken.

Indien [verzoeker] de bewindvoerder tijdig van de nabetaling op de hoogte had gesteld, dan had zij eerder meer duidelijkheid verkregen over de inkomsten van [verzoeker] in de periode tot 16 december 2013, hetgeen een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ten goede zou zijn gekomen.

3.7

[verzoeker] heeft in het appelschrift nog gesteld dat hij er rekening mee hield dat hij in een later stadium nog een navordering van het UWV zou ontvangen. Het hof is echter van oordeel dat dat geen rechtvaardiging biedt voor het niet tijdig en volledig informeren van de bewindvoerder. Overigens acht het hof dat ook niet aannemelijk omdat ter zitting is gebleken dat [verzoeker] het bedrag van de nabetaling volledig heeft uitgegeven. Zo heeft hij onder meer de door zijn zoon voorgeschoten kosten van een verhuizing, ad € 3.500,-, terugbetaald. Ook de omstandigheden dat [verzoeker] de brief van 18 september 2015, waaruit de nabetaling bleek, wel aan de bewindvoerder heeft verstrekt en dat de bewindvoerder uiteindelijk ook de jaaropgave van het UWV en de aangifte inkomstenbelasting heeft verkregen waarin de nabetaling was verwerkt, zijn onvoldoende om anders te oordelen.

3.8

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verzoeker], gelet op de omvang van het verzwegen bedrag, op ernstige wijze niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Het hof ziet geen aanleiding om deze toerekenbare tekortkoming buiten beschouwing te laten, nu deze niet van bijzondere aard of geringe betekenis is.

Het hof is voorts van oordeel dat het [verzoeker] kan worden toegerekend dat hij zijn informatieplicht niet naar behoren is nagekomen. De verklaring van de neuroloog [de neuroloog] d.d. 13 april 2012, dat [verzoeker] een hersenbeschadiging heeft en dat hij “zich kan voorstellen” dat hij inschattingsfouten maakt en onhandig handelt, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring dateert van ruim 2 ½ jaar voor november 2014 en is ook los daarvan te vaag en speculatief van inhoud om voldoende aannemelijk te achten dat de ernstige schending van de informatieverplichting in november 2014 niet aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Het hof merkt nog op dat voor zover [verzoeker] al wel door zijn hersenbeschadiging gehinderd zou zijn geweest in het volledig verstrekken van informatie, van hem gevergd had kunnen worden dat hij daarvoor tijdig toereikende hulp van derden zou hebben ingeschakeld.”

3. [verzoeker] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend tegen bovengenoemd arrest. Bij brief van 8 april 2016 heeft mr. Dietz de Loos nog een schrijven van [verzoeker] toegezonden. Dit schrijven bevat opmerkingen over leemtes en/of onjuistheden in het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 3 februari 2016.

4. Het verzoekschrift tot cassatie bevat één middel, dat uiteenvalt in twee onderdelen.

In onderdeel 1 wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8, in samenhang met rov. 3.5-7, dat [verzoeker] op ernstige wijze niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Er is, volgens [verzoeker], geen sprake van dat hij niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting. Ook maakt het hof niet duidelijk waarom [verzoeker] ‘op ernstige wijze’ niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Daarbij heeft [verzoeker] erop gewezen dat er sprake is geweest van transparantie naar de bewindvoerder en dat er geen enkele aanleiding is om te concluderen dat [verzoeker] ook maar enige actie verborgen heeft willen houden. Voorts wijst [verzoeker] erop dat hij als gevolg van een hersenbeschadiging niet in staat is zijn belangen te behartigen. Hetgeen het hof daaromtrent overweegt in rov. 3.8, met betrekking tot de verklaring van de neuroloog [de neuroloog] d.d. 13 april 2012, is een oordeel van het hof over de inhoud van de overgelegde medische verklaring, derhalve ten aanzien van een terrein waarop het hof niet is gekwalificeerd. Bovendien is aan [verzoeker] een IVA-uitkering toegekend, die de erkenning inhoudt van blijvende invaliditeit aan de zijde van [verzoeker].

In onderdeel 2 wordt betoogd dat [verzoeker], gelet op zijn hersenbeschadiging en hetgeen in onderdeel 1 naar voren is gebracht, geen verwijt kan worden gemaakt dat hij de gelden die zijn binnengekomen, heeft uitgegeven. Door zijn hersenbeschadiging kon hij niet overzien wat de gevolgen van zijn handelingen waren; het hof heeft met deze omstandigheid in rov. 3.5-8 geen rekening gehouden. Bij [verzoeker] is ook nooit de bedoeling aanwezig geweest om informatie achter te houden voor de bewindvoerder. [verzoeker] betoogt verder dat als er al sprake is van een tekortkoming, hem dat niet kan worden toegerekend. In dat kader heeft hij verwezen naar een aantal arresten van hoven die zijn standpunt zouden ondersteunen.

5. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden (art. 80a lid 1 RO).

6. Voor zover in onderdeel 1 rechtsklachten naar voren worden gebracht, moeten zij falen omdat niet met bepaaldheid en precisie wordt aangegeven waarom door de overwegingen van het hof het recht is geschonden. Ook is niet zonder meer duidelijk waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen. Ook de motiveringsklachten uit onderdeel 1 dienen te falen. In cassatie heeft [verzoeker] betoogd dat hij heeft voldaan aan zijn informatieplicht en heeft daarbij verwezen naar het hoger beroepschrift d.d. 10 december 2015. Op het daar gevoerde betoog is het hof ingegaan in rov. 3.7. [verzoeker] maakt in cassatie niet (voldoende) duidelijk waarom deze overweging onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is. Daarmee voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Voor zover [verzoeker] opkomt tegen het oordeel van het hof dat het gaat om het ‘op ernstige wijze’ niet voldoen aan zijn informatieplicht, doelt het hof daarmee klaarblijkelijk op de omvang van het verzwegen bedrag (rov. 3.8, eerste volzin).

[verzoeker] heeft in cassatie voorts verwezen naar zijn hersenbeschadiging, kennelijk ter adstructie van zijn betoog dat aan [verzoeker] niet kan worden toegerekend dat hij zijn informatieplicht niet naar behoren is nagekomen. Het hof is op dit betoog ingegaan in rov. 3.8. In cassatie heeft [verzoeker] daarbij verwezen naar de verklaring van de neuroloog [de neuroloog] d.d. 13 april 2012 en dat het hof deze verklaring in rov. 3.8 niet als ‘te vaag en speculatief’ had kunnen afdoen. Het betoog op dit punt moet falen omdat het oordeel van het hof in rov. 3.8 erop neerkomt dat deze verklaring, die dateert van ruim 2 ½ jaar voor november 2014, op zichzelf onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de ernstige schending van de informatieverplichting in november 2014 niet aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Mede gezien de algemeen luidende bewoordingen van de verklaring van de neuroloog is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof in rov. 3.8, laatste volzin, er terecht op heeft gewezen dat voor zover [verzoeker] wel door zijn hersenbeschadiging gehinderd zou zijn geweest in het volledig verstrekken van informatie, van hem gevergd had kunnen worden dat hij daarvoor tijdig toereikende hulp van derden zou hebben ingeschakeld.

Als reeds aangegeven heeft het hof in rov. 3.8, laatste zin, overwogen dat voor zover [verzoeker] al wel door zijn hersenbeschadiging gehinderd zou zijn geweest in het volledig verstrekken van informatie, van hem gevergd had kunnen worden dat hij daarvoor tijdig toereikende hulp van derden zou hebben ingeschakeld. In cassatie betoogt [verzoeker] dat het hof hierbij heeft miskend dat hij hulp en bijstand heeft ingeroepen van zijn ex-partner en dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt waarom deze hulp en bijstand niet tot de adequate hulp gerekend zou moeten worden. Dit betoog faalt reeds omdat [verzoeker] niet duidelijk maakt – en dit blijkt ook niet uit de processtukken - dat de ex-partner ook betrokken is geweest bij de informatieverstrekking aan de bewindvoerder.

[verzoeker] verwijst in cassatie nog naar het feit dat hem een IVA-uitkering is toegekend en dat daaruit blijkt dat er sprake is van een blijvende invaliditeit, derhalve op een blijvende problematiek van het niet kunnen overzien van de situatie. Dit betoog kan niet slagen omdat van [verzoeker] gevergd kon worden dat hij tijdig toereikende hulp van derden zou inschakelen indien hij door zijn hersenbeschadiging gehinderd zou zijn in het volledig verstrekken van informatie (rov. 3.8, laatste volzin).

7. Voor zover in onderdeel 2 rechtsklachten naar voren worden gebracht, moeten zij falen omdat niet met bepaaldheid en precisie wordt aangegeven waarom door de overwegingen van het hof het recht is geschonden. Ook is niet zonder meer duidelijk waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen.

Ook de motiveringsklachten uit onderdeel 2 dienen te falen. [verzoeker] betoogt in onderdeel 2, kort gezegd, dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij de gelden heeft uitgegeven, nu hij door de hersenbeschadiging niet heeft kunnen overzien wat de gevolgen van zijn handelingen waren. Dit betoog faalt reeds omdat hiermee niet duidelijk wordt gemaakt waarom [verzoeker] de bewindvoerder niet heeft ingelicht (of: niet heeft kunnen inlichten) van het door hem ontvangen bedrag van € 8.559,78 op 25 november 2014, dat hij diezelfde dag heeft overgeboekt aan zijn ex-echtgenote en vervolgens van haar in contanten heeft teruggekregen

[verzoeker] heeft voorts betoogd dat bij hem nimmer de bedoeling aanwezig is geweest om informatie achter te houden voor de bewindvoerder. Het hof heeft daarover echter, voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat [verzoeker] niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat dit ook aan [verzoeker] is toe te rekenen.

[verzoeker] heeft in cassatie ten slotte nog verwezen naar een drietal arresten van verschillende hoven – hof ’s-Hertogenbosch 18 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD7651; hof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4286 en hof ’s-Gravenhage 14 mei 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6726 – waarin sprake was van tekortkomingen in de nakoming van verplichtingen onder de schuldsaneringsregeling, die vervolgens gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing zijn gebleven. Nu sprake is van vrijwel identieke situaties, zou ook in het geval van [verzoeker] de tekortkoming buiten beschouwing dienen te blijven, aldus [verzoeker]. [verzoeker] maakt onvoldoende duidelijk waarom deze uitspraken met zich brengen dat de overwegingen van het hof in het onderhavige geval onvoldoende zijn gemotiveerd of onbegrijpelijk zijn. Van vergelijkbare uitspraken, dus uitspraken met een vergelijkbaar feitencomplex en die betrekking hebben op een vergelijkbare schending van de informatieplicht, is overigens ook geen sprake.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal