Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:431

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-04-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/01865
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1015, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onverdoofd/illegaal slachten van schapen. OM-cassatie na vrijspraak; uitleg tenlastelegging. Het hof heeft de tenlasteleggingen aldus uitgelegd dat daarin telkens slechts sprake is van “schapen” in het meervoud. Die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen daarvan en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01865

Mr. Machielse

Zitting 26 april 2016

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft verdachte op 11 december 2014 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

2. Mr. H. Dijkstra, AG bij het Ressortsparket, heeft cassatie ingesteld. Mr. M.E. de Meijer, AG bij het Ressortsparket, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie. Door mr. L.F. Withaar-Weijns, advocaat te Urk, is namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend. Deze houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging niet heeft verlaten, nu het oordeel van het hof begrijpelijk is te achten in het licht van de bewoordingen van de tenlastelegging.

Alvorens toe te komen aan een bespreking van het middel geef ik eerst de tenlastelegging en de motivering van de vrijspraak in het arrest van het hof weer.

3. Aan verdachte was tenlastegelegde dat

"1:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel, in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althansalleen, al dan niet opzettelijk buiten een slachthuis schapen heeft gedood, terwijl dat slachten zonder voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel gebeurde;

en/of

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk schapen heeft geslacht en/of laten slachten, als bedoeld in het derde lid van artikel 44 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren:

- terwijl dit niet geschiedde in een door de minister van Landbouw, in overeenstemming met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen inrichting, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders schapen geslacht in een stal, bedrijfsruimte op het terrein van Driesen aan de Espelerringweg en/of

- terwijl dit niet geschiedde door personen die daartoe door de in het vijfde lid, onderdeel b van artikel 44 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn aangewezen;

2:

hij in de periode van I januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel in de gemeente Noordoostpolder en/of te Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft gehandeld met:

- artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders als exploitant(en) van een levensmiddelenbedrijf, schapenvlees, althans producten van dierlijke oorsprong in de handel gebracht terwijl dit/deze niet bewerkt en gehanteerd werd(en) in een inrichting die voldeed aan de toepasselijke voorschriften van Verordening (EG) nr. 852/2004, van de bijlagen II en III bij de EG-verordening 853/2004 en/of andere toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving en die door de bevoegde autoriteit geregistreerd of, indien lid 2 zulks vereist, erkend was, en/of

- artikel 5 van Verordening (EG) nr. 853/2004, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders, als exploitant(en) van (een) levensmiddelenbedrijf/ven schapenvlees, althans producten van dierlijke oorsprong, die gehanteerd zijn in een inrichting die overeenkomstig artikel 4 lid 2 van genoemde verordening moest worden erkend, in de handel gebracht, terwijl geen gezondheidsmerk was aangebracht;

3:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 december 2011 te Espel, in de gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier heeft benadeeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders schapen onverdoofd geslacht en/of niet gefixeerd."

4. In het arrest heeft het hof het volgende opgenomen:

"Vrijspraak

met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde:

Gelet op de lengte van de in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode (bijna 2 jaren) en het gebruik van het woord "schapen" uitsluitend in de meervoudsvorm, zowel in het eerste als in het tweede deel van het onder 1 ten laste gelegde, in samenhang beschouwd met het dossier en het requisitoir van de advocaat-generaal, gaat het hof ervan uit dat de steller van de tenlastelegging telkens ondubbelzinnig heeft bedoeld ten laste te leggen dat verdachte, in genoemde pleegperiode op verschillende data met andere in het dossier voorkomende verdachten betrokken is geweest bij het slachten van schapen op het bedrijf van [A] te Espel. Het hof acht slechts bewezen dat verdachte op één datum in de ten laste gelegde pleegperiode bij het slachten van één schaap betrokken is geweest met een ander dan een van de in het dossier voorkomende verdachten. Zodanige bewezenverklaring levert naar het oordeel van het hof een ontoelaatbare grondslagverlating op. Gelet op het vorenstaande acht het hof het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde:

Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft (mede-)gepleegd, zodat verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde:

Het hiervoor overwogene met betrekking tot het onder I ten laste gelegde geldt ook voor het onder 3 ten laste gelegde. Derhalve acht het hof evenmin het onder 3 ten laste gelegde bewezen, zodat ook daarvan vrijspraak dient te volgen."

5.1. Het middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De tenlastelegging zou aldus moet worden opgevat dat de aanduiding van het meervoud 'schapen' ook het enkelvoud 'schaap' omvat. Daarnaast heeft het hof aan de woorden "tezamen en in vereniging met anderen of een ander" een te beperkte uitleg gegeven door deze zinsnede te beperken tot personen die in het dossier zijn genoemd. Maar voor medeplegen is niet noodzakelijk dat de medeplegers met naam en toenaam bekend zijn geworden.

5.2. Artikel 44 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren luidde ten tijde van het tenlastegelegde aldus1

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent het doden van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren.

2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen hebben in ieder geval betrekking op:

- de wijze waarop, de situaties waarin en de personen door wie dieren mogen worden gedood;

- de bedwelming van slachtdieren;

- de bedrijfsuitrusting en installatie in slachterijen.

3. Het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische of de islamitische ritus is toegestaan.

4. Het slachten, bedoeld in het derde lid, mag slechts geschieden in door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen inrichtingen.

5. Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt plaats:

a. indien het betreft het slachten volgens de israëlitische ritus: op verzoek van de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap;

b. indien het betreft het slachten volgens de islamitische ritus: op verzoek van één of meer organisaties die geacht kunnen worden alle of een bepaalde groep islamieten in Nederland te vertegenwoordigen;

een en ander voor zover uit het desbetreffende verzoek blijkt dat in het deel van het land dat vanuit de aan te wijzen inrichtingen pleegt te worden bediend behoefte bestaat aan vlees, afkomstig van volgens de desbetreffende ritus geslachte dieren.

6.Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt voorts plaats op verzoek van een israëlitische of islamitische groepering in een ander land, waarmee wordt ingestemd door de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde commissie, onderscheidenlijk de in onderdeel b bedoelde organisaties indien in het verzoek wordt aangetoond dat bij die israëlitische of islamitische groepering behoefte bestaat aan de import van vlees afkomstig van volgens de desbetreffende ritus geslachte dieren.

7. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in overleg met de aangewezen inrichting en

a. voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van volgens de israëlitische ritus geslachte dieren: in overleg met de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, of

b. voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van volgens de islamitische ritus geslachte dieren: in overleg met de in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde organisaties,

het aantal in een bepaald tijdvak per inrichting ritueel te slachten dieren vast, waarmede in de bedoelde behoefte aan vlees kan worden voorzien.

8. Het slachten zonder voorafgaande bedwelming mag slechts geschieden:

a. voor zover het betreft het slachten volgens de israëlitische ritus: door personen die daartoe door het Opperrabbinaat voor Nederland zijn gemachtigd, en

b. voor zover het betreft het slachten volgens de islamitische ritus: door personen die daartoe door de in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde organisaties zijn aangewezen, mits die personen daarvan door een schriftelijk bewijs aan de keuringsdierenarts hebben doen blijken.

Deze personen voegen zich ten aanzien van het aantal door hen ritueel te slachten dieren naar de voor elke inrichting aangewezen hoeveelheid; zij volgen ter zake de aanwijzingen van de keuringsdierenarts op, die toeziet, dat het vastgestelde aantal niet wordt overschreden.

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van het slachtdier regelen gesteld omtrent het slachten volgens de israëlitische of de islamitische ritus.

10. Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het negende lid wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport."

Artikel 12 van het indertijd geldende Besluit doden van dieren2 had de volgende inhoud:

"1. Het is verboden buiten het slachthuis rundvee, eenhoevigen of loopvogels te slachten of te doden.

2. De artikelen 9, 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing op het buiten het slachthuis slachten en doden van andere productiedieren dan de in het eerste lid bedoelde dieren, met dien verstande dat varkens, geiten en schapen uitsluitend worden gedood door de dieren te slachten na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel."

5.3. Het eerste bezwaar tegen de vrijspraak van het hof onderschrijf ik niet. In HR 4 september 2012, ECLI:2012:BX4293 oordeelde de Hoge Raad dat het hof, door van de gehele tenlastelegging vrij te spreken, de grondslag van het tenlastelegging had verlaten omdat het onderdeel van de tenlastelegging dat volgens het hof niet bewezen zou kunnen worden een bijkomstige omstandigheid was, die uit de tenlastelegging kon worden losgemaakt zonder de betekenis daarvan te veranderen. Daarvan is hier geen sprake. Ontegenzeggelijk is het de bedoeling van de wetgever dat ook het slachten van één schaap zonder inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften een strafbaar feit oplevert. Maar als de tenlastelegging rept van een meervoud is dat een strafrechtelijk significant verschil in vergelijking met de tenlastelegging van het slachten van een enkel schaap. In het eerste geval is er immers sprake van een meerdaadse samenloop, met alle gevolgen van dien voor de maximaal op te leggen straf.3

Het tweede bezwaar van de steller van het middel wijst m.i. terecht op een schijnbare kronkel in de uitleg van de tenlastelegging door het hof. Het hof maakt kennelijk onderscheid tussen "andere in het dossier voorkomende verdachten" als mededaders en andere mededaders ("een ander dan een van de in het dossier voorkomende verdachten"). Aldus compliceert het hof de uitleg van tenlastelegging op onnodige wijze. Maar dat wil nog niet zeggen dat uiteindelijk de gedachtegang van het hof niet meer is te reconstrueren. Het hof heeft kennelijk bedoeld te zeggen dat uit het hele dossier slechts bewijs te putten is voor betrokkenheid van verdachte bij het slachten van één schaap en wel in samenwerking met een ander, wiens identiteit uit het dossier niet kan blijken. Als de redenering van het hof zou zijn geweest dat verdachte betrokken is geweest bij het slachten van één schaap samen met iemand die bij naam in het dossier wordt genoemd, en bij het slachten van een ander schaap met iemand wiens identiteit uit het dossier niet blijkt, en dat de tenlastelegging voor zover inhoudende "met anderen of een ander" alleen op het eerste geval zou zien, zou er inderdaad sprake zijn geweest van een denaturering. Maar ik begrijp de overwegingen van het hof aldus dat slechts blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het slachten van een schaap samen met een onbekende ander. En dan heeft het hof niet vrijgesproken van iets anders dan wat was ten laste gelegd.

Het middel faalt.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Wet van 24 september 1992, Stb. 1992, 585, vervallen op 1 januari 2013.

2 Besluit van 16 mei 1997, Stb. 1997, 235

3 Anders ligt het wanneer eenzelfde aanduiding zowel ziet op een exemplaar als op meerdere exemplaren, zoals het geval is met de omschrijving van munitie in de Wet wapens en munitie; HR 5 november 2013, ECLI:2013:1117.