Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:401

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/02123
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1017, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag,beslag ex. art. 94 Sv. De door de Rb vastgestelde f&o moeten het oordeel van de beklagrechter, dat het in beslag genomen stuk 'voorwerp van het strafbare feit uitmaakt' of 'tot het begaan daarvan heeft gediend', kunnen dragen. Het oordeel van de Rb is ontoereikend gemotiveerd. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden omdat de HR in de met deze zaak samenhangende zaak 15/02125 Bv (ECLI:NL:HR:2016:402) het eveneens door de klaagster ingestelde beroep in cassatie heeft verworpen. De verdenkingen in verband waarmee de onderhavige inbeslagneming plaatsvond, strekken zich blijkens de desbetreffende beschikking van de Rb inmiddels ook uit tot de klaagster. Mede gelet op de overeenkomsten tussen de beklagzaken betekent dit dat, nu de HR het oordeel dat sprake is van "zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht" in stand laat, de klaagster geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling. HR verwerpt het beroep. Samenhang met 15/02125 Bv, 15/04558 Bv, 15/04858 en 16/00003 Bv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02123 Bv

Zitting: 16 februari 2016

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 24 april 2015 het door klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens klaagster heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie ingediend.

4 Ontvankelijkheid van het beroep

4.1.

Klaagster is advocaat. Het betreft een cassatieberoep door “een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218” in de zin van art. 552d lid 3 Sv. De aanzegging als bedoeld in art. 447 lid 3 Sv is in deze zaak op 18 november 2015 gedaan. De schriftuur is ingekomen op 17 december 2015 en derhalve buiten de hier op grond van deze bepalingen toepasselijke termijn van veertien dagen. Deze termijnoverschrijding is echter verschoonbaar, nu in de aanzegging als bedoeld in art. 447 lid 3 Sv nog conform de voor 1 maart 2015 geldende regeling was vermeld dat een cassatieschriftuur binnen dertig dagen moet zijn ingediend en klaagster aan die mededeling het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat de termijn waarbinnen zij een schriftuur moest (doen) indienen die in de aanzegging vermelde termijn betreft.2 Klaagster kan derhalve in haar beroep worden ontvangen.

5 Het verloop van de procedure

5.1.

De procesgang is in de bestreden beschikking als volgt omschreven:

“Op 24 mei 2013 is tijdens een doorzoeking op het kantoor van [A] B.V. te Eindhoven een groot aantal stukken in beslag genomen in het kader van het onderzoek Rykiel, een grootschalig opsporingsonderzoek dat zich richt op verdenking van witwassen, valsheid in geschrifte, overtreding van de Wet op de Kansspelen en deelname aan een criminele organisatie. Onder de in beslag genomen stukken bevinden zich ook geschriften die betrekking hebben op werkzaamheden van klaagster in haar hoedanigheid als advocate, werkzaam bij [B] NV te Alkmaar.

Op 1 juli 2013 heeft de officier van justitie op grond van artikel 181 Sv de rechter-commissaris verzocht te onderzoeken, welke in beslag genomen stukken kunnen worden aangemerkt als geheimhouderstukken en welke van deze geheimhouderstukken kunnen worden aangemerkt als voorwerpen die deel van het strafbaar feit uitmaken of die tot het begaan daarvan hebben gediend (ook wel corpora et instrumenta delicti genoemd) als bedoeld in artikel 98, tweede lid, Sv.

Bij beslissing van 26 maart 2014 heeft de rechter-commissaris enkele tientallen nader genoemde geschriften betreffende klaagster aangemerkt als corpora et instrumenta delicti en daarbij onder meer het volgende overwogen.

“De verdenking van het openbaar ministerie is gebaseerd op het vermoeden dat de verdachten de strafbare feiten onder meer hebben gepleegd door de opbrengsten van illegaal internetgokken te investeren in vastgoed en/of te verhullen/verbergen door middel van financiële constructies waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van (buitenlandse) vennootschapsstructuren. Het grote aantal transacties met betrekking tot onroerende zaken, vestiging van hypotheek en levering van aandelen (...) en de gestelde omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vormen aanwijzingen voor die verdenking van de officier van justitie. Een groot aantal van de bij de advocaten aangetroffen stukken (correspondentie, e-mails, declaraties) zien op de advisering over aandelen- en vastgoed transacties, andere financiële transacties en dienstverlening anderszins aan verdachten. (...) De rechter-commissaris is van oordeel dat voornoemde geschriften voorwerp van (de verdenking) voor de strafbare feiten uitmaken, dan wel daartoe hebben gediend en dat het verschoningsrecht van de respectievelijke advocaten daarvoor dient te wijken.”

Op 9 april 2014 heeft klaagster tegen deze beslissing een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend. Dit klaagschrift is behandeld ter zitting van 21 november 2014 en 3 april 2015, waar klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam.”

5.2.

De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt, voor zover in cassatie relevant, het volgende in:

“Het oordeel van de rechtbank

(…)

Ten aanzien van de in beslag genomen geschriften stelt de rechtbank voorop dat zij zelf uit de aard der zaak geen kennis heeft kunnen nemen van deze geschriften. De rechtbank baseert haar oordeel op de in de beslissing van de rechter-commissaris genoemde korte aanduiding van de stukken, op de nadere omschrijving die klaagster daarvan heeft gegeven in haar klaagschrift en op het dossier in de strafzaak tegen klaagster.

Ten aanzien van de in beslag genomen brief (’comfort letter’) van de Kansspelautoriteit d.d. 22 januari 2013 heeft klaagster al in haar klaagschrift aangegeven dat deze kan worden verstrekt aan het openbaar ministerie. De rechtbank neemt dan ook aan dat het beklag geen betrekking heeft op deze brief.

Ten aanzien van de in beslag genomen aktes van geboorte en uittreksels van het geboorteregister (hierna kortweg: de geboorteaktes) heeft klaagster aangegeven dat dit de kinderen betreft van [betrokkene 1] , een van de verdachten in het onderzoek Rykiel. Met klaagster ziet de rechtbank niet in dat inbeslagneming hiervan enig strafvorderlijk belang dient.

Klaagster heeft aangevoerd dat e-mails, gespreksnotities en brieven geen corpora of instrumenta delicti kunnen zijn. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er ligt een concrete verdenking van onder meer witwassen en valsheid in geschrifte jegens een cliënt van klaagster. Genoemde geschriften kunnen naar het oordeel van de rechtbank hebben bijgedragen aan deze strafbare feiten, bijvoorbeeld omdat daarin constructies ter verhulling van de criminele herkomst van gelden worden besproken en adviezen dienaangaande worden gegeven. Deze geschriften kunnen, voor zover ze zelf geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken, dienen tot het begaan ervan. Ook kunnen ze als zodanig bijdragen aan het wederrechtelijk verkrijgen van voordeel.

Het strafvorderlijk belang van de inbeslagneming is gelegen in het vaststellen van de feitelijke vermogenspositie van verdachten en het traceren van de geldstromen, zowel in het kader van het opsporingsonderzoek als in het kader van het onderzoek wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank is niet gebleken dat op een minder ingrijpende wijze dit strafvorderlijk belang kan worden gediend dan door inbreuk te maken op het verschoningsrecht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor zover de geschriften betrekking hebben op vastgoedtransacties de in beslag genomen geschriften geen formele aktes zijn die in openbare registers geraadpleegd kunnen worden.

Op grond van de voorgaande overwegingen merkt de rechtbank de in geding zijnde brieven en geschriften - met uitzondering van de in beslag genomen geboorteaktes - aan als brieven en geschriften die voorwerp uitmaken van het strafbaar feit of tot het begaan daarvan hebben gediend en die kunnen dienen om het wederrechtelijk voordeel aan te tonen dat is verkregen door degenen tegen wie het onderzoek zich richt.

Ten aanzien van de geboorteaktes concludeert de rechtbank dat deze niet zijn aan te merken als voorwerpen als bedoeld in artikel 98, tweede lid, Sv. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet tegen teruggave aan beslagene. Deze conclusie kan echter niet leiden tot gegrondverklaring van het beklag op dit onderdeel. De geboorteaktes zijn in beslag genomen onder [A] B.V. Laatstgenoemde is als beslagene de rechthebbende van de aktes. Beslagene heeft echter zelf geen klaagschrift ingediend. In dat geval dient het beklag van klaagster - ondanks het feit dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave aan beslagene - ongegrond te worden verklaard (zie Hoge Raad 31 januari 2012, LJN BS7974).

Ten aanzien van de overige in beslag genomen brieven en geschriften zal de rechtbank het beklag eveneens ongegrond verklaren. ”

6 Het middel

6.1.

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift van klaagster.

6.2.

De klacht die ik als eerste bespreek, houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de desbetreffende geboorteaktes onder een ander in beslag zijn genomen, meebrengt dat klaagsters klaagschrift ongegrond is ten aanzien van die aktes.

6.3.

De niet nader toegelichte klacht gaat er kennelijk vanuit dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de bedoelde geboorteaktes geschriften zijn waartoe het verschoningsrecht van klaagster zich uitstrekt. In zijn algemeenheid leidt het feit dat dergelijke geschriften onder een derde in beslag zijn genomen, niet tot ongegrondverklaring van het door de verschoningsgerechtigde gedane beklag. De met de gegrondverklaring van een dergelijk beklag overeenkomende last (art. 552a lid 8 Sv) kan niet de teruggave aan de verschoningsgerechtigde zijn (omdat die geen rechthebbende is3) en evenmin de teruggave aan de desbetreffende derde (omdat de wet de teruggave aan een ander dan de klager niet kent4). Voor zover het klaagschrift tot teruggave strekt, zal het dan ook ongegrond of niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Voor zover evenwel het klaagschrift van de verschoningsgerechtigde strekt tot een verbod om van de geschriften kennis te nemen – en dat zal doorgaans het geval zijn –, zal de met gegrondbevinding van dat beklag overeenkomende last zijn dat die kennisneming wordt verboden.5

6.4.

Het hangt dus van de strekking van het klaagschrift af of het gegrond dient te worden verklaard. Dat betekent dat niet zonder meer gezegd kan worden dat het oordeel van de Rechtbank berust op een “onjuiste rechtsopvatting”, zoals in de schriftuur wordt gesteld. Als het klaagschrift strekte tot teruggave aan klaagster, is de ongegrondverklaring juist. Over de mogelijk onbegrijpelijke uitleg van het klaagschrift door de Rechtbank klaagt het middel niet.6

6.5.

In het voorgaande is uitgegaan van de lezing van de bestreden beschikking die kennelijk aan de klacht ten grondslag ligt. De vraag is of die lezing juist is. Ik merk in de eerste plaats op dat het, als de Rechtbank werkelijk van oordeel was geweest dat het enkele feit dat de stukken onder een derde waren inbeslaggenomen, maakt dat het beklag ongegrond is, in de rede had gelegen dat zij het gehele beklag om die reden ongegrond had verklaard. Dat is niet wat de Rechtbank heeft gedaan. Ik merk in de tweede plaats op dat de bestreden beschikking bepaald niet eenduidig is. De Rechtbank oordeelt enerzijds dat het belang van de strafvordering niet met de inbeslagneming is gemoeid (waarmee niet gezegd is dat de desbetreffende aktes onder het verschoningsrecht vallen) en anderzijds dat deze aktes “niet zijn aan te merken als voorwerpen als bedoeld in artikel 98, tweede lid, Sv”. Als al mag worden aangenomen dat de Rechtbank hier het oog had op de oude (op het moment waarop de Rechtbank oordeelde niet meer geldende) tekst van art. 98 lid 2 Sv en tot uitdrukking heeft willen brengen dat de geboorteaktes geen corpora et instrumenta delicti waren, dan nog is daarmee niet gezegd dat zij van oordeel was dat die aktes onder het verschoningsrecht van klaagster vallen. Een dergelijk oordeel zou wellicht ook niet begrijpelijk zijn geweest. Het enkele feit dat deze aktes, die niet onder klaagster in beslag zijn genomen en die naar hun aard allesbehalve een vertrouwelijk karakter hebben, op enig moment ter kennis van klaagster zijn gebracht, maakt naar mijn mening niet dat zij blijvend onder haar verschoningsrecht vallen.7 Gelet op dit alles zou ik het ervoor willen houden dat de Rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat, nu het beslag wegens het ontbreken van enig strafvorderlijk belang toch al diende te worden opgeheven, het niet nodig was om een oordeel te vellen over de vraag of sprake was van geheimhouderstukken. Dat betekent dat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.8

6.6.

Het middel bevat verder de klacht dat de Rechtbank wat betreft de overige inbeslaggenomen stukken, ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat zij corpora en instrumenta zijn als bedoeld in het vijfde lid van art. 98 Sv. Daartoe wordt in het bijzonder aangevoerd dat de Rechtbank haar oordeel voor dat van klaagster in de plaats heeft gesteld en aldus heeft miskend dat daarvoor alleen reden kan zijn als buiten redelijke twijfel staat dat het standpunt van klaagster onjuist is. Tevens wordt aangevoerd dat de Rechtbank niet zelf kennis heeft genomen van de inbeslaggenomen stukken.

6.7.

Voorop moet worden gesteld dat de vraag of een inbeslaggenomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’, zich volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet in het algemeen laat beantwoorden, maar in het bijzonder afhankelijk is van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon jegens wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten.9 Een heldere omschrijving van de corpora en de instrumenta delicti levert dat niet op. Eigenlijk is daarmee niet veel meer gezegd dan dat de beantwoording van de vraag of van dergelijke corpora of instrumenta sprake is, een casuïstische aangelegenheid is. Intussen is wel duidelijk dat de Hoge Raad de bedoelde begrippen ruim uitlegt. Niet zo ruim als op grond van de in HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 gebezigde formulering gevreesd kon worden –namelijk dat elk stuk waaruit “kan blijken” van de vermoedelijk gepleegde strafbare feit een corpus dan wel een instrumentum van het delict is –,10 maar wel zo ruim dat, zoals uit HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110 blijkt, “documenten als e-mailberichten of notulen die betrekking hebben op overleg over of het uitdenken van de strafbare gedragingen, of concepten van (valse) overeenkomsten” als instrumenta delicti kunnen worden aangemerkt indien de desbetreffende strafbare feiten “geacht kunnen worden met behulp van dan wel door middel van deze documenten tot stand te zijn gekomen”. Het lijkt er aldus op dat alle documenten die bij de voorbereiding van het strafbare feit in kwestie een rol hebben gespeeld, tot de instrumenta delicti worden gerekend.

6.8.

Intussen stelt de Hoge Raad aan het oordeel van de beklagrechter dat stukken als corpora dan wel als instrumenta delicti kunnen worden aangemerkt, wel eisen wat de motivering ervan betreft. Dat wordt onderstreept door HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8, waarin het ging om een door een notaris gedaan beroep op het verschoningsrecht en waarin de Hoge Raad casseerde omdat de Rechtbank omtrent de aard van de inbeslaggenomen stukken enkel had vastgesteld dat het “akten en overeenkomsten” alsook “correspondentie met betrekking tot de transacties” betroffen. Ik leid daaruit af dat de door de beklagrechter vastgestelde feiten en omstandigheden diens oordeel moeten kunnen dragen dat de stukken corpora zijn of hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het strafbare feit in kwestie. Dat brengt mee dat in de regel niet kan worden volstaan met een globale motivering die niet is toegesneden op de afzonderlijke stukken. De hier geldende motiveringseis houdt verband met het uitgangspunt dat de beklagrechter alleen mag oordelen dat het om corpora et instrumenta delicti gaat als er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat het andersluidende standpunt van de verschoningsgerechtigde onjuist is. Als de feitelijke onderbouwing van het oordeel als het ware dwingt tot de slotsom dat het desbetreffende stuk een corpus of instrumentum delicti is, ligt daarin besloten dat het andersluidende standpunt van de verschoningsgerechtigde in redelijkheid voor onjuist moet worden gehouden.

6.9.

In HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, waarin het oordeel van de Rechtbank dat bepaalde stukken instrumenta delicti waren overeind bleef, overwoog de Hoge Raad in rov. 3.6 dat bedoeld oordeel “getuigt van de in dit verband vereiste behoedzaamheid”. De vraag is wat de Hoge Raad daarmee heeft willen zeggen. Het kan zijn dat hij het oog heeft gehad op het zojuist vermelde uitgangspunt, dat meebrengt dat de beklagrechter alleen op goede gronden van het standpunt van de verschoningsgerechtigde mag afwijken. Het kan ook zijn dat hij (mede) het oog heeft gehad op de behoedzaamheid die de beklagrechter moet betrachten bij de motivering van zijn afwijkende oordeel. Die motivering mag naar het mij voorkomt niet zodanig zijn dat wordt prijsgegeven wat – in elk geval zolang de beschikking nog niet onherroepelijk is – geheim moet blijven. Als dat inderdaad tot de behoedzaamheid behoort die de beklagrechter moet betrachten, wordt van hem de nodige evenwichtskunst verwacht. Zijn oordeel moet aan de ene kant feitelijk onderbouwd zijn, maar aan de andere kant moet zo min mogelijk geopenbaard worden wat de inbeslaggenomen stukken inhouden. Dat stelt een grens aan de eisen die aan de motivering gesteld kunnen worden en daarmee ook een grens aan de toetsing van het oordeel van de beklagrechter in cassatie.

6.10.

Een toereikende feitelijke onderbouwing van het oordeel vereist een daaraan voorafgaand onderzoek naar de feiten. Een vraag in dit verband is of de beklagrechter kennis mag nemen van de stukken waarop het beklag betrekking heeft. De jurisprudentie van de Hoge Raad is op dit punt niet geheel duidelijk. Het komt mij voor dat de Hoge Raad er goed aan doet als hij het middel in de onderhavige zaak aangrijpt om in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op dit punt duidelijkheid te verschaffen. Daarom besteed ik daaraan meer aandacht dan strikt genomen nodig is voor de beoordeling van de daarop betrekking hebbende klacht.

6.11.

Vast staat dat de RC bij zijn beoordeling van het gedane beroep op het verschoningsrecht kennis mag nemen van de inbeslaggenomen stukken.11 Of hetzelfde ook voor de beklagrechter geldt, is niet zeker. Maar een aanwijzing in die richting is er wel. In HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 – waarin het oordeel van de Rechtbank dat sprake was van corpora en instrumenta delicti de toets in cassatie doorstond – sprak de Hoge Raad in rov. 4.3 van “de Rechtbank, die van de documenten kennis heeft genomen”. Dit gegeven droeg naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk bij aan de begrijpelijkheid van het gegeven oordeel. Strikt genomen is daarmee nog niet gezegd dat de Rechtbank van de documenten kennis had mogen nemen, maar men kan zich niet goed voorstellen dat de Hoge Raad dit zo onbekommerd zou hebben opgeschreven als hij van oordeel was geweest dat de Rechtbank haar boekje te buiten was gegaan.

6.12.

In de bestreden beschikking overweegt de Rechtbank dat “zij uit de aard der zaak geen kennis heeft kunnen nemen van de [desbetreffende] geschriften”. Onduidelijk is wat de Rechtbank met dit beroep op de “aard der zaak” voor ogen heeft gestaan. Als zij heeft bedoeld dat de aard van het beklag – een beroep op het verschoningsrecht – meebrengt dat kennisneming door de daarover oordelende rechter is uitgesloten, getuigt haar oordeel naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Als het verschoningsrecht er niet aan in de weg staat dat de RC van de stukken kennisneemt, valt niet goed in te zien waarom dit ten aanzien van de beklagrechter anders zou zijn. Mogelijk heeft de Rechtbank gedacht aan de aard van de procedure en het daarbij geldende beginsel van interne openbaarheid. Dat beginsel brengt – zo is mogelijk de redenering geweest –mee dat, als de Rechtbank van de stukken kennisneemt, die kennisneming aan het OM niet mag worden onthouden. Dit terwijl de inzet van het geding juist is of het OM van die stukken mag kennisnemen. Naar mijn mening evenwel geldt het beginsel van interne openbaarheid in raadkamerprocedures als de onderhavige niet onverkort.12 De aard van een beroep op het verschoningsrecht rechtvaardigt naar mijn mening een inbreuk op dat beginsel die erop neerkomt dat het OM geen kennis mag nemen van de desbetreffende stukken. Ten aanzien van de klager – aan wie kennisneming van de stukken uiteraard niet met een beroep op diens verschoningsrecht kan worden onthouden – is die inbreuk op het beginsel in elk geval niet bezwaarlijk. Ik merk daarbij op dat een onverkort vasthouden aan het beginsel van de interne openbaarheid in verschoningsrechtzaken de waarborgfunctie van de beklagprocedure ondergraaft. Want als de RC wel van de stukken mag kennisnemen, maar de beklagrechter niet, dreigt het gevaar dat het oordeel van de RC in feite beslissend wordt. De betere informatiepositie waarin de RC dan verkeert, maakt welhaast dat de beklagrechter op diens oordeel moet afgaan.13

6.13.

Dat brengt mij op het volgende. Van de beklagrechter wordt een eigen oordeel verlangd met betrekking tot de vraag of het verschoningsrecht zich ertegen verzet dat van de inbeslaggenomen stukken wordt kennisgenomen. De beklagrechter kan dus niet volstaan met een soort marginale toetsing van het door de RC gegeven oordeel. Anders verschuift de beoordeling van de vraag of het standpunt van de verschoningsgerechtigde in redelijkheid voor onjuist kan worden gehouden, naar de vraag of het oordeel van de RC in redelijkheid voor juist kan worden gehouden. De nieuwe, op 1 maart 2015 in werking getreden wetgeving heeft daarin naar mijn mening geen verandering gebracht.14 Met de introductie in art. 98 lid 4 Sv van de figuur van een klaagschrift tegen de beschikking van de RC heeft de wetgever slechts beoogd de in de praktijk tot ontwikkeling gekomen gesloten enveloppen-procedure van een wettelijke basis te voorzien. Enige reden om te veronderstellen dat het beroep op de rechtbank geen vol beroep meer zou zijn, is er dus niet.

6.14.

De conclusie moet gelet op dit alles zijn dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij “uit de aard der zaak” geen kennis mag nemen van de inbeslaggenomen stukken.15 Het is evenwel niet zo dat de Rechtbank verplicht was om van die stukken kennis te nemen. De Rechtbank heeft zich wat de aard van de stukken betreft in het bijzonder gebaseerd op de aanduiding daarvan door de RC en de nadere omschrijving daarvan door klaagster. Dat kan een voldoende basis opleveren voor het oordeel van de beklagrechter.16 Het middel faalt dan ook voor zover het berust op de opvatting dat het enkele feit dat de Rechtbank niet van de stukken zelf heeft kennis genomen, maakt dat haar oordeel onbegrijpelijk is.

6.15.

Dan nu de klacht dat de Rechtbank heeft miskend dat alleen van het standpunt van de verschoningsgerechtigde mag worden afgeweken als er in redelijkheid niet over getwijfeld kan worden dat dit standpunt onjuist is. Juist is dat de Rechtbank dit uitgangspunt niet met zoveel woorden in haar beschikking tot uitdrukking heeft gebracht. Aan een toereikende motivering behoeft dat op zich niet in de weg te staan. De feitelijke onderbouwing van het oordeel dat sprake is van corpora et instrumenta delicti kan zodanig zijn dat daarin als oordeel besloten ligt dat het andersluidende standpunt van de verschoningsgerechtigde in redelijkheid voor onjuist moet worden gehouden (vgl. hiervoor, onder 6.8). De vraag is of dit zich in casu voordoet. Dat is naar mijn mening niet het geval. Om dat duidelijk te maken, geef ik hier nogmaals de dragende overweging van de Rechtbank weer:

“Klaagster heeft aangevoerd dat e-mails, gespreksnotities en brieven geen corpora of instrumenta delicti kunnen zijn. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er ligt een concrete verdenking van onder meer witwassen en valsheid in geschrifte jegens een cliënt van klaagster. Genoemde geschriften kunnen naar het oordeel van de rechtbank hebben bijgedragen aan deze strafbare feiten, bijvoorbeeld omdat daarin constructies ter verhulling van de criminele herkomst van gelden worden besproken en adviezen dienaangaande worden gegeven. Deze geschriften kunnen, voor zover ze zelf geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken, dienen tot het begaan ervan. Ook kunnen ze als zodanig bijdragen aan het wederrechtelijk verkrijgen van voordeel.”

Dat de inbeslaggenomen e-mails, gespreksnotities en brieven corpora of instrumenta delicti “kunnen” zijn, moge zo wezen (van een onjuiste rechtsopvatting kan de Rechtbank dus niet worden beticht), maar daarmee is nog niet gezegd dat die documenten dat ook werkelijk zijn. Ook van het voorbeeld dat de Rechtbank ter adstructie opvoert (“omdat daarin [bijvoorbeeld] constructies ter verhulling van de criminele herkomst van gelden worden besproken en adviezen dienaangaande worden gegeven”) is niet duidelijk of dit een theoretische mogelijkheid betreft dan wel of de Rechtbank heeft vastgesteld dat deze mogelijkheid zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan. Voor zover al kan worden aangenomen dat dit laatste is bedoeld, moet geconstateerd worden dat een specificatie ontbreekt. Voor welke van de inbeslaggenomen geschriften geldt dit? De Rechtbank maakt zelfs niet duidelijk welke geschriften naar haar oordeel corpora, en welke instrumenta zijn (“voor zover ze zelf geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken”).

6.16.

Ik heb mij afgevraagd of, mede gelet op de voortvarendheid die de wetgever bij de afhandeling van klaagschriften als de onderhavige wenselijk heeft geacht, over dit motiveringsgebrek kan worden heengestapt. Dat zou wellicht kunnen door bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank de stukken te betrekken waarnaar de Rechtbank verwijst, te weten: de beschikking van de RC van 26 maart 2014 en het klaagschrift van klaagster van 9 april 2014. In het onderhavige geval gaat het – naar blijkt uit de door de Rechtbank geciteerde beschikking van de RC (zie hiervoor, onder 5.1) – om een verdenking van een aantal (rechts)personen (cliënten van klaagster) van onder meer overtreding van de Wet op de Kansspelen, witwassen en valsheid in geschrifte, bestaande hieruit dat deze personen opbrengsten van illegaal internetgokken zouden hebben geïnvesteerd in vastgoed en/of zouden hebben verhuld of verborgen, door middel van financiële constructies waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van (buitenlandse) vennootschapsstructuren. Aanwijzingen voor die verdenking vormen onder meer het grote aantal transacties met betrekking tot onroerende zaken, vestiging van hypotheek en levering van aandelen. De RC heeft daarbij vastgesteld dat een groot aantal van de bij de advocaten aangetroffen stukken (correspondentie, e-mails, declaraties) zien op de advisering over aandelen- en vastgoed transacties, andere financiële transacties en dienstverlening anderszins aan de verdachten.

6.17.

Gelet in het bijzonder op wat uit de beschikking van de RC en het klaagschrift blijkt met betrekking tot de aard van de diverse inbeslaggenomen geschriften17, is naar mijn oordeel wellicht niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank ten aanzien van de volgende inbeslaggenomen stukken heeft geoordeeld dat zij tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend: (i) de e-mails en een opdrachtbevestiging over de transfer van domeinnamen; (ii) een advies van klaagster inzake een vergunning voor [H] BV in Malta; (iii) een advies van klaagster over een plan voor [D] voor het opzetten van pokersites en het houden pokerwedstrijden in Nederland; (iv) een gesprekverslag van een vergadering aangaande werkzaamheden van [F] voor websites van [D] / [E] ; en (v) een e-mail van internetbankier Buckaroo.

6.18.

Daarentegen ben ik van oordeel dat het zonder een nadere motivering niet begrijpelijk is op welke wijze de inbeslaggenomen stukken die zien op de echtscheiding tussen verdachte [betrokkene 1] en zijn vrouw (te weten: echtsscheidingenconventen, schriftelijke en digitale correspondentie daaromtrent, een echtscheidingsbeschikking, een (concept) echtscheidingsverzoekschrift en schriftelijke en digitale correspondentie daaromtrent) voorwerp zijn, dan wel hebben gediend tot het begaan van de aan de orde zijnde verdenking van onder meer witwassen, valsheid in geschrifte en overtreding van de Wet op de Kansspelen. Dat de desbetreffende stukken “een bron van informatie kunnen vormen omtrent de vermogenspositie van één der hoofdverdachten, [betrokkene 1] ” en dus kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, maakt immers niet dat zij stukken zijn als bedoeld in art. 98, vijfde lid, Sv.

6.19.

Ook voor de navolgende inbeslaggenomen stukken geldt dat het mij niet zonder meer begrijpelijk voorkomt dat zij voorwerpen zijn, dan wel hebben gediend tot het begaan van de bestaande verdenking: (i) de e-mails betreffende een arbeidsovereenkomst voor en van de ex-vrouw van [betrokkene 1] ; (ii) de declaraties aan [F] BV omtrent rekeningen van [B] voor verrichte werkzaamheden; (iii) een overdrachtsformulier van [C] LLP waarin de beslagene aangeeft met klaagster als cliënt mee te gaan bij haar overgang naar [B] ; (v) een (mede) door klaagster opgestelde lijst van aandachtspunten in geval van een politie-inval in verband met het onderhavige opsporingsonderzoek; (vi) een e-mail van klaagsters secretaresse dat [betrokkene 1] zich bij klaagster heeft gemeld en dat de beslagene cliënt zou zijn in de in die e-mail betreffende zaken; (v) een bevestigingsmail van [betrokkene 2] dat een aantal rekeningen aan [C] zijn betaald; en (vi) een e-mailwisseling tussen klaagster en een andere advocaat over een geschil met Holland Casino over de naam [J].

6.20.

Ik kom tot de conclusie dat het middel in elk geval ten aanzien van een groot deel van de inbeslaggenomen stukken terecht is voorgesteld. Desalniettemin vraag ik mij af of het middel geheel of gedeeltelijk tot cassatie moet leiden. In dit verband wijs ik erop dat de onderhavige inbeslagneming in het kader van het opsporingsonderzoek “Rykiel” is geschied en dat - naar de Hoge Raad ambtshalve bekend is -:

(i) de twee samenhangende zaken waarin ik vandaag eveneens concludeer hun oorsprong vinden in datzelfde opsporingsonderzoek;

(ii) klaagster na de inbeslagneming waarop de onderhavige zaak betrekking heeft in dat opsporingsonderzoek (“Rykiel”) als verdachte is aangemerkt;

(iii) in het kader van dit opsporingsonderzoek doorzoekingen hebben plaatsgevonden bij de advocatenkantoren waarmee klaagster is en was verbonden (nl.: [B] en [C] LLP), ter inbeslagneming van stukken die klaagster in haar hoedanigheid van advocate onder zich had en die te relateren zijn aan dezelfde – maar nu tevens jegens klaagster gerichte – verdenkingen als waarop de onderhavige zaak betrekking heeft;

(iv) klaagster ook ten aanzien van deze inbeslagnemingen een klaagschrift heeft ingediend dat de Rechtbank ongegrond heeft verklaard op de grond dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het belang dat de waarheid aan het licht komt doen prevaleren boven het verschoningsrecht van klaagster;

(v) ik heden in desbetreffende zaak concludeer tot verwerping van het ingestelde beroep omdat kort gezegd het oordeel van de Rechtbank niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd.

6.21.

Indien de Hoge Raad deze onder (v) bedoelde conclusie volgt, zal de ongegrondverklaring van het door klaagster in die andere zaak gedane beklag daarmee onherroepelijk zijn geworden. In cassatie staat dan vast dat zich in het onderzoek “Rykiel” zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die de doorbreking van het verschoningsrecht van klaagster rechtvaardigen. Bijzondere omstandigheden kunnen wellicht maken dat die rechtvaardiging niet mede heeft te gelden ten aanzien van de inbeslagneming waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, maar van dergelijke omstandigheden is mij niet gebleken. Ik merk daarbij op dat het feit dat de klaagster eerst na de bedoelde inbeslagneming als verdachte is aangemerkt, geen relevant verschil oplevert. In elk geval in zaken als de onderhavige – waarin de doorzoeking en de inbeslagneming hebben plaatsgevonden bij resp. onder een derde en nadien door klaagster een beroep op haar verschoningsrecht is gedaan – heeft te gelden dat het moment waarop de beklagrechter oordeelt beslissend is voor de vraag of de doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd. Ik merk voorts op dat de Rechtbank in de onderhavige zaak heeft overwogen dat het strafvorderlijk belang van de inbeslagneming gelegen is in het vaststellen van de feitelijke vermogenspositie van verdachten en het traceren van de geldstromen en dat de Rechtbank niet is gebleken “dat op een minder ingrijpende wijze dit strafvorderlijk belang kan worden gediend dan door inbreuk te maken op het verschoningsrecht”. Op grond daarvan kan worden aangenomen dat voldaan is aan de eis dat de doorbreking van het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid omtrent het desbetreffende feit.18

6.22.

Ik meen derhalve, ervan uitgaande dat de Hoge Raad mij zal volgen in mijn conclusie in de samenhangende zaak van klaagster onder nr. 15/02125, dat klaagster geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking op de in het middel aangedragen grond.

7. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met zaak 15/02125 Bv betreffende klaagster en zaak 15/04558 Bv betreffende [B] N.V., waarin ik ook vandaag zal concluderen.

2 HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2636, rov. 2.3 en 2.4.

3 Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478, NJ 2009/178, HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8028, NJ 2011/417en HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7974.

4 Zie o.m. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.6).

5 Art. 98 lid 2 Sv zoals dat met ingang van 1 maart 2015 is komen te luiden, bepaalt dat de RC “over” de kennisneming oordeelt en art. 98 lid 4 Sv bepaalt daarbij dat tegen diens beschikking een klaagschrift kan worden ingediend. Ook de beklagrechter oordeelt dientengevolge over de toelaatbaarheid van de kennisneming. Gegrondbevinding van het beklag zal derhalve dienen te leiden tot een last die impliceert dat van de stukken geen kennis wordt genomen. De door de wetgever geschapen procedure kan daarbij gezien worden als een codificatie van een gegroeide praktijk.

6 Het klaagschrift had, hoewel het is ingediend vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving, de vorm van een beroep tegen de beschikking van de RC. Volgens zijn bewoordingen strekte het tot ongegrondverklaring van de bestreden beschikking.

7 Kortheidshalve verwijs ik hier naar in het bijzonder punt 8.12 van mijn conclusie die voorafging aan HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110

8 Ik laat de vraag onbesproken of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij op deze grond mocht afzien van een beoordeling van de vraag of de aktes onder klaagsters verschoningsrecht vallen. Een reden voor ambtshalve cassatie kan daar namelijk niet in gevonden worden.

9 Vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8 en HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110.

10 Uit HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8, rov. 2.5 blijkt dat deze lezing van de beschikking niet de opvatting van de Hoge Raad weergeeft.

11 Zie HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566.

12 Vgl. art. 32 Sv (oud), op grond waarvan de verdachte een bezwaarschrift kon indienen tegen de onthouding van kennisneming van processtukken bij de raadkamer van (meestal) de rechtbank. Dat rechtsmiddel zou weinig hebben voorgesteld als ook de raadkamer niet mocht weten om welke stukken het ging en wat zij inhielden. Zie ook art. 23 lid 6 Sv, dat een vergaande inbreuk op de interne openbaarheid mogelijk maakt.

13 Dit bezwaar zou ondervangen kunnen worden doordat de RC zijn oordeel onderbouwt met een gespecificeerde rapportage over de aard en de inhoud van de desbetreffende stukken. De behoedzaamheid die op dit punt van de beklagrechter wordt verwacht (zie hiervoor, punt 6.9), wordt mijns inziens echter ook van de RC verwacht. Vgl. ECLI:NL:PHR:2015:2463, punten 7.8 en 7.16.

14 In het midden kan daarom blijven of dat nieuwe recht in de onderhavige zaak – waarin de beschikking van de RC en het klaagschrift dateren van vóór de inwerkingtreding ervan - direct of indirect op het oordeel van de Rechtbank van toepassing is.

15 In gelijke zin A-G C.J.G Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2008:BC1370; A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:494 en F. Vellinga-Schootstra, preadvies 2013 voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, p. 231/232.

16 Een voorbeeld vormt de al meermalen genoemde beschikking van 26 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:110).

17 Zie daarvoor p. 4 t/m 6 van de beschikking van de RC en p. 3 t/m 8 van het klaagschrift.

18 Vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, NJ 2005/353 en HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273.