Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:406

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/00402
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1325
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplegging en tenuitvoerlegging levenslange gevangenisstraf i.v.m. de eisen ex art. 3 EVRM. Huidige tenuitvoerleggingspraktijk is onverenigbaar met de eisen die art. 3 EVRM stelt. Levenslange gevangenisstraf is niet i.s.m. art. 3 EVRM ook niet indien deze ten volle wordt geëxecuteerd. Levenslange gevangenisstraf kan niet worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling. HR zet diverse voorwaarden uiteen waaraan de mogelijkheid tot herbeoordeling moet voldoen. Aan de orde moet komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet is gerechtvaardigd. Herbeoordeling dient plaats te vinden niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf met daarna de mogelijkheid van periodieke herbeoordeling. Het opdragen van een herbeoordeling aan de rechter vormt een belangrijke waarborg dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming met art. 3 EVRM plaatsvindt. HR verwacht verdere politieke besluitvorming en houdt de verdere behandeling van de zaak aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/00402

Mr. Machielse

Zitting 24 mei 2016

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 19 januari 2015 voor 1, 2 en 5: Moord, meermalen gepleegd, en 6: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie lll en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 3 en 4 bewezenverklaarde bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar. Ook heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van een in beslag genomen nog niet teruggegeven voorwerp, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader omschreven.

2. Mr. A.R. Kellermann, advocaat te Amsterdam, heeft cassatieberoep ingesteld. Mr. J. Boksem heeft een schriftuur ingezonden, houdende 10 middelen van cassatie.

3. Alvorens de middelen te bespreken geef ik de bewezenverklaring weer. Deze luidt aldus dat

1. hij op of omstreeks 16 mei 2011 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

- [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] -1981)

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen, althans eenmaal, op die

- [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] -1981)

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar hoofd, althans in haar lichaam, tengevolge waarvan die

- [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] -1981)

is overleden;

2. hij op of omstreeks 16 mei 2011 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk, en al dan niet met

voorbedachten rade,

- [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] -1988)

van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen, althans' eenmaal, op die

- [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] -1988)

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar hoofd en/of in haar arm en/of in haar hand en/of in haar borst, althans in haar lichaam, tengevolge waarvan die

- [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] -1988)

is overleden;

5. hij op of omstreeks 12 mei 2011, althans in of omstreeks de periode van 12 mei 2011 tot en met 20 mei 2011 te Helmond, in elk geval in Nederland, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

- [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] -1990) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [slachtoffer 3] )

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen, althans eenmaal, op die

- [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] -1990) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [slachtoffer 3] )

geschoten met een vuurwapen, waarbij hij, verdachte, haar heeft geraakt in haar hoofd en/of in haar rug, althans in haar lichaam, tengevolge waarvan die

- [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] -1990) (blijkens haar naar het Nederlands vertaalde geboorteakte genaamd [slachtoffer 3] )

is overleden;

6. hij in of omstreeks de periode van 12 mei 2011 tot en met 20 mei 2011 te Zwijndrecht en/of te Helmond en/of te Oss en/of te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie III onder 1, in de vorm van een pistool, te weten een pistool (merk:FN-Herstal., model: 1910/22, kaliber: 7.65 mm, voorzien van een geluiddemper), en/of munitie van categorie III, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) (merk: Sellier en Bellot, kaliber: 7.65 mm), voorhanden heeft gehad."

4.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat verdachte niet is berecht door een onpartijdige rechter en omdat de praesumptio innocentiae is geschonden, en over de afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 423 Sv.

4.2. Het hof heeft in zijn verkort arrest het volgende daaromtrent overwogen:

"Verweer met betrekking tot de schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM

De raadsman heeft betoogd dat de zaak naar de rechtbank Rotterdam dient te worden teruggewezen. In de visie van de verdediging is in de eerste aanleg het recht van de verdachte op een onpartijdige rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geschonden. Voorts is volgens de verdediging in eerste aanleg in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de meervoudige kamer van de rechtbank Dordrecht op 10 november 2011 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] vonnis heeft gewezen. In dit vonnis hebben de betrokken rechters zich uitgelaten over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte en over diens betrokkenheid bij het levensdelict dat jegens [slachtoffer 3] is gepleegd. Twee van de rechters die dit vonnis hebben gewezen hebben vervolgens op 11 oktober 2012 ook vonnis gewezen in de onderhavige zaak van de verdachte.

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat door het optreden van een teamvoorzitter, tevens rechter, bij de rechtbank Dordrecht de onpartijdigheid van het gerecht in eerste aanleg is geschonden. In het onderzoek naar de wijze waarop het instellen van het hoger beroep door het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, heeft deze teamvoorzitter geconcludeerd en naar buiten gebracht dat door een "foutieve wijze van raadplegen door nieuwe griffiemedewerkers" de verdediging op 26 oktober 2012 is bericht dat het Openbaar Ministerie geen hoger beroep had ingesteld. De teamvoorzitter heeft aldus de indruk gewekt dat het Openbaar Ministerie tijdig hoger beroep had ingesteld, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. In de visie van de verdediging wekt het resultaat van het onderzoek door deze teamvoorzitter de schijn van vooringenomenheid ten faveure van het Openbaar Ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Terugwijzing op grond van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient naast de in dat artikel genoemde gevallen onder andere ook plaats te vinden wanneer zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht, dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige instantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Een rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De medeverdachte [medeverdachte] is op 10 november 2011 door de rechtbank Dordrecht - kort gezegd - veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens en het bemoeilijken van de nasporing en vervolging van een levensdelict. De naam van de verdachte komt niet in de bewezenverklaringen van dit vonnis voor en voornoemde [medeverdachte] is niet veroordeeld wegens het plegen van de feiten die de verdachte worden verweten, maar wegens andere strafbare feiten. In dit vonnis is de volgende passage opgenomen:

"Verdachte is vervolgens bij [verdachte] , die weer in het bezit was van het vuurwapen, in de auto gestapt, ondanks dat hij wist dat [verdachte] een levensdelict had gepleegd."

De verdachte heeft bij de politie alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij [slachtoffer 3] heeft gedood.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank met voornoemde passage in het vonnis van de medeverdachte [medeverdachte] - welke passage het hof overigens leest als een vaststelling in het kader van de interactie tussen de verdachte en genoemde [medeverdachte] - geen blijk heeft gegeven van een standpunt over de geloofwaardigheid van de verdachte.

De omstandigheid dat de bedoelde rechters in de zaak van bedoelde medeverdachte hebben vastgesteld dat de verdachte een levensdelict heeft gepleegd mede bezien tegen de achtergrond dat de verdachte dit feit van het begin af aan heeft bekend en is blijven bekennen is geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens de verdachte een vooringenomenheid koesterden, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook overigens is het hof niet gebleken van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

Aldus is niet gebleken dat de deelname van bedoelde rechters aan de berechting door de meervoudige kamer van de rechtbank Dordrecht de conclusie rechtvaardigt dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechter. Evenmin is gebleken dat in strijd met de onschuldpresumptie is gehandeld.

Overigens is niet gebleken dat de door de verdediging bedoelde teamvoorzitter deel uitmaakte van de meervoudige kamer die op 11 oktober 2012 in de onderhavige zaak vonnis heeft gewezen. De vraag of de teamvoorzitter vooringenomen is geweest dan wel de schijn daarvan heeft gewekt, is daarom ter beoordeling van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de behandelend rechters niet relevant."

4.3. Het hof heeft volgens de steller van het middel terecht als uitgangspunt genomen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat dat uitgangspunt alleen maar uitzondering lijdt als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter dat niet is, althans de objectief gerechtvaardigde vrees van die strekking kan doen ontstaan. Het hof heeft echter vervolgens te gemakkelijk aangenomen dat zich zo een uitzondering niet voordoet, gelet op hetgeen de verdediging dienaangaande te berde heeft gebracht.

4.4. Het middel neemt kennelijk de rechtspraak van de Hoge Raad, er op neerkomende dat het hof, als de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en die beslissing moet worden vernietigd, de zaak niet terug wijst naar de eerste rechter maar aan zich houdt, als uitgangspunt. Op dat uitgangspunt is een uitzondering erkend als de behandeling door het gerecht in eerste aanleg niet kan gelden als behandeling door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 EVRM.1 De vraag is of zich die uitzondering hier voordoet.

4.5. Zoals bekend hanteert het EHRM een subjectieve en objectieve maatstaf om te toetsen of de rechter wel onpartijdig was. De subjectieve test ziet op de persoonlijke overtuigingen van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak. De persoonlijke onpartijdigheid van de rechter wordt verondersteld tenzij het tegendeel wordt bewezen. De objectieve test onderzoekt of de rechter voldoende waarborgen heeft gegeven om een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid uit te sluiten:

"49. Under the objective test, it must be determined whether, quite apart from the judge's personal conduct, there are ascertainable facts which may raise doubts as to his impartiality. In this respect even appearances may be of a certain importance. What is at stake is the confidence which the courts in a democratic society must inspire in the public and above all, as far as criminal proceedings are concerned, in the accused. Accordingly, any judge in respect of whom there is a legitimate reason to fear a lack of impartiality must withdraw. This implies that in deciding whether in a given case there is a legitimate reason to fear that a particular judge lacks impartiality, the standpoint of the accused is important but not decisive. What is decisive is whether this fear can be held objectively justified (ibid., § 48).

50. The Court reiterates that, in relation to Article 6 § 1 and in the context of Article 5 § 3 of the Convention, it has found doubts as to impartiality to be objectively justified where there is some confusion between the functions of prosecutor and judge (see, with regard to Article 6 § 1, mutatis mutandis, Daktaras v. Lithuania, no. 4 2095/98, §§ 35-38, ECHR 2000-X, and, regarding Article 5 § 3, Brincat v. Italy, judgment of 26 November 1992, Series A no. 249 A, pp. 11-12, §§ 20-22; Huber v. Switzerland, judgment of 23 October 1990, Series A no. 188, pp. 17-18, §§ 41-43 ; and Assenov and Others v. Bulgaria, judgment of 28 October 1998, Reports 1998 VIII, pp. 3298-99, §§ 146-50). It has reached the same conclusion under Article 6 § 1 in the case of Kyprianou concerning contempt of court, in which the decision to prosecute was taken and a summary trial was conducted by the same judges as those sitting in the proceedings at which the contempt occurred (see Kyprianou v. Cyprus [GC], no. 73797/01, § 127, ECHR 2005 XIII)." 2

In de zaken van Ferrantelli en Santangelo3 waarnaar de schriftuur verwijst had het hof van beroep, onder voorzitterschap van rechter P, een medeverdachte van Ferrantelli en Santangelo veroordeeld. Het hof van beroep stelde zich in de zaak tegen die medeverdachte op het standpunt dat de feiten onherroepelijk waren vastgesteld door het hof van beroep van Palermo in een eerdere fase van de procedure, welke uitspraak van het hof van Palermo door het Hof van Cassatie was vernietigd. Het hof van beroep verwees naar de nauwkeurige verklaring die een getuige had afgelegd en die inhield dat een andere medeverdachte samen met Santangelo verantwoordelijk was voor het uitvoeren van de moorden. De daarop volgende behandeling van de zaak van Ferrantelli en Santangelo geschiedde ook onder leiding van rechter P. Dit hof van beroep veroordeelde Ferrantelli en Santangelo tot lange gevangenisstraffen. Uiteindelijk werd bij het EHRM geklaagd over de partijdigheid van dit laatste hof van beroep. Het EHRM merkte op dat de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid in deze zaak voortsproot uit twee omstandigheden (§ 59). De eerdere veroordeling van de medeverdachte door een hof van beroep onder leiding van rechter P bevatte ten eerste talloze verwijzingen naar Ferrantelli en Santangelo als mededaders en beschreef hun rol bij de moorden. Het hof van beroep, dat onder leiding van rechter P Ferrantelli en Santangelo uiteindelijk veroordeelde, citeerde tweedens talrijke onderdelen van het vonnis waarbij die medeverdachte was veroordeeld. Bovendien was P niet slechts de voorzitter van de combinatie die Ferrantelli en Santangelo veroordeelde, maar ook nog eens de rechter-rapporteur. Op die gronden was de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd.

Op 16 november 2000 gaf het EHRM een soortgelijke beslissing in de zaak Rojas Morales v. Italië.4 De Italiaanse politie had een drugsbende opgerold. Rojas Morales, die ervan werd verdacht daarvan deel uit te maken, bevond zich in Argentinië. Tegen de tijd dat hij was uitgeleverd waren andere leden van de drugsbende al op 6 juli 1993 door de Italiaanse rechter veroordeeld. In die veroordeling was overwogen dat de bende als doel had om drugs te smokkelen tussen Zuid-Amerika en Italië. Verdachte werd met name genoemd als een van de organisatoren. Hij bereidde de invoer van cocaïne voor. De 2 kg cocaïne die in Argentinië in beslag waren genomen waren waarschijnlijk bedoeld voor verdachte die toen in Italië was. Verdachte was een hoofdrolspeler in de criminele organisatie. Hij onderhield volgens de rechter de contacten met de leveranciers en hield zich bezig met de distributie in de omgeving van Milaan. Nadat verdachte aan Italië was uitgeleverd verzocht hij dat in ieder geval twee rechters die zich in hun Italiaanse vonnis al over hem hadden uitgelaten, niet aan zijn berechting zouden deelnemen. Het hof van beroep dat het verzoekschrift behandelde verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De veroordeling van de anderen van 6 juli 1993 had betrekking op andere personen en andere gedragingen. Daarom konden de oordelen in dat vonnis niet beschouwd worden als ongepaste uitlatingen van de kant van de rechters over de schuld van verdachte. Het cassatieberoep tegen deze beslissing werd verworpen. Verdachte verzocht vervolgens de twee rechters die eerder mede het vonnis van 6 juli 1993 hadden gewezen en die deel uitmaakten van de zetel die over verdachtes zaak zou oordelen, tevergeefs zich te verschonen. Op 26 juli 1995 werd verdachte veroordeeld door een kamer die werd voorgezeten door een van de beide rechters en waarvan ook de andere rechter deel uitmaakte. Ingestelde rechtsmiddelen hadden geen resultaat. Het EHRM herhaalde zijn standaardoverwegingen over de subjectieve en objectieve toets die moeten worden aangelegd voor de beantwoording van de vraag naar de onpartijdigheid van de rechter en overwoog dan het volgende:

"33. La Cour note qu'en l'occurrence la crainte d'un manque d'impartialité tient du fait que le jugement du tribunal de Milan du 6 juillet 1993, prononcé à l’encontre de M. A., contenait de nombreuses références au requérant et à son rôle au sein de l’organisation criminelle de laquelle il était soupçonné faire partie. En particulier, plusieurs passages se réfèrent au requérant comme étant l’organisateur ou le promoteur d’un trafic de stupéfiants entre l’Italie et l’Amérique latine (voir paragraphe 12 ci-dessus). Deux des juges ayant prononcé le jugement du 6 juillet 1993 - notamment Mmes M. et B. - ont ensuite été appelées à décider sur le bien-fondé des accusations portées à l’encontre du requérant, qui concernaient, au moins en partie, les mêmes faits qui étaient à la base de la condamnation de M. A.

34. La Cour considère que ces éléments suffisent pour considérer comme objectivement justifiées les craintes du requérant à l'égard de l'impartialité du tribunal de Milan."

4.6. Ook in de Nederlandse rechtspraak zijn zaken aan te wijzen waarin hetzelfde probleem speelde. Ik wijs op HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676 m.nt. tH, waarin verdachte was veroordeeld voor het samen met andere, met name in de bewezenverklaring genoemde Chinezen, deelnemen aan een criminele organisatie. De verdediging wees erop dat deze andere personen al eerder in hoger beroep waren veroordeeld en dat telkens was bewezenverklaard dat zij samen met verdachte hadden deelgenomen aan de criminele organisatie. Dezelfde kamer die de medeverdachten had veroordeeld veroordeelde ook verdachte. Het hof verwierp het verweer dat het hof niet onpartijdig zou zijn, omdat de beschuldigingen tegen verdachte zelfstandig zijn onderzocht, waarbij het geenszins uitgesloten is dat het hof op grond van verklaringen van verdachte of getuigen tot een ander oordeel over de betrokkenheid van verdachte bij dat feit zou komen dan in de zaak tegen medeverdachten. Het hof veroordeelde verdachte en verdachte ging in cassatie. De Hoge Raad overwoog:

"6.4 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 eerste lid EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.5 De enkele in het middel aangevoerde omstandigheid, dat de zaak van de verdachte in hoger beroep is behandeld door een kamer van het hof die eerder, in zaken tegen een aantal andere verdachten, ten laste van die alstoen terechtstaande andere verdachte(n) bewezen heeft verklaard dat dezen tezamen met onder meer de verdachte in de onderhavige zaak deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als evenbedoeld. Het behoort immers tot de normale, wettelijke, taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en — ook onder omstandigheden als in het middel bedoeld — daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tegen andere verdachten buiten beschouwing te laten."

Dit standpunt is herhaald in HR 6 mei 1997, NJ 1998, 186, in een zaak waarin verdachte ervan werd beschuldigd samen met een ander een plaatskaartenkantoor van NS te hebben overvallen. De ander, M, was eerder door de rechtbank in dezelfde samenstelling al veroordeeld. De Hoge Raad overwoog:

"5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2. De middelen bevatten de klacht dat het Hof het verweer dat in eerste aanleg art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden ten onrechte heeft verworpen, althans die beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd. Daarbij beroept het eerste middel zich in de eerste plaats op de omstandigheden dat de Rechtbank in dezelfde samenstelling eerder de zaak tegen de medeverdachte M heeft behandeld en deze heeft veroordeeld, en dat zij het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van de verdachte heeft afgewezen.

5.3.1. Het Hof heeft in het midden gelaten of de Rechtbank in de zaak tegen M heeft geoordeeld dat M de beroving ten nadele van de Nederlandse Spoorwegen N.V. en de daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving tezamen met een ander, te weten V (AM; verdachte), heeft begaan. Daarvan moet dus in cassatie worden uitgegaan.

5.3.2. 's Hofs oordeel, daarop neerkomende dat die omstandigheid geen aanwijzing oplevert als hiervoor onder 5.1 bedoeld, nu het de taak is van de Rechtbank - en zij overeenkomstig die taakstelling heeft gehandeld - om iedere zaak zelfstandig te onderzoeken en haar oordeel te vormen los van eventuele feitelijke vaststellingen die zij in een andere, samenhangende, zaak heeft gedaan, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen van de Rechtbank deze in de onderhavige zaak een onderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte bij de onder 1 en 2 telastegelegde feiten heeft ingesteld los van hetgeen het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen M had opgeleverd - in het kader waarvan zij een viertal door de raadsman opgegeven getuigen onder wie A heeft gehoord - terwijl zij haar vonnis niet in enigerlei opzicht heeft doen steunen op enige in de zaak M genomen beslissing." 5

Het EHRM verklaarde op 27 april 2000 de klacht van de verdachte V niet ontvankelijk.6

In HR 20 april 2004, NJ 2005, 241 m.nt. Knigge had het hof de behandeling van drie gevoegde zaken gesplitst. Een van die zaken werd eerder afgedaan door dezelfde combinatie die nadien de twee andere zaken afdeed. Verdachte had betwist deel te hebben genomen aan afgeluisterde telefoongesprekken, maar het hof had in de eerstbehandelde zaak op grond van een rapport van een deskundige deze stelling verworpen. Dezelfde telefoongesprekken werden ook voor het bewijs gebruikt in de later afgehandelde zaken. De Hoge Raad nam weer tot uitgangspunt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het behoort tot de wettelijke taak van de rechter om bij de beslissing over de in artikel 348 en 350 Sv geformuleerde vragen slechts te oordelen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, en om daarbij wat hij heeft beslist in een andere zaak tegen de verdachte buiten beschouwing te laten. Wat in het middel werd aangevoerd levert niet zo een zwaarwegende aanwijzing op.

Zeker relevant is nog HR 18 mei 2004, ECLI:2004:AO5050. Ook hier betreft het weer een gesplitste afhandeling van zaken van medeverdachten. Bij de beslissingen in de zaak tegen verdachte waren telkens twee rechters betrokken die ook de vonnissen hadden gewezen in de zaken tegen de andere verdachten. De advocaat van verdachte wees er in hoger beroep op dat de rechtbank in de eerder afgehandelde zaak tegen medeverdachte K de verdachte had genoemd als een vertrouweling van de leiding van de criminele organisatie die gebruik maakte van de faciliteiten en diensten die verdachte hun kon bieden. In haar vonnis tegen medeverdachte Cl had de rechtbank hetzelfde overwogen. Tevens had de rechtbank daarin verdachte genoemd als degene die feitelijk betrokken was bij de uitvoering van de handelingen met betrekking tot amfetamine. Het hof verwierp het beroep op partijdigheid van de rechtbank omdat naar het oordeel van het hof een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de rechtbank jegens verdachte een vooringenomenheid zou koesteren niet objectief gerechtvaardigd was. Die overwegingen van de rechtbank betekenen niet dat werd vooruitgelopen op de beoordeling van het verwijt dat naderhand in zijn zaak aan verdachte wordt gemaakt. Het hof verwees naar de normale wettelijke taak van de rechter om te beslissen op de in de artikelen 348 en 350 Sv bedoelde vragen en daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van de tenlastelegging naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, en daarbij wat hij heeft beslist in andere zaken van andere verdachten buiten beschouwing te laten. Wat in de vonnissen tegen de medeverdachten is overwogen is niet zo specifiek of op zodanige wijze gemotiveerd dat daarin een zwaarwegende aanwijzing ligt om de bij verdachte bestaande vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd te achten. De rechtbank heeft ook niet in de zaken tegen de medeverdachten al bij voorbaat een verweer van verdachte dat hij in zijn eigen zaak wenste te voeren verworpen. Er is geen enkele aanwijzing dat de rechtbank zich bij de behandeling en beslissing in de zaak tegen verdachte op enigerlei wijze gebonden heeft gevoeld aan de oordelen in de eerdere vonnissen. Het hof ziet ook niet dat de rechtbank haar vonnis in enig opzicht heeft doen steunen op enige in die eerdere vonnissen genomen beslissing. De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte juist in volle omvang behandeld zonder dat ook maar één van de vragen die de rechtbank had te beoordelen werd beschouwd als reeds afgedaan in de eerdere vonnissen. In cassatie stelde de Hoge Raad voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dat heeft ook het hof tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft het verweer zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd verworpen.

Verdachte wendde zich daarop tot het EHRM, dat op 24 juni 2009 uitspraak deed.7

Het EHRM sloot weer aan bij eerdere rechtspraak en stelde dat het werk van de strafrechter onmogelijk gemaakt zou worden als de onpartijdigheid van de rechter alleen al twijfelachtig zou worden doordat de rechter die eerder over medeverdachte heeft geoordeeld ook in de zaak van de verdachte zelf beslist. Het EHRM overweegt vervolgens:

"26. The mere fact that a judge has already ruled on similar but unrelated criminal charges or that he or she has already tried a co-accused in separate criminal proceedings is not, in itself, sufficient to cast doubt on that judge’s impartiality in a subsequent case. It is, however, a different matter if the earlier judgments contain findings that actually prejudge the question of the guilt of an accused in such subsequent proceedings. Following the same approach as in Martelli v. Italy (dec.), no. 20402/03, 12 April 2007 the Court will, therefore, examine the judgments handed down by the Regional Court to the applicant’s co-accused C3 and C4.

27. The Regional Court’s judgment in the case of C3 describes one D as the “linchpin” of the criminal organisation and C3 as its financier. The applicant is named as a “confidant” who carried out unspecified “work”. The judgment against C4 describes D and C4 together as the “linchpin”; the applicant again appears as a “confidant” who provided “facilities and/or services” used by D but described in no further detail.

28. In both judgments the names of the applicant and others are mentioned in passing, merely to illustrate and clarify the leading role played in the criminal organisation by the persons convicted, that is to say C3 and C4 respectively. Whether the applicant’s involvement with C3 and D fulfilled all the relevant criteria necessary to constitute a criminal offence and, if so, whether the applicant was guilty, beyond reasonable doubt, of having committed such an offence was not addressed, determined or assessed by the trial judges whose impartiality the applicant now wishes to challenge. There is no specific qualification of the involvement of the applicant or of acts committed by him, criminal or otherwise. In this the facts of the applicant’s case differ from those of Ferrantelli and Santangelo and Rojas Morales. It cannot therefore be said that any fears of bias on the part of the Regional Court which the applicant might have had are objectively justified."

Een bevestiging van dit standpunt van de Hoge Raad is te vinden in HR 22 januari 2008, NJ 2008, 193 m.nt. Reijntjes, waarin de rechtbank in een tussenvonnis onder meer de tenlastegelegde feiten bewezen en strafbaar had verklaard en vervolgens de zaak had heropend voor nader onderzoek naar de geestvermogens van verdachte. Uiteindelijk heeft de rechtbank in dezelfde samenstelling als die eerder het tussenvonnis wees het eindvonnis gewezen. Het hof verwierp het beroep op partijdigheid van de rechtbank. Volgens de Hoge Raad lag in de overwegingen van het hof als zijn oordeel besloten dat het enkele feit dat de rechtbank zich in het tussenvonnis expliciet over de bewezenverklaring had uitgelaten nog niet met zich brengt dat de vrees van vooringenomenheid bij de rechtbank ten aanzien van de vervolgzittingen, waar het uitsluitend om de sanctie zou gaan, objectief gerechtvaardigd was. Het hof had ook voldoende tot uitdrukking gebracht dat er geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleverden voor het oordeel dat de rechtbank een vooringenomenheid jegens verdachte zou koesteren, noch voor het bestaan van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

4.7. Wanneer is er dan volgens Hoge Raad wel sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verdachte een vooringenomenheid heeft gekoesterd?

In HR 16 november 1999, NJ 2000, 335 m.nt. tH was verdachte tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld door een combinatie waarin een officier van justitie uit een ander arrondissement als rechter-plaatsvervanger optrad. In hoger beroep zijn twee zaken tegen dezelfde verdachte gevoegd. De rechter-plaatsvervanger had in beide zaken mede het vonnis gewezen. De zittingsofficier in een van die zaken was een collega bij het arrondissementsparket in dat andere arrondissement. Bovendien was deze collega nauw betrokken bij het voorbereidend onderzoek in de andere zaak. Volgens de Hoge Raad leverde een en ander zo een uitzonderlijke omstandigheid op.

Als een officier van justitie als zodanig is opgetreden in de strafzaak tegen de medeverdachte, en nadien als rechter-plaatsvervanger fungeert in de combinatie die verdachte berecht, kan eveneens van zo'n uitzonderlijke omstandigheid worden gesproken.8 Hetzelfde geldt wanneer de rechter een verdachte bij verstek heeft veroordeeld en vervolgens, na vernietiging in hoger beroep en terugwijzing door het hof van de zaak naar de rechtbank, opnieuw mede een veroordelend vonnis wijst.9

Ook nam de Hoge Raad aan dat de vrees van verdachte voor vooringenomenheid van de rechters die in zijn zaak moesten oordelen objectief gerechtvaardigd was, toen verdachte berecht werd door een combinatie van het hof waarvan twee raadsheren deel uitmaakten die eerder in een zaak tegen een medeverdachte zitting hadden in de combinatie die had geoordeeld, dat de toen als getuige verschenen verdachte, die bij de RC zijn eerder bij de politie afgelegde bekennende verklaringen had ingetrokken, bij de politie wel en bij de RC niet betrouwbaar had verklaard.10

Als dus in één persoon de hoedanigheden van vervolgingsambtenaar en rechter zijn verenigd kan dat een basis bieden voor het aannemen van zo een buitengewone omstandigheid.11 Ook wanneer een verdachte in een andere hoedanigheid, te weten die van getuige, eerder voor de rechter is verschenen in een zaak van een medeverdachte en dan door de rechter niet wordt geloofd, is de vrees dat deze rechter, eenmaal geroepen om in de zaak van verdachte zelf een oordeel te vellen, niet onbevangen in de zaak van verdachte zal staan, gerechtvaardigd.

4.8. Medeverdachte [medeverdachte] heeft geweten dat er een misdrijf was gepleegd omdat hij het stoffelijk overschot van [slachtoffer 3] in de woning van verdachte heeft gezien en verplaatst en verborgen. De rechtbank die in de zaak van [medeverdachte] vonnis heeft gewezen heeft zich niet uitgelaten over de aard van het misdrijf waardoor [slachtoffer 3] het leven heeft verloren. In de zaak tegen [medeverdachte] heeft de rechtbank slechts een ongedifferentieerd oordeel gegeven in die zin, dat de rechtbank heeft vastgesteld dat volgens de wetenschap van [medeverdachte] verdachte het overlijden van [slachtoffer 3] heeft veroorzaakt. Het enkele feit dat twee van de drie rechters in eerste aanleg tevens de zaak tegen [medeverdachte] hebben gedaan is niet genoeg voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Hetzelfde geldt zelfs voor het feit dat de rechtbank in de zaak tegen [medeverdachte] er blijk van zou hebben gegeven te hebben aangenomen dat verdachte het overlijden van [slachtoffer 3] heeft veroorzaakt. Als deze tweede omstandigheid al een voldoende grondslag zou bieden voor het objectief gerechtvaardigd zijn van vrees voor partijdigheid zou reeds iedere deelneming van een rechter aan een berechting van een mededader, waarbij wordt vastgesteld dat ook een ander, die later berecht wordt, betrokken is, voldoende zijn voor uitschakeling van deze rechter op grond van artikel 6 lid 1 EVRM voor de berechting van die ander. En daartoe noopt de rechtspraak van het EHRM niet, noch die van de Hoge Raad. De situatie zou anders gewaardeerd kunnen worden wanneer een verdachte bijvoorbeeld nadien had beweerd dat hij door de politie onder zware druk is gezet en daarom een onjuiste, in de eerdere zaak desondanks wel gebruikte verklaring heeft afgelegd.12 Dié proceshouding kan relevantie hebben voor de beoordeling of er van een 'impartial tribunal' sprake was. Verdachte heeft echter de geloofwaardigheid van deze eigen bekentenis niet bestreden. In de onderhavige zaak heeft verdachte immers die levensberoving bekend en is daarbij gebleven. In eerste aanleg heeft verdachte ter terechtzitting van 25 september 2012 in zijn eigen zaak een uitgebreide verklaring afgelegd. Verdachte heeft toen verklaard dat hij op 12 mei 2011 in Helmond in zijn woning ruzie heeft gekregen met [slachtoffer 3] en toen op haar hoofd en haar lichaam heeft geschoten. Deze verklaring heeft betrekking op feit 5. Wat de steller van het middel in de toelichting onder 5 naar voren brengt, dat de proceshouding van verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg niet van invloed mag zijn op de beoordeling van de (schijn van) vooringenomenheid van de rechtbank, kan ik dus in deze zaak niet onderschrijven. Ik vermag niet in te zien waarom het feit dat een rechter geloof hecht aan verklaringen die verdachte heeft afgelegd en niet heeft ingetrokken en die door verdachte te zijnen overstaan zelfs worden bevestigd, een vrees van vooringenomenheid kan rechtvaardigen.

De rechtbank die verdachte heeft veroordeeld heeft voorts op geen enkele wijze geput uit of voortgebouwd op het eerder gewezen vonnis. Het heeft daarnaar immers niet verwezen, noch onderdelen daaraan ontleend.

De verwijzing naar de zaak Mathony tegen Luxemburg verdient wel enige toelichting. In die zaak had klager verzocht het beslag op zijn auto op te heffen. Dat werd in eerste aanleg en in hoger beroep afgewezen. De appelrechter sloot zich aan bij de gronden die de raadkamer in eerste aanleg aan haar beslissing ten grondslag had gelegd. In de strafzaak in eerste aanleg werd Mathony veroordeeld voor het rijden tijdens een ontzegging. Verdachte ging in hoger beroep. Het hof van beroep bestond uit dezelfde rechters die eerst in hoger beroep het bezwaarschrift hadden verworpen. De advocaat van verdachte verzocht om verwijzing naar een andere samenstelling maar vond geen gehoor en verliet daarop de zittingzaal. Verdachte werd bij verstek veroordeeld en tekende verzet aan. Dezelfde combinatie van beroep oordeelde dat het verzet nietig geacht moest worden. In dit geval oordeelde het EHRM dat het hof van beroep zich in de beklagzaak had aangesloten bij de motivering van de raadkamer, die inhield dat er ernstige aanwijzingen waren dat verdachte ondanks een ontzegging had gereden en dat het bezwaar moest worden verworpen gelet op de ernst van de feiten, de documentatie van klager en omdat moest worden voorkomen dat klager zou recidiveren.13 De raadkamer van het hof van beroep was dus duidelijk vooruitgelopen op de beoordeling ten gronde. Zowel in de beklagzaak als in de zaak ten gronde ging het om dezelfde persoon, als klager respectievelijk verdachte. Daarom is de zaak Mathony naar mijn mening niet te vergelijken met de onderhavige.

4.9. Wat betreft het optreden van de voorzitter van team 3 van de rechtbank Dordrecht geldt dat de eis van een onpartijdige rechter betrekking heeft op de beslissing op enige 'criminal charge'. Deze voorzitter, die kennelijk ten onrechte heeft medegedeeld dat het OM ontvankelijk zou zijn in het hoger beroep omdat hem zou zijn gebleken dat het beroep tijdig was ingesteld, was niet geroepen om te oordelen over de 'criminal charge' tegen verdachte. Het oordeel van het hof dat de vraag naar de vooringenomenheid van deze teamvoorzitter niet relevant is in deze zaak is niet onbegrijpelijk.

4.10. Kortom, de overwegingen van het hof geven geen blijk van een onjuiste uitleg van de rechtspraak van het EHRM of de Hoge Raad en zijn niet onbegrijpelijk. Onbegrijpelijk is volgens mij dat verdachte tegen beter weten in het doodschieten van [slachtoffer 3] in eerste aanleg enkel zou hebben erkend om toch maar geloofwaardig over te komen bij de rechters die ten principale moesten beoordelen, zoals in de schriftuur wordt voorgespiegeld.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.1. Het vierde middel klaagt over het bewijs van de voorbedachte raad van feit 5. Het verweer dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is door het hof ontoereikend gemotiveerd verworpen. Het middel sluit nauw aan bij de pleitnota van hoger beroep.

5.2. Het arrest van het hof bevat dienaangaande de volgende relevante overwegingen:

"Feit 5: incident in Helmond op 12 mei 2011

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord op [slachtoffer 3] . Volgens de verdediging heeft aan de gedragingen van de verdachte geen vooropgezet plan ten grondslag gelegen, maar heeft de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling gehandeld.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat - indien het hof vindt dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit - een zwaarder gewicht dient te worden toegekend aan aanwezige contra- indicaties. De contra-indicaties zijn dat de besluitvorming en uitvoering van het onderhavige feit in plotselinge drift hebben plaatsgevonden en dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering.

Dat de contra-indicaties in de onderhavige zaak zwaarder moeten wegen, blijkt uit de rapportages van de gedragsdeskundigen. Uit die rapportages heeft de verdediging afgeleid dat de verdachte "een neiging tot een woede-uitbarsting" had waaraan hij zich "ondanks de gegeven tijd niet kon onttrekken". Voor wat betreft de nadere onderbouwing van het betoog verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent op bladzijden 34 tot en met 54, bovenaan, van de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota is verwoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Teneinde te kunnen beoordelen of de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, stelt het hof op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ten aanzien van het incident in Helmond het volgende vast.

In 2005 gaan de verdachte en [slachtoffer 3] een relatie aan. In het bijzijn van de ouders van de verdachte trouwen zij voor de Imam. De relatie wordt gekenmerkt door ruzies, bedreigingen en mishandelingen. Op enig moment raakt [slachtoffer 3] zwanger van de verdachte. De zwangerschap eindigt in een abortus. De verdachte neemt dat [slachtoffer 3] niet in dank af; hij noemt haar een moordenares.

Nadat de relatie is beëindigd, stuurt de verdachte [slachtoffer 3] eind 2006 een e-mailbericht waarin hij dreigt haar iets aan te zullen doen. [slachtoffer 3] doet aangifte van bedreiging. Naar aanleiding daarvan voert de verdachte in het kader een transactie een taakstraf uit.

De verdachte houdt [slachtoffer 3] verantwoordelijk voor het feit dat hij een strafblad heeft. Als gevolg van de aangifte zit de verdachte vanaf 2006 "helemaal vast"; zo kan hij niet in de beveiliging gaan werken en geen lid worden van een schietvereniging. De verdachte is heel boos.

In februari 2007 kijkt de verdachte naar het profiel van [slachtoffer 3] op internet. Wat hij daar ziet, voedt zijn boosheid: [slachtoffer 3] heeft foto's waarop zij half naakt te zien is op internet gezet. Bovendien heeft zij volgens hem om de maand een andere vriend. De verdachte beschouwt [slachtoffer 3] nog steeds als zijn echtgenote en moeder van zijn ongeboren kind. Hij voelt, zich dan ook door haar vernederd. Aan de hand van foto's op internet gaat de verdachte op zoek naar de woning van [slachtoffer 3] in Amsterdam.

Vermoedelijk in het najaar van 2010 koopt de verdachte in Duitsland een vuurwapen, kaliber 7.65 mm, met bijbehorende munitie en geluiddemper. De verdachte test zijn vuurwapen op een bank in de kantoorruimte van de garage die zijn vader met ingang van 1 april 2011 voor hem heeft gehuurd. Daarbij lost hij drie schoten.

Op instigatie van [slachtoffer 3] wordt het contact tussen haar en de verdachte in februari 2011 hervat. De verdachte accepteert het hernieuwde contact met [slachtoffer 3] om wraak op haar te kunnen nemen. De gedachte om [slachtoffer 3] te vermoorden is volgens [betrokkene 1] sinds het beëindigen van de relatie bij hem geweest.

Na elkaar wekenlang over en weer sms-berichten te hebben verzonden en telefonisch contact te hebben gehad, maken zij een afspraak. Op 21 april 2011 ontmoeten zij elkaar in Amsterdam. Tijdens die ontmoeting vertelt [slachtoffer 3] aan de verdachte dat zij het e-mailbericht waarin de verdachte haar heeft bedreigd, heeft bewaard om hem te kunnen terugpakken.

Op 12 mei 2011 hebben zij weer een afspraak. De verdachte haalt [slachtoffer 3] op in IJmuiden. Hij neemt haar mee naar zijn woning in Helmond. In de woning ligt het vuurwapen op een stoel die onder de eettafel is geschoven. Het vuurwapen is geladen en voorzien van een geluiddemper. Op het moment dat [slachtoffer 3] de woonkamer uitloopt, richt de verdachte zijn wapen op haar en schiet. [slachtoffer 3] wordt twee keer door haar hoofd, een keer in haar hoofd en een keer in haar rug geraakt. [slachtoffer 3] komt hierdoor te overlijden.

Uit het later opgemaakte sectierapport blijkt dat alle schoten potentieel dodelijk zijn.

Na het schietincident vertelt de verdachte aan zijn vriend [medeverdachte] dat hij [slachtoffer 3] heeft neergeschoten en dat hij zeker weet dat zij dood is. Hij heeft haar met een paar kogels in haar hoofd doodgeschoten. Aan zijn oom [betrokkene 1] vertelt de verdachte dat hij [slachtoffer 3] heeft meegenomen naar Helmond met het doel haar te vermoorden. Ook legt de verdachte aan zijn oom uit hoe hij [slachtoffer 3] om het leven heeft, gebracht en wat er voorafgaand daaraan in hem omging.

In zijn 'afscheidsbrief' schrijft de verdachte dat hij [slachtoffer 3] naar zijn huis heeft gelokt om wraak te kunnen nemen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden concludeert het hof dat de verdachte vanaf het moment dat de relatie met [slachtoffer 3] in 2006 eindigde, heeft overwogen [slachtoffer 3] van het leven beroven. Die gedachte is gaandeweg zo concreet geworden, dat de verdachte in april 2011 heeft besloten haar daadwerkelijk van het leven te beroven, waarna hij dit besluit op 12 mei 2011 heeft uitgevoerd.

Gezien het tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan heeft de verdachte zich gedurende geruime tijd kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Hij heeft de gelegenheid gehad om erover na te denken en zich rekenschap gegeven van de gevolgen, zoals blijkt uit de door hem geschreven brief; de verdachte heeft zijn voornemen vervolgens uitgevoerd.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zoals de .verdediging heeft betoogd. Uit voornoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte goed voorbereid, weloverwogen en doelgericht heeft gehandeld.

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat - vanwege de bevindingen van de gedragsdeskundigen als verwoord in de rapportages - zwaarder gewicht moet worden toegekend aan de contra-indicaties.

Het hof verwerpt dit verweer, nu van 'bevindingen' door deskundigen in de hier bedoelde zin geen sprake is. De deskundigen hebben hun conclusies hieromtrent voor een belangrijk deel gebaseerd op hetgeen de verdachte hen heeft verteld. Nu het hof, blijkens bovenstaande geen geloof hecht aan de naderhand (dus na augustus 2011) afgelegde verklaringen van de verdachte omtrent de toedracht van de gebeurtenissen in Helmond, kan uit deze 'bevindingen' niet blijken van contra-indicaties.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn. Het hof zal de verklaringen van [betrokkene 2] niet voor het bewijs bezigen.

Om die reden behoeft het verweer geen verdere bespreking."

5.3.

Van belang voor de beoordeling van het middel is ook nog de inhoud van een aantal gebezigde bewijsmiddelen. Ik geef de inhoud van de bewijsmiddelen weer voor zover die relevant is:

"2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.17 augustus 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL180.0 2011044429-297 (blz.367 tot en met 375 van dossier Galjoen, Zaak 00, deel 2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 17 augustus 2011 te 10:00 uur afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

(...)

Op 16 februari 2011 heeft een vriendin mij benaderd en zei dat [slachtoffer 3] weer contact, met mij wilde hebben. Twee dagen erna werd ik gebeld door [slachtoffer 3] . Ze wilde afspreken om te praten. Hierna hebben we een week lang sms contact gehad. We hebben na ongeveer twee weken afgesproken en ik ben naar Amsterdam gegaan. Daarna hadden we weer sms en telefoon contact. Ik heb voor de tweede keer afgesproken met [slachtoffer 3] . Ik heb haar in IJmuiden opgehaald en we zijn naar Helmond gereden. We zijn toen mijn woning ingegaan en ik heb haar toen doodgeschoten. Dat was op 12 mei 2011. Ik had dit besluit al genomen de eerste keer toen we weer contact hadden.

(...)

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1800 2011044429-181 (blz. 767 van dossier Galjoen, Zaak 01). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 20 mei 2011 werd de woning aan de [a-straat 1] te 's-Hertogenbosch doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werden diverse goederen in beslag genomen. Ik zag dat goed met nummer A.2.7 een bruin Iedere herenportemonnee betrof. Ik zag dat in deze portemonnee een handgeschreven brief met daarop een tekst in de Nederlandse taal ondertekend met de naam [verdachte] zat.

4. Een geschrift, zijnde een handgeschreven brief van de verdachte (blz. 768 van dossier Galjoen, zaak 01), voor.zover inhoudende:

Voor Politie: [slachtoffer 3] had mijn leven kapot gemaakt. Zij nam contact met mij op, ik accepteerde het om wraak te kunnen nemen. Ik lokte haar naar mijn huis om formulieren in te vullen en nam mijn wraak. Zwijndrecht was ook voor mijn eer. Het wapen had ik uit Duitsland.

[verdachte]

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.17 augustus 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1800 2011044429-299 (blz. 376 tot en met 380 van dossier Galjoen, Zaak 00, deel 2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 17 augustus 2011 te 14:29 uur afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

Op 13 mei 2011 heb ik [betrokkene 1] verteld dat ik [slachtoffer 3] had gedood. Nadat het met [slachtoffer 3] gebeurd was, ben ik naar [medeverdachte] gegaan.

Ik heb op 16 mei 2011, nadat ik in Zwijndrecht ben geweest, de brief geschreven. Ik schreef de waarheid, ik.heb het gedaan, dit is mijn reden. Het ging me meer om [slachtoffer 3] , dat was mijn doel.

(...)

15. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.4 augustus 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1800 2011044429-292 (blz. 483 tot en met 492 van dossier Galjoen, Zaak 00, deel 2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 4 augustus 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van Zaoer [betrokkene 1]:

[verdachte] had een vriendin genaamd [slachtoffer 3] . (...) Na hun 'scheiding' had [verdachte] haar achtervolgd en gezocht. Hij was het meisje aan het opsporen via de computer. (...) Hij had haar ook geobserveerd. Door gesprekken op de computer waarin zij aangaf waar ze heenging kon hij haar gangen nagaan. Zo wist hij waar ze kwam en bijvoorbeeld ook uitging. Ik heb hem gevraagd waarom hij haar had vermoord. Hij vertelde mij dat zij de relatie in het verleden had verbroken en dat hij via de computer een brief had gestuurd dat hij haar zou vermoorden. Hij heeft daar een taakstraf voor gehad. Hij zei dat hij er nooit definitief van af had gezien om haar te vermoorden. De gedachte is sinds het verbreken van de relatie al bij hem geweest. Hij zei tegen mij dat hij haar had vermoord. De tas waar het vuurwapen in zat, heeft [verdachte] op de zolder gezet. [verdachte] heeft mij dit vuurwapen laten zien. Hij heeft mij ook nog een geluiddemper laten zien wat bij het wapen hoorde. Ik heb hem toen gevraagd waarom hij dat vuurwapen had en hij antwoordde daarop, dat hij de vuiligheid die hem was aangedaan zou vermoorden.

De tweede keer is de dag geweest dat hij haar had vermoord. Toen heeft zij hem om die bankrekening gevraagd. [verdachte] heeft tegen haar gezegd dat als ze mee zou gaan naar Helmond dat ze daar dan wat formulieren in kon vullen. [verdachte] heeft [slachtoffer 3] meegenomen naar Helmond. Het was zijn doel om haar te vermoorden. Hij had haar in de woning in Helmond een aantal formulieren overhandigd en terwijl zij bezig was met het invullen van de formulieren was hij met zijn ogen gericht op haar hoofd. Op dat moment dacht hij: "zo dadelijk wordt dit hoofd doorboord". Op het moment dat het meisje de woning wilde verlaten had [verdachte] vanuit de woonkamer het meisje voor hem uit laten lopen. Daarna heeft hij haar van achter in haar hoofd geschoten en viel ze neer. Daarna heeft hij geschoten op haar rug toen zij op de grond lag. Hij zag op dat moment dat ze nog niet dood was en toen heeft [verdachte] haar nog een keer in haar hoofd geschoten. [verdachte] vertelde mij dat [slachtoffer 3] was vervuild omdat ze na het verbreken van de relatie meerdere jongens had gehad."

5.4.

Uitgangspunt voor de vraag of het tenlastegelegde is te bewijzen, is – zoals ook de steller van het middel erkent – dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Het tweede lid van artikel 359 Sv maakt een uitzondering op dit uitgangspunt. Als de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel zal de rechter die van dat standpunt afwijkt in het vonnis in het bijzonder de redenen op moeten geven die daartoe hebben geleid.14 Deze bijzondere redenen kunnen in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst.

5.5.

Zoals bekend stelt de Hoge Raad laatste jaren bepaaldelijk eisen aan de bewezenverklaring van de voorbedachte raad vanwege het strafverzwarende gevolg dat zo een bewezenverklaring met zich brengt. Ik citeer:

"2.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156)." 15

5.6.

Dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling de voorbedachte raad nog niet is af te leiden betekent niet dat omgekeerd er geen voorbedachte raad kan zijn wanneer verdachte wel in een hevige gemoedsopwelling heeft gehandeld. Ik denk daarbij aan de gevallen waarin het besluit om de ander van het leven te beroven na wikken en wegen is genomen en de verdachte zich de algemene bereidheid heeft eigengemaakt om toe te slaan wanneer het moment daar is, en bijvoorbeeld maatregelen heeft genomen om ook wanneer dat moment onverwachts komt in staat te zijn dat besluit daadwerkelijk uit te voeren - bijvoorbeeld door steeds een daartoe bestemd wapen te dragen - en dan, wanneer dat moment zich aandient, overgaat tot uitvoering van het eerder genomen besluit, en daarbij ten prooi is aan hevige emotie. Uiteindelijk gaat het er in zo een geval om dat de hevige emotie van het moment niet de enige kracht is die verdachte drijft tot zijn daad maar slechts een begeleidende omstandigheid van de uitvoering van een eerder genomen besluit.

5.7.

In de pleitnota van hoger beroep is een ander scenario geconstrueerd, waarin verdachte in een impuls het slachtoffer zou hebben doodgeschoten.

Onder meer wordt gewezen op het gebrek aan planning bij verdachte en de amateuristische wijze waarop verdachte te werk is gegaan nadat hij [slachtoffer 3] had doodgeschoten. De verklaringen die verdachte heeft afgelegd en die zouden kunnen wijzen op voorbedachte raad berusten op grootspraak, net zoals de handgeschreven brief onwaarheden bevat. Ook de verklaringen van [betrokkene 1] zouden onbetrouwbaar zijn.

5.8.

Het hof is in zijn arrest op al deze punten gegaan en heeft de uitleg van de verdediging verworpen.

Het hof heeft aangenomen dat de verklaringen van verdachte, inhoudende dat hij besloten had om [slachtoffer 3] dood te schieten en naderhand dat besluit ook heeft uitgevoerd, voor het bewijs kunnen worden gebruikt, evenals de handgeschreven brief en de verklaring van [betrokkene 1] . Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof het bewijs voor voorbedachte raad kunnen putten. Deze door het hof voldoende betrouwbaar geachte bewijsmiddelen houden de bijzondere redenen in waarom het hof het standpunt van de verdediging niet is bijgetreden.

Het middel faalt.

6.1.

Het vijfde middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste uitleg van de voorbedachte raad. Dat het hof voorbedachte raad heeft aangenomen is voorts onbegrijpelijk omdat de bewijsmiddelen het bewijs van voorbedachte raad niet kunnen dragen. Het zesde middel bevat vergelijkbare klachten over het bewijs van voorbedachte raad in feit 2. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik verwijs naar hetgeen ik bij mijn bespreking van het vierde middel schreef over de autonomie van de feitenrechter bij de keuze en waardering van het bewijsmateriaal en over de nieuwste rechtspraak van de Hoge Raad over de voorbedachte raad.

6.2.

In zijn arrest heeft het hof de volgende overwegingen aan het bewijs van de voorbedachte raad in feit 1 en 2 gewijd:

"Feiten 1 en 2: incident in Zwijndrecht op 16 mei 2011

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ter onderbouwing van het betoog heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte omtrent de voorbedachte raad onbetrouwbaar zijn en mitsdien van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het resterende bewijs is volgens de verdediging onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van de voorbedachte raad.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat geen sprake was van voorbedachte raad, omdat de tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering kort was. De besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotseling hevige drift die onafgebroken is geweest. Enige gelegenheid tot beraad is eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaan, aldus de verdediging. Voor wat betreft de nadere onderbouwing verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent op bladzijden 54 tot en met 66 van de pleitnota is verwoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft reeds overwogen dat het de op 17 augustus 2011 afgelegde verklaringen van de verdachte - voor zover die zien op de voorbedachte raad - betrouwbaar acht en mitsdien voor het bewijs zal bezigen.

Teneinde te kunnen beoordelen of de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, stelt het hof op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ten aanzien van het incident in Zwijndrecht het volgende vast.

Eind 2007, begin 2008 krijgt de verdachte een relatie met [slachtoffer 1] . Ook deze relatie wordt gekenmerkt door bedreigingen en mishandelingen; [slachtoffer 1] wordt door de verdachte geïntimideerd, gemanipuleerd en geslagen. Eind 2008 verbreekt [slachtoffer 1] het contact. Uit angst voor de verdachte verandert [slachtoffer 1] van school.

De verdachte probeert het contact met [slachtoffer 1] te herstellen. Op 22 november 2008 rijdt hij naar de woning van [slachtoffer 1] . De politie houdt hem staande en sommeert hem om weg te gaan. De verdachte voelt zich daardoor vernederd. Vervolgens probeert de verdachte telefonisch contact met [slachtoffer 1] te krijgen. Omdat dat niet lukt, gaat hij naar de winkel waar [slachtoffer 1] werkt. [slachtoffer 1] wil hem echter niet zien en de verdachte wordt weggestuurd. De verdachte besluit samen met een oudere vrouw, die hij zijn oma noemt, naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan om met haar vader te praten. Hij neemt een bos bloemen mee. De vader van [slachtoffer 1] laat de verdachte echter niet binnen en geeft hem te verstaan dat hij weg moet gaan. Ook dat ervaart de- verdachte als een vernedering.

Tijdens zijn eerste verhoor op 17 augustus 2011 verklaart de verdachte:

"(...) Ik had op 12 mei 2011 een fout hersteld in Helmond en ben daarna naar Zwijndrecht gegaan om te gaan voor [slachtoffer 1] . Ik ging alleen voor [slachtoffer 1] , niet voor de rest van de familie. (...) Het ging mij om [slachtoffer 1] , zij was de reden dat alles mis ging".

Op 16 mei 2011 gaat de verdachte naar Zwijndrecht. Hij neemt het vuurwapen waarmee hij enkele dagen daarvoor [slachtoffer 3] heeft doodgeschoten mee. De verdachte heeft het vuurwapen na het incident op 12 mei 2011 in Helmond herladen. Het vuurwapen is van een geluiddemper voorzien.

Om 06.00 uur zit de verdachte in zijn auto in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] te wachten. [slachtoffer 1] komt echter niet naar buiten. Omstreeks 10.00 uur ziet de verdachte, een auto van een rijschool voor de woning van [slachtoffer 1] stoppen. Uit de auto stapt een vrouw die volgens de verdachte erg op [slachtoffer 1] lijkt. De vrouw loopt naar de portiek en gaat de flatwoning binnen. De verdachte besluit om de auto uit te stappen. Hij neemt het vuurwapen mee. Hij loopt naar de portiek en belt aan. Een stem vraagt hem via de intercom wie hij is. De verdachte meent de stem van [slachtoffer 1] te herkennen. Hij antwoordt dat hij van de rijschool is en dat zij haar pasje is vergeten. Hij zegt niet wie hij werkelijk is, omdat hij weet dat dan de deur niet zal worden opengedaan. De vrouw doet de deur open en de verdachte schiet. Daarbij raakt hij de vrouw in haar hoofd. De vrouw valt op de grond. De verdachte ziet dat de vrouw niet [slachtoffer 1] , maar haar zus [slachtoffer 2] is. Daarop besluit de verdachte de woning binnen te gaan. De verdachte loopt de trap op die naar de woning leidt. De voordeur van de woning staat open. De verdachte gaat naar binnen. In de woonkamer ziet de verdachte [slachtoffer 1] bij het raam staan. Zij kijken elkaar ongeveer vijf seconden aan. De verdachte richt zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] en schiet haar dood. [slachtoffer 1] wordt in haar hoofd en borst geraakt.

De moeder van [slachtoffer 1] komt op het tumult af; ook zij wordt doodgeschoten. De vader van [slachtoffer 1] zit op dat moment op de wc. Hij komt van de wc af en ziet de verdachte voor zich staan. Hij ziet dat de verdachte een wapen in zijn handen heeft. De verdachte richt het wapen op de vader van [slachtoffer 1] en schiet hem in zijn buik. Vervolgens richt de verdachte het wapen omhoog en schiet op het hoofd van de vader van [slachtoffer 1] , waarna laatstgenoemde op de grond valt. De verdachte draait zich om en loopt weg.

De vader van [slachtoffer 1] komt overeind en loopt naar de deur. Hij ziet de verdachte bij de buitendeur op zijn hurken zitten. De verdachte is rustig bezig om zijn vuurwapen te herladen.

Op 20 mei 2011, de dag waarop de verdachte is aangehouden, wordt het geladen vuurwapen op de zolder van de woning van [betrokkene 1] aangetroffen.

Op grond van hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld, is het hof van oordeel dat het schieten op [slachtoffer 1] het gevolg is geweest van een tevoren door de verdachte genomen besluit. Gezien het tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan heeft de verdachte kunnen nadenken over, en zich rekenschap kunnen geven van, de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van [slachtoffer 2] met voorbedachten rade heeft gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen, had de verdachte het besluit genomen om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Aan het aannemen van voorbedachte raad staat niet in de weg dat er een vergissing heeft plaatsgevonden ten aanzien van de persoon van het slachtoffer: een zogenaamde "error in persona". Onder deze omstandigheden kan ook ten aanzien van [slachtoffer 2] worden gesproken van het handelen met een vooropgezet plan; de verdachte was immers vast van plan een persoon te doden.

Dat de besluitvorming en uitvoering in plotseling hevige drift heeft plaatsgevonden, zoals de verdediging subsidiair heeft betoogd, acht het hof gelet op hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt daarom verworpen."

6.3.

In deze overwegingen heeft het hof de inhoud van de bewijsmiddelen 1, 2, 6, 32 samengevat. Ik wijs voorts nog op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"4. Een geschrift, zijnde een handgeschreven brief van de verdachte (blz. 768 van dossier Galjoen, zaak 01), voor.zover inhoudende :

Voor Politie: [slachtoffer 3] had mijn leven kapot gemaakt. Zij nam contact met mij op, ik accepteerde het om wraak te kunnen nemen. Ik lokte haar naar mijn huis om formulieren in te vullen en nam mijn wraak. Zwijndrecht was ook voor mijn eer. Het wapen had ik uit Duitsland.

[verdachte]

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.17 augustus 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1800 2011044429-299 (blz. 376 tot en met 380 van dossier Galjoen, Zaak 00, deel 2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 17 augustus 2011 te 14:29 uur afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

(...)

Ik heb op 16 mei 2011, nadat ik in Zwijndrecht ben geweest, de brief geschreven. Ik schreef de waarheid, ik.heb het gedaan, dit is mijn reden.

32. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 mei 2011 van Politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1850 2011044429-50 (blz. 881 tot en met 889 van dossier Galjoen, Zaak 01). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 17 mei 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [betrokkene 3] :

Mijn jongste dochter [slachtoffer 1] heeft kennis gemaakt met [verdachte] , hij woont in de buurt van Den Bosch. Nadat hij haar de tweede keer had geslagen, begon hij haar te intimideren. [verdachte] heeft telefonisch tegen mijn dochter gezegd: "Jij mag niet leven, eten en drinken". Hij manipuleerde mijn dochter.

(...)

Zij was iedere nacht bang. [verdachte] had haar heel erg geïntimideerd. Zij besloot het uit te maken met die jongen.

(...)

Hij is ook een keer heel dicht bij ons huis gestopt om ons te intimideren en terroriseren. Toen hebben we de politie gebeld en die zijn gekomen. Zij hebben hem gesproken. Hij zou niet meer komen. Daarvoor, voor dit alles, heeft hij al een keer tegen mijn dochter gezegd dat als mijn dochter zich niet met hem zou verzoenen dat hij dan de hele familie af zou maken."

6.4.

Het hof heeft het verweer dat de verklaringen van verdachte onbetrouwbaar zijn, verworpen. Daarvan uitgaande heeft het hof de verklaring die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd, en die het hof als bewijsmiddel 2 heeft opgenomen, relevant geacht voor het bewijs van de feiten 1 en 2. Uit de verklaring van verdachte dat hij op 12 mei 2011 in Helmond een fout heeft hersteld en daarna naar Zwijndrecht is gegaan om voor [slachtoffer 1] , die de reden was dat alles misging, te gaan, heeft het hof opgemaakt dat verdachte de zaak in Helmond op één lijn stelde met zijn optreden in Zwijndrecht. Het hof heeft dus aangenomen dat verdachte ook op [slachtoffer 1] wraak wilde nemen, zoals hij enige dagen eerder ook had gedaan op [slachtoffer 3] , omdat ook [slachtoffer 1] hem in zijn eer had aangetast. Dat blijkt uit de handgeschreven brief waarvan de inhoud naar eigen zeggen van verdachte op waarheid berustte. Hij had al een keer tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij haar hele familie zou afmaken als zij zich niet met hem wilde verzoenen. Hij nam zijn doorgeladen vuurwapen mee naar Zwijndrecht en wilde de vrouw, van wie hij dacht dat het [slachtoffer 1] was, iets aandoen. Het besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven had hij dus al genomen toen hij in de auto stapte om naar Zwijndrecht te gaan. Toen hij de vrouw die uit de lesauto was gestapt en naar binnen was gegaan, met een smoes zover had gekregen de deur open te maken, dacht hij te doen te hebben met [slachtoffer 1] en heeft hij haar doodgeschoten. Vervolgens, nadat hij had gezien dat hij niet [slachtoffer 1] maar haar zus had doodgeschoten, liep hij door naar de woning van [slachtoffer 1] en schoot ook haar dood. Het besluit om [slachtoffer 1] dood te schieten is dus volgens het hof ruim voordat verdachte in Zwijndrecht arriveerde, al genomen. Verdachte gings zelfs naar Zwijndrecht met dat doel. Vervolgens schoot verdachte ook nog de moeder dood en probeerde hij de vader van [slachtoffer 1] dood te schieten. De vader ziet nog dat verdachte bij de buitendeur rustig bezig is om zijn vuurwapen te herladen.

6.5.

Het hof heeft kunnen aannemen dat de verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een geruime tijd tevoren genomen besluit. Hij is op dezelfde manier te werk gegaan als ten aanzien van [slachtoffer 3] , voortgedreven door dezelfde drijfveer, wraakzucht voor de vernederingen die hem zouden zijn aangedaan. Hij is met zijn doorgeladen vuurwapen vertrokken naar Zwijndrecht en heeft gepost bij de woning van [slachtoffer 1] . In bewijsmiddel 2 verklaart verdachte dat hij daar 's morgens om 6:00 aanwezig was. Hij heeft daar uren zitten wachten. De zus van [slachtoffer 1] kwam immers eerst tegen 10:00 's morgens weer terug van rijles.

Verdachte heeft, toen hij schoot op de vrouw die de deur van de flat had geopend, zeker niet welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een ander dan [slachtoffer 1] zou doodschieten. Hij dacht immers dat hij met [slachtoffer 1] te maken had, en zijn opzet om [slachtoffer 1] te doden was volgens het hof al lang tevoren gevormd. De bewezenverklaring van feit 1 moet aldus worden begrepen dat hij opzettelijk en met voorbedachte raad een vrouw, die bleek te zijn [slachtoffer 1] (etc.) van het leven heeft beroofd.16 Zo uitgelegd wordt het bezwaar van de steller van het cassatiemiddel, dat verdachte niet ook heeft besloten de zus van [slachtoffer 1] van het leven te beroven, ondervangen. Verdachte heeft in het portiek gedacht zijn tevoren genomen besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven uit te voeren toen hij op de vrouw schoot. De overwegingen van het hof, erop neerkomende dat verdachte ook met voorbedachte raad de zus van [slachtoffer 1] ter uitvoering van een geruime tijd tevoren genomen besluit, van het leven heeft beroofd geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte zou hebben gehandeld in een hevige plotselinge emotie heeft het hof toereikend gemotiveerd terzijde gelegd door te overwegen dat verdachte al eerder, voordat hij tot uitvoering over ging, het plan had opgevat om ook [slachtoffer 1] van het leven te beroven en in zijn eigen voorstelling in het portiek ook aan dat plan uitvoering heeft gegeven.

Gelet op het bovenstaande geldt hetzelfde voor het doodschieten van [slachtoffer 1] , om wie het verdachte te doen was.

Beide middelen falen.

7.1.

Het zevende middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om een deskundige in te schakelen ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd. In de pleitnota van hoger beroep heeft de advocaat van verdachte argumenten aangedragen ter onderbouwing van de stelling dat deze verklaringen niet betrouwbaar zijn. De motivering van de afwijzing van dit verzoek schiet volgens de steller van het middel tekort.

7.2.

Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

"De betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat de op 17 augustus 2011 afgelegde verklaringen van de verdachte, voor zover die betrekking hebben op de voorbedachte raad, onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. In dat verband heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

A. de verklaringen zijn afgelegd zonder dat de verdachte daaraan voorafgaand gebruik heeft gemaakt van zijn consultatierecht en zonder bijstand van een raadsman tijdens het verhoor;

B. de verklaringen van de verdachte betreffen grootspraak en zijn ingegeven door zijn innerlijke drang zich anders voor te willen doen dan hij is;

C. de verklaringen zijn afgelegd nadat de verdachte twee maanden in een isoleercel had gezeten. De effecten daarvan, in combinatie met slaapstoornissen waarmee de verdachte te kampen had, doen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen;

D. de verdachte heeft zijn verklaringen aan de hand van het dossier gereconstrueerd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad A:

Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat de verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor op 21 mei 2011 gebruik heeft gemaakt van zijn consultatierecht. De daarop volgende verhoren op 22 mei 2011, 24 mei 2011, 27 mei 2011 en 8 juni 2011 zijn telkens bijgewoond door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte mr. T. Sandrk. Tijdens die verhoren heeft de verdachte zich ten aanzien van de feiten op zijn zwijgrecht beroepen. In verband met de omstandigheid dat mr. Sandrk op vakantie was, is de verdachte op 15 augustus 2011 (de maandag voorafgaand aan het verhoor van 17 augustus 2011) door mr. Smit, kantoorgenoot van mr. Sandrk bezocht. Mr. Smit heeft de verdachte in kennis gesteld van het voornemen van de politie om de verdachte op 17 augustus 2011 te horen. Voorafgaand aan het bewuste verhoor heeft de politie de verdachte medegedeeld dat mr. Smit in verband met verplichtingen elders niet in de gelegenheid is om het verhoor bij te wonen. De verdachte heeft vervolgens op eigen initiatief een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd.

Uit hetgeen hierboven is vastgesteld, leidt het hof af dat de verdachte op 15 augustus 2011, derhalve voorafgaande aan het verhoor op 17 augustus 2011, contact met mr. Smit heeft gehad. De omstandigheid dat mr. Smit niet bij het verhoor aanwezig kon zijn, is voor de verdachte kennelijk geen beletsel geweest om een verklaring af te leggen; hij heeft op eigen initiatief verklaard.

Ad B:

Uit het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 augustus 2011 leidt het hof af dat een artikel in de Volkskrant van 6 augustus 2011, waarin de verdachte werd afgeschilderd als 'loverboy', voor de verdachte aanleiding is geweest om zijn verklaringen af te leggen. Door te verklaren heeft de verdachte de leugens omtrent zijn persoon willen rechtzetten. Als hij het krantenartikel niet had gelezen, zou hij niet hebben verklaard, aldus de verdachte.

In dat licht acht het hof niet aannemelijk dat de verklaringen van de verdachte zijn ingegeven door grootspraak en de innerlijke drang zich anders te willen voordoen dan hij is. Veeleer heeft hij kennelijk willen nuanceren en corrigeren wat over hem in de media werd geschreven.

Het hof acht het overigens niet aannemelijk geworden dat door de politie op de verdachte druk is uitgeoefend. Aan de hand van de inhoud van de verhoren stelt het hof vast dat aan de verdachte open vragen zijn gesteld. Dat de verdachte bij de beantwoording van die vragen zelf bepaalde wat hij wilde verklaren, blijkt bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat hij heeft verklaard op bepaalde onderwerpen later terug te zullen komen.

Ad C:

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken het volgende vast.

Op 26 mei 2011 is de verdachte voor zijn eigen veiligheid onder cameratoezicht in een isoleercel geplaatst. Het daartoe strekkend besluit van de directeur van de Penitentiaire Inrichting "De Dordtse Poorten" is op 2 juni 2011, 14 juni 2011 en 28 juni 2011 verlengd. Op 4 juli 2011 is het besluit geschorst en is de verdachte teruggeplaatst naar een normaal regime.

De verdachte heeft aldus van 26 mei 2011 tot 4 juli 2011, een periode van ruim vijf weken, in een isoleercel gezeten. De verdachte is op 27 mei 2011 en 8 juni 2011 door de politie in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsvrouw gehoord. Uit de processen-verbaal van die .verhoren blijkt niet dat de verdachte te kampen had met effecten van isolatie, in combinatie met slaapstoornissen.

Het tijdsverloop tussen de datum waarop het besluit tot plaatsing in de isoleercel werd geschorst en de datum waarop de gewraakte verklaringen zijn afgelegd, bedraagt zes weken. In verband met het voorgenomen verhoor op 17 augustus 2011 heeft de verdachte op 15 augustus 2011 nog contact gehad met mr. Smit, kantoorgenoot van zijn toenmalige raadsvrouw. Laatstgenoemde heeft toen bij de politie geen melding gemaakt van het feit dat de verdachte als gevolg van de effecten van isolatie, in combinatie met slaapstoornissen, niet in staat was om een verklaring af te leggen.

Gelet op hetgeen hierboven is vastgesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen te kampen had met effecten van diens isolatie, in combinatie, met slaapstoornissen, die hem ertoe hebben gebracht in strijd met de waarheid te verklaren.

Ad D:

Het hof stelt vast dat de verklaringen van de verdachte, afgelegd op 17 augustus 2011 uitvoerig en gedetailleerd zijn en niet alleen aansluiten bij objectief bewijsmateriaal (daaruit zou hypothetisch, door iemand met een ijzersterk geheugen, nog wel een 'reconstructie' kunnen worden gemaakt) maar dat de verdachte ook de voorgeschiedenis van zijn relaties met de slachtoffers uitvoerig toelicht en vertelt over zijn motieven en bijvoorbeeld het tijdstip waarop hij het besluit nam om Fargat te doden (namelijk al bij de eerste ontmoeting in 2011). De stelling van de verdediging dat deze verklaringen op een 'reconstructie' zouden berusten is niet aannemelijk.

Nu het hof de door de raadsman onder A tot en met D aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk geworden acht, dient het verweer te worden verworpen.

Evenals de rechtbank acht het hof de op 17 augustus 2011 afgelegde verklaringen van de verdachte niet op voorhand integraal onbetrouwbaar en zal het hof delen van die verklaringen voor het bewijs bezigen.

Voorwaardelijk verzoek

Op 15 december 2014 heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het (doen) horen van een deskundige omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen die de verdachte op 17 augustus 2011 omtrent de voorbedachte raad heeft afgelegd.

Nu in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen begin van aannemelijkheid is gevonden dat meergenoemde verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar zijn, acht het hof het hof nader onderzoek door een deskundige niet noodzakelijk."

7.3.

Het middel stelt dat het oordeel van het hof dat er zelfs geen begin van aannemelijkheid is gevonden voor de stelling dat de betwiste verklaringen van verdachte onbetrouwbaar zijn, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd. Het deskundigenonderzoek waarom de verdediging verzocht had juist moeten dienen om het vermoeden dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn te bevestigen.

7.4.

Maar het hof heeft zelfs zo een vermoeden van onbetrouwbaarheid niet eens aangenomen. Het heeft ter onderbouwing van het ontbreken van zo'n vermoeden gewezen op de rechtsbijstand die verdachte heeft genoten, op de manier waarop het verhoor van 17 augustus 2011 is gevoerd en de verklaring die verdachte daar zelf heeft gegeven voor zijn beweegreden om te gaan verklaren, op het gegeven dat verdachte toen hij is gaan verklaren al anderhalve maand niet meer in isolatie zat en dat overigens nooit is geklaagd over de effecten die de isolatie zou hebben gehad op verdachte, en dat de verklaring van 17 augustus 2011 uitvoerig en gedetailleerd is en bevestiging vindt in andere bewijsmateriaal. Klaarblijkelijk doelt het hof hier op de door verdachte geschreven brief (bewijsmiddel 4), de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 15), de verklaring van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 16) en van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 17), en de verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 32). Uit dit samenstel van bewijsmiddelen blijkt hoe verdachte omging met zijn vriendinnen, hen intimideerde, mishandelde en met de dood bedreigde, dat hij, aldus [betrokkene 1] , al veel eerder het plan had opgevat om [slachtoffer 3] te vermoorden en daarvan nooit heeft afgezien, en ook eerder heeft gedreigd het hele gezin [van slachtoffer 1 en 2] te zullen afmaken.

7.5.

Over onderzoek naar de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen schrijft Dubelaar dat de rechtspsychologie de geloofwaardigheid van verklaringen van getuigen toetst aan consistentie, accuratesse en volledigheid.17 Hoewel er ongetwijfeld verschillen zijn tussen verklaringen van verdachten en van getuigen, gelet op de verschillende gevolgen die nu eenmaal verbonden zijn aan de positie van verdachte of getuige, aan de waarborgen waarmee verhoren zijn omgeven, aan de benadering door de politie, aan de psychologische en maatschappelijke gevolgen van het zijn van verdachte respectievelijk getuige, zullen deze drie dimensies ook bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van een verdachte kunnen worden betrokken.

De toets of beweringen ook daadwerkelijk accuraat zijn kan in de praktijk alleen maar plaatsvinden aan de hand van andere objectief vastgestelde feiten of algemeen gedeelde kennis.18 Het hof heeft, zoals ik zojuist schreef, de verklaring die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd vergeleken met andere verklaringen en daarin voldoende ondersteuning gevonden. Met betrekking tot de consistentie van de verklaring van verdachte moet worden bezien of verdachte zich in deze verklaring heeft tegengesproken.19 Maar de mate van consistentie van een verklaring zegt zeker niet alles over de waarheidsgetrouwheid ervan. Ook de volledigheid wat betreft details is een wankel criterium.20 In ieder geval heeft het hof zich gebogen over de wijze waarop de verklaring van 17 augustus 2011 tot stand is gekomen.21 Niet aannemelijk is dat die verklaring door verbalisanten aan verdachte in de mond is gelegd. De inhoud van de verklaring van verdachte wordt bovendien van verschillende kanten ondersteund.22 Tot slot blijkt uit verklaringen van getuigen dat verdachte zich gewelddadig en levensbedreigend jegens zijn doodgeschoten vriendinnen en zelfs hun familieleden heeft geuit en dat hij meende zijn gekrenkte eer alleen maar met geweld te kunnen wreken.23 De inhoud van de verklaring die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd sluit dus aan bij wat anderen over hem als persoon hebben verklaard.

7.6.

Het voorwaardelijk verzoek van de advocaat om door een deskundige een nader onderzoek te laten doen naar de betrouwbaarheid van de verklaring die verdachte op 17 augustus 2011 heeft afgelegd, is door het hof afgewezen aan de hand van het daarvoor toepasselijke criterium. De argumenten die de verdediging ten grondslag heeft gelegd aan dit verzoek komen erop neer dat de verdachte ten onrechte heeft verklaard dat hij tevoren al het plan had opgevat om de vrouwen van het leven te beroven omdat hij zich door hen vernederd voelde. Voor dit standpunt heeft de verdediging verschillende argumenten aangevoerd die door het hof een voor een zijn weerlegd. De motivering die het hof aan de afwijzing van het verzoek heeft gegeven en die is neergelegd in de overwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte is niet onbegrijpelijk. Het hof is ingegaan op alle argumenten van de verdediging en heeft daar zijn eigen feitelijke vaststellingen en afwegingen tegenovergesteld. Deze waardering van het bewijsmateriaal valt binnen de autonomie van de feitenrechter op dat gebied.

Het middel faalt.

8.1.

Het achtste middel klaagt over de verwerping door het hof van de kritiek op het inzetten van de zogenaamde "stille sms".

8.2.

De pleitnota van hoger beroep kent een aparte rubriek betreffende de stille sms. Volgens de verdediging zijn er veel meer stille sms-berichten verzonden dan aanvankelijk was verantwoord. Aanvankelijk was zelfs de inzet van de stille sms niet eens gerapporteerd. Aan de verdediging is informatie onthouden. Het inzetten van stiekeme opsporingsmethoden levert een bovengemiddeld risico op voor de integriteit van het vooronderzoek. Daardoor is de verdediging op achterstand gezet en is het recht op een eerlijk proces geschonden. In de onderhavige zaak was de situatie volgens de advocaat anders dan in HR 1 juli 2014, ECLI:2014:1569. Door de gebrekkige verbalisering is in de onderhavige zaak onvoldoende duidelijkheid over de inzet van dit stiekeme opsporingsmiddel verschaft. Voorts is niet duidelijk of de officier van justitie toestemming heeft gegeven. Tot slot is geen stelselmatige observatie ingezet voordat het opsporingsmiddel van de stille sms werd ingezet. Ik citeer nu een stuk uit de pleitnota van hoger beroep:24

"De verdediging stelt niet dat hieraan enige consequentie verbonden zouden moeten worden voor feit 1, 2 of 5, de levensdelicten. De aanhouding met betrekking tot deze feiten ten aanzien van cliënt had mogelijk anders toch plaatsgevonden en cliënt was al als verdachte in beeld. Dit is echter anders voor feit 6. De locatie van het wapen was geenszins bekend. Uit het opsporingsonderzoek voor de aanhouding is niet gebleken dat er al enig aanknopingspunt was waar dit wapen zich zou kunnen bevinden. De vondst van het wapen is derhalve een direct gevolg van de inzet van deze opsporingsmethode nu daarmee de precieze locatie van cliënt is vastgesteld en zo tot de onrechtmatige aanhouding en doorzoeking kon worden overgegaan waarbij de afscheidsbrief is gevonden. De inbeslaggenomen goederen, waaronder het wapen en de afscheidsbrief, zijn rechtstreeks afkomstig van de 'poisonous tree'. "

Het gaat in deze zaak, aldus de pleitnota, om een schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift en dat in aanzienlijke mate. Artikel 6 EVRM is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift. Dat voorschrift is in aanzienlijke mate geschonden omdat verdachte nog niet weet hoe men hem heeft kunnen aanhouden. Al het materiaal dat is inbeslaggenomen kan daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.

8.3.

Het hof heeft in zijn arrest het verweer aldus weergegeven en verworpen:

"Rechtmatigheid van de aanhouding

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van het onder 6 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, althans dat diens straf moet worden verminderd. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

In de onderhavige zaak zijn als opsporingsmiddel zogenoemde stille sms-berichten (ook wel bekend als stealth sms-berichten) ingezet. Uit het procesdossier blijkt echter niet of onvoldoende op welke wijze en in welke mate voornoemd opsporingsmiddel is ingezet. Hierdoor is in de visie van de verdediging niet voldaan aan het beginsel van "disclosure of evidence". Als gevolg hiervan kan de verdediging niet nagaan of de aanhouding van de verdachte rechtmatig is. Nu het er volgens de verdediging voor moet worden gehouden dat de inzet van stille sms-berichten tot het traceren van de verblijfplaats van de verdachte en diens aanhouding aldaar heeft geleid en omtrent de inzet van het bewuste opsporingsmiddel geen of onvoldoende duidelijkheid is verkregen, is de aanhouding van de verdachte onrechtmatig. Om die reden dient al het bewijsmateriaal, waaronder het vuurwapen met bijbehorende munitie en de afscheidsbrief van de verdachte, dat als gevolg van de aanhouding is verkregen, als onrechtmatig verkregen te worden beschouwd en mitsdien van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof stelt op grond van het procesdossier, alsmede het onderzoek ter terechtzitting, het volgende vast.

Op 16 mei 2011 te 10.25 uur is bij het landelijk alarmnummer 112 een melding van een schietpartij in een woning aan de [b-straat 1] te Zwijndrecht binnengekomen. Bij de schietpartij zijn drie vrouwen om het leven gekomen. Het vierde slachtoffer heeft de schietpartij overleefd., Het betreft [betrokkene 3] , de vader van twee van de om het leven gekomen vrouwen en tevens echtgenoot van het derde vrouwelijke slachtoffer. [betrokkene 3] heeft verklaard dat de schutter mogelijk de ex-vriend is van zijn jongste dochter [slachtoffer 1] . Volgens [betrokkene 3] zou die ex-vriend in de buurt van Den Bosch wonen en eerder bedreigingen hebben geuit. Uit onderzoek is gebleken dat de ex-vriend van [slachtoffer 1] de verdachte is. Op grond van het vorenstaande is jegens de verdachte de verdenking gerezen dat laatstgenoemde zich schuldig heeft gemaakt aan meervoudige moord c.q. doodslag, strafbaar gesteld in artikel 289 respectievelijk artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Om die reden is op 16 mei 2011 een bevel ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering op het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer 06- [001] afgegeven. Voorts is op die datum een bevel ex artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering afgegeven. Daarnaast is in het kader van het onderzoek gebruik gemaakt van stille sms-berichten.

Aan de hand van de inhoud van het op 16 september 2014 opgemaakte proces-verbaal omtrent de inzet van de stille sms-berichten stelt het hof vast dat op 17 mei 2011 te 19.50 uur en 19.52 uur alsmede op 18 mei 2011 te 09.24 uur en 09.25 uur stille sms-berichten naar het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer 06- [001] zijn verzonden om te checken of de getapte telefoonlijn intact was en/of er technische storingen waren. Gebleken is dat de telefoon van de verdachte op de genoemde tijdstippen was uitgeschakeld.

Op 18 mei 2011 heeft de telefoon met het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer, 06- [001] een zendmast in Den Bosch aangestraald. Voorts is uit de politiesystemen naar voren gekomen dat [betrokkene 1] een relatie van de verdachte is. [betrokkene 1] is ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Den Bosch.

Op 18 mei 2011 is op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 op het adres [a-straat 1] te Den Bosch een observatieteam ingezet om de verdachte te traceren en zo mogelijk te volgen. In het kader van de inzet van het observatieteam zijn op 18 mei 2011 tussen 10.20 uur en 11.20 uur om de tien minuten stille sms- berichten verzonden met als doel het traceren van de verdachte.

Het observatieteam heeft op 18 mei 2011 van 11.00 uur tot 17.00 uur de woning aan de [a-straat 1] te Den Bosch onder observatie genomen en heeft daarbij geen bijzonderheden waargenomen. Op 19 mei 2011 is de woning opnieuw geobserveerd. Op 20 mei 2011 is een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven. Op grond van dat bevel is van 09.30 uur tot 21.10 uur de woning aan meergenoemd adres onder observatie genomen.

In het kader van de inzet van een zogenoemde Imsi-catcher - voor welke inzet toestemming door de officier van justitie was verleend - zijn op 20 mei 2011 om 13.50 uur, 13.55 uur, 13.57 uur, 16.23 uur, 16.28 uur en 16.29 uur stille sms-berichten naar het telefoonnummer 06- [001] verzonden. Om 15.31 uur is een stil sms-bericht verzonden naar een ander telefoonnummer dat bij de verdachte in gebruik was, te weten het telefoonnummer 06- [002] . Voor dat telefoonnummer is op 20 mei 2011 een tapbevel afgegeven. De telefoon van de verdachte was op die tijdstippen telkens uitgeschakeld.

Op 20 mei 2011 om 19.50 uur heeft een van de bij de observatie betrokken opsporingsambtenaren de verdachte gezien en herkend. De verdachte stond op het balkon aan de achterzijde van de woning aan de [a-straat 1] . De verdachte is diezelfde dag om 21.04 uur buiten heterdaad aangehouden op grond van verdenking van overtreding van de artikelen 287/289 van het Wetboek van Strafrecht.

In verband met de omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan de inzet van de Imsi-catcher was aangehouden, is van de inzet daarvan afgezien.

Omtrent de inzet van het opsporingsmiddel stille sms- berichten is verantwoording afgelegd in twee - op verzoek van de verdediging opgemaakte - processen-verbaal d.d.16 september 2014 en 10 november 2014. Blijkens die processen-verbaal zijn in de periode van 17 mei 2011 tot en met 20 mei 2011 in totaal zeventien stille sms- berichten verzonden. In verband met de omstandigheid dat in die periode de telefoon van de verdachte veelal was uitgeschakeld zitten veel voicemailnotificaties in de tap. Het feit dat sommige serienummers meerdere malen zijn uitgewerkt betekent niet dat er meer dan zeventien stille sms-berichten zijn verzonden.

Gelet op de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof minutieus gerelateerd welke opsporingsmiddelen op welke wijze hebben geleid tot de ontdekking en aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging, inhoudende dat niet is voldaan aan het beginsel van "disclosure of evidence" en mitsdien niet kan worden nagaan of de aanhouding van de verdachte rechtmatig is, mist daarom feitelijke grondslag. Het verweer dient reeds daarom te worden verworpen.

Vervolgens rijst de vraag of door de inzet van stille sms-berichten zodanige inbreuk op de privacy van de verdachte is gemaakt dat die inzet onrechtmatig is.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1569) overwogen dat opsporingsambtenaren op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 (thans artikel 3 van de Politiewet 2012) alleen bevoegd zijn stille sms-berichten te gebruiken op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. In het bijzonder kan de toepassing van deze opsporingsmethode jegens de gebruiker van het telefoontoestel onrechtmatig zijn indien zij in verband met de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.

Gezien de beperkte duur, intensiteit en frequentie van toezending van de stille sms-berichten, was bedoeld opsporingsmiddel niet geschikt om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van (bepaalde aspecten van) het persoonlijk leven van de verdachte. De inzet van het bewuste opsporingsmiddel heeft aldus slechts beperkt inbreuk gemaakt op voornoemd grondrecht en is daardoor niet zeer risicovol geweest voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Ofschoon niet is gebleken dat de officier van justitie voor het gebruik van dit opsporingsmiddel toestemming heeft verleend, leidt zulks nog niet op voorhand tot de onrechtmatigheid ervan, mede nu ten tijde van het verzenden van de stille sms-berichten reeds uitvoering werd gegeven aan andere - wel bij wet voorziene en potentieel ingrijpender - opsporingsmiddelen waartoe de officier van justitie wel had bevolen.

Het hof concludeert mitsdien op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat de inzet van stille sms-berichten in de onderhavige zaak niet onrechtmatig was. Het verweer dient daarom te worden verworpen."

8.4.

De steller van het middel verwijt het hof dat het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers vastgesteld dat het opsporingsmiddel niet met toestemming van de officier van justitie is ingezet. Aldus was niet voldaan aan een belangrijke voorwaarde die de Hoge Raad stelde. Daarnaast was er sprake van een gebrekkige verslaglegging, met als risico dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte veel groter was dan uit de stukken kan blijken. Het opsporingsmiddel was onrechtmatig en het hof had moeten bepalen welke sanctie dit verzuim zou moeten hebben.

8.5.

Om beginnen moet mij van het hart dat ik de redenering van de verdediging niet zomaar kan onderschrijven. Als de politie de lichamen vindt van drie doodgeschoten vrouwen en als de politie uit de mond van een ook neergeschoten man een aanwijzing krijgt over de identiteit van de schutter, lijkt het mij niet ongerijmd om te veronderstellen dat het wapen dat de schutter heeft gebruikt en dat niet op de plaats delict is aangetroffen, weer door hem is meegenomen. Opsporing van dat wapen zal, naar ervaringsregels, kunnen geschieden door de gangen van de schutter te proberen te reconstrueren en na te gaan waar deze zich bevindt. De stelling die in hoger beroep is betrokken, dat de aanhouding van verdachte voor de levensdelicten niet wordt aangetast door het gebruik van de stille sms omdat verdachte toch al in beeld was en diens aanhouding voor deze feiten toch wel zou hebben plaatsgevonden, maar dat de daarbij aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen niet zouden mogen meewerken voor het bewijs, geeft blijk van een verkeerde, ja zelfs ongerijmde rechtsopvatting. Vatbaar voor inbeslagneming zijn immers volgens het eerste lid van artikel 94 Sv alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Als de verdachte mocht worden aangehouden voor de levensdelicten mochten ook de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag genomen worden. Reeds daarom gaat dit middel niet op.

8.6.

In HR 1 juli 2014, NJ 2015, 114 en 115 m.nt. Van Kempen overwoog de Hoge Raad dat het toezenden van stille sms-berichten niet in de wet is geregeld en dat daarom moet worden aangenomen dat opsporingsambtenaren op grond van artikel 3 Politiewet 2012 en de artikelen 141 en 142 Sv deze mogelijkheid alleen mogen inzetten op een wijze die een beperkte indruk maakt op een grondrecht van burgers en niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. De toepassing van deze opsporingsmethode kan onrechtmatig zijn als zij in verband met de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te krijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van betrokkene. Of deze opsporingsmethode geoorloofd is hangt af van de omstandigheden van het geval. In de zaak die de Hoge Raad in dit arrest onder ogen kreeg was het oordeel van het hof, dat aan deze voorwaarden was voldaan, niet onbegrijpelijk. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat het hof had vastgesteld dat slechts een beperkt beeld van de bewegingen van de gebruiker van de telefoon is verkregen, dat het opsporingsmiddel met toestemming van de officier van justitie was ingezet, dat uiteindelijk voldoende duidelijkheid over de inzet van de stille sms is verkregen en dat al uitvoering was gegeven aan bevelen tot stelselmatige observatie, tot het opnemen van communicatie en tot het verkrijgen van verkeersgegevens.

8.7.

In de genoemde arresten kiest de Hoge Raad voor een casuïstisch aanpak, hetgeen betekent dat de voorwaarden die in deze arresten zijn genoemd niet in beton gegoten zijn. Dat op grond van de verklaringen van [betrokkene 3] verdenking jegens verdachte van het gepleegd hebben van meervoudige levensberoving kon worden opgevat is mijns inziens in redelijkheid niet te betwijfelen. Verdachte zal ook wel de redelijke verwachting hebben gekoesterd dat na hetgeen hij in Zwijndrecht heeft aangericht, de politie op zoek naar hem zou gaan. Dat de politie daarbij bijzondere aandacht zou hebben voor verdachtes contacten en verblijfadressen was ook iets wat voor verdachte te verwachten was, evenals het feit dat de politie zou proberen hem te traceren. Reeds op 16 mei 2011, zo heeft het hof vastgesteld, zijn op de voet van artikel 126m en 126n Sv bevelen tot het opnemen van telefoongesprekken en tot het verschaffen van verkeersgegevens door de officier van justitie afgegeven. Om verdachte te traceren is gebruik gemaakt van stille sms. Maar omdat de telefoon van verdachte op 17 en 18 mei 2011 was uitgeschakeld was deze inzet vruchteloos. Eerst op 18 mei 2011 maakte verdachtes mobiele telefoon contact met een zendmast in 's-Hertogenbosch. Omdat daar volgens politie-informatie een contact van verdachte woonde is het adres van deze relatie geobserveerd. Op 20 mei 2011 is een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven. Op 20 mei 2011 heeft een verbalisant verdachte gezien op het balkon van de woning van de relatie. Vervolgens is verdachte aangehouden. Omdat verdachtes telefoon grotendeels was uitgeschakeld heeft de politie zeker geen min of meer volledig beeld van het privéleven van verdachte kunnen opbouwen, waarbij ik nog daarlaat dat van een normaal privéleven van iemand die op de vlucht is voor de politie moeilijk gesproken kan worden. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat 17 stille sms-berichten zijn verzonden en dat de administratie daarvan toereikend is. Van de inzet van dit opsporingsmiddel is minutieus verslag gedaan. De officier van justitie was, zo heeft het hof vastgesteld, al betrokken bij de zaak en had al bevelen voor de inzet van bijzondere opsporingsmethoden gegeven. Omdat de Hoge Raad de inzet van de stille sms-berichten gevalsgewijs benadert kan niet zonder meer worden gezegd dat het ontbreken van expliciete toestemming voor het inzetten van stille sms-berichten de daarop volgende locatiebepaling en aanhouding onrechtmatig maakt.

Het oordeel van het hof dat het inzet van de stille sms-berichten niet onrechtmatig was geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zeker niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

9.1.

Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om een psychofarmacoloog te horen. Het derde middel klaagt over het oordeel van het hof dat er geen feitelijke grondslag is voor het door de verdediging gestelde alcohol- en cocaïnegebruik door verdachte ten tijde van de levensdelicten. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

9.2.

Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

"Het gestelde drugs- en alcoholgebruik

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte ten tijde van het doodschieten van zijn slachtoffers zodanig onder invloed verkeerde van cocaïne - en mogelijk ook alcohol - in combinatie met slaapgebrek, dat zijn daden hem niet, in elk geval niet volledig vallen toe te rekenen, dan wel dat hij, door de intoxicatie die plaats vond, in een opwelling handelde en dus niet met het oogmerk te doden.

Het hof verwerpt deze stelling. Uit het dossier blijkt niet van feiten of omstandigheden die wijzen op drank- of cocaïnemisbruik. In zijn woning zijn wat bierflesjes gevonden, maar geen (volle of lege) flessen met sterke drank. In de auto is niets aangetroffen van dien aard, ofschoon daar volgens de verdachte een fles sterke drank door hem zou zijn achtergelaten. Relevant is ook, dat de gedragingen van de verdachte voorafgaand aan 12 mei 2011 rationeel zijn te noemen en wijzen op gecontroleerd gedrag. Hij kon autorijden, hij kon telefoneren, hij kon afspraken maken en met derden communiceren en hij kon gericht schieten (alle schoten op [slachtoffer 3] waren potentieel dodelijk). Ook voorafgaand aan en tijdens de gebeurtenissen in Zwijndrecht gedroeg de verdachte zich instrumenteel. Hij wist op een handige manier - met een smoes - binnen te komen en ook de schoten afgevuurd in Zwijndrecht waren gericht en bijna allemaal raak.

Voorts is relevant dat hij in de dagen tussen het levensdelict in Helmond en de delicten in Zwijndrecht en ook nog de dagen daarna tot zijn aanhouding op 20 mei 2011 bij [betrokkene 1] heeft gelogeerd, die toen wel wist van 'Helmond' - en wist van verdachtes gevoelens daarover - maar van de gebeurtenissen in Zwijndrecht niets had gehoord en ook na 16 mei 2011 niet veel bijzonders heeft opgemerkt aan het gedrag van de verdachte. Ook [medeverdachte] (die betrokken was bij de gebeurtenissen in Helmond en in de nabijheid was van de verdachte op 12 en 13 mei. 2011) heeft niet opgemerkt dat de verdachte dronken was of anderszins onder invloed zou zijn.

Het hof vindt het ook gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de verweten gedragingen van de verdachte niet aannemelijk dat die in een opwelling, door paniek of een (drugs)psychose zijn ingegeven. Wie een geladen pistool klaarlegt en tevoren overweegt wat er staat te gebeuren (zoals de verdachte dat heeft verteld aan [betrokkene 1] ) handelt niet in een plotselinge opwelling, overweldigd door zijn gevoelens; wie met een smoes een flatgebouw binnendringt en - na het neerschieten van 'de verkeerde' - de trap op gaat om alsnog de 'goede' te raken en voorts in de woning een aantal mensen dodelijk weet te treffen en dan ook nog rustig zijn wapen weet te herladen, handelt niet in paniek of in een drugspsychose.

Verdachtes eigen verklaringen over de feitelijke gebeurtenissen op 12 en 16 mei 2011 wijzen ook niet ondubbelzinnig op handelen onder invloed van een overweldigende gevoelsuitbarsting of een 'drugspsychose'.

De verdachte heeft zichzelf beschreven als - ten tijde van het plegen van de feiten - door gevoelens overweldigd, maar ook als 'boos' en 'emotieloos'. Dat laatste past wel bij de hierboven beschreven uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen.

Hetgeen de verdachte zelf heeft beweerd over zijn alcohol- en drugsmisbruik heeft het hof niet op andere gedachten gebracht. De verdachte heeft pas naderhand - na zijn bekentenis - voor het eerst tijdens het verhoor op 17 augustus 2011 gesteld dat hij cocaïne had gebruikt voordat hij [slachtoffer 3] neerschoot. Na die gebeurtenis zou hij (veel) meer hebben gebruikt. Bij de rechtbank verklaart hij dat hij de maanden voor 12 mei 2011 ontbeet met cocaïne. Over de wijze waarop hij dat deed - de plek, de dealer, de hoeveelheden, de financiering ervan - heeft hij niet, dan wel niet consistent, dan wel uiterst tardief verklaard. Het hof hecht geen geloof aan de bewering dat de verdachte in die periode waarin de ten laste gelegde levensdelicten werden gepleegd overmatige hoeveelheden alcohol of cocaïne gebruikte.

Hetgeen de verdachte heeft gesteld omtrent slaapgebrek kan hier verder onbesproken blijven nu dit mogelijk relevant zou zijn in combinatie met het gestelde drugs- en drankmisbruik en het hof aan laatstgenoemd gestelde geen geloof hecht.

Het hiervoor overwogene brengt met zich mee dat de verweren die zijn gericht op het ontbreken van opzet dan wel voorbedachte raad, voor zover zij steunen op het gestelde alcohol- of cocaïnemisbruik, feitelijke grondslag missen en om die reden moeten worden verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2014 heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het doen van nader onderzoek door een (psycho)farmacoloog.

Nu het hof heeft overwogen dat om redenen als hierboven omschreven niet gebleken is van feiten of omstandigheden die wijzen op overmatig drank- of cocaïnegebruik, ziet het hof geen noodzaak het verzoek van de raadsman toe te wijzen."

9.3.

Het hof heeft de verklaring van verdachte over het gebruik van alcohol en cocaïne ten tijde van de levensberovingen ongeloofwaardig geacht. De rapportages van deskundigen over het effect van dit middelengebruik op de mogelijkheid om zich nog te beheersen of de vatbaarheid voor hevige emoties en impulsen gaan uit van de verklaringen van verdachte die het hof nu juist ongeloofwaardig heeft geacht.25

Dat verdachte op 12 en 16 mei 2011 zwaar onder invloed van alcohol en cocaïne heeft gehandeld kan niet worden afgeleid uit hetgeen in verdachtes auto is aangetroffen. De inhoud van de colafles wijst op cocaïnegebruik, maar niet staat vast wanneer of door wie dat gebruik heeft plaatsgevonden. Bij verdachtes aanhouding bestond er kennelijk geen reden om aan te nemen dat een bloedafname voor een test of verdachte onder invloed van alcohol of drugs verkeerde, gewenst zou zijn. De AG heeft in zijn requisitoir aandacht besteed aan de bewering dat verdachte leefde op cocaïne en alcohol en heeft argumenten aangedragen op grond waarvan deze bewering niet geloofwaardig is. Getuigen verklaren er niet over, verdachte geeft geen aanknopingspunten bijvoorbeeld over de financiering van zijn gebruik en de leveranciers van de cocaïne. Klaarblijkelijk heeft het hof ook gezocht naar materiaal dat steun zou kunnen bieden aan verdachte's bewering en heeft het zulk materiaal niet aangetroffen. Nu het ernstig slaapgebrek door de verdediging in relatie is gebracht met het alcohol- en cocaïnegebruik was er voor het hof geen aanleiding op dit onderwerp nog afzonderlijk in te gaan.

Het tweede en derde middel falen.

10.1.

Het negende middel klaagt over het oordeel van het hof dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volledig toerekeningsvatbaar was. Uit rapporten van de deskundigen die betrekking hebben op verdachte komt naar voren dat er ten tijde van de feiten bij hem sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis, waardoor de feiten hem niet volledig kunnen worden toegerekend. De conclusie van het hof dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is wordt niet door de rapporten van de deskundigen ondersteund, ook niet door de rapportage van het PBC.

10.2.

Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

"Strafbaarheid van de verdachte

Op advies van drs. B.Y. .van Toorn, psycholoog, en drs. H.A. Gerritsen is de verdachte geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). In het PBC is de verdachte onderzocht door een multidisciplinair team. Met uitzondering van het psychologisch onderzoek heeft de verdachte aan alle onderzoeken meegewerkt. De bevindingen van het team zijn neergelegd in een rapport d.d.16 augustus 2012.

De bij de observatie betrokken gedragsdeskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) en cocaïnemisbruik. Daarnaast is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische trekken.

Volgens de gedragsdeskundigen leed de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan bovenomschreven ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Voorts concluderen de gedragsdeskundigen ten aanzien van de verdachte:

"(...) de aard van de bij betrokkene vastgestelde stoornissen, die zich op alle levensgebieden manifesteren en zijn functioneren in brede zin beïnvloeden, alsook de ernst van deze problematiek, maken het waarschijnlijk dat betrokkenes pathologie in de aanloop tot de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld.

Alhoewel doorwerking van de stoornis en de gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in het ten laste gelegde voor de hand ligt, is de mate waarin deze doorwerking heeft plaatsgevonden tijdens het voorliggende onderzoek onduidelijk gebleven. De reden hiervan is dat niet goed te bepalen is in welke mate betrokkene planmatig heeft gehandeld (pistool met munitie en geluiddemper en de vraag in hoeverre een tekort aan geld een rol heeft gespeeld) en welk deel van zijn handelen bepaald is door zijn psychopathologie.

Onduidelijk is ook welke invloed het gebruik van alcohol en cocaïne heeft gehad en welke rol betrokkenes vluchtplannen en het gebrek aan financiële middelen hebben gespeeld in de aanloop tot de feiten.in Zwijndrecht.

Er kan geen eenduidig advies worden gegeven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van betrokkene voor de ten laste gelegde feiten. Op basis van de beschikbare informatie kan niet concreet worden onderbouwd op welke momenten, op welke wijze en in welke mate sprake kan zijn geweest van meer pathologisch bepaalde elementen bij de totstandkoming van de aan betrokkene ten laste gelegde levensdelicten".

In hoger beroep is de verdachte onderzocht door prof. dr. C. de Ruiter, klinisch psycholoog, M. Çatak, psychiater en drs. J.J. van der Weele, psycholoog. Zij hebben op respectievelijk 31 maart 2014, 5 februari 2014 en 14 januari 2014 hun rapportages omtrent de persoon van de verdachte en diens persoonlijke omstandigheden uitgebracht. Voorts zijn zij op de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2014 als deskundige gehoord.

Op grond van de rapportages en de verklaringen, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof het volgende vast.

De gedragsdeskundige Van der Weele is van oordeel dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van (kenmerken van) een pervasieve ontwikkelingsstoornis binnen het autistisch spectrum. Volgens hem was er - gelet op hetgeen de verdachte hem heeft verteld - voorts sprake van cocaïnemisbruik. Op bladzijde 25 van zijn rapportage merkt Van der Weele op dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, als blijkt dat hij reeds na de eerste ontmoeting met [slachtoffer 3] de intentie heeft gehad haar van het leven te beroven.

Çatak concludeert dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, maar wel van autistiforme kenmerken in de persoonlijkheid van betrokkene. Voorts komt ook hij op basis van hetgeen de verdachte hem vertelde tot de conclusie dat daarnaast sprake was van cocaïnemisbruik.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte ten aanzien van het incident in Helmond als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd (met bovenstaand voorbehoud van Van der Weele op bladzijde 25 van diens rapport). Ten aanzien van het incident in Zwijndrecht hebben de gedragsdeskundigen - evenals de gedragsdeskundigen in het PBC - geen conclusies omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid kunnen trekken.

De gedragsdeskundige De Ruiter is - in afwijking van de overige gedragsdeskundigen - van oordeel dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een dysthyme stoornis en cocaïne-afhankelijkheid. Ten tijde van het ten laste gelegde, leed de verdachte aan die stoornis. Daarbij was volgens De Ruiter - eveneens door hetgeen de verdachte haar vertelde - zeer waarschijnlijk sprake van een acute cocaïne- en alcohol-intoxicatie. De Ruiter komt tot de conclusie dat de verdachte ten aanzien van het incident in Helmond als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Ten aanzien van het incident in Zwijndrecht kan De Ruiter omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid geen uitspraak doen, omdat de verdachte zich niets omtrent de aanloop, tot dat feit kan herinneren.

Het hof stelt aan de hand van de inhoud van de rapportages en de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de gedragsdeskundigen vast dat zij bij hun conclusies zijn uitgegaan van de latere verklaringen van de verdachte omtrent de toedracht van het incident in Helmond. Aan die verklaringen hecht het hof als gezegd geen geloof. Uit hetgeen de verdachte in augustus 2011 ten overstaan van de politie heeft verklaard, hetgeen hij in zijn 'afscheidsbrief' heeft opgeschreven en uit zijn feitelijk handelen blijkt niet van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Dat hij op een wezenlijker niveau zou lijden aan een ernstige psychische stoornis, kan het hof niet vaststellen. De verdachte heeft, om hem moverende redenen (mogelijk uit onwil, maar misschien ook uit onmacht) onvoldoende inzicht gegeven in zijn innerlijke gevoelswereld en beleving. Het hof kan op basis van hetgeen thans voorhanden is slechts tot de conclusie komen dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Het hof overweegt hier nog, dat gelet op het hierboven overwogene - namelijk dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is - voor het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging (zoals door de raadsman, ten aanzien van de straftoemeting meest subsidiair bepleit)'geen aanleiding bestaat."

10.3.

Voor zover het middel een beroep doet op de rapportages over een eventuele mate van ontoerekeningsvatbaarheid ziet het er aan voorbij dat de rechter niet gebonden is aan het oordeel van deskundigen. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De waardering van de rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht is voorbehouden aan de rechter in feitelijke aanleg en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.26

10.4.

In zijn hiervoor aangehaalde overwegingen heeft het hof de standpunten van de verschillende geraadpleegde deskundigen weergegeven. De deskundigen van het PBC achten zich niet in staat om een eenduidig advies te geven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor de tenlastegelegde feiten. De deskundige Van der Weele komt tot het oordeel dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar zou zijn als hij al na de eerste ontmoeting met [slachtoffer 3] van plan was geweest haar van het leven te beroven. Deskundige Çatak meent evenals Van der Weele dat met betrekking tot de in Zwijndrecht gepleegde feiten geen conclusies over de toerekeningsvatbaarheid zijn te trekken. Deskundige De Ruiter kan evenmin een uitspraak doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid aan de levensberovingen in Zwijndrecht maar komt wel tot het oordeel dat verdachte met betrekking tot feit 6 als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Het hof heeft vastgesteld dat de deskundigen zijn uitgegaan van de latere verklaringen die verdachte over feit 6 heeft afgelegd, aan welke verklaringen het hof zelf geen geloof hecht. Gelet op de verscheidenheid aan conclusies waartoe de deskundigen komen en op de inhoud van de verklaring die verdachte zelf op 17 augustus 2011 heeft afgelegd kan het hof niet anders dan concluderen dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Het hof heeft de grenzen van zijn bevoegdheid als feitenrechter gerespecteerd. Dat het tot de conclusie is gekomen dat de feiten aan de verdachte zijn toe te rekenen is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de inhoud van de rapportages.

Het middel faalt.

11.1.

Het tiende middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet onverenigbaar is met artikel 3 EVRM blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk is.

11.2.

Het arrest bevat hieromtrent de volgende overwegingen:

"De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onverenigbaar is met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van het EVRM.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

In zijn arrest van16 juni 2009 (LJN: BF3741) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet onverenigbaar is met artikel 3 EVRM en evenmin met enige andere bepaling van dat Verdrag, omdat aan de veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf gratie kan worden verleend, terwijl de veroordeelde voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.

Het betoog van de verdediging dat praktisch gezien een gratieverzoek nooit wordt ingewilligd, waardoor een perspectief op enige vorm van vrijlating feitelijk niet bestaat, hetgeen in strijd is met artikel 3 en artikel 5, vierde lid, van het EVRM, mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag. Het is een feit dat in 1986 en in 2009 gratie is verleend aan twee levenslang gestraften. Het in Nederland geldende gratiebeleid biedt derhalve de mogelijkheid dat op enig moment de duur van de gevangenisstraf opnieuw wordt beoordeeld. Van enige bijzondere omstandigheid waarom dat in het onderhavige geval anders zou zijn, is het hof niet gebleken."

11.3.

In HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602 m.nt. Mevis, waarnaar het hof verwijst, had het hof ook een levenslange gevangenisstraf opgelegd, die in cassatie onder meer met een beroep op artikel 3 EVRM werd bestreden. Het hof had in die zaak onder meer verwezen naar de mogelijkheid van gratie als aannemelijk is dat met de tenuitvoerlegging van de straf geen met strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. In cassatie werd betoogd dat de Nederlandse praktijk van oplegging van levenslang de toets aan het EVRM niet kon doorstaan. Een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf moet periodiek door een rechter getoetst kunnen worden. AG mr. Knigge nam een uitvoerige conclusie in die zaak. Hij stelde de vraag of zich nog steeds de situatie voordeed die in HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435 tot een verwerping van het cassatieberoep tegen een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf leidde. In zijn conclusie analyseerde mr. Knigge de rechtspraak van het EHRM tegen de achtergrond van de vraag of de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating in strijd is met het EVRM. Hij benadrukte dat het gaat om een analyse van bestaande rechtspraak en dat hij zich realiseerde dat wat op dat moment nog geen schending van het verdrag inhield dat binnen afzienbare tijd wel kan worden (§ 7.1.10). Aan het slot van § 7.2.6 waarschuwde hij dat men voorzichtig moet zijn met het isoleren van een uitspraak van het EHRM over levenslange gevangenisstraf uit de nationale context en met het trekken van algemene conclusies. Maar de ontwikkeling in de rechtspraak van het EHRM is wel zodanig dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat een levenslange gevangenisstraf zonder perspectief op vrijlating hetzij reeds bij de oplegging daarvan, hetzij eerst na verloop van tijd in strijd komt met artikel 3 EVRM (§ 7.4.10). Mr. Knigge wees erop dat zich in Nederland sinds 1999 een ontwikkeling heeft voorgedaan die de vraag naar de verhouding tussen de levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM op scherp stelt. Het belangrijkste aspect van deze ontwikkeling is de afschaffing van de zogenaamde volgprocedure langgestraften. Deze afschaffing moet worden bezien tegen de achtergrond van uitlatingen van bewindspersonen die erop neerkomen dat een levenslange gevangenisstraf inderdaad begrepen moet worden als een vrijheidsbeneming tot de dood erop volgt. Anderzijds is de gratieprocedure ook nog steeds voor langgestraften toegankelijk en blijft het maar te bezien hoe uiteindelijk de rechter zal oordelen over het Nederlandse gratiebeleid. Gelet op het feit dat de tot levenslang veroordeelden ten tijde van het nemen door mr. Knigge van zijn conclusie allen na 1980 waren veroordeeld was het volgens hem nog te vroeg om conclusies te trekken over de verhouding tussen de Nederlandse levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM. Knigge spreekt het vermoeden uit dat de enkele oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder hoop op vrijlating op zichzelf nog niet een schending van artikel 3 EVRM zal opleveren. Van belang is de duur van de vrijheidsbeneming. Naarmate deze langer duurt zal het risico dat de vrijheidsbeneming onmenselijk wordt wel dichterbij komen. Dat betekent wel dat het opleggen op zichzelf van een levenslange gevangenisstraf in Nederland nog niet automatisch een schending van artikel 3 EVRM met zich brengt.

De Hoge Raad citeerde eerst uit de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr. Jörg voor HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435, in welk arrest de Hoge Raad ook naar deze conclusie had verwezen. Vervolgens verduidelijkte de Hoge Raad de betekenis van HR 14 maart 2006, NJ 2007, 345, waarin hij de verhouding tussen de levenslange gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met verpleging bepaalde. Daarna wendde de Hoge Raad de steven naar de uitspraak van het EHRM van 12 februari 2008 in de zaak Kafkaris tegen Cyprus.27 Daarin sprak het EHRM uit dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf op een volwassene op zichzelf artikel 3 of enig ander artikel van het EVRM niet schendt, maar dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van enigerlei matiging of wijziging wel vragen kan doen rijzen in verband met artikel 3 EVRM. Van belang is of de tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde enig vooruitzicht kan hebben op vrijlating. Als de nationale wetgeving de mogelijkheid kent van enigerlei herziening van een veroordeling tot levenslang zal dat voldoende zijn om in het spoor blijven van artikel 3 EVRM. Voldoende is dat een levenslange gevangenisstraf de jure en de facto vatbaar is voor verkorting. Het bestaan van een voorziening ter beoordeling van de mogelijkheid van strafvermindering is een factor waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de verenigbaarheid met artikel 3 van een veroordeling tot levenslang. Maar hoe een afzonderlijke lidstaat zo een systeem vormgeeft, valt buiten de discretie van het EHRM, mits het gekozen systeem niet in strijd komt met de beginselen van het EVRM. Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan een meerderjarige op zichzelf niet onverenigbaar is met artikel 3 EVRM. Dat zou alleen het geval zijn als de werkelijke duur van de levenslange gevangenisstraf zonder enige uitzondering zou vaststaan, dus zonder mogelijkheid in het nationale recht om de duur van die straf te verkorten. De gestraften moet een perspectief op vrijlating worden gegund, hetgeen anderzijds niet wil zeggen dat in een concreet geval een levenslange vrijheidsstraf ook niet echt levenslang kan duren. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:

"2.9. Anders dan het middel voorstaat, valt aan de jurisprudentie van het EHRM niet te ontlenen dat een dergelijke voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Volgens het EHRM is "for the purposes of article 3" voldoende dat de duur van de straf "de iure en de facto" te eniger tijd kan worden verkort. Dat neemt niet weg dat een toetsing als door het middel wordt bepleit vanuit het perspectief van de door het EHRM genoemde "purposes of article 3" wel geëigend kan zijn om de in die verdragsbepaling vervatte waarborg gestalte te geven. De beantwoording van de vraag of en zo ja, in welke vorm, een dergelijke wettelijke regeling is aangewezen, gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

2.10.

Wat betreft de in Nederland bestaande mogelijkheden "to take proceedings", als bedoeld in art. 5, vierde lid, EVRM ten aanzien van de (verdere) tenuitvoerlegging van een opgelegde levenslange gevangenisstraf, en de daarmee verband houdende mogelijkheid tot verkorting van die straf, geldt ook thans nog hetgeen tot uitdrukking is gebracht in het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 1999, LJN ZD1464, NJ 1999, 435. Aan de veroordeelde kan, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.

2.11.1.

Gratie kan onder meer worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, sub b, Gratiewet).

In de memorie van toelichting is die bepaling als volgt toegelicht:

"Met name bij langere vrijheidsstraffen kan zich een situatie ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, zodat verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht."(Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 15)

2.11.2.

Niet zonder betekenis is echter dat de in voornoemd arrest van de Hoge Raad vermelde regeling van de zogenoemde "volgprocedure langgestraften" in 2000 is ingetrokken. Daarmee is een belangrijke mogelijkheid tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf komen te vervallen. Die procedure voorzag immers ook ten aanzien van levenslang gestraften in een klinisch-psychologisch onderzoek nadat een gedeelte van de straftijd was ondergaan, mede om te bezien of met verdere tenuitvoerlegging van de straf nog enig met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid werd gediend. Dat onderzoek kon erin resulteren dat op grond van art. 19 Gratiewet "ambtshalve" gratie werd verleend en dat de levenslange gevangenisstraf werd omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf, waarna vervroegde invrijheidstelling mogelijk was. Nochtans is met de intrekking van genoemde regeling de mogelijkheid tot gratieverlening voor levenslang gestraften niet tenietgedaan, zij het dat die mogelijkheid thans in beginsel afhankelijk is van het initiatief van de veroordeelde.

2.12.

In het verband van de aan het verweer en het middel ten grondslag liggende opvatting wordt nog de stelling betrokken dat in Nederland een opgelegde levenslange gevangenisstraf nimmer wordt verkort, zodat de facto die mogelijkheid van verkorting niet bestaat. Dat is een stelling van feitelijke aard die zich niet leent voor onderzoek door de Hoge Raad. Die stelling is in feitelijke aanleg niet zodanig onderbouwd dat het Hof gehouden was daarop te reageren.

De dienaangaande in de conclusie van de Advocaat-Generaal verstrekte informatie biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat, niettegenstaande de hiervoor besproken mogelijkheden tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, een dergelijke verkorting thans in feite illusoir is. Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd.

2.13.

Uit het voorgaande volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat de tegen dat oordeel gerichte motiveringsklachten verder geen bespreking behoeven.

2.14.

Het middel faalt."

11.4.

Op dit arrest is nadien nog enige malen teruggegrepen. Ik wijs op HR 22 februari 2011, NJ 2012, 608 m.nt. Keulen. Verdachte was in die zaak onder meer voor het plegen van meerdere moorden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De verdediging had het hof verzocht nader onderzoek te verrichten naar de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM. Voorts had de verdediging zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf inhumaan is omdat de facto gratie voor een levenslang gestrafte uitgesloten was. In dat verband voerde de verdediging aan dat de volgprocedure voor langgestraften was afgeschaft, dat al decennia lang geen gratie is verleend en dat zowel de RSJ als de verantwoordelijke bewindspersonen de levenslange gevangenisstraf beschouwen als een straf die duurt tot de dood erop volgt. Of en wanneer gratie kan worden overwogen is onduidelijk.

Het hof sloot aan bij HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602 m.nt. Mevis. De mogelijkheid van gratie bestaat nog steeds. Alleen als zou blijken dat de facto nooit gratie zou worden verleend aan een levenslang gestrafte zou de levenslange gevangenisstraf in strijd komen met artikel 3 EVRM. Maar die slotsom kan niet worden getrokken uit de gegevens waarover het hof beschikt. De veroordelingen tot levenslange gevangenisstraf dateren volgens het hof eerst van het voorafgaande decennium. Dat betekent dat de tot levenslang veroordeelden intussen nog niet zo een deel van hun straf hebben ondergaan dat nu reeds te verwachten is dat gratie wordt overwogen. Het enkele feit dat een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf kan meebrengen dat de veroordeelde inderdaad levenslang gevangen zal zitten betekent nog niet dat de straf daarom onverenigbaar is met artikel 3 EVRM. De mogelijkheid van verkorting van levenslange gevangenisstraf door middel van gratiëring bestaat nog steeds. De stelling van de verdediging dat de facto geen gratie meer wordt verleend aan levenslang gestraften is volgens het hof onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen. Ook de Hoge Raad greep terug naar zijn arrest van 2009. Hij voegde daaraan nog het volgende toe:

"3.4. Het Hof heeft bij zijn in het middel bestreden beslissingen dat arrest tot uitgangspunt genomen en heeft vervolgens vastgesteld dat in Nederland de veroordelingen tot een levenslange gevangenisstraf hoofdzakelijk dateren van het afgelopen decennium. De desbetreffende gestraften hebben, aldus het Hof, "intussen nog niet zo'n aanzienlijk deel van hun straf ondergaan dat het nu reeds te verwachten is dat gratie wordt overwogen". Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat het thans "nog te vroeg is om te kunnen stellen dat een levenslanggestrafte in Nederland de iure en de facto geen perspectief op vrijlating heeft". Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is (vgl. EHRM 2 september 2010, nr. 36295/02 Iorgov II tegen Bulgarije). Tegen die achtergrond is het oordeel van het Hof dat geen noodzaak bestaat tot het doen van het door de verdediging verzochte nader onderzoek naar het - huidige - "beleid inzake gratieverzoeken" niet onbegrijpelijk.

Daarbij tekent de Hoge Raad nog aan dat blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.5 geciteerde brief van de (toenmalige) Minister en Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2009 de mogelijkheid van gratieverlening voor levenslanggestraften uitdrukkelijk niet wordt uitgesloten en dat vanwege de beoordeling van die verzoeken "per geval" geen standaardbeleid kan worden voorgeschreven.

3.5.

Genoemde oordelen van het Hof behoefden in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen nadere motivering. Zij dragen de in het middel bestreden beslissingen zelfstandig, zodat het middel geen bespreking behoeft voor zover het opkomt tegen hetgeen het Hof ter motivering daarvan daarenboven nog heeft overwogen.

3.6.

Het middel faalt."

11.5.1.

Ik citeer uit de conclusie waarnaar de Hoge Raad verwijst:

“4.5. In deze brief schrijven de bewindspersonen:

"3. Volgprocedure

Tot 1998 bestond er een «Volgprocedure Langgestrafte» voor gedetineerden met een lange straf (oorspronkelijk vanaf 6 jaar) en levenslanggestraften. Dit betekende dat bij één derde van de ondergane straf iemand standaard werd opgenomen in het Penitentiair Selectie Centrum (PSC).

Ook kon worden geadviseerd over gratie. Met de toename van het aantal langgestraften en de opkomst van het psychisch medisch overleg (PMO) in alle penitentiaire inrichtingen is deze procedure op een gegeven moment gereduceerd tot een schriftelijke toetsing, met de mogelijkheid tot opname in het PSC op indicatie. Toen bleek dat dit ook betrekkelijk weinig toevoegde, is deze regeling in 2000 afgeschaft.

In de praktijk wordt een beoordeling van het welbevinden van de levenslanggestrafte (naast de mogelijkheid tot bespreking van een gedetineerde in het reguliere Psycho Medisch Overleg) gemist. Men acht een regelmatige controle van belang omdat lange gevangenisstraffen de lichamelijke en psychische gezondheid van de gedetineerde kunnen beïnvloeden. Wij zijn dan ook voornemens om een procedure, gelijk aan de eerdere volgprocedure, in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar aan een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt aangeboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie.

Op basis van dit onderzoek wordt een advies uitgebracht. Dit advies richt zich onder andere op de verdere tenuitvoerlegging van de straf. De levenslanggestrafte kan het psychologisch rapport tevens gebruiken voor het indienen van een gratieverzoek.” 28

Vervolgens bespreken zij de gratieprocedure en in dat verband ook het arrest HR 16 juni 2009, NJ 2010, 602. Zij vervolgen:

“De uitspraak van de Hoge Raad beschouwen wij als ondersteuning van het ingezette beleid. Levenslang is in beginsel levenslang. Soms is een misdrijf zo ernstig en is het risico dat iemand gevaarlijk blijft zo groot, dat blijvende uitsluiting uit de maatschappij noodzakelijk is.

Of een tijdelijke straf of een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd, is een keuze van de rechter. Het betreft hier een weloverwogen keuze van de rechter tussen een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal dertig jaar en een levenslange gevangenisstraf. Met het in 2005 verhogen van het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf van twintig naar dertig jaar is het verschil met levenslang minder groot geworden. Dit maakt dat de rechter meer dan voorheen een weloverwogen keuze maakt voor een levenslange gevangenisstraf.

De mogelijkheid van gratie biedt een veroordeelde een perspectief op vrijlating. Vanuit de wetenschap dat personen en omstandigheden in de loop der tijd kunnen veranderen, geldt ook voor levenslanggestraften dat zij in aanmerking kunnen komen voor gratie. Het gevaar dat een levenslanggestrafte vormt voor de samenleving is voor de beslissing om al dan niet gratie te verlenen uiteraard een wezenlijk punt van afweging. Het verlenen van gratie kan bestaan uit het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke gevangenisstraf waarna alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling kan plaatsvinden of het beëindigen, eventueel onder voorwaarden, van de levenslange gevangenisstraf.

(..)

Op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte wordt over het gratieverzoek van een levenslanggestrafte beslist. Hierbij spelen naast de vergeldingscomponent en de ernst van het delict ook andere aspecten, zoals de leeftijd van een levenslanggestrafte, medische- en psychiatrische toestand en het recidiverisico. Herziening of voorwaardelijke invrijheidstelling op een vast moment doet geen recht aan het individuele geval van de levenslang gestrafte. In zijn algemeenheid kan niet gezegd worden dat een levenslanggestrafte na 15, 20 of 25 jaar geen gevaar meer is voor de samenleving. In sommige gevallen is het langer, in andere gevallen korter en in weer andere gevallen zal het gevaar voor de samenleving nooit verdwijnen en is vrijlating geen optie. De individuele beoordeling die dient te geschieden, maakt het instrument van de gratie veel bruikbaarder dan herziening of voorwaardelijke invrijheidstelling op een vast moment.

Het is van belang dat elk gratieverzoek van een levenslanggestrafte per individueel geval wordt bekeken. Hiervoor kan dan ook geen standaard beleid worden voorgeschreven.”

Uit deze brief is dus af te leiden dat de criteria voor gratieverlening niet zijn gewijzigd, maar dat enkel de procedure die leidt tot een beslissing op een gratieverzoek is veranderd. Het perspectief op vrijlating blijft via het bestaan van de mogelijkheid van gratie gehandhaafd. Voor de beslissing om een gratieverzoek zijn alle omstandigheden van het geval, waaronder het gevaar voor de samenleving dat van de veroordeelde zou kunnen uitgaan, relevant. Vandaar de gevalsgewijze beoordeling.

11.5.2.

In zijn noot onder HR 22 februari 2011, NJ 2012, 608 wijst Keulen er echter op dat aan de belofte van de staatssecretaris van justitie dat een opvolger van de volgprocedure is te verwachten inmiddels door het antwoord op vragen in de Tweede Kamer de grondslag is komen te ontvallen. Het betreft de vragen van het kamerlid Schouw, ingezonden op 20 oktober 2011, en het daarop gegeven antwoord van Staatssecretaris Teeven van 2 december 2011. Ik geef de relevante vragen en antwoorden hieronder weer:

"Vraag 4

Bent u van mening dat een levenslange gevangenisstraf daadwerkelijk levenslang moet zijn?

Zo ja, kunt u toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden u dit gerechtvaardigd acht? Zo nee, kunt u toelichten wat uw opvatting hierover is en op welke feiten en omstandigheden uw opvatting gebaseerd is?

Antwoord 4

Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is in ons rechtssysteem alleen mogelijk voor de ernstigste misdrijven, zoals moord, terroristische misdrijven en misdrijven tegen de veiligheid van de staat. In de zaken waarin levenslange gevangenisstraf in de afgelopen decennia is opgelegd, gaat het steeds om gevallen waarin een of meer personen van hun leven zijn beroofd. Dat is niet alleen blijvend en onherstelbaar voor het slachtoffer, maar ook de nabestaanden wordt blijvend en levenslang leed aangedaan. Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf aan de dader is daarmee in evenwicht.

Het is aan de rechter om een keuze te maken over het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf of een levenslange gevangenisstraf. Voor de misdrijven waarop in het Wetboek van Strafrecht levenslange gevangenisstraf is gesteld, kan de rechter ook de maximale tijdelijke gevangenisstraf opleggen. Die maximale tijdelijke gevangenisstraf is in 2006 nog verhoogd naar dertig jaar. Op deze wijze is gewaarborgd dat de rechter de afweging maakt of de ernst van de feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat de hoogste straf die ons rechtssysteem kent, wordt opgelegd.

Uitgangspunt bij het opleggen door de rechter van een levenslange gevangenisstraf is dat de veroordeelde niet meer terugkomt in de maatschappij. Soms is een misdrijf zo ernstig en is het risico dat de veroordeelde na invrijheidsstelling opnieuw een ernstig gevaar voor de samenleving zal vormen zo groot, dat blijvende uitsluiting uit de maatschappij noodzakelijk is. Dan is de levenslange gevangenisstraf gepast. Dat de rechter soms kiest voor blijvende uitsluiting uit de maatschappij door het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, betekent niet dat de veroordeelde nooit meer vrij kan komen. Ook voor levenslanggestraften bestaat de mogelijkheid van gratie.

Vraag 5

Deelt u de mening dat een grondige beoordeling van delictgevaarlijkheid met de mogelijkheid van resocialisatie in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling na twintig jaar wenselijker is dan een tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaar, die ook eindigt wanneer er bij de dader geen enkele verandering heeft plaatsgevonden? Op grond van welke overwegingen?

Antwoord 5

Ik ben van mening dat in alle gevallen dat een veroordeelde na een lange detentie weer zal terugkeren in de samenleving een grondige beoordeling van delictgevaarlijkheid noodzakelijk is. Voor tijdelijke gevangenisstraffen vormt de voorwaardelijke invrijheidstelling het kader waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Door middel van bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht kan het risico op het opnieuw plegen van misdrijven worden ingeperkt. Voor veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf vindt de beoordeling van delictgevaarlijkheid plaats in het kader van de gratieprocedure. Het gevaar dat een levenslanggestrafte vormt voor de samenleving is voor de beslissing om al dan niet gratie te verlenen een doorslaggevend punt van afweging. Indien gratie wordt verleend, kan ook hier worden voorzien in bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht, hetzij doordat de gratie wordt verleend onder voorwaarden, hetzij doordat bij het gratiebesluit de levenslange gevangenisstraf wordt omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf, waarop de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is.

Vraag 6

Hoe verhoudt volgens u het resocialisatiebeginsel van artikel 2, tweede lid van de Penitentiaire Beginselenwet, zich tot de levenslange gevangenisstraf?

Antwoord 6

In artikel 2, tweede lid, van de Penitentiaire Beginselenwet is bepaald dat met de handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel de tenuitvoerlegging hiervan zo veel mogelijk dienstbaar wordt gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Zowel uit het zinsdeel «met de handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf», als uit het zinsdeel «zo veel mogelijk» moet worden afgeleid dat de aard van de levenslange gevangenisstraf zich verzet tegen de voorbereiding van de terugkeer in de samenleving op een wijze zoals die bij tijdelijke gevangenisstraffen mogelijk is. Dit neemt evenwel niet weg dat daar waar het verlenen van gratie zou worden overwogen, de invrijheidstelling van de levenslanggestrafte niet zonder een deugdelijke voorbereiding op de terugkeer in de samenleving kan plaatsvinden.

Vraag 7

Klopt het dat Nederland als enige EU-land geen wettelijke regeling kent voor verkorting van de levenslange gevangenisstraf? Hoe verhoudt de afwezigheid van een wettelijke regeling zich in uw optiek tot artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?

Antwoord 7

Nee, dit klopt niet. Door de in de Gratiewet voorziene mogelijkheid van gratie kent ook Nederland een wettelijke regeling als gevolg waarvan een door de rechter opgelegd levenslange gevangenisstraf kan worden verkort. Door het inwilligen van een gratieverzoek kan de levenslange gevangenisstraf worden omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf.

De Hoge Raad heeft op 16 juni 2009 bepaald dat het Nederlandse beleid ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met het EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat aan de EHRM-jurisprudentie niet valt te ontlenen dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Het enkele feit dat de duur van de straf in een concreet geval ook de facto levenslang is, brengt niet met zich mee dat de straf in dat geval als «irreducible» heeft te gelden en niet met artikel 3 EVRM zou te zijn verenigen. Volgens het EHRM is «for the purposes of article 3» voldoende dat de duur van de straf de iure en de facto te eniger tijd kan worden verkort.

Vraag 8

Kunt u toelichten op welke wijze het gratieverzoek op dit moment ten aanzien van levenslanggestraften in de praktijk wordt toegepast en welke factoren worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek?

Antwoord 8

De gronden voor gratie zijn neergelegd in de Gratiewet. Gratie kan krachtens artikel 2 van de Gratiewet worden verleend als:

1. op grond van enige omstandigheid, waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel

2. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechttoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Gratieverzoeken worden conform de door de Gratiewet voorgeschreven procedure afgehandeld. Voor gratieverzoeken van levenslanggestraften wordt de rechter die de straf heeft opgelegd en het openbaar ministerie om advies gevraagd. Zij kunnen desgewenst bij de advisering op het gratieverzoek om een psychiatrisch rapport verzoeken. Aan de hand van de adviezen wordt vervolgens op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte en met inachtneming van maatschappelijke belangen en de belangen van slachtoffers en nabestaanden op het gratieverzoek beslist. Naast de vergeldingscomponent en de ernst van het delict kunnen ook andere aspecten een rol spelen, zoals de leeftijd van een levenslanggestrafte en zijn of haar medische- en psychiatrische toestand. Het gevaar dat een levenslanggestrafte vormt voor de samenleving is voor de beslissing om al dan niet gratie te verlenen uiteraard een doorslaggevend punt van afweging.

Vraag 9, 10 en 15

Wat vindt u van het voorstel van het Forum (AM: Forum Levenslang) om na minimaal twintig jaar gevangenisstraf op verzoek van de gedetineerde of op vordering van het Openbaar Ministerie en door middel van een rechterlijke toets een voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk te maken?

Bent u het met het Forum eens dat een rechterlijke toetsing de meest geëigende weg is om invulling te geven aan de verdragseisen van het EVRM? Zo nee, wat zijn uw bezwaren tegen de voorgestelde rechterlijke toetsing?

Bent u bereid om het voorstel van het Forum Levenslang in overweging te nemen, dan wel in ieder geval te reageren op het voorstel en daarbij uw overwegingen te noemen die voor u van belang zijn bij beoordeling van dit voorstel?

Antwoord 9, 10 en 15

Ik deel de mening van het Forum dat levenslanggestraften niet ieder perspectief op vrijlating mag worden ontnomen. Met de mogelijkheid van gratie die we in Nederland kennen, is dat perspectief er.

Verder zie ook ik het belang van rechterlijke betrokkenheid. In de gratieprocedure is daarin reeds voorzien, aangezien naast het openbaar ministerie als ook de rechter die de levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, over het gratieverzoek adviseert. Het voorstel van het Forum leidt daarom niet tot een wijziging van mijn beleid ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf. Bovendien heeft, zoals ik bij de beantwoording van vraag 4 reeds heb aangegeven, de Hoge Raad bepaald dat het Nederlandse beleid ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM.

De toenmalige Minister en Staatssecretaris van Justitie hebben in de brief van 16 oktober 2009 aan de Tweede Kamer over wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en het gratiebeleid opgenomen dat het voornemen bestaat om een procedure, gelijk aan de volgprocedure, in het leven te roepen, waarbij minimaal één keer in de vijf jaar een levenslanggestrafte de gelegenheid wordt aangeboden om onderzoek te laten doen gericht op diagnostiek en risicotaxatie. Ik acht een dergelijke procedure echter niet noodzakelijk. Ten behoeve van mijn voornemen (levens)langgestraften samen te plaatsen wordt een zorgvuldig advies opgesteld waarbij zowel de zorgbehoefte als het noodzakelijke beveiligingsniveau van iedere levenslanggestrafte in kaart wordt gebracht. Daarnaast wordt voor iedere gedetineerde, ook voor de levenslanggestrafte, in het kader van de persoonsgerichte aanpak van Modernisering Gevangeniswezen een persoonlijk detentieplan opgesteld. Tevens worden de levenslanggestraften periodiek in het Psycho Medisch Overleg besproken. De detentiesituatie en het welbevinden van de levenslanggestrafte worden op deze wijze reeds goed in beeld gebracht en gemonitord.

(...)" 29

Uit deze antwoorden van de Staatssecretaris maak ik op dat het uitgangspunt van een levenslange gevangenisstraf is dat de veroordeelde niet meer terugkeert in de samenleving, maar dat in het kader van de beoordeling van een gratieverzoek, waarbij de omstandigheden van het individueel geval en in bijzonderheid de resterende gevaarlijkheid voor de samenleving worden betrokken, op dat uitgangspunt een uitzondering bestaat waardoor aan de eisen van artikel 3 EVRM is voldaan. Anders dan zijn ambtsvoorgangers zag de Staatssecretaris geen noodzaak voor de introductie van een nieuwe versie van de volgprocedure langgestraften omdat in het beleid jegens de langgestraften reeds voldoende rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden.30

11.6.

Ik keer terug naar de noot van Keulen onder HR 22 februari 2011, NJ 2012, 608. Keulen vraagt aandacht voor de gelijkenis van de redenering van de Hoge Raad over de onmogelijkheid om al conclusies te trekken over het de facto uitgesloten zijn van gratiëring van een levenslange gevangenisstraf in Nederland met die van het EHRM in de zaak Iorgov tegen Bulgarije. Maar hij wijst ook op het verschil dat Iorgov aanvankelijk ter dood was veroordeeld en slechts aan executie was ontsnapt doordat de doodstraf is afgeschaft. In plaats daarvan kreeg hij levenslang. In dat perspectief heeft Iorgov nog geluk gehad, terwijl de in Nederland tot levenslang veroordeelde pech heeft doordat het strafrechtelijk klimaat juist is verzwaard. Hij vraagt zich daarom af of het EHRM de situatie van de tot levenslang in Nederland veroordeelde wel op dezelfde wijze zou beoordelen als de situatie van de in Bulgarije tot levenslang veroordeelde, die ontsnapt is aan de doodstraf. Anderzijds kan men naar mijn mening daar tegen inbrengen, dat het EHRM in gevallen waarin er grote verschillen in strafrechtelijk systeem tussen de lidstaten op een bepaald onderwerp blijken te bestaan, geneigd lijkt om deze staten ook een grote "margin of appreciation" te gunnen en afstand te bewaren. Tot slot vraagt Keulen zich af of de Hoge Raad er niet beter aan zou hebben gedaan de mogelijkheid, dat reeds de oplegging van levenslange gevangenisstraf botst op artikel 3 EVRM, af te knijpen en de vraag of een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met die bepaling te relateren niet aan de oplegging daarvan, maar aan de tenuitvoerlegging ervan.

11.7.

De vraag is thans of inmiddels de situatie sinds 2011 zodanig is gewijzigd dat het standpunt dat de levenslange gevangenisstraf in Nederland de jure et de facto in strijd is met artikel 3 EVRM ondersteuning verdient. De steller van de cassatieschriftuur huldigt dit standpunt. Een belangrijk deel van de toelichting op dit middel staat in de sleutel van rechtspraak van het EHRM, meer bepaald de uitspraak in de zaak Vinter31 en de consequenties die deze uitspraak zou hebben voor Nederland.

11.7.1.

Ik zal eerst ingaan op de zaak Vinter en de daaropvolgende rechtspraak van het EHRM.

Een kleine kamer van het EHRM had op 7 januari 2012 met vier tegen drie stemmen geoordeeld dat artikel 3 EVRM niet was geschonden in de zaken van Vinter, Bamber en Moore vs. het Verenigd Koninkrijk. Vervolgens boog de Grote Kamer zich over de zaken. Vinter had eerder een levensdelict gepleegd en was daarvoor veroordeeld. Na het uitzitten van zijn straf huwde hij de vrouw die hij een paar jaar later ook van het leven beroofde. In 2008 werd hij in eerste aanleg veroordeeld tot levenslang, en wel in de vorm van een "whole life order", hetgeen inhield dat alleen de Secretary of State de vrijheidsbeneming kon beëindigen in geval van een terminale ziekte of een zeer ernstig gebrek. Het appel tegen die veroordeling werd verworpen. Het misdrijf was gepleegd na de inwerkingtreding van de Criminal Justice Act 2003 die de regelgeving over de levenslange gevangenisstraf, meer bepaald de verdeling van de bevoegdheden met betrekking tot vervroegde invrijheidstelling, had herzien. Vóór 2003 was het aan de rechter om de levenslange gevangenisstraf op te leggen, maar aan de Secretary of State om – na raadpleging van onder meer de rechter van veroordeling – de minimumduur van de daadwerkelijke vrijheidsbeneming te bepalen en een datum voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling vast te stellen.32 De Secretary of State had de bevoegdheid om geen einddatum van de gevangenisstraf vast te stellen ("whole life tariff"), maar in de praktijk werd dan na 25 jaar vrijheidsbeneming beoordeeld of voortduring van de gevangenisstraf nog wel gerechtvaardigd was. Met de inwerkingtreding van de Criminal Justice Act 2003 kreeg de rechter van veroordeling de bevoegdheid de minimumduur van de vrijheidsbeneming vast te stellen.

Bamber en Moore waren tot levenslang veroordeeld vóór 2003 maar konden door een overgangsmaatregel bij de invoering van de Criminal Justice Act 2003 een beroep doen op de High Court ter herbeoordeling van de beslissingen van de Secretary of State over de duur van de vrijheidsbeneming na veroordeling tot levenslang. De High Court had in de zaken van Bamber en Moore "a whole life order" uitgesproken. Door de inwerkingtreding van de Criminal Justice Act 2003 vielen zij daarna ook onder het stelsel waarin de Secretary of State enkel op de hiervoor genoemde "compassionate grounds" de vrijheidsbeneming van een "whole life order" kon doen eindigen.

Na bespreking van het verloop van de drie zaken en uitgebreide aandacht voor de Engelse wet en rechtspraak ging het EHRM te rade bij de internationale wetgeving over levenslange gevangenisstraf. Voor dit laatste onderdeel verwees het EHRM naar de uiteenzettingen in zijn eerdere uitspraak in de zaak Kafkaris en voegde daar nog een bespreking aan toe van teksten van internationale oorsprong. Het EHRM bespeurde in die internationale instrumenten een overwegende stroming waarin de levenslange gevangenisstraf kan worden verkort, waarin tussentijdse beoordelingen van de noodzaak van voortduring van die vrijheidsbeneming gangbaar zijn en waarin ook voor levenslang gestraften inspanningen moeten worden verricht om hen voor te bereiden op een terugkeer in de samenleving. Binnen de Raad van Europa maakt Nederland deel uit van een kleine groep van vijf staten die geen regeling hebben die voor levenslang gestraften voorwaardelijke invrijheidsstelling mogelijk maakt (§ 68). Ook in de afzonderlijke landen die het EHRM in zijn onderzoek betrekt, is de tendens heersend om de levenslange gevangenisstraf als onmenselijk te zien als er geen mogelijkheid is tot voorwaardelijke beëindiging daarvan. Voorts stelt het EHRM vast dat de internationale instrumenten over de behandeling van gevangenen benadrukken dat gestreefd moet worden naar een terugkeer in de samenleving en dat zij daarom moeten worden voorbereid op een leven zonder criminaliteit.

Vervolgens gaat de Grote Kamer over tot een bespreking van de uitspraak van de kleine Kamer. Die Kamer maakte onderscheid tussen drie categorieën van veroordeling tot levenslang. De eerste categorie is de veroordeling met de mogelijkheid van voorwaardelijk invrijheidstelling nadat de vrijheidsbeneming een bepaalde tijd heeft geduurd. De tweede categorie omvat de levenslange gevangenisstraffen waarbij de rechter heeft besloten tot uitsluiting van een voorwaardelijke invrijheidsstelling. De derde categorie omvat de levenslange gevangenisstraffen die de rechter krachtens de wet heeft moeten opleggen en die evenmin de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidsstelling kennen. De eerste categorie doet geen vragen rijzen in verband met artikel 3 EVRM. Wat betreft de tweede categorie was de kleine Kamer van oordeel dat de rechter, had hij geen levenslange gevangenisstraf opgelegd, in ieder geval tot een vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur zou hebben besloten. Degene die een misdrijf pleegt waarvoor de rechter levenslang kan opleggen zal er rekening mee moeten houden dat hij in ieder geval een zeer lange gevangenisstraf zal moeten ondergaan, voordat er een mogelijkheid is van invrijheidstelling. Daarom kan, aldus die Kamer, in zo'n geval artikel 3 EVRM nog niet aan bod komen op het moment dat die levenslange straf wordt opgelegd. Alleen wanneer de voortduring van de vrijheidsbeneming niet langer kan worden gerechtvaardigd uit penologisch oogpunt en de straf de facto et de jure toch niet voor verkorting in aanmerking komt, verschijnt artikel 3 in beeld. Maar dat is dus nog niet bij de oplegging. Hetzelfde zal volgens de kleine Kamer gelden voor de derde categorie.

De kleine Kamer uitte bedenkingen tegen het weglaten van een mogelijkheid van review in de nieuwe Criminal Justice Act 2003, maar omdat ten aanzien van klagers niet vaststond dat de voortdurende vrijheidsbeneming geen gerechtvaardigd penologisch doel meer zou dienen was er nog geen sprake van strijd met artikel 3 EVRM.

De Grote Kamer stelt voorop dat de klagers niet hebben gesteld dat de hun opgelegde levenslange gevangenisstraffen ernstig onevenredig zijn. De lidstaten moet een ruime mate van vrijheid worden gegund bij de vaststelling van de vrijheidsstraffen voor bijzondere delicten. Het is niet aan het EHRM om de staten in dat verband op de vingers te tikken. De lidstaten moeten ook de vrijheid hebben om een levenslange gevangenisstraf op te leggen voor de meest ernstige misdrijven. Zeker geldt dat als die gevangenisstraf wordt opgelegd door een onafhankelijke rechter na afweging van alle omstandigheden van het geval. Maar als de levenslange gevangenisstraf niet voor verkorting in aanmerking kan komen kan er spanning met artikel 3 EVRM bestaan. Als de levenslange gevangenisstraf de facto et de jure nog tijdens het leven van de gedetineerde kan worden beëindigd rijst er geen probleem in verband met artikel 3, ook niet als in een bijzonder geval de levenslange gevangenisstraf volledig wordt tenuitvoergelegd. Dat kan het geval zijn wanneer voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geweigerd aan een gedetineerde die nog steeds een gevaar oplevert voor de samenleving. De staat heeft immers de verplichting zijn burgers tegen misdaden te beschermen en kan daartoe personen van wie zo een gevaar uitgaat van hun vrijheid beroven zolang dat nodig is. Of in een gegeven geval een levenslange gevangenisstraf als absoluut moet worden beschouwd hangt samen met de mogelijkheid in de nationale wetgeving om de voortduring van een levenslange gevangenisstraf te doen herbeoordelen. Als wettige penologisch gronden voor vrijheidsbeneming kunnen worden aangewezen bestraffing, afschrikking, bescherming van anderen ("public protection") en rehabilitatie. De verhouding tussen deze gronden is niet statisch. De nadruk kan bijvoorbeeld bij de oplegging van de vrijheidsbenemende straf liggen bij de ene grond en nadien verschuiven naar een andere. Of van zo'n verschuiving sprake is kan tussentijds worden onderzocht. Als er geen enkele hoop is op vrijlating, als iedere herbeoordeling tussendoor is uitgesloten zal de veroordeelde nooit kunnen laten zien dat hij zich heeft gebeterd. Een hoe langer de vrijheid wordt ontnomen, des te delicater wordt de kwestie van de evenredigheid tussen straf en misdrijf. Een systeem waarin een veroordeelde nooit de kans krijgt zijn vrijheid te herwinnen staat op gespannen voet met de eerbied voor de menselijke waardigheid. De autoriteiten moeten ook een levenslang gestrafte ondersteunen in zijn pogingen zich te rehabiliteren. Binnen Europa, maar ook wereldwijd, vindt de stelling dat ook levenslang gestraften de mogelijkheid tot rehabilitatie moeten hebben en het vooruitzicht van vrijlating als die rehabilitatie is bereikt, ondersteuning. Deze steun wordt ook geboden in verschillende nationale rechtssystemen, die hetzij geen levenslange gevangenisstraf kennen, hetzij in een herbeoordeling van een levenslange gevangenisstraf voorzien na verloop van een vastgestelde tijdsduur.

Op basis van deze overwegingen komt het EHRM in § 119 tot de volgende stelling:

"For the foregoing reasons, the Court considers that, in the context of a life sentence, Article 3 must be interpreted as requiring reducibility of the sentence, in the sense of a review which allows the domestic authorities to consider whether any changes in the life prisoner are so significant, and such progress towards rehabilitation has been made in the course of the sentence, as to mean that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds."

Het EHRM voegt daar meteen aan toe dat het niet aan hem is om voor te schrijven in welke vorm zo een herbeoordeling – bijvoorbeeld een administratieve of rechterlijke – moet worden georganiseerd. Wel spreekt uit al het materiaal dat het EHRM heeft geraadpleegd een voorkeur voor een speciale procedure van herbeoordeling voordat maximaal 25 jaar zijn verlopen sinds de veroordeling. Als de nationale wetgeving niet voorziet in de mogelijkheid van zo'n herbeoordeling is een levenslange gevangenisstraf in strijd met artikel 3 EVRM. De tot levenslang veroordeelde moet de gelegenheid hebben te klagen dat een voortduring van zijn vrijheidsbeneming niet meer aan de eisen van artikel 3 EVRM voldoet. Zo een veroordeelde moet meteen bij zijn vonnis weten wat hij moet doen om in aanmerking te komen voor een vervroegde invrijheidstelling en wanneer hij daarom kan verzoeken. Als de nationale wetgeving helemaal geen mogelijkheid van herbeoordeling van een levenslange gevangenisstraf kent, is er al strijd met artikel 3 EVRM zodra zo een straf wordt opgelegd.

In de zaken Vinter, Bamber en Moore overweegt het EHRM vervolgens dat de redenen door de Engelse regering gegeven voor het niet overnemen in de Criminal Justice Act 2003 van het reviewmechanisme na 25 jaar, dat voor 2003 bestond, niet overtuigen. Hoewel de Secretary of State de verplichting heeft om artikel 3 EVRM ook bij "whole life orders" in de praktijk te brengen en is aangevoerd dat de "compassionate grounds" kunnen worden opgerekt om aan de eisen van artikel 3 te voldoen, moet het EHRM vaststellen dat de Secretary of State het beleid in die zin niet uitdrukkelijk heeft omgebogen. De "compassionate grounds" zijn te beperkt om te kunnen dienen als basis voor een "prospect of release" zoals artikel 3 EVRM dat verlangt.

Ook als de rechter in een voorkomend geval de basis van de "compassionate grounds" toereikend zou vinden doet dat er niet aan af dat op het moment van de beoordeling door het Hof de situatie nog onduidelijk was. Het Hof is er daarom niet van overtuigd dat de levenslange gevangenisstraffen van de klagers voldoen aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Maar omdat klagers zich niet op het standpunt hebben gesteld dat in hun geval er niet langer een wettelijke penologische reden voor voortduring van hun vrijheidsbeneming voorhanden was en hebben aanvaard dat vrijheidsbeneming kan voortduren op grond van het gevaar dat van de gedetineerde uit aat, hoeft de bevinding van het Hof dat artikel 3 EVRM is geschonden nog niet te worden gezien als een voorbode van een op handen zijnde invrijheidstelling.

Na de uitspraak in de zaak Vinter heeft het EHRM nog andere arresten gewezen over de levenslange gevangenisstraf, zoals op 3 februari 2015, in de zaak Hutchinson.33 Klager is geboren in 1941 en werd in 1984 veroordeeld omdat hij had ingebroken in een woning, daar de bewoner, zijn vrouw en hun zoon had gedood en de dochter des huizes herhaalde malen had verkracht. Verdachte ontkende ter terechtzitting maar werd tot levenslang veroordeeld. Enige jaren later besloot de Secretary of State dat de gevangenisstraf zou bestaan uit een "whole life term". Na inwerkingtreding van de Criminal Justice Act 2003 legde Hutchinson deze beslissing voor aan de High Court, die de beslissing van de Secretary of State handhaafde. De ernst van de gepleegde misdrijven was dusdanig dat het uitgangspunt een "whole life order" moest zijn. Er waren geen strafverminderende omstandigheden, maar enkel strafverzwarende. Hutchinson wendde zich tot het EHRM. Het EHRM vermeldde het bestaan van de mogelijkheid van vervroegde vrijlating op "compassionate grounds". De Kamer herhaalde de Engelse rechtspraak over de uitoefening van deze bevoegdheid van de Secretary of State en noemde in dat verband de Human Rights Act 1998, die de autoriteiten verplichtte om het EVRM te eerbiedigen. De Kamer verwees naar de overwegingen van de Grote Kamer in de zaak Vinter over het gebrek aan duidelijkheid met betrekking tot de invulling van de uitoefening van de bevoegdheid van de Secretary of State om een levenslange gevangenisstraf te beëindigen. Inmiddels had echter in Engeland de Court of Appeal, in een speciale samenstelling, zich gebogen over vonnissen waarin "whole life orders" waren opgelegd, met het oog op de consequenties die de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter voor Engeland zou hebben. De Court of Appeal distantieerde zich van de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter en legde uit hoe het Engelse systeem moet worden begrepen. Herbeoordeling is mogelijk als er zich uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan. De tot een "whole life order" veroordeelde zal moeten stellen dat de "whole life order" enkel als straf bedoeld was maar dat daarna bijzondere omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. De Secretary of State zal moeten beoordelen of zich inderdaad bijzondere omstandigheden voordoen die een verkorting van de straf op "compassionate grounds" rechtvaardigen. Wat daaronder moet worden begrepen wordt niet gedicteerd door de restrictieve bewoordingen van beleidsstukken zoals het Lifer Manual. Deze uitdrukking moet aldus worden ingevuld dat een conflict met artikel 3 EVRM wordt vermeden. De uitdrukking "compassionate grounds" heeft geen vastliggende inhoud, maar ontwikkelt zich van geval tot geval. Ook de Secretary of State moet zijn beslissing nemen aan de hand van de omstandigheden van het geval, welke beslissing bovendien onderworpen is aan rechterlijk toezicht. Gelet op dit systeem is volgens de Engelse rechters in het Engelse recht een mogelijkheid tot een verkorting van een levenslange gevangenisstraf ingebouwd die voldoet aan de eisen. De mogelijkheid bestaat immers dat een oorspronkelijk gerechtvaardigde strafoplegging op grond van buitengewone omstandigheden nadien niet langer gerechtvaardigd meer te noemen is:34

"36. It is entirely consistent with the rule of law that such requests are considered on an individual basis against the criteria that circumstances have exceptionally changed so as to render the original punishment which was justifiable no longer justifiable. We find it difficult to specify in advance what such circumstances might be, given that the heinous nature of the original crime justly required punishment by imprisonment for life. But circumstances can and do change in exceptional cases. The interpretation of s.3035 we have set out provides for that possibility and hence gives to each such prisoner the possibility of exceptional release."

De Court of Appeal komt dan tot de conclusie dat Engelse rechters het wettelijk schema van de Criminal Justice Act 2003 gewoon kunnen blijven toepassen en in uitzonderlijke zaken, die overigens waarschijnlijk zeldzaam zullen zijn, "whole life orders" kunnen blijven opleggen.

Voor het EHRM beriep Hutchinson zich op de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Vinter en betoogde dat de Court of Appeal slechts de lijn wilde doortrekken die nu juist in de zaak Vinter was doorbroken.

In §§ 18 tot en met 21 zet het EHRM het standpunt dat de Grote Kamer in de zaak Vinter innam nogmaals uiteen. In § 22 beschrijft het EHRM de kern van de zaak Vinter aldus dat de Grote Kamer de toepasselijke Engelse wetgeving over de bevoegdheid van de Secretary of State om een "whole life order" te verkorten onduidelijk achtte. Maar de Court of Appeal is uitdrukkelijk ingegaan op de bezwaren van de Grote Kamer. De Court of Appeal overwoog dat het vaststond dat de Secretary of State gehouden was van zijn bevoegdheden zodanig gebruik te maken dat er geen conflict met artikel 3 EVRM zou ontstaan. Gelet op deze verplichting voor de Secretary of State bestond in de Engelse wetgeving volgens de Court of Appeal wel degelijk de mogelijkheid voor een veroordeelde tot een "whole life order" om in geval van uitzonderlijke omstandigheden, waardoor de straf niet langer gerechtvaardigd zou zijn, een einde van de levenslange opsluiting te bewerkstelligen (§ 23). Het is in de eerste plaats aan de nationale gerechten om de eigen nationale wetgeving uit te leggen (§ 24). Het EHRM concludeert dan:

"25. In the circumstances of this case where, following the Grand Chamber’s judgment in which it expressed doubts about the clarity of domestic law, the national court has specifically addressed those doubts and set out an unequivocal statement of the legal position, the Court must accept the national court’s interpretation of domestic law (see, mutatis mutandis, Cooper v. the United Kingdom [GC], no. 48843/99, § 125, ECHR 2003‑XII). Further, as the Grand Chamber observed in Vinter and Others, the power to release under section 30 of the 2003 Act, exercised in the manner delineated in the Court of Appeal’s judgments in Bieber and Oakes, and now R. v. Newell; R v. McLoughlin, is sufficient to comply with the requirements of Article 3 (and compare, also, the review mechanisms accepted by the Court to be Article 3-compliant in Kafkaris, cited above, §§ 100-105 [and] Harakchiev and Tolumov, cited above, §§ 257-261.

26. In conclusion, there has been no violation of Article 3 in the present case."

Ik merk op dat drie rechters die deel uitmaakten van de combinatie in de zaak Vinter, ook zetelden in de combinatie die besliste in de zaak Hutchinson. Geen van deze drie rechters schreef een dissenting opinion in een van beide zaken. De zaak Hutchinson is overigens op 1 juni 2015 naar de Grote Kamer verwezen. De hearing van de Grand Chamber in de zaak vond plaats op 21 oktober 2015.

Op 18 maart 2014 deed een kleine kamer van het EHRM uitspraak in de zaak die Abdullah Öcalan, de leider van de PKK, tegen Turkije had aangespannen.36 Öcalan was aanvankelijk tot de doodstraf veroordeeld maar deze straf werd, toen Turkije de doodstraf afschafte, omgezet in een verzwaarde vorm van levenslang. Deze verzwaarde vorm kwam neer op een effectief levenslang verblijf in de gevangenis. Mogelijkheid van een vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling was uitgesloten (§ 179 e.v.). Weliswaar kan de president op humanitaire gronden, bijvoorbeeld wegens hoge leeftijd of ziekte, de vrijlating gelasten, maar dat is niet gelijk te stellen met een "prospect of release" op erkende penologische gronden, zoals het EHRM in Vinter verlangde. Evenmin was er een redelijk vooruitzicht op amnestie voor Öcalan. Dat Öcalan was veroordeeld voor bijzonder ernstige terroristische misdrijven kon deze gebreken niet helen. Deze constateringen brachten het EHRM niet tot de conclusie dat aan Öcalan een perspectief van onmiddellijke vrijlating moest worden geboden:

"Nevertheless, the Court considers that this finding of a violation cannot be understood as giving the applicant the prospect of imminent release. The national authorities must review, under a procedure to be established by adopting legislative instruments and in line with the principles laid down by the Court in paragraphs 111‑113 of its Grand Chamber judgment in the case of Vinter and Others (quoted in paragraph 194 of this judgment), whether the applicant’s continued incarceration is still justified after a minimum term of detention, either because the requirements of punishment and deterrence have not yet been entirely fulfilled or because the applicant’s continued detention is justified by reason of his dangerousness."

In de zaak Kaytan tegen Turkije bewandelde het EHRM (Kleine Kamer) hetzelfde pad.37 Klager was een PKK-strijder die ook was veroordeeld tot een verzwaarde levenslange gevangenisstraf. Hij klaagde over strijd met artikel 3 EVRM. Het EHRM oordeelde weer dat zo een straf, die erop neerkwam dat de veroordeelde de rest van zijn dagen in gevangenschap zal moeten slijten ongeacht het al dan niet bestaan van gevaarlijkheid en zonder enige mogelijkheid van vervroegde vrijlating, op gespannen voet staat met artikel 3 EVRM. Het EHRM oordeelde ook dat de mogelijkheid om te worden vrijgelaten om gezondheidsredenen of bij wijze van amnestie – en hier drukt het EHRM zich, zo lijkt het, categorischer uit dan in de zaak Öcalan – onvoldoende was voor een anders luidend oordeel. Omdat de nationale wetgeving niet voorziet in enigerlei mogelijkheid van herbeoordeling van de verzwaarde levenslange gevangenisstraf ontstaat het conflict met artikel 3 EVRM reeds bij de oplegging van zo'n straf. Het EHRM oordeelde dat de constatering van een schending een voldoende genoegdoening inhield.38

Ook eerder, in Lázló Magyar tegen Hongarije, constateerde het EHRM een schending van artikel 3 EVRM.39 Klager was voor verschillende zeer ernstige misdrijven veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf met uitsluiting van de mogelijkheid van een vervroegde invrijheidstelling. Magyar klaagde over schending van artikel 3 EVRM. Het EHRM onderzocht de mogelijkheid dat de president van Hongarije gratie zou verlenen. De aanvraag van zo een pardon noopte de autoriteiten evenwel niet tot een beoordeling van de kwestie of voortgezette vrijheidsberoving al dan niet gerechtvaardigd zou kunnen zijn op wettige penologische gronden. De wet biedt geen aanknopingspunten voor criteria of voorwaarden waarop een verzoek om pardon zich moest richten. De nationale autoriteiten behoefden hun beslissingen op zulke verzoeken niet te motiveren. Het EHRM is er niet van overtuigd dat een tot levenslang veroordeelde kon weten wat hij moest doen om in aanmerking te komen voor vervroegde invrijheidstelling bij wijze van presidentieel pardon. De regeling van het presidentieel pardon

"does not guarantee a proper consideration of the changes and the progress towards rehabilitation made by the prisoner, however significant they might be (see paragraphs 50 and 53 above). The Court is therefore not persuaded that, at the present time, the applicant’s life sentence can be regarded as reducible for the purposes of Article 3 of the Convention." 40

Na de uitspraak in de zaak Magyar deed een kleine kamer van het EHRM op 8 juli 2014 uitspraak in de zaken van Harakchiev en Tolumov tegen Bulgarije,41 welke uitspraken ook van belang zijn omdat daarin het EHRM te maken kreeg met een systeem waarin gratiëring de enige uitweg uit een levenslange gevangenisstraf was. Harakchiev was onder meer voor gewapende berovingen, gepaard gaande met moord, veroordeeld tot een "whole life imprisonment". Tolumov was veroordeeld voor een overval, gepaard gaande met moord, tot "life imprisonment". Toen Bulgarije nog de doodstraf kende was de maximum duur voor gevangenisstraf lange tijd 30 jaar. In 1995 is de levenslange gevangenisstraf ingevoerd, welke straf door de rechter kon worden omgezet in een gevangenisstraf van 30 jaar nadat de veroordeelde minstens 20 jaar gedetineerd was geweest. Met de afschaffing van de doodstraf in 1998 is de straf van "whole life imprisonment" ingevoerd ter vervanging van de doodstraf. Deze straf kon niet omgezet of verminderd worden zoals de gewone levenslange gevangenisstraf. Daarnaast kende de Grondwet van Bulgarije de mogelijkheid van gratie, te verlenen door de president, die deze bevoegdheid steeds delegeerde aan de vicepresident. Met ingang van 2006 was gratiëring niet uitgesloten voor gewone levenslanggestraften en zelfs niet voor veroordeelden tot een "whole life imprisonment". Na enig constitutioneel geharrewar tussen parlement en Constitutioneel Hof stelde het parlement in 2012 een commissie in voor nader onderzoek van de gratiepraktijk. Na verkiezing van de nieuwe president besloot deze in 2012 ook een commissie in te stellen die de vicepresident bij de uitoefening van de bevoegdheid tot gratiëring moest ondersteunen. Deze commissie moest tewerkgaan volgens regels die werden gepubliceerd. Deze gratiecommissie rapporteerde regelmatig over haar activiteiten. Op advies van de gratiecommissie verleende de vicepresident in 2013 gratie aan een persoon die was veroordeeld tot een "whole life imprisonment", erin bestaande dat deze straf werd omgezet in een gewone gevangenisstraf. Harakchiev diende bij het EHRM klacht in omdat zijn "whole life imprisonment" in strijd was met artikel 3 EVRM. Hij betrok daarbij ook de omstandigheid dat hij, gelet op de strenge detentieomstandigheden waaraan hij was onderworpen, geen gelegenheid kreeg om te laten zien dat hij tot inkeer was gekomen en zonder gevaar weer in de samenleving zou kunnen terugkeren. De kamer van het EHRM maakte gewag van een wetsvoorstel dat de straf van "whole life imprisonment" zou afschaffen en alleen maar de gewone levenslange gevangenisstraf zou handhaven. De kamer vergeleek de uitspraken in de zaken Kafkaris en Vinter met elkaar. Harakchiev was niet in aanmerking gekomen voor een omzetting door de rechter en kon slechts hopen op presidentiële gratie (§ 251). Overeenkomstig de uitspraak in de zaak van Kafkaris zou strijd met artikel 3 EVRM kunnen ontstaan wanneer na verloop van een behoorlijke tijd na de veroordeling de veroordeelde nog geen hoop kon opvatten op een reductie van de straf. Maar volgens Vinter zou er ook al strijd met artikel 3 EVRM kunnen bestaan vóórdat de tot levenslang veroordeelde al een groot deel achter de tralies had verbleven en voldoende vooruitgang had geboekt in zijn ontwikkeling. Overeenkomstig de uitspraak in de zaak Vinter zou reeds op het moment dat de veroordeling onherroepelijk werd de mogelijkheid van een herbeoordeling moeten hebben bestaan. Sinds 2006 bestond deze mogelijkheid de jure, maar daarvóór was dat twijfelachtig. In ieder geval had de vicepresident zijn bevoegdheid tot gratieverlening daarvóór nooit toegepast op een "whole life emprisonment". Pas sinds 2012 bestond daarover duidelijkheid. Door de werkzaamheden van de gratiecommissie en verduidelijking door het Constitutioneel Hof ontstond in de loop van 2012 duidelijkheid over de wijze waarop de gratiebevoegdheid werd uitgeoefend. Omdat ook in 2012 gratie is verleend in geval van een "whole life imprisonment" heeft Harakchiev aan deze gebeurtenissen kunnen ontlenen dat ook hij niet onontkoombaar tot aan zijn dood van zijn vrijheid beroofd zou blijven. Maar het besef dat zijn veroordeling tot levenslang de facto relatief kon zijn kon eerst met ingang van 2012 op de feiten zijn gebaseerd. Daarvoor bestond zulk houvast niet. Het EHRM wees nog op een andere kenmerkende omstandigheid. Harakchiev was in een streng regime geplaatst, praktisch zonder contacten, geïsoleerd. Het EVRM garandeert geen recht op rehabilitatie en legt aan de staten geen absolute verplichting op om gedetineerden in staat te stellen aan re-integratieprogramma's en -activiteiten deel te nemen, maar gedetineerden moeten wel een redelijke gelegenheid krijgen aan hun rehabilitatie te werken.42 Die mogelijkheid is aan Harakchiev eigenlijk niet gegund. Hij heeft dus nooit voldoende kans gehad om te tonen dat hij ook in aanmerking zou komen voor een omzetting van zijn "whole life emprisonment". De kamer kwam unaniem tot de slotsom dat artikel 3 EVRM ten aanzien van Harakchiev is geschonden vanwege diens onmogelijkheid om een vermindering van zijn "whole life sentence" te bewerkstelligen vanaf het moment dat deze veroordeling onherroepelijk was.

Enige maanden daarna, op 13 november 2014, had een Kleine Kamer van het EHRM zich gebogen over het Franse systeem van levenslange opsluiting.43 In het Franse stelsel was volgens het EHRM wel voldoende mogelijkheid ingebouwd om een levenslange gevangenisstraf te verkorten. Bodein was onder meer voor meerdere moorden op en verkrachtingen van minderjarigen veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, waarbij het hof van assisen had bevolen dat aan de veroordeelde geen enkele gunst die zou leiden tot verkorting van de straf, zou worden verleend. Maar de Code de procédure pénale (CPP) voorziet toch in een mechanisme om na 30 jaar zo een bevel van het hof van assisen te passeren. Daartoe dient de juge d'application des peines aan drie medisch deskundigen opdracht te geven om de gevaarlijkheid van de veroordeelde te onderzoeken. Vervolgens is het aan een commissie van raadsheren van de Cour de Cassation om te beoordelen of er grond is om een einde te maken aan de levenslange duur van de straf. Als deze raadsheren positief beslissen kan de veroordeelde een aanpassing van de straf verzoeken. Daarnaast kent het Franse recht nog de mogelijkheid van gratie en van beëindiging van de straf wegens medische redenen (§ 58). Maar het EHRM acht de mogelijkheid van gratie van geen belang omdat het slechts een gunst is die behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de president en omdat de regering geen enkel geval heeft kunnen aanwijzen van iemand die een levenslange gevangenisstraf opgelegd had gekregen die van een gratieverlening had geprofiteerd (§ 59). Ook de mogelijkheid om de levenslange gevangenisstraf vanwege medische redenen te beëindigen voldoet niet aan de eisen die het EHRM stelt. Het moet immers gaan om een verkortingsmogelijkheid op andere gronden, te weten dat penologische overwegingen de straf niet meer kunnen funderen. Maar de CPP voorziet dus wel in een rechterlijke herwaardering van de mate van de gevaarlijkheid van de veroordeelde en zijn ontwikkeling gedurende de tenuitvoerlegging van de straf, waarmee de veroordeelde reeds ten tijde van zijn veroordeling bekend is. Of deze mogelijkheid ook de facto realiteit wordt was op het moment dat het EHRM zijn beslissing nam nog onzeker, maar dat neemt niet weg dat er aan de veroordeelde een vooruitzicht is geboden. Een periode van 30 jaar is, vergeleken bij de gangbare 25 jaar wel wat lang, maar als het voorarrest van Bodein wordt meegeteld komt dat neer op 26 jaar, en dat verschil is nog wel in overeenstemming te brengen met de "marge d'appréciation des États en matière de justice criminelle et de détermination des peines" (§ 61). Van een schending van artikel 3 EVRM was volgens het EHRM dus geen sprake.44 In zijn noot bespreekt Keijzer de rechtspraak van het EHRM en gaat hij uitgebreid in op de uitspraak in de zaak Vinter. Hij betrekt daarbij de uitspraak van het EHRM in de zaak Hutchinson en spreekt zijn voorzichtige voorkeur uit voor de uitkomst waartoe het EHRM in de zaak Vinter is gekomen. Dat de mogelijkheid van beëindiging van de levenslange gevangenisstraf de facto bestaan houdt volgens Keijzer in dat op een gegeven moment daadwerkelijk serieus moet worden onderzocht of de legitieme penologische strafdoelen door het verstrijken der jaren en de inzet van de veroordeelde niet hun relevantie hebben verloren. In Nederland is in gratie de enige mogelijkheid gelegen voor een tot levenslang veroordeelde om niet tot zijn dood gevangen te zitten. Maar wil die mogelijkheid van gratie sporen met artikel 3 EVRM dan moet de mogelijkheid niet alleen de jure maar ook de facto bestaan. Als gratieverzoeken steevast worden afgewezen zou niet aan de voorwaarden van artikel 3 EVRM zijn voldaan. Keijzer wijst erop dat de Minister van Veiligheid en Justitie op een kamervraag heeft aangekondigd de Tweede Kamer spoedig te zullen informeren over de kwestie.

Voor Nederland is nog van belang de procedure in de zaak Murray vs. Nederland. Op 10 december 2013 - dus na de uitspraak in de zaak Vinter - had een kleine kamer van het EHRM uitspraak gedaan in in deze zaak.45 Murray was in 1980 op de Nederlandse Antillen veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens moord. Tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf diende Murray op zijn minst 13 gratieverzoeken in, die alle werden afgewezen. Sinds 15 november 2011 kent het Curaçaose Wetboek van strafrecht een bepaling die de veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf voorwaardelijke invrijheidstelling in het vooruitzicht stelt nadat de vrijheidsbeneming op zijn minst 20 jaar heeft geduurd, mits naar het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. De kamer van het EHRM herhaalde de overwegingen uit de zaak Vinter en overwoog dat het Curaçaose Wetboek van strafrecht een mogelijkheid tot herbeoordeling biedt die voldoet aan de eisen van artikel 3 EVRM. Omdat Murray vóór 2011 geen klacht bij het EHRM heeft ingediend achtte het EHRM het niet nodig om te beoordelen of indertijd gratie aan klager de mogelijkheid van een vooruitzicht van vrijlating bood en of ook voor 2011 de veroordeling tot levenslang kon worden beschouwd de jure et de facto relatief te zijn. Op 14 april 2014 is de zaak naar de Grand Chamber verwezen. Even daarvoor, op 31 maart 2014 was aan klager gratie verleend om gezondheidsredenen. Murray overleed in november 2014, maar een zoon en zus zetten de procedure voort.

Op 26 april 2016 deed de Grote Kamer van het EHRM uitspraak. Daarin geeft het EHRM eerst een uitgebreid overzicht van het verloop van de zaak van klager, van de toepasselijke wetgeving en van de internationale ontwikkelingen inzake de levenslange gevangenisstraf en de behandeling van gevangenen. Vervolgens stelt het EHRM vast dat het dispuut beperkt is tot het bezwaar dat klagers levenslange gevangenisstraf de facto niet kon worden verkort en dat klager nooit een aan zijn geestestoestand adequate bejegening had ondervonden. Aldus zou artikel 3 EVRM zijn geschonden. Na een bespreking van de uitspraak van de kleine kamer zet het EHRM nogmaals de relevante beginselen uiteen. Daarbij put het EHRM in het bijzonder uit zijn overwegingen in de zaken Kafkaris en Vinter. Een levenslange gevangenisstraf kan alleen door de beugel van artikel 3 EVRM als er reeds bij oplegging van de straf een mogelijkheid van herbeoordeling en van eventuele reductie van de straf bestaat. De gangbare en internationaal ondersteunde termijn waarbinnen zo een herbeoordeling plaats moet vinden bedraagt 25 jaar. Het is aan de lidstaten om vorm te geven aan deze herbeoordeling. Ook gratieverlening kan aan de eisen voldoen. Herbeoordeling is nodig omdat een vrijheidsbenemende straf zonder een van de penologisch toereikende gronden niet is geoorloofd. Dat er bij de veroordeling een toereikende penologische basis was voor de straf wil niet zeggen dat die naderhand ook nog steeds bestaat. Gratieverlening of invrijheidstelling op grond van medische redenen valt niet binnen de grenzen van het vooruitzicht op invrijheidstelling dat nodig is. De gevangene heeft er recht op dat periodiek wordt gecontroleerd hoe het gesteld is met de penologische rechtvaardiging. Deze controle moet omgeven zijn van voldoende procedurele waarborgen. De gevangene moet kunnen weten wat van hem verwacht wordt met het oog op een invrijheidstelling en daarom moet de beslissing na de controle met redenen zijn omkleed en aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Of een levenslange gevangenisstraf de facto kan worden verminderd kan onder meer beoordeeld worden aan de hand van van statistische informatie over het effect van eerdere herbeoordelingen (§ 98 en 100). Het zou onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid om iemand van zijn vrijheid te beroven zonder te streven naar rehabilitatie en zonder de veroordeelde de gelegenheid te bieden om zijn vrijheid te herwinnen (§ 101). Rehabilitatie strekt ook tot bescherming van de samenleving (§ 102). Ook levenslang gestraften moeten een reële mogelijkheid krijgen, passend binnen de beperkingen van de vrijheidsstraf, zich te rehabiliteren en zo een stadium te bereiken waarin zij voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komen. Bij gebreke van een mogelijkheid om aan rehabilitatie te werken zal een herbeoordeling met het oog op de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling in feite kansloos zijn. De lidstaten moeten de mogelijkheid van rehabilitatie bieden, hetgeen niet wil zeggen dat zij garant staan voor daadwerkelijke rehabilitatie (§ 103 en 104). Gevangenen met geestelijke stoornissen moeten niet alleen worden onderzocht en gediagnosticeerd, maar de vastgestelde stoornissen moeten ook worden behandeld. Tot levenslang veroordeelden met een geestesstoornis moeten worden onderzocht met het oog op de behandeling die nodig is in verband met een eventuele rehabilitatie. Ook de kans van slagen van behandeling moet daarbij worden betrokken. Als een behandeling tot rehabilitatie kan voeren moet die behandeling ook, voor zover mogelijk binnen de gevangenismuren, worden aangeboden. Welke behandeling nodig is, staat ter vaststelling van de lidstaten. Zij hebben hier een brede "margin of appreciation". Aan de lidstaten mogen geen overspannen verplichtingen worden opgelegd. De lidstaten moeten zich inspannen maar hebben geen resultaatsverplichting. Als een gevangene ondanks deelneming aan een rehabilitatieprogramma gevaarlijk blijft voor de samenleving, mag de lidstaat de vrijheidsbeneming voortzetten (§ 105-111). De grote kamer komt dan tot de volgende slotsom:

"112. In conclusion, life prisoners should thus be detained under such conditions, and be provided with such treatment, that they are given a realistic opportunity to rehabilitate themselves in order to have a hope of release. A failure to provide a life prisoner with such opportunity may accordingly render the life sentence de facto irreducible."

Het EHRM overweegt dan dat in de zaak van Murray de beantwoording van de vraag of de levenslange gevangenisstraf aan de standaarden van artikel 3 EVRM voldoet nauw verbonden is met de waardering van de omstandigheden van klagers detentie (§ 114). In de loop der jaren is de rechtvaardiging voor klagers detentie ingedikt tot het tegengaan van het van klager uitgaand gevaar. In het kader van de berechting van klager zijn defecten in zijn persoonlijkheid vastgesteld. Een speciaal op behandeling daarvan gerichte maatregel kon niet worden opgelegd. Maar evenmin is hem een behandeling geboden tijdens de gevangenisstraf die ertoe zou kunnen strekken het van hem uitgaand gevaar te verminderen. Dat brengt het EHRM tot de volgende conclusie:

"125. Having regard to the foregoing, the Court finds that the lack of any kind of treatment or even of any assessment of treatment needs and possibilities meant that, at the time the applicant lodged his application with the Court, any request by him for a pardon was in practice incapable of leading to the conclusion that he had made such significant progress towards rehabilitation that his continued detention would no longer serve any penological purpose. This finding likewise applies to the first, and in fact only, periodic review that was carried out of the applicant’s life sentence. This leads the Court to the conclusion that the applicant’s life sentence was not de facto reducible as required by Article 3.

126. This being the case, the Court does not consider it necessary to conduct any further or more detailed analysis of either the pardons system or the periodic review mechanism with a view to assessing whether the life sentence was de jure reducible, or of the regime under which the applicant was detained.

127. Accordingly, there has been a violation of Article 3 of the Convention."

11.7.2.

En zo zijn we weer terug in Nederland.

De rechtspraak van het EHRM is in Nederland niet onopgemerkt gebleven. Vanuit het "Forum Levenslang" is met bijzondere belangstelling uitgekeken naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter en de daaropvolgende rechtspraak van dat Hof. In een artikel in het NJB, getiteld Levenslang 'post Vinter' gaat Wiene van Hattum nader in op de consequenties van de rechtspraak van het EHRM voor levenslang in Nederland.46 Zij betrekt daarbij het feit dat de grenzen van het gratiebeleid zich inmiddels duidelijker aftekenen. De vraag rijst of dat gratiebeleid nog wel in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM. In dat verband wijst zij erop dat de voorzieningen die eventueel een levenslang gestrafte kunnen voorbereiden op terugkeer in de samenleving hem door de Staatssecretaris stelselmatig zijn ontzegd. Zij spreekt in dat verband van een "anti-resocialisatiebeleid". Dat beleid wordt geïllustreerd aan de hand van twee voorbeelden van levenslang gestraften die in hun resocialisatie zijn gedwarsboomd. Zij concludeert dat door dit nieuwe beleid er geen sprake meer is van enig vooruitzicht op vrijlating. Levenslang gestraften verblijven in afdelingen waar de bejegening niet op resocialisatie is gericht. Duidelijkheid over de wijze waarop de gratiebevoegdheid wordt uitgeoefend ontbreekt en verklaringen van de bewindspersonen waarin zij volhouden dat de gratieprocedure de levenslang gestraften perspectief biedt hebben op zijn minst geen realiteitsgehalte. Dat botst met de rechtspraak van het EHRM. Er zal dus iets moeten veranderen.

Volmondig zal erkend moeten worden dat ook levenslang gestraften in aanmerking kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Met het oog op hun reclassering zullen zij moeten worden ingepast in een volgsysteem en een systeem van herbeoordeling. Die herbeoordeling kan plaatsvinden binnen de gratieprocedure, maar het heeft de voorkeur als de rechter daarin gemoeid wordt. Een eerste herbeoordeling zal in de regel plaats moeten vinden na 20 jaar, de eerste VI-gelegenheid voor hen die tot de langste tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar zijn veroordeeld.47 Het is aan de bewindspersonen om uit te leggen welke eisen artikel 3 EVRM stelt aan het opleggen en tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Zo kan volgens Van Hattum onrust in de samenleving, meer bepaald bij nabestaanden, worden getemperd en kunnen civiele procedures worden voorkomen.

11.7.3.

Onder 11.5.1. verwees ik naar een brief van de bewindslieden van Justitie over het afschaffen van de volgprocedure langgestraften en de mogelijkheid van gratie als perspectief op vrijlating. Tevens werd in die brief te kennen gegeven dat gedacht werd over een opvolger voor de volgprocedure. Onder 11.5.2. meldde ik dat de Staatssecretaris van Justitie inmiddels geen opvolging van de volgprocedure langgestraften meer overwoog. Wel heeft de Staatssecretaris naar aanleiding van kamervragen over de zaak Vinter geantwoord dat de gratieprocedure aan levenslang gestraften houvast kon bieden in hun hoop op een mogelijkheid van vrijlating. In latere uitlatingen blijft de Staatssecretaris bij zijn standpunt dat de gratieprocedure een perspectief op vrijlating biedt. De wet kent dus een mogelijkheid dat een door de rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf wordt verkort. In de voorafgaande 10 jaren is volgens de Staatssecretaris éénmaal een gratieverzoek van een levenslang gestrafte ingewilligd.48 En op naar aanleiding van een beslissing van het Constitutioneel Hof van St. Maarten om de levenslange gevangenisstraf te schrappen gestelde kamervragen antwoordde de Staatssecretaris dat hij in die uitspraak geen aanleiding vond de Nederlandse gratieregeling te herzien of een tussentijdse toets te introduceren:

"Met het instrument van de gratie beschikt Nederland immers over de mogelijkheid om te beoordelen of met het voortzetten van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf nog een legitiem doel wordt gediend. Gevangenisstraf dient verschillende doelen: bestraffing, vergelding, afschrikking, bescherming van de samenleving, resocialisatie. In de loop van de tijd kan het gewicht van de verschillende gronden voor de gevangenisstraf wijzigen. Dit kan binnen de gratieprocedure worden vastgesteld. Als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doelen in redelijkheid wordt gediend, moet invrijheidstelling volgen."

Het kamerlid Recourt, dat de vragen had gesteld, wilde ook meer weten over het ene geval van gratieverlening waarover de Staatssecretaris bij eerdere gelegenheid zich had uitgelaten:

"Vraag 4

Op grond waarvan is het in de vorige antwoorden genoemde ene geval van gratieverlening van een levenslang gestrafte gehonoreerd? Hoeveel gratieverzoeken van de afgelopen tien jaar zijn door levenslang gestraften gedaan en op grond waarvan zijn die gratieverzoeken afgewezen?

Antwoord 4

In de afgelopen tien jaar zijn in ieder geval veertien gratieverzoeken door levenslanggestraften ingediend. Drie van de veertien verzoeken zijn nog in behandeling, hierover kan (nog) geen uitspraak worden gedaan.

In één van de veertien gratieverzoeken is gratie verleend. Het ging in deze zaak om een persoon die in Duitsland tot levenslang was veroordeeld en waarvan de tenuitvoerlegging door Nederland was overgenomen. In de zomer van 2009 is aan deze veroordeelde gratie verleend in verband met zijn gezondheidstoestand (betrokkene was terminaal ziek).

In de overige negen zaken hebben het Openbaar Ministerie en de rechter een negatief advies uitgebracht:

• Vier gratieverzoeken zijn afgewezen omdat de veroordeelde nog altijd zeer gevaarlijk was en daarom voortzetting van de detentie noodzakelijk bleef.

• Drie gratieverzoeken zijn afgewezen omdat geen van de in artikel 2 van de Gratiewet genoemde gronden zich voordeden.

• Eén gratieverzoek is afgewezen omdat de uitzonderlijke ernst van de feiten op zichzelf het handhaven van de levenslange gevangenisstraf nog steeds rechtvaardigde.

• Eén gratieverzoek is afgewezen omdat geen sprake was van nieuwe omstandigheden waarmee bij de beoordeling van een eerder gratieverzoek geen rekening was gehouden en veroordeelde bovendien niet detentieongeschikt werd geacht.

In al deze zaken zijn de adviezen van het Openbaar Ministerie en de rechter door mij overgenomen in de beslissing." 49

In zijn vijfde vraag verwees de vragensteller naar een artikel in Trema,50 waarin zou zijn gesuggereerd dat de Nederlandse strafrechters geen levenslang meer opleggen omdat die straf in de Nederlandse praktijk te weinig hoop op vrijlating biedt,51 en vroeg hij de Staatssecretaris naar zijn mening. Deze antwoordde dat de strafrechter terecht voorzichtig is met het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. Uitgangspunt van het opleggen van levenslang is dat de veroordeelde niet meer terugkeert in de samenleving. Maar ook voor levenslanggestraften bestaat de mogelijkheid van gratie. Bij het nemen van een beslissing op een gratieverzoek is de rechter van veroordeling betrokken.

In de vragen 6 en 9 verwees de vragensteller naar de uitspraak van de kleine kamer van het EHRM in de 'Nederlandse' zaak Murray en vroeg aan de Staatssecretaris of deze naar aanleiding van deze uitspraak de mogelijkheid van een vervroegde invrijheidstelling voor levenslang gestraften en de introductie van een soort volgprocedure overwoog. De Staatssecretaris antwoordde dat de periodieke toetsing van een levenslange gevangenisstraf op Curaçao volgens het EHRM voldoet aan de eisen die in de zaak Vinter zijn geformuleerd. Maar de mogelijkheid van gratie voldoet ook aan deze eisen. Een volgprocedure is niet nodig omdat het detentiebeleid voldoende mogelijkheden kent voor onderzoek van de persoon van de gedetineerde en omdat voor iedere gedetineerde, dus ook voor levenslang gestraften, een geïndividualiseerde detentieplanning wordt opgesteld met een persoonlijk detentie- en reïntegratieplan. Op vraag 7 naar de invulling van het resocialisatiebeginsel voor levenslang gestraften antwoordde de Staatssecretaris dat de aard van de levenslange gevangenisstraf zich verzet tegen de voorbereiding van terugkeer in de samenleving op een wijze zoals die bij tijdelijke gevangenisstraffen mogelijk is. Maar als gratie wordt overwogen zal de invrijheidstelling ook moeten worden voorafgegaan van een deugdelijke voorbereiding op de terugkeer in de samenleving.

De levenslange gevangenisstraf blijft de gemoederen van leden van de volksvertegenwoordiging ook daarna nog bezighouden. Op 27 augustus 2014 stelde het lid van de Tweede Kamer Schouw schriftelijke vragen aan de Staatssecretaris, waarop het antwoord op 7 oktober 2014 is ontvangen.52 De directe aanleiding voor deze vragen vormde het vonnis in kort geding van de Haagse voorzieningenrechter van 10 juli 2014 , aangespannen door de man die in 1984 tot een levenslange gevangenisstraf was veroordeeld wegens het doodschieten van zes personen in café 't Koetsiertje in Delft. Op gezag van de Minister was veroordeelde op basis van artikel 13 Sr in 2001 geplaatst in de Dr. van der Hoevenkliniek, waarbij was afgesproken dat hem dezelfde behandeling ten deel zou vallen als de daar verblijvende terbeschikkinggestelden. In 2002 is voor veroordeelde een machtiging begeleid verlof afgegeven maar in 2005 is het verlofbeleid voor levenslange detentievormen gewijzigd; zulke verlofmachtigingen werden niet meer verstrekt tenzij gratieverlening zou worden overwogen. Aanvragen van de kliniek voor onbegeleid verlof voor veroordeelde zijn geweigerd. In 2007 is ieder verlof voor levenslang gestraften onmogelijk geworden behoudens op humanitaire gronden. Toen de Staatssecretaris ook het begeleid verlof van de veroordeelde wilde intrekken stak de RSJ daar een stokje voor. Nadien zijn er nog verschillende procedures gevoerd naar aanleiding van beslissingen van de Staatssecretaris om de poot stijf te houden en geen verlof aan veroordeelde toe te staan. Het beeld dringt zich op dat de Staatssecretaris zich niet wilde neerleggen bij beslissingen in zijn nadeel en telkens opnieuw de confrontatie aanging. Uiteindelijk werd de Staat in dit kort geding ertoe veroordeeld om een machtiging onbegeleid verlof van onbepaalde duur aan de kliniek ten behoeve van de veroordeelde te verstrekken.

De Staatssecretaris gaf in antwoord op de eerste drie vragen van het kamerlid Schouw te kennen dat hij uitvoering heeft gegeven aan de inhoud van het vonnis in kort geding van 10 juli 2014. Bij de beantwoording van de vragen 4 en 5 wees de Staatssecretaris erop dat bij de beslissing op een gratieverzoek alle individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte worden meegenomen. In het antwoord op de vragen 6, 7 en 12 merkte de Staatssecretaris op dat uitgangspunt bij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is dat de veroordeelde niet meer terugkeert in de samenleving, hetgeen niet betekent dat de veroordeelde nooit meer vrij kan komen. Ook voor levenslang gestraften bestaat de mogelijkheid van gratie. Door de mogelijkheid van gratie is een levenslange gevangenisstraf zowel juridisch als feitelijk verkortbaar, zoals het EHRM eist. De Staatssecretaris gaf zijn voornemen te kennen zich nader te bezinnen over de consequenties die het kort-gedingvonnis heeft voor de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf en het gratiebeleid, en de Kamer van de resultaten van deze bezinning op de hoogte te stellen.53

Een andere gratiezaak betreffende een levenslang gestrafte die de aandacht van een lid van de volksvertegenwoordiging trok is onderwerp geworden van een kort geding gevoerd voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.54 Eiser is in hoger beroep op 30 januari 1989 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld onder meer voor drievoudige moord. Het cassatieberoep is verworpen. Meerdere door eiser inmiddels ingediende gratieverzoeken zijn afgewezen. Een eerder kort geding is door eiser ingetrokken nadat hij met de Staat is overeengekomen dat de Staat na indiening van een nieuw gratieverzoek een onderzoek zou laten verrichten naar, kort gezegd, de impact van een vrijlating van eiser. Het nieuwe daarop ingediende gratieverzoek stelde dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd was met artikel 3 EVRM. De nadere onderzoeken waartoe de Staat zich eerder had verplicht zijn uitgevoerd. Het OM adviseerde tot afwijzing van het verzoek. Het gerechtshof gaf te kennen positief te adviseren over het gratieverzoek, mits terugkeer in de samenleving op verantwoorde wijze is voorbereid. Het hof achtte zich niet in staat een duidelijk advies te geven, omdat buiten de schuld van de veroordeelde in het geheel nog geen activiteit, gericht op zijn mogelijke resocialisatie, had plaatsgevonden. Daardoor was een oordeel over de strafdoeleinden die al dan niet door een verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zouden kunnen worden gediend nog niet mogelijk. Het hof adviseerde zo snel mogelijk met een resocialisatietraject te beginnen en het OM en het hof van het verloop daarvan binnen een jaar te informeren. De Staatssecretaris heeft nog aanvullend advies ingewonnen bij ambtelijke diensten onder meer over de complicatie van het feit dat verdachte als vreemdeling ongewenst was verklaard en heeft vervolgens het gratieverzoek afgewezen omdat de strafdoelen vergelding en generale preventie nog door verdere tenuitvoerlegging worden gediend. Daarom is er volgens de Staatssecretaris geen sprake van schending van artikel 3 EVRM. In het daarop door de veroordeelde aangespannen kort geding werd primair een verbod geëist op verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en – onder meer – subsidiair en meer subsidiair gevorderd om de Staat te bevelen binnen 14 dagen na het vonnis in kort geding een begin te maken met activiteiten gericht op resocialisatie.

Uit de rechtspraak van het EHRM leidt de voorzieningenrechter onder meer af dat een veroordeelde vanaf de oplegging van de gevangenisstraf moet kunnen weten op welke wijze hij voor invrijheidstelling in aanmerking kan komen en wanneer hij daartoe stappen kan zetten. Na 25 jaar, aldus de voorzieningenrechter, en daarna met enige regelmaat, moet de levenslange gevangenisstraf worden herbeoordeeld teneinde te kunnen vaststellen of voortzetting van de vrijheidsbeneming op grond van penologische doelen nog gerechtvaardigd is. Gratie kan voorzien in de eisen die het EHRM stelt. De Staatssecretaris heeft bij de beoordeling van het gratieverzoek klaarblijkelijk geen oog gehad voor de resocialisatie van eiser. Het advies van het gerechtshof is niet gevolgd en informatie van de ambtelijke diensten hield in dat resocialisatieactiviteiten niet mogelijk zouden zijn. De voorzieningenrechter wijst er echter op dat in het kader van dat onderzoek de nadruk is gelegd op verlof voor de veroordeelde, waaraan zijn status als ongewenst verklaarde vreemdeling in de weg zou staan. Maar resocialisatie kan ook op andere wijze worden beproefd dan door verlof te verlenen. En die andere kans moet aan de veroordeelde worden geboden. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering dat er moet worden begonnen met resocialisatie-activiteiten toe. Het effect van deze activiteiten zal bij de beslissing op een nieuw gratieverzoek moeten worden meegenomen. Het hof en het parket moeten worden geïnformeerd over de resultaten van dit traject.

Deze zaak kreeg een vervolg toen de Staatssecretaris het verzoek van de veroordeelde om verlof afwees. Tegen deze beslissing stelde de veroordeelde beroep in bij de RSJ die op 19 mei 2015 besliste.55 Aan haar beoordeling deed de Beroepscommissie een overzicht van hetgeen in de zaak was voorgevallen voorafgaan en maakte daarbij tevens melding van een rapport van de Nationale ombudsman van 29 december 2014 waarin deze schreef dat hij zich niet aan de indruk kon onttrekken dat het gebrek aan transparantie en voortvarendheid in deze zaak voortvloeide uit onwil van de Staatssecretaris om daadwerkelijk invulling te geven aan de mensenrechtentoets die het EHRM in het Vinterarrest vraagt. De Beroepscommissie vat het geschil in de kern samen door zich de vraag te stellen of verlening van verlof in enigerlei vorm van de resocialisatie deel uit behoort te maken. In beginsel beantwoordt de Beroepscommissie deze vraag bevestigend. Ook aan klager moet de mogelijkheid worden geboden zich buiten de inrichting te begeven. De vorm waarin dit verlof kan worden gegoten is nog een probleem, enerzijds gelet op het feit dat klager een levenslange straf opgelegd heeft gekregen, anderzijds het feit dat hij ongewenst vreemdeling is verklaard. Dat betekent dat niet iedere vorm van verlof mogelijk is. Maar de Beroepscommissie acht een bepaalde vorm van incidenteel verlof wel mogelijk en verklaart het beroep gegrond. De Staatssecretaris moet een nieuwe beslissing nemen, toegespitst op incidenteel verlof, in het kader van de resocialisatie van klager en als onderdeel van zijn detentieplan.56

Deze beslissing van de Beroepscommissie heeft het lid van de Tweede Kamer mevrouw Helder aanleiding gegeven vragen aan de Staatssecretaris te stellen. De Staatssecretaris heeft in de beantwoording van de vragen57 te kennen gegeven uitvoering te zullen geven aan de beslissing van de Beroepscommissie. Maar tevens antwoordt de Staatssecretaris dat hij aanleiding ziet om nader te onderzoeken of een aanpassing in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf zou kunnen bijdragen aan de houdbaarheid daarvan voor de rechter. De Staatssecretaris neemt zich voor om betrokken partijen en relevante derden te raadplegen en stelt een brief aan de Tweede Kamer na de zomer in het vooruitzicht. Als antwoord op vraag 3 schrijft de staatssecretaris onder meer dat ook volgens de Hoge Raad het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met het EVRM. Hij vervolgt:

"Dit betekent echter niet dat er binnen het huidige beleid geen enkel perspectief op vrijlating is. Levenslanggestraften kunnen immers, net als andere veroordeelden, in aanmerking komen voor gratie.

Door deze mogelijkheid kent Nederland een wettelijke regeling als gevolg waarvan een door de rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf kan worden verkort."

Op vragen of de mogelijkheid van resocialisatie en verlof voor levenslang gestraften worden uitgesloten verwijst de Staatssecretaris naar de in het vooruitzicht gestelde brief.58

11.7.4.

Het onbehagen met levenslange gevangenisstraf bleef niet beperkt tot wetenschap en politiek. Ook zijn er tekenen dat de rechtspraak er zich ongemakkelijk bij is gaan voelen. Expliciet is dat uitgedrukt in het vonnis van de Rechtbank Noord Nederland van 24 november 2015.59 De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr) en voor het medeplegen van twee moorden. Het OM vorderde oplegging van een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank nam aan dat verdachte leed aan een stoornis die een rol speelde bij de keuzes die verdachte heeft gemaakt, maar die onvoldoende was om tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid te concluderen. De rechtbank worstelde met de vraag of levenslang diende te worden opgelegd:

"Een levenslange gevangenisstraf In Nederland duurt in beginsel een leven lang, dus tot de dood erop volgt, tenzij gratie wordt verleend.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)."

Na een bespreking van de nationale rechtspraak en de rechtspraak van het EHRM vervolgde de rechtbank aldus.

"Een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde kan op grond van de in artikel 2 Gratiewet te allen tijde en zo vaak hij wil een gratieverzoek indienen. De Gratiewet bepaalt dat gratie kan worden verleend indien met de tenuitvoerlegging van de straf in redelijkheid geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel wordt gediend. Wettelijk gezien (de iure) bestaat dus de mogelijkheid om de levenslange gevangenisstraf op enig moment te verkorten.

Van de na 1970 tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden is tot op heden geen enkel gratieverzoek gehonoreerd. Na 1986 is slechts in 2009 één keer gratie verleend. Aan deze veroordeelde is in verband met zijn gezondheidstoestand, te weten terminaal ziek, gratie verleend.

(zie beantwoording kamervragen van de Tweede Kamer, 4 maart 2014, 2013 Z 25341). Een dergelijke reden voor gratieverlening valt naar het oordeel van de rechtbank echter niet onder het begrip “prospect of release “ (uitzicht op in vrijheidstelling) zoals het EHRM eist. De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd dat de gratieprocedure de facto nauwelijks perspectief biedt op verkorting van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. De conclusie dat de mogelijkheid om levenslange gevangenisstraf te verkorten door middel van gratie geheel illusoir is, kan thans echter niet worden getrokken.

Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in Nederland zonder meer in strijd komt met artikel 3 EVRM.

Wel is de rechtbank van oordeel dat uit deze jurisprudentie volgt dat de praktijk van de levenslange gevangenisstraf in Nederland op gespannen voet staat met de eisen die uit het EVRM voortvloeien, omdat de facto nauwelijks perspectief bestaat op verkorting van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. Dit is voor de rechtbank de reden om niet over te gaan tot het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank is daarbij wel van oordeel dat het gevaar voor de samenleving, bij een eventuele, in de (verre) toekomst liggende terugkeer van verdachte in de maatschappij, dient te worden ingeperkt door naast eerdergenoemde langdurige gevangenisstraf de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. Indien zou blijken dat verdachte na ommekomst van een zeer langdurige gevangenisstraf en een behandeling in een gedwongen kader, nog steeds een gevaar voor de maatschappij vormt, kan een tbs met dwangverpleging voortduren. Aan verdachte is aldus enerzijds niet elk perspectief op terugkeer in de maatschappij ontnomen, maar anderzijds is de maatschappij afdoende beschermd, omdat een eventuele terugkeer met de nodige waarborgen zal zijn omkleed.

Alles afwegende zal de rechtbank geen levenslange gevangenisstraf opleggen doch de maximale tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaar met daarbij de maatregel tbs met dwangverpleging."

Dit vonnis bleef niet onopgemerkt. Al twee dagen na het wijzen van het vonnis diende een aantal leden van de Tweede Kamer een motie in met de volgende inhoud:

"De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland geen regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling in geval van levenslange gevangenisstraf kent;

overwegende dat de rechtbank Assen op 24 november 2015 ervan afzag om een levenslange gevangenisstraf op te leggen omdat de mogelijkheid van gratie voor levenslang gestraften vrijwel niet wordt toegepast en omdat een levenslange gevangenisstraf zonder enig perspectief op vrijlating in de toekomst op gespannen voet staat met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens;

van mening dat levenslange gevangenisstraf zonder enig reëel perspectief op vrijlating in de toekomst in strijd is met artikel 3 van het EVRM met betrekking tot het verbod op onmenselijke bestraffing en dus inhumaan is;

van mening dat als rechters bij gebrek aan perspectief op vrijlating in de toekomst geen levenslange gevangenisstraf opleggen, daarmee het gevaar bestaat dat de meeste zware misdaden niet langer met levenslang zullen worden bestraft;

verzoekt de regering, met een wetsvoorstel te komen dat ziet op een periodieke onafhankelijke toetsing van de levenslange gevangenisstraf die perspectief op vrijlating biedt,

en gaat over tot de orde van de dag." 60

Inmiddels tekent zich een politieke meerderheid af voor een systeem waarin de levenslange gevangenisstraf na een bepaalde periode wordt getoetst. De VVD heeft zich ook daarvoor zoveel mogelijk uitgesproken, zij het dat de VVD deze vernieuwing gepaard wil doen gaan met een verhoging van de tijdelijke straffen voor moord en doodslag.61 De Volkskrant van 2 april 2016 maakt inmiddels melding van het plan van Staatssecretaris Dijkhoff om op korte termijn te komen met een plan waarin de toetsing van de levenslange gevangenisstraf na een bepaalde tijd wordt geregeld.

11.7.5.

Intussen lijkt de stand van zaken in Nederland met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf dus te zijn dat de theoretische mogelijkheid van een beëindiging van deze straf anders dan door het overlijden van de gestrafte algemeen wordt erkend. De Gratiewet voorziet in deze theoretische mogelijkheid. Ook de achtereenvolgende bewindslieden van (Veiligheid en) Justitie hebben telkens naar deze mogelijkheid verwezen. Maar de meningen zijn verdeeld over de kwestie of ook de facto zo een reductiemogelijkheid bestaat. De verwijzing naar een gratieverlening uit 2009 biedt hiervoor geen ondersteuning, omdat deze gratieverlening berustte op "compassionate grounds" die nu eenmaal in de ogen van het EHRM onvoldoende zijn om een "prospect of release" op te kunnen baseren. Voorts blijkt uit uitlatingen van bewindslieden dat de overheid het niet meer als haar taak beschouwt om actief ook voor levenslanggestraften mogelijkheden te creëren om zich te verbeteren en aan hun rehabilitatie te werken met het oog op een terugkeer in de samenleving.

Ook de praktijk van de gratieverlening biedt een beeld dat in ieder geval de laatste decennia van de bevoegdheid om gratie te verlenen anders dan om medische redenen geen gebruik is gemaakt, in tegenstelling tot in het verleden. Ik vat de cijfers die ik ontleend heb aan Wikipedia samen. Wikipedia bevat een lijst van tot levenslang veroordeelden in Nederland. Deze lijst maakt een onderscheid in vier periodes:

1. 1870 -1886

2. 1886-1945

3. 1945-1970

4. Na 1970.

In de eerste periode zijn 19 personen tot levenslang veroordeeld. Onder hen een aantal die bekend zijn gebleven, zoals Hendrik Jut die in 1876 tot levenslang is veroordeeld wegens roofmoord op een vrouw en haar dienstbode in Den Haag. Hij overleed in de gevangenis. Hetzelfde lot trof Maria Swanenburg, Goeie Mie de Leidse gifmengster, die verzekeringen afsloot op ouderen en zieken en hen daarna vergiftigde. Nog in de gevangenis probeerde ze twee medegevangenen te vergiftigen. Al haar gratieverzoeken werden afgewezen. Maar van deze 19 veroordeelden hebben zes anderen wél gratie gekregen.

In de tweede periode, van 1889 tot en met 1945 zijn 35 mensen tot levenslang veroordeeld. 14 van hen kregen gratie, onder wie J.G. Maring die zijn compagnon op de Amsterdamse Majellatoren vermoordde en daarna het verzekeringsgeld opstreek. De zaak kwam uit en toen probeerde hij de belangrijkste getuige à charge te laten vermoorden. Geen gratie kreeg Johannes Jacobus Beek, die een vergiftigde taart aan de Hoornse marktmeester zond waarvan diens echtgenote at, waarna zij overleed.

In de periode 1945-1970 zijn 13 personen tot levenslang veroordeeld. Van hen hebben er maar liefst 11 gratie gekregen onder wie de Berkelse huisarts, dokter O., ook bekend als de gifmenger van Berkel, en Hans van Zon.

Na 1970 hebben 41 personen een levenslange gevangenisstraf opgelegd gekregen. Geen van hen is gegratieerd.

Een bijzondere categorie vormen nog de personen die buiten Nederland tot levenslang zijn veroordeeld maar hun straf in Nederland uitzitten. Onder hen Ahmet C die in 1992 in Duitsland twee mannen doodschoot en daarvoor in Duitsland is veroordeeld. Hij is in 1998 overgeplaatst naar Nederland en kreeg in 2009 gratie omdat hij terminaal ziek was. Kort daarop overleed hij.

Eerder gaf ik al aan dat er volgens de rechtspraak van het EHRM zo een gratieverlening niet mag worden betrokken bij de beoordeling of een levenslange gevangenisstraf de facto verminderbaar is.

11.7.6.

In het voorgaande is geschetst hoe verschillende bewindslieden van (Veiligheid en) Justitie vanuit het standpunt "levenslang is levenslang", onder erkenning van de theoretische mogelijkheid dat een levenslange gevangenisstraf kan worden verkort, een praktijk hebben geschapen waarin niet alleen gratiering van levenslang gestraften de facto, behoudens op medische gronden, uitgesloten bleek, maar ook waarin het perspectief op verkorting van de levenslange gevangenisstraf een illusie werd omdat de toegangswegen naar zo een verkorting werden versperd door het opwerpen van barrières in de detentieprogrammering en door het laten bestaan van onduidelijkheid over de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil zo een verkorting gestalte kunnen krijgen.

Maar in die houding lijkt staatssecretaris Dijkhoff verandering te willen brengen. Zonder vooruit te willen lopen op de inhoud van de nieuwe regeling en zonder de staatssecretaris voor de voeten te willen lopen lijkt het mij toch zinvol om zeer kort – en niet uitputtend – enige punten van aandacht, zij het met alle terughoudendheid, op te werpen. In de eerste plaats komt het mij voor dat de RSJ als bij uitstek deskundige en toegeruste penitentiaire rechter op enigerlei wijze dient te worden betrokken bij de besluitvorming voorafgaand aan een gratieverlening. Niet dat de RSJ de rechter die de oorspronkelijke levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd moet verdringen, maar wel moet de RSJ in staat worden gesteld te toetsen of de invulling van de detentie die wordt aangeboden aan de levenslang gestraften voldoende is enerzijds als stimulans voor deze gestraften om zich in te zetten voor rehabilitatie, anderzijds als een toereikend instrument waaraan de bereidheid om aan deze rehabilitatie te werken en de voortgang daarvan kan worden afgemeten. Een rehabilitatietraject dat uiteindelijk tot gratiëring62 kan leiden dient per levenslang gestrafte zo snel mogelijk te worden ontworpen en zichtbaar gemaakt. Beoordelingsmomenten dienen te worden ingepast en uiteindelijk dient voordat 25 jaar zijn verlopen na veroordeling een herbeoordeling van de penologische rechtvaardiging van de levenslange gevangenisstraf plaats te vinden. Het initiatief voor het ingaan van een gratieringstraject mag niet enkel in handen worden gelegd van de levenslang gestrafte. Overwogen moet worden hoe en wanneer de rechter bij deze beoordeling kan worden betrokken en over welke bevoegdheden de rechter in dat verband zal moeten kunnen beschikken.

11.8.

Gelet op het bovenstaande zal mijn oordeel over het 10e middel geen verrassing betekenen. Uit de rechtspraak van het EHRM vanaf Vinter tot en met Murray is af te leiden dat een stelsel, waarin de levenslang gestrafte bij veroordeling en tijdens de tenuitvoerlegging niet kan hopen op een herbeoordeling en reductie van die straf als hij te zijner tijd aan bepaalde voorwaarden voldoet, botst met artikel 3 EVRM. De enkele mogelijkheid van gratie bij terminale ziekte of volkomen aftakeling is in de ogen van het EHRM onvoldoende. Ook de levenslang gestrafte moet zich kunnen rehabiliteren. De nationale autoriteiten zullen zich daarvoor moeten inzetten tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en daartoe mogelijkheden voor de gestrafte moeten openen. Voor de tot levenslang veroordeelde moet duidelijk zijn aan welke voorwaarden hij moet voldoen wil hem te zijner tijd een reductie van zijn straf worden gegund.

Voor de verwerping van het bezwaar dat een levenslange gevangenisstraf in Nederland de facto geen perspectief op vrijlating biedt heeft het hof zich verlaten op de gratie die in 1986 aan Hans van Z is verleend en de 'medische' gratiering van Ahmet C in 2009. Deze laatste gratiëring moet buiten beschouwing blijven. De gratiëring van Hans van Z in 1986 heeft betrekking op een veroordeling van 1969, bijna 50 jaar geleden. Voor de huidige gratiepraktijk is deze gratiëring - die nog plaatsvond onder gelding van de Volgprocedure langgestraften - niet meer relevant te noemen. Dat betekent dat naar mijn oordeel de motivering die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het bezwaar tegen het opleggen van een levenslange gevangenisstraf tekortschiet.

Het 10e middel slaagt.

12. De eerste negen middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het 10e middel slaagt, hetgeen tot vernietiging van de strafoplegging dient te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

Als de Staatssecretaris werk maakt van zijn voornemen om de invulling van de levenslange gevangenisstraf zodanig te wijzigen dat strijd met artikel 3 EVRM wordt voorkomen, zal het hof dat zich opnieuw zal moeten buigen over de strafoplegging, waarschijnlijk kennis kunnen nemen van het resultaat van de inspanningen van de Staatssecretaris en daarmee eventueel rekening kunnen houden. Voor anderen die onherroepelijk veroordeeld zijn tot een levenslange gevangenisstraf zal een nieuw te ontwerpen stelsel, gekenmerkt door een mogelijkheid van herbeoordeling en eventuele aanpassing van de opgelegde straf, ook relevant zijn. Als het nieuw te ontwerpen stelsel voldoet aan de eisen die het EHRM in artikel 3 EVRM besloten ziet liggen zullen deze veroordeelden de rechten kunnen doen gelden die uit dit nieuwe stelsel voortvloeien. Zij zullen daartoe de RSJ en eventueel de burgerlijke rechter kunnen adiëren.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin de straf is bepaald op een levenslange gevangenisstraf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag dat opnieuw over de strafoplegging zal moeten beslissen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 5 oktober 2004, NJ 2004, 686.

2 EHRM 18 mei 2010, nr. 64962/01, Ozerov v. Rusland.

3 EHRM 7 augustus 1996, NJ 1998, 185 m.nt. Knigge.

4 Nr. 39676/98.

5 In dezelfde zin HR 3 maart 1998, NJ 1998, 514 waarin de rechtbank in zaken tegen medeverdachten bewezen had verklaard dat zij tezamen met onder meer verdachte deel hebben uitgemaakt van dezelfde criminele organisatie. Verdachte zelf is veroordeeld door een combinatie waarin twee leden van die eerdere combinatie zitting hadden.

6 NJB 2000, 28, p. 1338.

7 Nr. 32271/04.

8 HR 25 maart 2008, ECLI:2008:BC3785.

9 HR 18 januari 1994, NJ 1994, 305; HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 484 m.nt. Knigge. Zie anders EHRM 10 juni 1996, NJ 1998, 184 m.nt. Knigge.

10 HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 187 m.nt. Knigge.

11 Deze situatie ligt in dezelfde sfeer als wanneer een rechter een vervolging voor 'contempt of court' inleidt en vervolgens daarover zelf oordeelt, zoals het EHRM heeft uitgemaakt. Zie EHRM 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou vs. Cyprus).

12 HR 2 juni 2009, ECLI:2009:BH9920.

13 EHRM 15 februari 2007, nr. 15048/03.

14 Bijv. HR 7 juli 2015, NJ 2015, 428 m.nt. Vellinga-Schootstra.

15 HR in december 2010, ECLI:2015:3426. Zie over de ontwikkeling in de wetgeving en rechtspraak van de voorbedachte raad in Nederland en Duitsland Ebby Hofstee, De voorbedachte raad in Nederland en Duitsland, in Ad hunc modum, Deventer 2013, p. 107 e.v.

16 Vgl. HR 8 april 1997, NJ 1997, 443. De 'error in persona' is "wegen tatbestandlicher Gleichwertigkeit der Rechtsgüter als Motivirrtum unerheblich"(BGH 7 oktober 1997, NStZ 1998, p. 295).

17 M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs, diss. Leiden 2014, p. 165.

18 Dubelaar a.w., p. 166.

19 Dubelaar a.w., p. 167.

20 Dubelaar a.w., p. 170.

21 Dubelaar a.w., p. 374.

22 Dubelaar a.w., p. 378..

23 Dubelaar a.w., p. 381.

24 Pleitnota, p. 16.

25 Vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:2015:1249.

26 Vgl. HR 4 mei 1993, DD 93.401; HR 22 november 2005, ECLI:2005:AU3887; HR 22 januari 2008, NJ 2008, 193 m.nt. Reijntjes; HR 20 januari 2009, ECLI:2009:BG1645. Zie voorts HR 22 maart 2016, ECLI:2016:472 waarin de HR het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende motivering verwierp in een zaak waarin verdachte tot een gevangenisstraf en tbs met verpleging had veroordeeld en mijn ambtgenoot mr. Harteveld in zijn conclusie de autonomie van de strafrechter bij de beoordeling van deskundigenrapporten had benadrukt.

27 EHRM 12 februari 2008, nr. 21906/04.

28 Kamerstukken II 2009/10, 32123 VI, nr. 10, p. 3. Het is begrijpelijk dat voorstanders van de stelling dat een levenslange gevangenisstraf inderdaad opsluiting inhoudt tot de dood erop volgt zich kritisch opstellen tegenover het plan van een periodiek onderzoek van een tot levenslang veroordeelde. Zie Kamerstukken II 2009/10, 24587, nr. 377, p. 6 (Teeven), Verslag van een algemeen overleg.

29 Kamerstukken II 2011/12, Aanhangsel, nr. 832.

30 In zijn Groningse inaugurale rede met de titel "Een leven lang" van 2006 signaleert F.W. Bleichrodt haarscherp hoe de nadruk op het veiligheidsstreven het karakter van de levenslange gevangenisstraf doet kantelen naar een uitzichtloze vrijheidsbeneming, gelijk ook het geval is met het verblijf van een ter beschikking gestelde op een longstayafdeling. Na 1980 lijkt de levenslange gevangenisstraf neer te komen op een werkelijk definitieve verwijdering van de dader uit de samenleving. Het is hachelijk om aan de gratiepraktijk andersluidende verwachtingen te ontlenen. Met het oog op de ontwikkelingen in de rechtspraak van het EHRM over de levenslange gevangenisstraf schetst Bleichrodt op profetische wijze de voorwaarden waaraan een levenslange gevangenisstraf moet voldoen om nog menswaardig genoemd te mogen worden: er moet een reëel perspectief op invrijheidstelling zijn en aan de veroordeelde moet een zekere mate van duidelijkheid worden geboden of zo een perspectief bestaat, en zo ja, onder welke omstandigheden.

31 EHRM 9 juli 2013, nr. 66069/0 9,130/10 en 3896/10; NJ 2016/135 m.nt. Keijzer.

32 Deze bevoegdheid was volgens het oordeel van de House of Lords in de zaak Anderson (1 AC 837) uit 2003 in strijd met art. 6 EVRM. Zie § 35 Vinter.

33 Nr. 57592/08.

34 Het EHRM ontleent het volgende citaat aan Court of Appeal 18 februari 2014, R v. Newell, R v. McLoughlin [2014] EWCA Crim 188.

35 AM; sectie 30 van de Crime (Sentences) Act 1997 formuleert de bevoegdheid van de Secretary of State wanneer zich "compassionate grounds" voordoen. In hoofdstuk 12 van Prison Service Order 4700, een beleidsstuk, wordt uitgelegd hoe van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.

36 Nrs. 24069/03, 197/04, 6201/06 en 10464/07 (inmiddels onherroepelijk).

37 EHRM 15 september 2015, nr. 27422/05 (onherroepelijk).

38 Vergelijkbaar EHRM 15 december 2015, Gurban tegen Turkije, nr. 4947/04 (onherroepelijk).

39 EHRM 20 mei 2014, nr. 73593/10 (onherroepelijk).

40 Vergelijkbaar is EHRM 7 oktober 2014, nr. 49905/08, Trabelsi vs. België. Trabelsi werd uitgeleverd aan de VS ter vervolging van voorbereiding van terroristische aanslagen. De opgeëiste persoon liep het risico op een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling. Maar de verzoekende staat had gewezen op de mogelijkheid van clementie, te verlenen door de president, hetgeen in het verleden meer was geschied. De Belgische Minister van justitie wees erop dat degenen die in de VS voor terroristische misdrijven tot een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling waren veroordeeld, actief hadden deelgenomen aan terroristische aanslagen, welke misdrijven niet waren te vergelijken met die waarvoor Trabelsi zou worden berecht. Daarom was het niet waarschijnlijk dat de zwaarste levenslange gevangenisstraf aan de opgeëiste persoon zou worden opgelegd. Het EHRM overwoog echter dat alle geopperde mogelijkheden om de levenslange gevangenisstraf te verlichten ontoereikend waren, omdat "none of the procedures provided for amounts to a review mechanism requiring the national authorities to ascertain, on the basis of objective, pre-established criteria of which the prisoner had precise cognisance at the time of imposition of the life sentence, whether, while serving his sentence, the prisoner has changed and progressed to such an extent that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds (...)." Anders EHRM 22 juli 2014, nr. 49905/08, Čačko vs. Slowakijje § 77 t/m 81.

41 Nrs. 15018/11 en 61199/12; geen verwijzing naar de Grote Kamer.

42 Het belang van deze mogelijkheid benadrukte de Grote Kamer van het EHRM ook in haar uitspraak van 30 juni 2015 in de zaak van de tot levenslang veroordeelde Khoroshenko tegen Rusland (nr. 41418/04, § 148), waarin een schending van artikel 8 EVRM werd aangenomen.

43 Bodein vs. Frankrijk, nr. 40014/10, NJ 2016/136 m.nt. Keijzer.

44 In een concurring opinion wijst rechter Nussberger er op dat verzoeker in 1947 is geboren en 87 jaar oud zal zijn wanneer hij voor het eerst naar Frans recht de gelegenheid krijgt om het verzoek te doen een einde te maken aan zijn levenslange straf. Dit demonstreert het probleem dat de mogelijkheid om zo'n verzoek te doen illusoir kan blijken als de veroordeelde pas op late leeftijd zijn misdrijf heeft gepleegd. In zijn uitspraak had het EHRM hieraan aandacht moeten besteden. Maar desalniettemin besloot Nussberger toch zijn stem aan de meerderheid te geven, eerstens omdat het niet volstrekt denkbeeldig is dat Bodein nog zo een verzoek tijdens zijn leven zal kunnen doen, tweedens omdat nu eenmaal het Franse recht ook de mogelijkheid van gratie en van vrijlating op humanitaire gronden kent.

45 Nr. 10511/10

46 NJB 2013/1775.

47 Hier kan men overigens tegenover stellen dat een levenslang gestrafte nu eenmaal niet is veroordeeld tot de langste tijdelijke gevangenisstraf, maar tot een zwaardere straf en dat daarom een gelijkstelling met iemand die voor een soortgelijk misdrijf tot 30 jaar gevangenisstraf is veroordeeld mank gaat.

48 Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel nr. 71. Antwoorden ontvangen op 24 september 2013.

49 Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel nr. 1336. Antwoorden ontvangen op 5 maart 2014. Volgens mij maakt de Staatssecretaris een simpele rekenfout. Als van de 14 ingediende grati verzoeken er nog drie in behandeling zijn en er een is gehonoreerd blijven er geen negen, maar 10 over.

50 Wiene van Hattum, De rechter, de minister en de levenslange gevangenisstraf, Trema 2013/7, p. 220-226.

51 Zo ook met vindplaatsen B. Altunashvili, De uitzichtloosheid van levenslang, Celsius Uitgeverij 2015, p. 49.

52 Kamerstukken II 2014/15, Aanhangsel nr. 198.

53 Over deze zaak zijn ook kamervragen gesteld door het kamerlid Helder (Kamerstukken II 2013/14, Aanhangsel nr. 2849), maar deze leggen op geen enkel moment enig verband met artikel 3 EVRM, welke relatie in deze conclusie centraal staat. Vandaar dat ik aan deze kamervragen en de antwoorden daarop verder geen aandacht besteed.

54 Rechtbank Den Haag 18 september 2014, ECLI:BL:RBDHA:2014:11541.

55 Beroepscommissie RSJ 19 mei 2015, nr. 14/3241/GV.

56 Mr. dr. U. van de Pol heeft op het symposium van het Forum Levenslang van 13 november 2015 de bemoeienissen van de RSJ met de levenslange gevangenisstraf beschreven. Uit zijn schets van de standpunten die de RSJ heeft ingenomen is op te maken dat de RSJ zich stelt op het standpunt dat een beleid dient te worden gevoerd waarin een reëel uitzicht op een gratiering van de levenslanggestrafte moet worden geboden. Voorts blijkt uit de beleidsstukken die de RSJ in de loop der jaren heeft gepubliceerd en uit de beslissingen van de RSJ waarbij levenslang gestraften zijn betrokken, dat het perspectief van de levenslang gestrafte gericht moet kunnen zijn op resocialisatie, waarvoor de overheid zich reële inspanningen zal moeten getroosten. Mr. Van de Pol was zo vriendelijk mij zijn voordracht te doen toekomen. Een artikel van zijn hand met een uitwerking van zijn voordracht, aangepast aan de meest recente ontwikkelingen, zal binnenkort verschijnen in Sancties.

57 Ontvangen op 15 juni 2015.

58 Kamerstukken II 2014/15, Aanhangsel nr. 2542.

59 ECLI:NL:RBNNE:2015:5389.

60 Kamerstukken II 2015/16, 34300 VI, nr. 39 (motie ingediend door de leden Recourt, Voordewind en Swinkels).

61 Trouw 1 april 2016. Zie ook het opiniestuk dat Frits Bolkestein in de Volkskrant van 24 februari 2016 publiceerde. Bolkestein wees er op dat door de verscherpte controle van de HR op de voorbedachte raad het verschil in strafmaximum tussen moord en doodslag te groot is geworden. Met het oog op de rechtspraak van het EHRM over artikel 3 EVRM geeft Bolkestein in overweging een Gratieraad in te stellen met rechters, officieren van justitie en vertegenwoordigers van departement en het gevangeniswezen, om te beoordelen of na 25 jaar de vergeldingsbehoefte ten aanzien van een levenslang gestrafte is verbleekt. Zie de kritische reactie op dit voorstel van drie rechters in de Volkskrant van 1 maart 2016, gepubliceerd op de website van het Forum Levenslang, evenals een eigen reactie van het Forum.

62 Men kan ook in andere richtingen denken dan die van de gratie. Bleichrodt bijvoorbeeld schrijft in "Een leven lang" dat het gratie-instituut minder geschikt is als kader voor de reguliere beoordeling of de straftijd van de levenslang gestrafte moet worden verkort, omdat dan een te grote afhankelijkheid van het beleid van de Minister zou bestaan. Hij bepleit de mogelijkheid om de herbeoordeling en aanpassing van de levenslange gevangenisstraf te doen plaatsvinden binnen het stelsel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In juli 2011 is op de website van het Forum Levenslang een kant-en-klaar wetsvoorstel gepubliceerd inhoudende een uitgewerkte VI-regeling voor levenslang gestraften. De beslissing zou moeten worden genomen door het gerechtshof Arnhem, hetgeen een afwijking is van de thans geldende VI-regeling, waarin de Minister van Veiligheid en Justitie de beslissende autoriteit is.