Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:450

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-05-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
16/00350
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1512, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Niet-tijdige betaling griffierecht; art. 3 lid 3 Wgbz en art. 409a lid 2 Rv. Hardheidsclausule, art. 127a lid 3 Rv. Vgl. HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348, NJ 2012/170.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2017/4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/00350

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 27 mei 2016

Conclusie in het incident inzake:

[eiser]

tegen

Coöperatieve Rabobank Regio Den Haag U.A.

In deze zaak ligt de vraag voor of eiser met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule zodat de sanctie van art. 409a lid 2 Rv (niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht) buiten toepassing dient blijven. Daarnaast wordt de vraag opgeworpen of de Hoge Raad de sanctie van art. 409a lid 2 Rv nog kan toepassen indien hij tijdens de looptijd van de voor het griffierecht geldende betalingstermijn heeft beslist dat de zaak niet voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt.

1. Procesverloop 1

1.1 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) heeft tijdig2 cassatieberoep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2015 met zaaknummer 200.149.004/01 en de zaak vervolgens aangebracht op de rolzitting van 5 februari 2016.

1.2 Verweerster in cassatie (hierna: Rabobank) is op de onder 1.1 genoemde roldatum niet verschenen, waarna [eiser] heeft verzocht tegen Rabobank verstek te verlenen.

Daarop is de zaak naar de rol verwezen voor voorselectie op de voet van art. 80a RO en beraad conclusie op verstek.

1.3 Ter rolle van 26 februari 2016 heeft de rolraadsheer beslist dat de zaak niet voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt en dat zal worden voortgeprocedeerd.

1.4 Op de rolzitting van 11 maart 2016 is geconstateerd dat het door [eiser] verschuldigde griffierecht niet is ontvangen, waarna de conclusie op verstek is aangehouden en de zaak naar de rol is verwezen voor uitlating door de advocaat van [eiser].

1.5 [eiser] heeft op 25 maart 2016 een akte “uitlating ex artikel 409a lid 2 Rv” genomen.

1.6 De zaak is vervolgens in handen gesteld van het Parket voor conclusie in verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep bij gebreke van tijdige betaling van het griffierecht.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid

2.1

Ingevolge art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) diende [eiser] ervoor zorg te dragen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na uitroeping van de zaak ter terechtzitting zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort.

Nu de zaak was uitgeroepen op de rolzitting van 5 februari 2016 liep de termijn af op 4 maart 2016. [eiser] heeft het griffierecht niet binnen deze termijn voldaan. Dit brengt mee dat [eiser] op grond van art. 409a lid 2 Rv in beginsel niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn cassatieberoep.

2.2

Voordat de Hoge Raad overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring dient hij eiser in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht (art. 409a lid 2 Rv, laatste zin).

Uw Raad heeft [eiser] die gelegenheid gegeven.

2.3

In de akte “Uitlating ex artikel 409a lid 2 Rv” van 25 maart 2016 heeft de advocaat van [eiser] betoogd dat niet-ontvankelijkverklaring in dit geval achterwege behoort te blijven. Daartoe heeft hij de volgende drie gronden aangevoerd:

a. de Hoge Raad treedt buiten het toepassingsgebied van art. 409a lid 2 Rv indien hij [eiser] niet-ontvankelijk zou verklaren;

b. er is geen sprake van niet-tijdige betaling;

c. niet-ontvankelijkverklaring levert in dit geval een onbillijkheid van overwegende aard op.

2.4

Om praktische redenen bespreek ik eerst de onder c. genoemde grond, waarin een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in art. 127a lid 3 in verbinding met art. 409a lid 3 Rv.

Op grond van de hardheidsclausule heeft de Hoge Raad de mogelijkheid om de sanctie van art. 409a lid 2 Rv (niet-ontvankelijkverklaring) buiten toepassing te laten indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een of meer partijen bij de toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.5

Ter onderbouwing van zijn beroep op de hardheidsclausule heeft [eiser] de nota in het geding gebracht die het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (hierna: LDCR) op 23 februari 2016 heeft verzonden aan de advocaat van [eiser] ter zake van het verschuldigde griffiegeld (productie 1). In deze nota staat dat het griffierecht € 1.937,00 bedraagt en dat dit bedrag “uiterlijk op 21-03-2016” moet zijn bijgeschreven op de in de nota genoemde rekening. Ter afsluiting is in de nota vermeld:

“Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, wordt uw dagvaardingsprocedure in beginsel niet inhoudelijk in behandeling genomen, tenzij de wet anders bepaalt.

U blijft het griffierecht verschuldigd.

Hoogachtend,

de griffier”

2.6

[eiser] betoogt, verkort weergegeven, dat met de nota van de zijde van de rechtspraak (“op gezag van de griffier van de Hoge Raad”) het vertrouwen of tenminste de suggestie is gewekt dat de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring achterwege zal blijven in geval van betaling voor 21 maart 2016 en dat op dat gewekte vertrouwen of op die suggestie niet gerechtvaardigd kan worden teruggekomen. [eiser] stelt dat hij de nota op 10 maart 2016, derhalve binnen de in de nota genoemde termijn, heeft voldaan; een afschrift van de digitale bankgiro-opdracht is aan de akte gehecht (productie 2)3.

2.7

Uit het griffiedossier blijkt dat de griffie op 8 februari 2016 een “griffierechtopdracht” heeft verzonden aan het LDCR, aangezien mr. Van Weerden geen rekening-courant heeft voor de inning van griffierechten. Voorts is vermeld dat er op 8 februari 2016 een storing heeft plaatsgevonden bij het LDCR, als gevolg waarvan alle (civiele en fiscale) griffierechtopdrachten waarbij een nota moest worden verzonden niet konden worden uitgevoerd. De griffie heeft de vordering vervolgens gecrediteerd en op 22 februari 2016 opnieuw griffierecht geheven. Op 23 februari is door het LDCR alsnog een nota verstuurd aan mr. Van Weerden. Op deze nota staat een onjuiste betalingstermijn.

2.8

Volgens vaste jurisprudentie geldt bij de beoordeling van een beroep op de hardheidsclausule het uitgangspunt dat in een cassatieprocedure partijen in alle gevallen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de cassatieprocedure zonder meer geacht wordt op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan4.

Wanneer het niet in acht nemen van de betalingstermijn evenwel een gevolg is van verwarringwekkende informatie door de gerechtelijke administratie belast met inning van griffierechten bestaat er een grond voor toepassing van de hardheidsclausule5.

2.9

M.i. gaat het hier om een zodanig geval. De nota bevat onjuiste informatie over de uiterste betaaldatum en kan de verwachting hebben gewekt dat het griffierecht nog tijdig kon worden voldaan tot en met 21 maart 20166. Ik verwijs daarbij ook naar hetgeen ik onder 2.7 heb vermeld.

Op de juistheid van informatie die door of namens gerechten worden verstrekt moet men in beginsel kunnen afgaan.

Toepassing van de sanctie van art. 409a lid 2 Rv levert in het onderhavige geval dan ook een onbillijkheid van overwegende aard op en dient derhalve achterwege te blijven.

2.10

In het belang van de rechtsontwikkeling ga ik, ten overvloede, nog in op de onder a. aangevoerde grond voor het achterwege laten van de sanctie van art. 409a lid 2 Rv.

[eiser] stelt dat het de Hoge Raad niet langer vrij staat om de sanctie van art. 409a lid 2 Rv toe te passen. Hij wijst erop dat de Hoge Raad op 26 februari 2016 heeft beslist dat de zaak niet voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt en dat Uw Raad, om tot deze beslissing te komen, op grond van art. 80a lid 2 RO kennis heeft genomen van de cassatiedagvaarding en de mondelinge conclusie terzake van de Procureur-Generaal. De Hoge Raad heeft aldus een begin gemaakt met de inhoudelijke beoordeling van de zaak en heeft de keuze gemaakt de zaak niet op de voet van art. 409a lid 1 Rv aan te houden. Gesteld wordt dat de Hoge Raad daarmee buiten het toepassingsgebied van art. 409a lid 2 RV is getreden. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het arrest van Uw Raad van 18 december 20157.

2.11

Bij de bespreking van deze grond dient te worden vooropgesteld dat de regeling van de gevolgen van niet-tijdige betaling van het griffierecht in cassatie (art. 409a Rv) nagenoeg gelijk is aan de regeling voor eerste aanleg en hoger beroep (art. 127a Rv).

Het uitgangspunt van deze regeling is dat het griffierecht bij aanvang van de procedure wordt geheven en een zaak pas wordt behandeld als de eiser het griffierecht heeft voldaan. In art. 127 lid 1 en 409a lid 1 Rv is dan ook bepaald dat de zaak wordt aangehouden zolang eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de betalingstermijn genoemd in art. 3 lid 3 Wgbz nog loopt8.

2.12

In de genoemde zaak van 18 december 2015 had er na het verstrijken van de betalingstermijn, ondanks de niet-tijdige betaling van het griffierecht door eisers, bij het hof een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden, alvorens het hof – na verwerping van het beroep van eisers op de hardheidsclausule – overging tot toepassing van de sanctie van art. 127a lid 2 Rv. Het daartegen gerichte cassatieberoep trof doel. Uw Raad overwoog daartoe het volgende:

“3.6.1 Art. 127a Rv strekt ertoe dat reeds bij aanvang van de procedure door de rechter wordt vastgesteld of de eiser, respectievelijk de appellant, het griffierecht tijdig heeft betaald en, zo neen, of hij een geslaagd beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan, dan wel het in lid 2 voorziene ontslag van instantie moet worden verleend. Daarmee wordt voorkomen dat proceshandelingen worden verricht die achteraf bezien nodeloos blijken te zijn geweest.

Met het oog op dat verloop van de behandeling bepaalt het eerste lid dat de rechter de zaak aanhoudt zolang de eiser/appellant het griffierecht niet heeft voldaan en de betalingstermijn nog loopt. Weliswaar voorziet het derde lid ook in de mogelijkheid dat reeds binnen de betalingstermijn met de behandeling van de zaak wordt begonnen, doch slechts indien toepassing van het eerste lid gelet op de belangen van een of meer partijen tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden (vgl. Kamerstukken II 2009/10, 31 758, nr. 9, p. 4). Is de betalingstermijn al verstreken zonder dat het griffierecht is voldaan, dan is inhoudelijke behandeling van de zaak echter slechts mogelijk indien de rechter een beroep van de eiser/appellant op de hardheidsclausule heeft gehonoreerd. Art. 127a Rv geeft niet de mogelijkheid het tweede lid nog toe te passen in het geval dat de rechter een begin heeft gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak nadat de betalingstermijn is verstreken zonder dat het griffierecht is voldaan.

Door dit laatste toch te doen is het hof dus buiten het toepassingsgebied van art. 127a lid 2 Rv getreden.”

2.13

In de onderhavige zaak is m.i. niet sprake van een vergelijkbare situatie.

In de eerste plaats kan eiser aan het nog tijdens de betalingstermijn voor het griffierecht plaatsvinden van de voorselectie op de voet van art. 80a RO niet het vertrouwen ontlenen dat de Hoge Raad reeds een begin heeft gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. De voorselectie strekt er immers juist toe om te beoordelen óf de zaak zich leent voor een inhoudelijke behandeling. Bij de voorselectie worden de zaken geselecteerd die niet voor afdoening met art. 80a RO in aanmerking komen9. Wanneer de rolraadsheer, nadat hij Procureur-Generaal hierover heeft gehoord, tot een zodanige beslissing komt, geeft hij daarmee als het ware “groen licht” voor een inhoudelijke behandeling. De inhoudelijke behandeling zal echter daarna pas een aanvang nemen.

2.14

Bovendien is van belang dat partijen in het kader van de voorselectie geen nadere proceshandelingen hoeven te verrichten. De voorselectie door de Hoge Raad vindt plaats aan de hand van de stukken die dan, na de eerst dienende dag, beschikbaar zijn10.

Zoals Uw Raad in de hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit het arrest van 18 december 2015 heeft overwogen, is met de in art. 127a lid 1 en art. 409a lid 1 Rv voorgeschreven aanhouding beoogd te voorkomen dat partijen proceshandelingen verrichten die achteraf overbodig blijken omdat eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan en de zaak aldus geen doorgang kan vinden. Het artikellid strekt dus ter bescherming van procespartijen tegen onnodige proceshandelingen en -kosten.

Ook bezien vanuit de strekking van het voorschrift bestaan er m.i. geen bezwaren tegen een voorselectie tijdens de looptijd van de betalingstermijn voor het griffierecht, nu partijen ten behoeve van deze voorselectie niet in actie hoeven te komen.

2.15

Het bovenstaande brengt mee dat de sanctie van art. 409a lid 2 Rv nog kan worden toegepast indien de rolraadsheer reeds een beslissing op basis van de voorselectie 80a RO heeft gegeven en vervolgens, na ommekomst van de betalingstermijn, blijkt dat het griffierecht niet of niet-tijdig is voldaan.

2.16

Zoals ik heb betoogd onder 2.9, is er in het onderhavige geval wel een andere reden om niet-ontvankelijkheidverklaring achterwege te laten. Nu het beroep van [eiser] op de hardheidsclausule slaagt, behoeft de onder b. genoemde grond m.i. geen bespreking meer.

3 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad toepassing zal geven aan de hardheidsclausule en een roldatum zal bepalen voor voortprocederen (conclusie op verstek).

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op de voorliggende vragen vermeld ik hieronder slechts het procesverloop in cassatie.

2 De cassatiedagvaarding is op 29 december 2015 uitgebracht.

3 De griffie heeft mij bericht dat het door [eiser] verschuldigde griffierecht op 11 maart 2016 door het LDCR is ontvangen.

4 Zie o.a. HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348, NJ 2012/170, m.nt. H.B. Krans onder NJ 2012/172, rov. 3.3; HR 16 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7361, NJ 2012/275, rov. 3.4 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6024, RvdW 2013/176, rov. 3.3.

5 HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348, NJ 2012/170, m.nt. H.B. Krans onder NJ 2012/172, rov. 3.4; HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9022, NJ 2012/231, rov. 3.3; HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9900, RvdW 2012/285, HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0721, NJ 2013/491, rov. 3.4 en HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1086, RvdW 2013/1319, rov. 3.2 en 3.3.

6 Zie HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348, NJ 2012/170, m.nt. H.B. Krans onder NJ 2012/172, rov. 3.4: “Dit alles leidt ertoe dat in de hiervoor gestelde omstandigheden waarin de met de uitvoering van de wet belaste overheidsinstanties van de wet afwijkende mededelingen doen die naar hun inhoud en de wijze waarop zij worden gedaan — voorgedrukte brieven — bij de rechtzoekende de verwachting kunnen wekken dat ondanks het verstreken zijn van de wettelijke termijn, vanwege de gerechtelijke instanties alsnog de mogelijkheid wordt geboden binnen de medegedeelde termijn het griffierecht te voldoen zonder voor niet-ontvankelijkheid van het beroep te hoeven vrezen, toepassing van die sanctie een onbillijkheid van overwegende aard oplevert”.

7 ECLI:NL:HR:2015:3630, NJ 2016/33.

8 Voor de volledigheid merk ik op dat op grond van art. 127a lid 3 Rv, welke bepaling ingevolge art. 409a lid 3 Rv in cassatie van overeenkomstige toepassing is, binnen de betalingstermijn van het griffierecht met de behandeling van de zaak kan worden begonnen als de aanhouding van de zaak gelet op de belangen van partijen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

9 Zie voor een beschrijving van de procedure bij de toepassing van art. 80a RO art. 8.1-8.7 van het Rolreglement van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2012, nr. 10676). De voorselectie is geregeld in art. 8.1. Zie tevens: Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/289.

10 Art. 8.1 Rolreglement van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden.