Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:458

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
15/04221
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1117, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. Art. 588.2 Sv. Niet blijkt dat de appeldagvaarding is verzonden naar het van verdachte bekend zijnde adres in het buitenland. De HR verklaart de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen zelf nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04221

Zitting: 12 april 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 30 juni 2015 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2014, waarbij de verdachte wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf dagen.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld en voorts bij aanvullende schriftuur nog een derde middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het ernstige vermoeden bestaat dat art. 51 Sv niet is nageleefd en dat het hof het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, terwijl het hof daarbij niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
    (i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 november 2014 is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld.
    (ii) Mr. G.T. Offreins, advocaat te Amsterdam, heeft bij faxbericht van 25 november 2014, waarin hij heeft verklaard dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep, een schriftelijke bijzondere volmacht verleend aan een griffiemedewerker van de rechtbank om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter van 11 november 2014. Voorts heeft mr. Offreins in dit faxbericht verzocht om de toezending van afschriften van de appeldagvaarding, de appelakte, het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter. Vervolgens is op 25 november 2014 op de griffie van de rechtbank namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
    (iii) De appeldagvaarding is op 5 juni 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Gelderland, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
    (iv) Aan de appeldagvaarding zijn twee ongeadresseerde afschriften van de appeldagvaarding gehecht, die zijn gedateerd op 5 juni 2015. Deze afschriften houden in dat de advocaat-generaal bij het hof de raadsman van de verdachte mededeelt dat de strafzaak tegen de verdachte op 30 juni 2015 ter terechtzitting van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wordt behandeld. Op de afschriften zijn de naam van de raadsman en de overige contactgegevens niet ingevuld, terwijl ook overigens niet blijkt dat deze afschriften aan een raadsman zijn verzonden.
    (v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte genaamd:

(…)

is niet verschenen.

De griffier neemt telefonisch contact op met mr. Offreins. Mr. Offreins geeft aan dat hij de raadsman van de verdachte is, maar dat hij niet wist dat de zaak vandaag behandeld zou worden. Mr. Offreins verzoekt het hof om de zaak aan te houden.

De advocaat-generaal vordert dat het hof verstek verleent tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding middels een griffiersbetekening is betekend. De voorzitter is van oordeel dat het verzoek om aanhouding onvoldoende onderbouwd is.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

5. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv in hoger beroep niet is nageleefd.

6. Bij de beoordeling van deze klacht kan het volgende worden voorop gesteld. Ingevolge art. 38, eerste lid, Sv is de verdachte te allen tijde bevoegd één of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van de verdachte voor een bepaalde raadsman - evenals op grond van art. 43, eerste lid, Sv de toevoeging van een raadsman - voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als de betreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of als daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.1

7. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.2

8. Uit het voorafgaande volgt dat voor het aannemen van de omstandigheid dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand heeft voorzien, als gevolg waarvan art. 51 Sv in hoger beroep van toepassing is, niet is vereist dat zich bij de stukken van het geding een stelbrief van een advocaat bevindt. Deze omstandigheid kan bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit een zich bij de stukken bevindende appelschriftuur van een advocaat.3 Alleen de appelakte, waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat hoger beroep is aangewend, is evenwel niet toereikend voor de toepasselijkheid van art. 51 Sv in hoger beroep.4

9. In de onderhavige zaak bevat de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van mr. Offreins ook de mededeling dat een afschrift van de appeldagvaarding aan het adres van de raadsman van de verdachte kan worden gezonden. Het antwoord op de vraag of een volmacht onder deze omstandigheden kan worden aangemerkt als een stuk aan de rechter of een andere justitiële autoriteit waaruit kan blijken dat de verdachte voor de procedure in hoger beroep was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman kan in het midden blijven. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de griffier van het hof tijdens de terechtzitting in hoger beroep, nadat was geconstateerd dat de verdachte niet was verschenen, telefonisch contact heeft opgenomen met mr. Offreins, kennelijk met de bedoeling om te informeren naar de reden van de afwezigheid van de raadsman op die terechtzitting. Tijdens dit telefoongesprek heeft mr. Offreins aangegeven dat hij de raadsman van de verdachte is maar dat hij niet wist dat de zaak op die dag zou worden behandeld, waarna hij om aanhouding van de zaak heeft verzocht.

10. Uit de omstandigheid dat de griffier van het hof ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep telefonisch contact met mr. Offreins heeft opgenomen, lijkt te volgen dat het hof hem heeft erkend als de raadsman van de verdachte die in hoger beroep optreedt. De inhoud van het telefoongesprek met mr. Offreins laat bovendien aan duidelijkheid niets te wensen over. De situatie waarin een raadsman na een door het hof geïnitieerd telefonisch contact ten tijde van de terechtzitting meldt dat hij als raadsman voor de verdachte optreedt, kan naar mijn mening op één lijn worden gesteld met de gevallen waarin het optreden van de raadsman uit een dossierstuk kan blijken. Bij die stand van zaken is het, in de bestreden uitspraak besloten liggende, niet nader gemotiveerde oordeel van het hof dat art. 51, tweede volzin, Sv in hoger beroep is nageleefd, niet zonder meer begrijpelijk.5

11. Voor zover het middel klaagt over de niet-naleving het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv in hoger beroep, is het terecht voorgesteld.

12. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel voorts de klacht dat het hof het aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte op onbegrijpelijke wijze heeft afgewezen.

13. Het ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep telefonisch gedane verzoek van mr. Offreins tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

14. In de hiervoor onder 4 sub v weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen, omdat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. Aldus heeft het hof in zoverre de juiste maatstaf toegepast.6

15. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient het hof een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte - waaronder begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat te doen verdedigen -, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.7

16. Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen slechts overwogen dat het verzoek om aanhouding onvoldoende is onderbouwd. Uit deze motivering blijkt niet dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte, waaronder begrepen zijn recht om zich door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat te doen verdedigen, aan de ene kant en het belang van een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging aan de andere kant. Daarbij neem ik in aanmerking dat mr. Offreins ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek heeft aangegeven dat hij de raadsman van de verdachte is maar dat hij niet wist dat de zaak tegen de verdachte op die dag behandeld zou worden. Het hof is niet ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Het hof mocht, mede tegen de achtergrond van hetgeen ten aanzien van de eerste deelklacht is opgemerkt, niet zonder meer voorbij gaan aan het aangevoerde. Gelet op het voorafgaande, is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof ontoereikend gemotiveerd.8

17. Voor zover het middel klaagt over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, is het eveneens terecht voorgesteld.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.

19. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op 16 september 2014 is de verdachte door de politie aangehouden. In de aanhef van het proces-verbaal van aanhouding van 17 september 2014 staat als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] (Duistland) vermeld. Noch uit dit proces-verbaal noch uit een ander proces-verbaal van politie blijkt dat de verdachte toen nog een ander adres heeft opgegeven.
(ii) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in Arnhem van 11 november 2014 is op 17 september 2014 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Arnhem (Beekstraat 39 in Arnhem). De dagvaarding vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande”). Ook de aan de dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 14 oktober 2014 vermeldt geen adresgegevens (niet gedetineerd, geen geldig opgegeven adres en geen historisch GBA-adres).
(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 november 2014 vermeldt als adresgegevens van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] (Duistland).9 De politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij vonnis van 11 november 2014 de verdachte bij verstek veroordeeld.10
(iv) Op de schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, Sv, om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter, staat vermeld dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde was gedetineerd in de penitentiaire inrichting Over-Amstel, locatie De Schans. Voorts houdt deze volmacht in dat een afschrift van de appeldagvaarding kan worden toegezonden naar het kantooradres van de raadsman. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte instellen hoger beroep” opgemaakt, waaraan een uitdraai van de bijzondere volmacht is gehecht. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande, op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Amsterdam, huis van bewaring Het Schouw.
(v) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 juni 2015, houdt in dat de appeldagvaarding op 5 juni 2015 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Arnhem11, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(vi) Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, vermeldt dat die dagvaarding, nadat deze kennelijk tevergeefs is aangeboden op het bezoekadres van de penitentiaire inrichting Amsterdam Over Amstel (Wenckebachweg 48 in Amsterdam) en vervolgens retour is gezonden. Voorts is op 12 juni 2015 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het adres van de genoemde penitentiaire inrichting.
(vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 5 juni 2015, 16 juni 2015 en 29 juni 2015 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij niet in de GBA stond ingeschreven op een adres en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats met als datumregistratie 19 september 2014 (zonder nadere specificatie) de Bondsrepubliek Duitsland betreft.12
(viii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen en dat namens hem evenmin een raadsman is verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande”).
(ix) Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de politierechter en dat het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Ook het arrest van het hof vermeldt geen adres van de verdachte.
(x) De cassatie-akte vermeldt als adres van de verdachte het bezoekadres van de penitentiaire inrichting Amsterdam Over Amstel (Wenckebachweg 48 in Amsterdam).

(xi) De aanzegging in cassatie is op 28 september 2015 in persoon uitgereikt aan de verdachte op diens detentie-adres (penitentiaire inrichting Noord Holland Noord, huis van bewaring Zwaag). De aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 22 september 2015 houdt in dat de verdachte was gedetineerd, dat hij niet in de GBA stond ingeschreven op een adres en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats met als datumregistratie 19 september 2014 (zonder nadere specificatie) de Bondsrepubliek Duitsland betreft.

20. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet in Nederland is gedetineerd, de verdachte niet in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens13 en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is maar wel een adres in het buitenland, geschiedt de betekening van de appeldagvaarding ingevolge art. 588, tweede lid, Sv door toezending van die dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Door die toezending is de appeldagvaarding rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening heeft plaatsgevonden, geldt de datum van de verzending van de appeldagvaarding, waarvan aantekening dient te geschieden in de akte van uitreiking.14

21. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet in Nederland is gedetineerd, de verdachte niet in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, van hem geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en van hem evenmin een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de appeldagvaarding ingevolge art. 588, eerste lid, onder b, sub 3°, Sv door de uitreiking van de appeldagvaarding aan de griffier van de rechtbank.15

22. Ten aanzien van de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte dient nog het volgende te worden voorop gesteld. Deze onbekendheid kan niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de appeldagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Daarbij kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep heeft opgegeven en - indien hij daarbij geen woon- of verblijfplaats heeft opgegeven - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.16

23. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de appeldagvaarding op 5 juni 2015 overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 3°, Sv rechtsgeldig is betekend.

24. De appeldagvaarding is op 5 juni 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Gelderland. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat is getracht de uitreiking van de appeldagvaarding te doen plaatsvinden op het adres van de verdachte in Duitsland ( [a-straat 1] in [plaats] ), zoals vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Dit Duitse adres kan bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan als een uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland zou kunnen gelden, omdat het niet door de latere opgave van een ander adres in de appelakte was achterhaald. De appelakte vermeldt immers, afgezien van een inmiddels achterhaald detentie-adres, geen adres van de verdachte (“zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”). Daarbij neem ik in aanmerking dat het voornoemde adres in Duitsland ook wordt vermeld in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte door de politie en in het (in een andere zaak opgemaakte) reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 16 februari 2015 en dat de aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte inhouden dat de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte op 19 september 2014 een adres in Duitsland betreft, terwijl in de stukken geen enkel adres van de verdachte in Nederland voorkomt.

25. Uit het voorgaande volgt dat de appeldagvaarding niet is betekend overeenkomstig art. 588, tweede lid, Sv, terwijl uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding niet was gedetineerd, dat hij geen GBA-adres had, dat van hem geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was maar dat van hem wel een adres in het buitenland (Duistland) bekend was. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor onder 20 tot en met 22 is voorop gesteld, is het oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend niet begrijpelijk. De Hoge Raad kan de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.17

26. Het middel slaagt.

27. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of er een reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, aangezien in strijd met art. 260, vijfde lid, Sv geen schriftelijke vertaling van de appeldagvaarding is verstrekt aan de verdachte.

28. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Uit de aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte blijkt dat de verdachte in Duitsland is geboren, dat hij de Duitse nationaliteit heeft en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats een adres in Duitsland betreft.
(ii) Uit het proces-verbaal van aanhouding van de politie van 17 september 2014 blijkt dat de twee verbalisanten die de verdachte op 16 februari 2014 hebben aangehouden in de Engelse taal met de verdachte hebben gesproken. Uit het ten behoeve van een andere strafzaak tegen de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 16 februari 2015 blijkt dat het reclasseringsrapport in het Engels met de verdachte is besproken door de betrokken reclasseringsmedewerker.
(iii) Bij brief van 11 november 2014, gehecht aan de inleidende dagvaarding, heeft de officier van justitie een tolk in de Duitse taal opgeroepen om te verschijnen op de zitting van de politierechter van 11 november 2014 teneinde ten behoeve van de verdachte als tolk Duits op te treden.
(iv) Bij brief van 8 juni 2015, gehecht aan de appeldagvaarding, heeft de advocaat-generaal bij het hof een tolk in de Duitse taal opgeroepen om te verschijnen op de zitting van het hof van 30 juni 2015 teneinde ten behoeve van de verdachte als tolk Duits op te treden.
(v) Aan de appeldagvaarding zijn drie in de Duitse taal opgemaakte sjablonen gehecht van een appeldagvaarding. Deze sjablonen zijn ongeadresseerd en vermelden geen specifieke gegevens betreffende de zaak van de verdachte in hoger beroep.
(vi) Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een vertaling van de appeldagvaarding in de Duitse taal naar de verdachte is verzonden dan wel op andere wijze aan hem is verstrekt.
(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 is de verdachte niet verschenen.

29. Ingevolge art. 260, vijfde lid, Sv, dat ingevolge art. 412, derde lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing is, dient aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, onverwijld een schriftelijke vertaling van de appeldagvaarding te worden verstrekt, dan wel dient aan hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk (onder meer) mededeling te worden gedaan van de plaats, de datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep moet verschijnen alsmede van een korte omschrijving van het feit.18 Art. 260, vijfde lid, Sv is ingevoerd bij Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 85, ter implementatie van Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2013 (Stb. 2013, 268). Aangezien de terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige zaak nadien, te weten op 30 juni 2015, heeft plaatsgevonden, is art. 260, vijfde lid, Sv hier van toepassing.

30. Bij de beoordeling van het middel dient voorts het volgende te worden voorop gesteld. In geval de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en niet blijkt dat aan de vereisten van art. 260, vijfde lid, Sv, in verbinding met art. 412, derde lid, Sv, is voldaan, kan dit grond vormen voor schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde daaraan alsnog te voldoen.19

31. Uit de hiervoor onder 28 weergegeven stukken van het geding kan worden afgeleid dat de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst. De verdachte heeft de Duitse nationaliteit en is zowel door de politie als door de reclassering in het Engels verhoord, terwijl voor de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep een tolk in de Duitse taal was opgeroepen. Voorts blijkt uit de stukken niet dat aan de verdachte een schriftelijke vertaling van (de essentie van) de appeldagvaarding in de Duitse of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal is verstrekt. De omstandigheid dat aan de appeldagvaarding in de Duitse taal opgemaakte sjablonen ten behoeve van een appeldagvaarding zijn gehecht, maakt dat niet anders. Deze Duitse stukken bevatten immers geen specifieke informatie betreffende de onderhavige strafzaak van de verdachte in hoger beroep en zijn niet geadresseerd aan de verdachte. Ook overigens blijkt niet dat deze stukken aan de verdachte zijn verstrekt.

32. Naar mijn mening doet aan het voorafgaande niet af dat dat de vertaling niet aan de verdachte kon worden verstrekt omdat de appeldagvaarding is uitgereikt aan de griffier. Nog daargelaten dat ik bij de bespreking van het tweede middel uiteen heb gezet dat de oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend niet begrijpelijk is, brengt de enkele omstandigheid dat van de verdachte geen adresgegevens bekend zijn niet mee dat de vertalingsverplichting van art. 260, vijfde lid, Sv niet zou gelden. Dat er sprake zou zijn van een uitzondering op deze verplichting in geval van een griffierbetekening, valt aan de tekst en de strekking van voornoemde bepaling niet te ontlenen. Voor het bestaan van een dergelijke uitzondering is evenmin steun te vinden in de achterliggende Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). Ik zie daarvoor ook overigens geen goede grond. Gelet op de ratio van de (griffiers)betekening ligt het niet in de rede bij de vertaalverplichting onderscheid te maken naar gelang de wijze van betekening. Ook een griffiersbetekening strekt er immers toe de verdachte te informeren, ook al gebiedt de realiteit te erkennen dat bij deze wijze van betekening weinig verdachten daadwerkelijk zullen worden bereikt.

33. Gelet op het voorafgaande, moet ervan worden uitgegaan dat het verstrekken aan de verdachte van een schriftelijke vertaling van (de essentie van) de appeldagvaarding in de Duitse of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal, in strijd met art. 260, vijfde lid, Sv, in verbinding met art. 412, derde lid, Sv niet is geschied. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde dit verzuim te herstellen en aldus de verdachte in hoger beroep in de gelegenheid te stellen "zijn verdediging te kunnen voorbereiden en zijn proceshouding te kunnen bepalen".20 Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.21

34. Het middel slaagt.

35. De drie middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de appeldagvaarding.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660, rov. 2.5, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30, rov. 2.5, HR 19 december 2000, NJ 2001/161, rov. 3.2.1 en HR 9 juni 1998, NJ 1998/784, rov. 4.2.

2 Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660, rov. 2.5, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30, rov. 2.5 en HR 19 december 2000, NJ 2001/161, rov. 3.2.2.

3 Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660, rov. 2, HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:767, NJ 2013/483, rov. 2 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30, rov. 2.

4 Vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001/161, rov 3.

5 Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:118, rov. 2 en HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9218, rov. 2.

6 Vgl. HR 4 januari 2011, nr. 09/00785 (niet gepubliceerd, art. 81 RO, middel 1), HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4179, rov. 2, HR 2 december 2003, nr. 00541/03 P (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448, rov. 4.3.

7 Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, rov. 2.3, HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351 m.nt. rov. 2.6.2, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74, rov. 2.3, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641, rov. 2.5, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2.3, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6482, rov. 2.3, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.3, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken, rov. 2.3, HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1758, NJ 2005/416, rov. 3.3, HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 3.3, HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3, HR 26 januari 1999, NJ 1999/294, rov. 3.3, HR 16 januari 1990, NJ 1990/419, rov. 5.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 713-716.

8 Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3027 rov. 2 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3026, rov. 2.

9 Bij de stukken van het geding bevindt zich een “Reclasseringsadvies T.b.v. Rechtszitting” betreffende de verdachte van 16 februari 2015, dat is opgemaakt in een andere strafzaak tegen de verdachte (parketnummer 13/703225-14). Dit reclasseringsadvies vermeldt als adres van de verdachte eveneens [a-straat 1] in [plaats] (Bondsrepubliek Duitsland).

10 Op de terechtzitting in eerste aanleg is noch de verdachte noch een raadsman verschenen.

11 Met de aanduiding rechtbank te Arnhem is kennelijk de rechtbank Gelderland bedoeld.

12 Kennelijk wordt met deze opgave gedoeld op het adres dat staat vermeld in het proces-verbaal van aanhouding van de politie van 17 september 2014.

13 Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). Zie de Wet van 10 juli 2013 houdende aanpassing van wetten aan de Wet basisregistratie personen (Aanpassingswet basisregistratie personen) (Stb. 2013, 316) in verbinding met het besluit van 28 november 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet basisregistratie personen en het Besluit basisregistratie personen (Stb. 2013, 494). Vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323, NJ 2016/19 m.nt. Schalken rov. 2.2.

14 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.19.

15 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.23.

16 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.24 onder b.

17 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210, rov. 2, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2676, rov. 2 en HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:665, rov. 2.

18 Voor de toepassing van art. 260, vijfde lid, Sv is, anders dan voor de toepassing van art. 588, tweede lid, Sv, niet van belang of de verdachte een adres in het buitenland heeft opgegeven.

19 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136, rov. 2.4.

20 Zie de memorie van toelichting bij de Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 85 (Kamerstukken II 2011/2012, 33 355, nr. 3, p.1-2).

21 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136, rov. 2.