Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:428

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-04-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/00218
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1012, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

“Tattoo killers”: veroordeling tot 13 jaren gevangenisstraf wegens o.m. “medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord en van medeplegen van poging tot moord". HR: 80a RO. Samenhang met 14/05844, 14/05940 en 15/04600.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00218

Zitting: 26 april 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 november 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens (in zaak A) 1. en 3. “de voortgezette handeling van medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord en van medeplegen van poging tot moord”, en (in zaak A) 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen en op de vorderingen van de benadeelde partijen alsook aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 14/05844, 14/05940 en 15/04600. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Deze zaken hebben in de media ruim aandacht gehad en zijn daar bekend komen te staan als de zaken van de “tattoo killers”. Het is om die reden dat ik de middelen wat uitvoeriger dan noodzakelijk zal bespreken. Het hof heeft in deze zaak een uitvoerig gemotiveerd arrest gewezen. Dat is gepubliceerd (gerechtshof Amsterdam 18 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4776). Mede daarom is het niet nodig uitvoerig uit het arrest te citeren.

  4. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.1

5. Het eerste middel richt met enkele deelklachten tegen de motivering van de bewezenverklaring.

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. (ZD 01 Poging moord)

hij op 10 augustus 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een automatisch vuurwapen kogels op [slachtoffer] heeft afgevuurd;

2. (ZD 07 Wet Wapens en Munitie)

hij op 11 augustus 2009 te Amstelveen

- wapens van categorie III, te weten drie pistolen van het merk Glock en

- munitie van categorie III, te weten bij die vuurwapens behorende patronen en

- een wapen van categorie II, te weten een automatisch vuurwapen van het merk Heckler & Koch en handgranaten, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,

voorhanden heeft gehad;

3. (ZD 02 Voorbereidingshandelingen)

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 11 augustus 2009 te Amstelveen en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf van moord, opzettelijk

- een gehuurde woning, te weten; [a-straat 1] te Amstelveen en

- een gestolen voertuig, te weten een Volkswagen Golf (voorzien van het valse kenteken [AA-00-BB]) en

- gehuurde voertuigen, te weten;

een Volkswagen Golf (voorzien van kenteken [CC-00-DD]) en

een Volkswagen Golf (voorzien van kenteken [EE-00-FF]) en

een Ford Focus (voorzien van kenteken [GG-00-HH]) en/of-mobiele telefoons en

-een fotocamera.

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad”.

7. In de toelichting op het middel onderscheid ik ten eerste – het woordje “voorts” in 1.20 van die toelichting is in die zin wat verwarrend – de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 4] op 2 augustus 2009 de in bewezenverklaring genoemde Volkswagen Golf met (vervalst) kenteken [AA-00-BB] heeft verworven of voorhanden heeft gekregen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen of verwerven wist dat om een door misdrijf verkregen Volkswagen Golf ging.

8. Ik stel voorop dat de bewezenverklaring niet inhoudt dat [medeverdachte 4] op 2 augustus 2009 genoemde Volkswagen Golf heeft verworven of voorhanden heeft gekregen en houdt evenmin iets in over de wetenschap van [medeverdachte 4] op het moment van voorhanden krijgen of verwerven van deze Volkswagen Golf. De bewezenverklaring houdt in dat verdachte in de bewezenverklaarde periode tezamen en in vereniging met anderen de Volkswagen Golf voorhanden heeft gehad. Dat van dergelijk voorhanden hebben sprake is geweest vanaf 2 augustus 2009 kan zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid.

9. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof omtrent dat voorhanden hebben, doet niet af de in de toelichting op het middel genoemde omstandigheden dat het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 4] op 2 augustus 2009 reed in een Ford Focus en dat deze Ford Focus die dag tussen 15:09 en 15:21 uur rond de woning van [betrokkene 1] heeft gestaan, alsook dat het als bewijsmiddel 19 gebezigde proces-verbaal als verklaring van [betrokkene 1] inhoudt dat hij in de eerste week van augustus een afspraak met [medeverdachte 4] heeft gehad en dat [medeverdachte 4] alleen naar zijn woning was gekomen. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof door het bezigen van bedoeld proces-verbaal niet vastgesteld dat [medeverdachte 4] die dag niet in het gezelschap van anderen in Rotterdam was. Het hof heeft slechts vastgesteld dat [betrokkene 1] eventuele anderen niet heeft gezien. Evenmin sluit de vaststelling dat [medeverdachte 4] op 2 augustus 2009 in een Ford Focus reed uit dat [medeverdachte 4] die dag in Rotterdam van [betrokkene 1] de Volkswagen Golf met kenteken [AA-00-BB] (al dan niet tezamen met anderen) heeft verworven of voorhanden heeft gekregen, althans met anderen voorhanden heeft gehad. Hooguit kan daaruit worden afgeleid, zoals in de toelichting op het middel zelf ook wordt gesteld, dat [medeverdachte 4] de Volkswagen Golf niet van Rotterdam naar Amsterdam heeft gereden. Ik wijs er daarbij op dat de vaststellingen van het hof ook inhouden dat uit gegevens van Vialis Traffic B.V. kan worden afgeleid dat de Volkswagen Golf op 2 augustus 2009 om 15:21:09 uur als middelste auto van een “treintje” van drie auto’s de oprit Rijksweg A16 te Rotterdam is opgereden en dat de Ford Focus de voorste auto van dit treintje vormde.

10. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat verdachte in de bewezenverklaarde periode tezamen en in vereniging met anderen de Volkswagen Golf met (vervalst) kenteken [AA-00-BB] voorhanden heeft gehad, doet evenmin af – zoals in de toelichting op het middel in nr. 1.22 wordt geklaagd – dat het hof in het kader van de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat “de mannen die in de [a-straat 1] verbleven” van bedoelde Volkswagen Golf hebben gebruik gemaakt.2

11. Namens de verdachte is een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Daaraan is onder meer ten grondslag gelegd dat in het onderhavige onderzoek gebruikte startinformatie geen verankering vindt in onderliggende processen-verbaal en/of deels is gebaseerd op later aangepaste conceptprocessen-verbaal.3 Het hof heeft dit verweer verworpen, en heeft daartoe onder meer overwogen (cursivering van het hof; PV):

“ln het kluisverbaal en in het CIE-pv is - kort samengevat - vermeld dat NN-mannen die op de [a-straat 1] verbleven, gebruik maakten van de Volkswagen Golf waarmee de aanslag is gepleegd en dat zij op 3 augustus 2009 contact hadden met [medeverdachte 4]. Deze informatie komt overeen met de informatie opgetekend in het gespreksverslag van [verbalisant 1] en het concept proces-verbaal van observatie. Nadien is gebleken dat deze waarnemingen niet zijn gerelateerd in het definitieve op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van observatie van 4 augustus 2009. Het hof kan bij gebrek aan een deugdelijke basis niet uitgaan van de juistheid van de waarneming van het observatieteam dat gebruikers van de [a-straat 1] gebruik maakten van de Golf [AA-00-BB] en dat zij op 3 augustus 2009 contact hadden met [medeverdachte 4]. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat die informatie onjuist is.

Het hof stelt vast dat zodoende door het CIE-verbaal van [verbalisant 2] en het kluis-verbaal van [verbalisant 1] deels onjuiste informatie is verstrekt aan het team [A], namelijk voor zover daarin is vermeld dat NN mannen die in de [a-straat 1] verbleven, gebruik maakten van een Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [AA-00-BB] (waarmee de poging tot liquidatie op [slachtoffer] is gepleegd) en dat zij op 3 augustus 2009 contact hadden met [medeverdachte 4]. Deze verbalen zijn ten grondslag gelegd aan de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en met name aan de aanhouding van de verdachten en de doorzoeking van de [a-straat 1].

(…)

Uit het definitieve proces-verbaal van observatie blijkt voorts dat de Golf [AA-00-BB] (hierna: Golf60) op 3 augustus 2009 pal naast de Golf04 was geparkeerd en dat hetzij [verdachte], hetzij [medeverdachte 4] zich op 3 augustus op circa 80 meter afstand van de Golf60 heeft bevonden. Op grond daarvan komt het hof tot de conclusie dat weliswaar op dat moment niet kon worden vastgesteld dat de Golf60 in gebruik was geweest bij gebruikers van de [a-straat 1], maar dat wel toen reeds een verband tussen de Golf60 en de verdachte [medeverdachte 4] en de gebruikers van de [a-straat 1] kon worden aangenomen (zie hetgeen hierna onder bewijsoverwegingen op dit onderdeel wordt overwogen)”.4

12. In het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft het hof slechts overwogen dat op grond van de waarnemingen van het observatieteam, zoals die zijn vastgelegd in het definitieve proces-verbaal van observatie, weliswaar kan worden gesteld dat er een verband bestond tussen verdachte en zijn medeverdachte enerzijds en de Volkswagen Golf met kenteken [AA-00-BB] anderzijds, doch dat op grond van die waarnemingen niet kon (of beter: mocht) worden gesteld dat verdachte en zijn medeverdachten van die Volkswagen Golf “gebruik maakten”. Die overweging doet echter niets af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in het kader van de bewezenverklaring dat op grond van andere in de bewijsvoering opgenomen feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten van de Volkswagen Golf gebruik maakten.

13. Voorts wordt in de toelichting op het middel in 1.22 geklaagd dat het hof zijn oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben geschoten, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen door de raadslieden van de verdachte in hoger beroep is aangevoerd. De steller van het middel heeft daarbij het oog op de navolgende passage uit de pleitnotitie die door de raadslieden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2014 hebben voorgedragen:

“De verdediging is van mening dat het scenario onvoldoende steunt op werkelijk vaststaande gegevens en dat de gegevens die vast staan onvoldoende relevant zijn om te kunnen concluderen tot het medeplegen van poging moord.

De rechtbank heeft weinig aandacht gehad om het door de politie geschetste scenario in twijfel te trekken.

Losstaande maar niet onbelangrijke feiten die het scenario doorkruisen of minder aannemelijk maken heeft de rechtbank weggewimpeld. Wij noemen:

DNA OP DE HULS

Op een in de [b-straat] aangetroffen huls (verschoten met de Skorpion) is DNA aangetroffen. Dit matcht niet met DNA van de verdachten.

SCHUTTER GEWOND

Op de Skorpion is menselijk bloed aangetroffen. Een relatie met de verdachten is niet vastgesteld maar zoals gezegd zou de schutter gewond zijn geraakt.

Het aangetroffen bloed op de Skorpion lijkt daar een bevestiging van.

Volgens het OM zaten [verdachte] en [medeverdachte 2] in de 60Golf en is er vanuit die auto

geschoten. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn de dag na het schietincident aangehouden.

[verdachte] en [medeverdachte 2] zijn uit de kleren gegaan om foto’s van hun tatoeages te maken

en er zijn geen verwondingen geconstateerd.

SCHOTRESTONDERZOEK

[verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn de dag na het incident aangehouden. Er is uitvoerig onderzoek gedaan aan diverse kledingstukken uit de [a-straat 1] en in aangetroffen voertuigen. De 45Golf is op pook en stuur op schotresten bemonsterd (p.20134). Er is geen enkele relatie met een schietproces vastgesteld.

Overigens is het buitengewoon onzorgvuldig dat er na de aanhouding geen schiethanden zijn afgenomen: dit zou immers ontlastend zijn geweest (zie relaas p. 28 en Algemeen dossier deskundigen map 2 p. 225 e.v.)

SIGNALEMENT

De ooggetuigen geven een signalement van de schutter dat niet past bij de verdachten. Ook de door hen beschreven kleding past niet bij de kleding die de verdachten droegen bij het verlaten en terugkeren in de [a-straat 1].

[slachtoffer] verklaart (p02 010, p05 009, p05 011):

De schutter droeg iets wits. Licht getint, dunne snor, geen mager gezicht maar een beetje gezet. Lichtgekleurde gozer met een snor.

[betrokkene 2] (p03 005 + 03 030): Marokkaans uiterlijk / licht getinte huidskleur / lengte 180, leeftijd 20-30 jaar.

[betrokkene 3] (03 016): bestuurder: Surinamer tussen de 20 en de 30. De schutter was Surinaamse man, smal gezicht, geen platte maar rechte neus.

[betrokkene 4] (p02 007) verklaart ook over een getinte jongen met een wit Tshirt.

FOSLO

Aan ooggetuigen van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] zijn foto’s van [verdachte] en [medeverdachte 4] voorgehouden: er is geen herkenning geweest

[medeverdachte 2]

[slachtoffer] verklaart dat hij met [medeverdachte 2] gedetineerd heeft gezeten en [medeverdachte 2] dus kent. In de visie van het OM was [medeverdachte 2] in 60Golf tijdens het schieten.

[slachtoffer] noemt hem niet als 1 van de inzittenden.

(…)

VLUCHTAUTO EN VLUCHTROUTE

In het verhaal van het OM gaan [verdachte] en [medeverdachte 2] na het schietincident met de Golf met kenteken [KK-00-LL] of [II-00-JJ] van [c-straat] naar de [a-straat 1].

Volgens het PV van bevindingen nagereden route nummer 2 gaat de route die passend is in het tijdschema over de A4 en de A9.

Niet alleen de [KK-00-LL] en [II-00-JJ] zijn niet door Vialis geregistreerd.

Geen enkel voertuig of kenteken dat voorkomt in het dossier is door Vialis op deze route geregistreerd. En Vialis is daar dus het had geregistreerd moeten zijn als het verhaal van de politie en het OM zou kloppen.

(…)

De zojuist genoemde feiten zijn geen hard bewijs van onschuld maar zijn voldoende relevant om in te brengen tegen het scenario van de politie”. 5

14. Deze passage is onderdeel van de argumentatie van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak van de verdachte. Het hof heeft in de bewijsvoering uitgebreid uiteengezet dat en waarom het – anders dan door de verdediging was betoogd – van oordeel is dat (wel) moet worden uitgegaan van het scenario waarin de verdachte en/of [medeverdachte 2] hebben geschoten. Het hof heeft in zijn motivering niet nader uiteengezet waarom ook de hiervoor bedoelde omstandigheden niet aan een bewezenverklaring in de weg staan. Bij de vereiste nadere motivering in geval van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt afgeweken, behoeft echter niet op ieder detail van de argumentatie te worden ingegaan, terwijl dergelijke nadere motivering ook geacht kan worden besloten te liggen in de in de uitspraak wel opgenomen gegevens.6 In aanmerking genomen dat het hier gaat om omstandigheden die – ook volgens de raadslieden – bedoeld scenario niet uitsluiten, maar ook bij andere scenario’s zouden kunnen passen, is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. In zoverre kan het middel dus evenmin tot cassatie leiden.

15. Dat geldt eveneens voor de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het de juistheid van het betoog van de verdediging heeft opengelaten dat op grond van een getuigenverklaring moet worden aangenomen dat de zwager van [slachtoffer] heeft geschoten.7 Daartoe wordt aangevoerd dat dit betoog niet strijdig is met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen maar wel onverenigbaar is met de bewezenverklaring. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn drie medeverdachten als een gezamenlijk opererende groep met een gemeenschappelijk doel hebben gehandeld.8 Bedoelde mogelijkheid is dus niet opengebleven.

16. Tot slot faalt ook de klacht dat de overweging van het hof dat de Volkswagen Golf met kenteken [MM-00-NN], welke door [medeverdachte 2] werd gebruikt, op naam van [verdachte] en [medeverdachte 4] was gehuurd ontoereikend is gemotiveerd.9 Ik wijs daartoe op het als bewijsmiddel 54 gebezigde proces-verbaal. De enkele opmerking van de raadslieden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2014 dat [verdachte] ([verdachte]; PV) opmerkt dat “het pv dat dat wel het geval is in strijd met de waarheid is” noopte het hof niet tot nadere motivering.10

17. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

18. Het tweede (of volgens de nummering van de schriftuur derde) middel klaagt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd omtrent de wijze waarop de voorlopige hechtenis is tenuitvoergelegd.

19. Het bestreden arrest houdt omtrent dat aangevoerde in:

“De verdediging heeft bij pleidooi als strafmaatverweer gewezen op de detentieomstandigheden van de verdachte. De verdachte is tot en met juni 2012 gedetineerd geweest in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) waar een zeer strikt regime geldt. Na zijn overplaatsing uit de EBI is er nauwelijks verbetering in de detentieomstandigheden van de verdachte gekomen omdat de verdachte op een zogenaamde VGM-lijst (lees: GVM-lijst; PV) staat, waardoor hij voortdurend - en vaak ook ten onrechte, zo blijkt uit diverse uitspraken van de Commissie van Toezicht - aan vrijheids- en privacybeperkende maatregelen is onderworpen. De uitspraken van de Commissie van Toezicht hebben tot op heden echter niet geleid tot een structurele verbetering in de detentiesituatie van de verdachte. De minimale financiële vergoeding die meermalen aan de verdachte is toegekend, biedt onvoldoende compensatie voor het door hem ondergane leed. Deze omstandigheden dienen in strafmatigende zin te worden meegewogen in de strafmaat, aldus de verdediging.

Het hof is van oordeel dat de penitentiaire regelgeving de verdachte voldoende mogelijkheden biedt om rechtsmiddelen in te stellen tegen de wijze waarop de voorlopige hechtenis wordt tenuitvoergelegd. Het onderzoek ter terechtzitting in het kader van de behandeling van de strafzaak is hiervoor geen geschikt forum, alleen al niet omdat het hof niet op de hoogte is van de relevante feiten en omstandigheden die de grond hebben gevormd voor de detentieomstandigheden van de verdachte, hetgeen noodzakelijk is om daarover een gewogen oordeel te kunnen vellen. Het hof zal bij het bepalen van de strafmaat daarom geen acht slaan op de detentieomstandigheden van de verdachte.”

20. In HR 23 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2435, NJ 2005/108 overwoog de Hoge Raad:

“Het is aan de feitenrechter voorbehouden de factoren die naar zijn oordeel bij de strafoplegging moeten worden betrokken, te waarderen. Daarbij verplicht geen rechtsregel de strafrechter ertoe om de wijze waarop een tegen de verdachte verleend bevel tot voorlopige hechtenis is tenuitvoergelegd, te verdisconteren in de strafoplegging. Voor een zodanige verplichting is te minder grond nu het voor de strafrechter veelal redelijkerwijze niet mogelijk is om in het concrete geval — relevante — verschillen in de tenuitvoerlegging vast te stellen en de eventuele reden daarvoor te beoordelen. Wat de toekomstige vrijheidsbeneming uit hoofde van een tegen de verdachte gewezen veroordelende beslissing betreft, geldt bovendien dat de strafrechter niet bevoegd is te beslissen over de wijze waarop een door hem opgelegde vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd en doorgaans ook niet kan voorzien op welke wijze dat zal geschieden.”

21. Gelet op dit uitgangspunt getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

22. De middelen falen en zijn evident kansloos. Daarom kan het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet daarop heeft de verdachte bij het derde (of vierde) middel, dat klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, onvoldoende rechtens te respecteren belang.11

23. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de nummering van de middelen is kennelijk iets misgegaan; de middelen zijn in de schriftuur genummerd 1, 3 en 4.

2 In het kader van het opsporingsonderzoek is een woning op het adres [a-straat 1] geobserveerd. Van de daarbij waargenomen mannen, is later vastgesteld dat het om verdachte en zijn medeverdachten ging.

3 Vgl. de weergave door het hof van bedoeld verweer in het bestreden arrest, p. 17.

4 Bestreden arrest, p. 18 en 19-20.

5 Pleitnotities, p. 79-82.

6 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393.

7 Pleitnotities, p. 81-82.

8 Bestreden arrest, p. 47-48.

9 Bestreden arrest, p. 46.

10 Pleitnotities, p. 78.

11 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013, 244 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4.