Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:420

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-05-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15/04196
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1508, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Ontslag van bestuurder van stichting wegens wanbeheer (art. 12 Arubaanse Landsverordening op stichtingen). Bewijskracht van uitspraak van rechter in New Jersey, Verenigde Staten (art. 431 lid 2 Arubaans Rv; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478). Passeren van aanbod tot het leveren van tegenbewijs (art. 130 lid 2 Arubaans Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/04196

Mr. P. Vlas

Zitting, 20 mei 2016

Conclusie inzake:

[verzoeker]

wonende te Canada,

(hierna: [verzoeker])

tegen

[verweerder]

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

(hierna: [verweerder])

In deze Caribische zaak over het ontslag van een bestuurder van een Arubaanse stichting gaat het om de vraag of de rechter zijn oordeel dat sprake is van wanbeheer heeft mogen baseren op uitspraken van rechterlijke autoriteiten in New Jersey (Verenigde Staten), waarin ten aanzien van de desbetreffende bestuurder ‘wrongful conduct’ is vastgesteld. Ook rijst de vraag of de rechter ten onrechte een (tegen)bewijsaanbod van de bestuurder heeft gepasseerd.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 Bij notariële akte van 4 februari 2005 is opgericht de stichting All Saints University of Medicine, Aruba Foundation (hierna: de Stichting). De Stichting heeft ten doel het beheren van een internationaal opererende medische school en een ‘basis medische wetenschap campus’.

1.2 De statuten van de Stichting bepalen in art. 5:

‘5.1 De leden van het bestuur worden benoemd en ontslagen door het bestuur.

5.2 Een bestuurslid defungeert:

(…)

d. door zijn ontslag door de rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba;

e. door zijn ontslag door het bestuur;

(…)’.

1.3 De eerste bestuursleden van de Stichting waren [betrokkene 1], voorzitter, [betrokkene 2], penningmeester en vice-voorzitter, en [verzoeker], secretaris en tweede penningmeester. Zij waren tevens partners in de rechtspersoon ASUMA LLC (hierna: ASUMA), gevestigd in New Jersey. ASUMA vertegenwoordigt de Stichting in de Verenigde Staten en administreert onder meer de inschrijvingen en collegegelden van studenten van de Stichting.

1.4 [verweerder] heeft zich in maart 2007 in ASUMA ingekocht. Hij verkreeg aldus een kwart van de aandelen van ASUMA en werd bestuurslid van de Stichting.

1.5 Op 22 april 2008 hebben de Stichting, ASUMA, [verzoeker] en [betrokkene 2] een vordering tegen [verweerder] en [betrokkene 1] ingesteld bij de Superior Court of New Jersey, strekkende tot onder meer de verwijdering van [verweerder] uit ASUMA. In een tegenvordering heeft [verweerder] de verwijdering van [verzoeker] en [betrokkene 2] uit ASUMA gevorderd. Bij vonnis van 23 december 2009 heeft de Superior Court of New Jersey:

(i) [verzoeker] en [betrokkene 2] verwijderd als vennoten in ASUMA ‘based upon the Court’s finding that they engaged in wrongful conduct that adversely and materially affected ASUMA LLC’s business’ en tevens ‘based upon the Court’s finding that they engaged in conduct relating to ASUMA LLC’s business which makes it not reasonably practicable to carry on the business of ASUMA LLC with them as members’;

(ii) [verzoeker] en [betrokkene 2] verboden zich (direct of indirect) te bemoeien met de activiteiten van ASUMA en de Stichting.

1.6 [verzoeker] heeft tegen het vonnis van de Superior Court beroep ingesteld.

1.7 Namens [verweerder] is op 4 januari 2010 aan [verzoeker] en [betrokkene 2] verzocht om ontslag als bestuurder van de Stichting te nemen. Zij hebben dat geweigerd.

1.8 Vervolgens heeft [verweerder] zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg in Aruba (hierna: GEA) en gevorderd, primair, dat [verzoeker] en [betrokkene 2] als bestuurders van de Stichting worden ontslagen, en subsidiair dat zij als bestuurders van die Stichting worden geschorst totdat in kracht van gewijsde is beslist in de procedure in de Verenigde Staten.

1.9 Bij beschikking van 27 mei 2010 heeft het GEA [betrokkene 2] ontslagen als bestuurslid van de Stichting en [verzoeker] als bestuurslid geschorst, totdat in kracht van gewijsde is beslist in de procedure in de Verenigde Staten. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.10 Bij beschikking van 19 oktober 2010 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) het verzoek van [verzoeker] afgewezen om hem vergunning te verlenen afzonderlijk hoger beroep in te stellen tegen de deelbeschikking van het GEA.

1.11 Bij eindbeschikking van 11 maart 2014 heeft het GEA (ook) [verzoeker] als bestuurslid van de Stichting ontslagen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.12 [verzoeker] en [betrokkene 2] hebben tegen de beschikkingen van het GEA van 27 mei 2010 en 11 maart 2014 hoger beroep ingesteld bij het hof. Bij beschikking van het hof van 16 juni 2015 is [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij niet tijdig in hoger beroep is gekomen van de beschikking van het GEA van 27 mei 2010 die ten opzichte van hem als eindbeschikking geldt. Ten aanzien van [verzoeker] heeft het hof de bestreden beschikking bevestigd.

1.13 [verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, die zijn gericht tegen rov. 4.9 en 4.10 van de bestreden beschikking. Het hof heeft daarin als volgt overwogen:

‘4.9 Aangezien deze Amerikaanse uitspraken [de uitspraak van de Superior Court of New Jersey van 23 december 2009 en de uitspraak van de Superior Court of New Jersey Appellate Division van 24 december 2012; A-G] ASUMA betroffen en de onderhavige procedure de stichting, kan er geen sprake van zijn dat in casu, op de voet van artikel 431 lid 2 Rv, het verzoek strekt tot dezelfde beslissing als is genomen in de buitenlandse beslissing (ook al zijn ASUMA en de stichting nauw verbonden) en dat de rechter in beginsel gehouden is het verzoek in te willigen indien is voldaan aan de vier in HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 vermelde voorwaarden, te weten (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de openbare orde hier te lande, en (iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de rechter hier te lande, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning hier te lande vatbaar is.

4.10

In het onderhavige geval is het aan de rechter om te oordelen of, en zo ja, welke bewijskracht aan de buitenlandse beslissingen wordt toegekend. Het hof heeft kennis genomen van de uitspraken van de Chancery Judge [het hof doelt hiermee op de uitspraak van de Superior Court of New Jersey van 23 december 2009; A-G] en de Appellate Division en acht hun bevindingen voldoende bewijskracht op te leveren om te oordelen dat aan de zijde van [verzoeker] sprake is van ‘wanbeheer’. A fortiori geldt dit voor de beslissing van de Chancery Judge die mede concludeerde tot ‘wrongful conduct’(zie hiervóór rov. 4.6 [bedoeld zal zijn rov. 4.7; A-G]), maar ook indien uitsluitend gelet wordt op de beslissing in hoger beroep van de Appellate Division – welke beslissing op financiële feiten en omstandigheden is gebaseerd – acht het hof bewezen dat aan de zijde van [verzoeker] sprake was van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de stichting kan beschikken’.

2.2

Onderdeel A klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 130 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Aruba (hierna: ARv)2, omdat het hof voorbij zou zijn gegaan aan een door [verzoeker] in hoger beroep gedaan bewijsaanbod. Het onderdeel voert aan dat het oordeel van het hof dat de in de Amerikaanse uitspraken vervatte bevindingen voldoende bewijs(kracht) opleveren om te oordelen dat aan de zijde van [verzoeker] sprake is van (onder meer) wanbeheer, onbegrijpelijk is in het licht van de feiten en omstandigheden die [verzoeker] in de procedure in hoger beroep heeft aangevoerd. Het hof had het bewijsaanbod van [verzoeker] moeten opvatten als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs tegen de stellingen die [verweerder] heeft onderbouwd door middel van een beroep op feitenvaststellingen in de Amerikaanse uitspraken. Voor zover het bewijsaanbod van [verzoeker] in hoger beroep niet kwalificeert als een aanbod tot het doen van tegenbewijs, had het hof hem desondanks (ambtshalve) in de gelegenheid moeten stellen tot het leveren van tegenbewijs, aldus het onderdeel.

2.3

Art. 130 lid 2 ARv is gelijkluidend aan art. 151 lid 2 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Art. 130 lid 2 ARv heeft betrekking op het (recht op) tegenbewijs en bepaalt dat tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, vrij staat, tenzij de wet het uitsluit.

2.4

Volgens vaste rechtspraak behoeft een aanbod om tegenbewijs te leveren, anders dan een gewoon bewijsaanbod, niet te worden gespecificeerd.3 Dan moet het expliciet om tegenbewijs gaan en niet om bewijs van een feit waarvoor een partij bewijslast (en bewijsrisico) draagt op grond van art. 150 Rv (art. 129 ARv).4 Wanneer het gaat om het leveren van aanvullend tegenbewijs, gelden strengere eisen. In een situatie waarin de rechter in eerste aanleg bepaalde door de ene partij gestelde feiten en omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht en de andere partij heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs en die andere partij met het oog op deze bewijslevering een aantal getuigen heeft doen horen, mag van laatstgenoemde partij worden verwacht dat zij, indien zij vervolgens in hoger beroep een bewijsaanbod doet met de bedoeling aanvullend tegenbewijs te leveren, dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij bepaalde getuigen (opnieuw) wil doen horen. Van aanvulling van tegenbewijs is sprake indien het bewijsthema waarop het nieuwe bewijsaanbod betrekking heeft, hetzelfde is als het bewijsthema waartegen in eerste aanleg bewijs was geleverd.5 Als verklaring voor deze uitzondering op de regel wordt gegeven dat dubbel werk moet worden voorkomen en dat van de partij die aanvullend tegenbewijs wil leveren, mag worden verwacht dat deze duidelijk maakt dat daarvan geen sprake is.6

2.5

In de onderhavige procedure heeft [verweerder] zich tot het GEA gewend en het ontslag van [verzoeker] gevorderd op grond van wanbeheer. [verweerder] heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van wanbeheer beroepen op (in eerste instantie) de einduitspraak van de Superior Court of New Jersey van 23 december 2009 en (later ook) de uitspraak van de Superior Court of New Jersey Appellate Division van 24 december 2012.7 Zowel het GEA als het hof hebben vervolgens op basis van de feitelijke bevindingen in die uitspraken geoordeeld dat het bewijs is geleverd dat er sprake is van wanbeheer aan de zijde van [verzoeker].

2.6

[verzoeker] heeft in hoger beroep slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan (bewijs van zijn stellingen door middel van ‘alle middelen rechtens’).8 Voor zover [verzoeker] daarbij het oog had op schriftelijke bewijsvoering, kan niet worden gezegd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 130 lid 2 ARv. Immers, van een partij die zich beroept op stukken waarover zij beschikt, mag worden verlangd dat zij die uit zichzelf in het geding brengt. De rechter behoeft haar daartoe niet in de gelegenheid te stellen.9 Er wordt van een partij dus verwacht dat zij zoveel mogelijk anticipeert op de eventuele relevantie van in haar bezit zijnde stukken voor het bewijs van haar stellingen en niet het oordeel van de rechter afwacht. Doet zij dit wel door de stukken niet over te leggen maar aan te bieden dat alsnog te doen, dan loopt zij het risico dat het te laat is om die stukken nog te kunnen overleggen.10 Gelet op het voorgaande lag het op de weg van [verzoeker] om eventuele schriftelijke bewijsmiddelen uit eigen beweging in het geding te brengen. Het hof heeft [verzoeker] de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs daarmee dus niet onthouden.

2.7

Voor zover [verzoeker] met zijn in algemene bewoordingen geformuleerd bewijsaanbod (mede) het oog had op bewijsvoering door middel van getuigen, moet worden geconstateerd dat dit niet uit het door hem gedane bewijsaanbod blijkt. Op grond van vaste rechtspraak is uitgangspunt dat, ingevolge art. 166 lid 1 Rv (art. 145 lid 1 ARv) in verbinding met art. 353 lid 1 Rv (art. 280 lid 1 ARv), een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.11 Evenmin kan de eis worden gesteld dat wordt toegelicht in welk opzicht de verklaringen van niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen.12

2.8

Gelet op het vorenstaande mocht van [verzoeker], mede gezien de eisen van een goede procesorde, de wijze waarop het processuele debat zich tussen partijen heeft ontwikkeld en het stadium van de procedure, worden verwacht dat hij in zijn bewijsaanbod in hoger beroep expliciet had vermeld dat dit bewijsaanbod (mede) zag op bewijsvoering door middel van getuigen (zonder daarbij de eis te stellen dat [verzoeker] het bewijsaanbod door middel van getuigen nader zou moeten specificeren). Nu [verzoeker] dat niet heeft gedaan, kan niet worden gezegd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 130 lid 2 ARv.

2.9

Het oordeel van het hof is voorts op dit punt niet onbegrijpelijk. In de door [verzoeker] in het cassatierekest genoemde vindplaatsen in zijn pleitnota in hoger beroep13 valt geen (nader) ter zake dienend (tegen)bewijsaanbod van [verzoeker] te lezen met betrekking tot de bewijslevering aan de hand van de Amerikaanse uitspraken dat er sprake is van ‘wanbeheer’ aan de zijde van [verzoeker]. Het hof behoefde [verzoeker] derhalve ook niet (ambtshalve) toe te laten tot het leveren van tegenbewijs.

2.10

Daarmee faalt onderdeel A.

2.11

Onderdeel B klaagt dat het in rov. 10 vervatte oordeel van het hof dat de in de Amerikaanse uitspraken neergelegde bevindingen voldoende bewijskracht opleveren om te oordelen dat aan de zijde van [verzoeker] sprake is van wanbeheer (‘wrongful conduct’), en dat aan de zijde van [verzoeker] sprake was van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de Stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de Stichting kan beschikken, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel aan dat de enkele omstandigheid dat in de procedure in de Verenigde Staten is bewezen dat sprake is van ‘wrongful conduct’ in de zin van het recht van de staat New Jersey, niet zonder meer maakt dat daarmee tevens kan worden gesteld dat het bewijs is geleverd dat sprake is van wangedrag in de zin van het Arubaanse recht. Het onderdeel betoogt verder dat het toetsingskader dat de rechter in het kader van art. 12 van de Landsverordening op de Stichtingen (hierna: Landsverordening) in acht dient te nemen meer omvattend is dan slechts het beoordelen van de elementen uit dat artikel. Ook de overige omstandigheden van het geval dienen bij dat oordeel te worden betrokken. Zo kunnen onder meer de aard en de ernst van het aan de bestuurder verweten handelen of nalaten een rol spelen alsmede de binnen een stichting heersende bestuurscultuur. Nu deze overige omstandigheden van het geval niet zijn getoetst, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet met voldoende redenen omkleed, aldus het onderdeel.

2.12

In rov. 4.9 heeft het hof terecht als uitgangspunt heeft genomen dat de Amerikaanse uitspraken betrekking hebben op ASUMA en de onderhavige procedure op de Stichting, zodat er geen sprake van kan zijn dat in casu, op de voet van art. 431 lid 2 ARv, het verzoek strekt tot dezelfde beslissing als in de Amerikaanse uitspraken is genomen. In het verlengde daarvan heeft het hof overwogen dat er derhalve geen sprake van kan zijn dat de rechter in beginsel gehouden is het onderhavige verzoek in te willigen indien is voldaan aan de voorwaarden zoals geformuleerd in HR 26 september 2014.14 Tegen dit oordeel van het hof is in cassatie geen klacht gericht.

2.13

Vervolgens heeft het hof in rov. 4.10 vooropgesteld dat het aan de rechter is om te oordelen of, en zo ja welke, bewijskracht toekomt aan de Amerikaanse uitspraken. De bewijskracht van een buitenlands vonnis is niet afhankelijk van een voorafgaande erkenning van dat vonnis. Onder omstandigheden mag aan een buitenlands vonnis, hoewel dat niet voor erkenning vatbaar is, bewijs worden ontleend voor andere dan processuele feiten die in dat vonnis als vaststaand tussen partijen zijn aangemerkt. De rechter komt in dat verband een ruime beoordelingsvrijheid toe.15

2.14

Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof niet miskend dat het in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van wanbeheer aan de zijde van [verzoeker], art. 12 Landsverordening in acht diende te nemen. Integendeel, het hof heeft dit in rov. 4.2-4.4 tot uitgangspunt genomen. Vervolgens heeft het hof zich in rov. 4.5 – onbestreden in cassatie – te dien aanzien aangesloten bij het oordeel van het GEA en dat oordeel tot het zijne gemaakt. In dat verband zijn derhalve ook rov. 4.2-4.5 van de tussenbeschikking van het GEA van 27 mei 2010 en rov. 2.3-2.9 van de eindbeschikking van het GEA van belang voor de motivering van het oordeel van het hof. Het GEA heeft in rov. 4.4 van zijn tussenbeschikking onder meer overwogen dat uit het procesdossier blijkt dat de procedure ten overstaan van de Superior Court of New Jersey dezelfde soort processuele waarborgen kent als Aruba (bijvoorbeeld toepassing van hoor en wederhoor en behoorlijke oproeping), en dat er in de procedure ten overstaan van dat gerecht reeds een uitvoerig en diepgravend onderzoek, met inschakeling van deskundigen en het horen van getuigen, is gedaan naar de door [verweerder] gedane verwijten van wanbeheer c.q. wanbestuur. Tegen deze achtergrond stond het het hof vrij om te oordelen dat de in de Amerikaanse uitspraken neergelegde bevindingen voldoende bewijskracht opleveren om te oordelen dat aan de zijde van [verzoeker] sprake is van wanbeheer (‘wrongful conduct’), en dat aan de zijde van [verzoeker] sprake was van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de Stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de Stichting kan beschikken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. De klacht faalt derhalve.

2.15

Het onderdeel klaagt voorts dat voor zover het hof in zijn oordeel tot uiting heeft willen brengen dat het enkele feit dat in de procedure in de Verenigde Staten vast is komen te staan dat sprake is van wanbeheer (‘wrongful conduct’) aan de zijde van [verzoeker], en reeds daarom is voldaan aan de bewijsplicht die op [verweerder] rust ingevolge art. 12, onder a, Landsverordening, zulks getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd, nu de beslissingen van de rechtscolleges in New Jersey niet verder kunnen strekken dan het recht van de staat New Jersey toestaat.

2.16

Deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel immers niet gebaseerd op het oordeel van de rechtscolleges in New Jersey dat sprake is van ‘wrongful conduct’ (naar het recht van de staat New Jersey), maar – zo valt te lezen in rov. 4.10 van de in cassatie bestreden beschikking – op de (feitelijke) bevindingen van die rechtscolleges. Die bevindingen (het hof verwijst expliciet naar de financiële feiten en omstandigheden, waarop de beslissing van de Superior Court of New Jersey Appellate Division is gebaseerd) leveren naar het oordeel van het hof voldoende bewijskracht op voor zijn eigen oordeel dat sprake is van wanbeheer naar het recht van Aruba. Daarbij heeft het hof blijkens rov. 4.2 art. 12 Landsverordening voor ogen gehad, hetgeen [verzoeker] in cassatie niet heeft bestreden.16 Overigens betreft het hier bewijswaardering, die is voorbehouden aan de feitenrechter.

2.17

Daarmee faalt ook onderdeel B.

2.18

Onderdeel C bouwt op de klachten van onderdeel B voort en behoeft geen afzonderlijke bespreking. Ook onderdeel C faalt derhalve.

2.19

Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.6 van de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 27 mei 2010 en rov. 1.1 van de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2 Sinds de staatkundige hervorming van 10 oktober 2010, waarbij het land de Nederlandse Antillen is opgeheven, geldt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat in 2005 voor de Nederlandse Antillen en Aruba is ingevoerd (Publicatieblad van de Nederlandse Antillen (PB) 2005, nr. 59 en Afkondigingsblad van Aruba (AB) 2005, nr. 34) thans voor de afzonderlijke landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

3 Zie HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2543, NJ 1999/413, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6; HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2739, NJ 1998/899, rov. 3.4; HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3835, NJ 2000/637, rov. 3.3; HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF8839, NJ 2004/197, m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.17; HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7190, NJ 2005/78, rov. 3.6; HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3634, JOL 2004/683, rov. 3.5; HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3668, NJ 2007/587, rov. 3.4.3; HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860, NJ 2011/189, rov. 3.4.3. Zie daaromtrent ook Asser Procesrecht/Asser 3 2014/222.

4 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/222, alsmede de aldaar in voetnoot 3 aangehaalde jurisprudentie.

5 Vgl. HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677, NJ 2005/268, m.nt. W.D.H. Asser onder NJ 2005/270, rov. 3.3; en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575, m.nt. M.H. Wissink onder NJ 2007/576, rov. 3.6.2.

6 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/223.

7 Vgl. in dit verband rov. 4.4 van de beschikking van het GEA van 27 mei 2010, welke het hof blijkens rov. 4.5 van de in cassatie bestreden beschikking tot de zijne heeft gemaakt.

8 Vgl. het beroepschrift onder 56 en de pleitnota onder 79.

9 Vgl. HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174, rov. 3.5.

10 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2014/211.

11 Vgl. o.m. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.6; en HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, rov. 3.5.

12 Vgl. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, rov. 3.6.

13 De punten 54, 55, 56, 57, 60, 71, 75, 77 en 79. Zie het cassatierekest onder 16-17.

14 ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.4 (Gazprombank).

15 Vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.11. Zie voorts L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2015, nr. 270.

16 Zie het cassatierekest onder 5.