Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:404

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/04558
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1025, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv. Beklag tegen beslag onder advocatenkantoor. Samenhang met 15/02123 Bv, 15/02125 Bv, 15/04858 Bv en 16/00003 Bv. HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04558 Bv

Zitting: 16 februari 2016

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 17 april 2015 het door klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens klaagster heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, een middel van cassatie ingediend.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat klaagster niet als verschoningsgerechtigde kan worden aangemerkt en dat het beklag om die reden ongegrond is.

4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

“De beoordeling

(…)

De rechtbank is van oordeel dat klaagster als belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is aan te merken, reeds nu de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft in het bedrijfspand van klaagster, derhalve onder klaagster, in beslag zijn genomen. Ook overigens zijn geen beletselen voor de ontvankelijkheid van klaagster gebleken. Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de in beslag genomen voorwerpen voorwerpen betreffen die in gebruik zijn bij [betrokkene 11] , van beroep advocaat en als vennoot verbonden aan klaagster. Ook [betrokkene 11] heeft met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend, geregistreerd onder raadkamernummer 14/1927. Zij heeft zich ten aanzien van de beslagen voorwerpen op het standpunt gesteld dat die voorwerpen vallen onder haar geheimhoudingsplicht en heeft zich ten aanzien van die voorwerpen beroepen op haar verschoningsrecht.

Klaagster heeft zich in deze procedure eveneens op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de beslagen voorwerpen het verschoningsrecht van toepassing is, alsmede dat dit verschoningsrecht in dit geval dient te prevaleren boven het door de officier van justitie gestelde belang van de waarheidsvinding. Aldus is ook in deze procedure het verschoningsrecht aan de orde gesteld.

Uit eerdere rechtspraak volgt voorts dat in een beklagprocedure waarin het verschoningsrecht in het geding is, alleen de verschoningsgerechtigde zelf als belanghebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 februari 2013, ECL1:NL:HR:2013:BX4284.

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld wie ten aanzien van de beslagen voorwerpen als verschoningsgerechtigde moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde te worden aangemerkt. Het verschoningsrecht komt immers toe aan de beroepsbeoefenaar, in dit geval de advocaat, als zodanig en niet aan het samenwerkingsverband waarvan de desbetreffende beroepsbeoefenaar deel uitmaakt.

Vervolgens rijst de vraag welke gevolgen het oordeel dat [betrokkene 11] , derhalve niet klaagster, de verschoningsgerechtigde is in deze procedure eventueel dient te hebben. Dit is in het bijzonder van belang nu de rechtbank heeft geconstateerd dat de door klaagster in deze procedure aangevoerde argumenten alle hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. De niet-ontvankelijkheid van klaagster kan niet het gevolg zijn, omdat klaagster zoals hiervoor overwogen beslagene is en reeds op die grond als belanghebbende is aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt voornoemd arrest van de Hoge Raad der Nederlanden echter wel mee dat klaagster zich in de gegeven situatie niet met vrucht kan beroepen op argumenten die hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. Het is enkel aan de verschoningsgerechtigde zelf, in dit geval [betrokkene 11] , om - op de wijze zoals haar goeddunkt - op te komen voor het gestelde verschoningsrecht. Zij heeft dat ook gedaan door zelf een klaagschrift in te dienen. In deze situatie is geen ruimte voor een tweede partij - in dit geval klaagster - om eveneens op te komen voor dit verschoningsrecht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door klaagster aangevoerde argumenten in deze procedure niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beklag. Een nadere bespreking van deze argumenten zal daarom achterwege worden gelaten.

Het beklag zal derhalve ongegrond worden verklaard.”

4.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Klaagster is het advocatenkantoor waar tijdens een doorzoeking op 10 april 2014 in het kader van het strafrechtelijke opsporingsonderzoek “Rykiel” stukken en digitale bestanden in beslag zijn genomen. In dit onderzoek is [betrokkene 11] , die als medeaandeelhoudster en als advocaat verbonden is aan klaagster, een van de verdachten.

De onder klaagster inbeslaggenomen stukken en digitale bestanden waren - zo heeft de Rechtbank vastgesteld overeenkomstig hetgeen door klaagster in haar klaagschrift is aangevoerd2 - in gebruik bij [betrokkene 11] in haar hoedanigheid van advocaat.

Klaagster en [betrokkene 11] hebben ieder een klaagschrift ingediend. Beide klaagschriften strekken onder meer tot - kort gezegd - opheffing van het gelegde beslag op de grond dat het beslagene object is van [betrokkene 11] verschoningsrecht. In de zaak van [betrokkene 11] met nummer 15/02125 Bv, waarin ik heden eveneens concludeer, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

4.4. Volgens de steller van het middel heeft de Rechtbank miskend dat zowel klaagster als [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde zijn aan te merken.

4.5. Voor zover de Rechtbank met haar overweging dat “in het onderhavige geval [betrokkene 11] als verschoningsgerechtigde dient te worden aangemerkt, aangezien het verschoningsrecht immers toekomt aan de beroepsbeoefenaar (i.c. de advocaat) als zodanig en niet aan het samenwerkingsverband waarvan de desbetreffende beroepsbeoefenaar deel uitmaakt”, als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat aan klaagster als rechtspersoon geen zelfstandig verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv toekomt, is dat oordeel juist.3 Voor zover het middel hier van een andere opvatting uitgaat, faalt het.

4.6. Voor zover het middel erover klaagt dat de Rechtbank met haar overweging dat er geen ruimte is voor klaagster om naast [betrokkene 11] een beroep te doen op het verschoningsrecht, eraan voorbij ziet dat aan klaagster een afgeleid verschoningsrecht toekomt, geldt het volgende op.

4.7. In zijn beschikking van 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714 - waar het eveneens ging om een beslagene die zich op een afgeleid verschoningsrecht beriep - heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:

“3.3.3. De aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of stukken en gegevens object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9693, NJ 1994/552).

(…)

3.6. Indien ook de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, een klaagschrift heeft ingediend waarin is aangevoerd dat een geheimhouder een verschoningsrecht heeft op de uitgeleverde stukken of gegevens, doet zich de situatie voor dat in twee beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is.

In de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de desbetreffende stukken of gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan.

In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.

Indien de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft. In deze gevallen geldt dat, zodra vaststaat dat een beroep op het verschoningsrecht niet is gedaan of niet opgaat, van de stukken of gegevens kan worden kennisgenomen. In het geval dat de beslagene in zijn klaagschrift ook andere klachten heeft opgeworpen tegen de inbeslagneming van die brieven of andere stukken dan die betreffende het verschoningsrecht, zal over de gegrondheid daarvan nog moeten worden beslist in de beklagprocedure van de beslagene (Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015: 3076).”

4.8. Uit de geciteerde overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat ook een afgeleid verschoningsgerechtigde zich in een beklagprocedure kan beroepen op het verschoningsrecht dat de primair verschoningsgerechtigde toekomt. Voor zover het middel over het andersluidende oordeel van de Rechtbank klaagt, is het derhalve gegrond. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden omdat – naar eveneens uit de geciteerde overwegingen blijkt – het lot van een door een afgeleid verschoningsgerechtigde gedaan beroep op het verschoningsrecht geheel afhankelijk is van het lot dat het door de verschoningsgerechtigde zelf gedane beroep treft. In dit verband wijs ik erop dat
(i) de Rechtbank – naar de Hoge Raad ambtshalve bekend is – het door [betrokkene 11] gedane beklag ongegrond heeft verklaard, zodat de Rechtbank, nu klaagster in haar klaagschrift geen andere klachten tegen de inbeslagneming heeft opgeworpen dan die betreffende het verschoningsrecht van [betrokkene 11] , klaagster niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in haar beklag en
(ii) ik heden – naar de Hoge Raad eveneens ambtshalve bekend is – in de zaak van [betrokkene 11] concludeer tot verwerping van het ingestelde beroep.
Indien de Hoge Raad mij daarin volgt, zal de ongegrondverklaring van het door [betrokkene 11] gedane beklag onherroepelijk worden. Dat brengt dan mee dat, aangezien die onherroepelijke beslissing in de zaak van klaagster “tot uitgangspunt” moet worden genomen, klaagster geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking.

4.9. Het middel kan, in geval het cassatieberoep van [betrokkene 11] wordt verworpen, niet tot cassatie leiden en kan dan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken 15/02125 Bv en 15/02123 Bv betreffende [betrokkene 11] , waarin ik ook vandaag zal concluderen.

2 Zie het namens klaagster ingediende klaagschrift van 6 oktober 2014, p. 6, onder 16.

3 Vgl. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273.