Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-03-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
14/05571
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:958, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afstand van het recht om in h.b. te gaan. Het p-v van de zitting van de Pr houdt in dat door/namens verdachte afstand is gedaan van het recht om een rechtsmiddel in te stellen. Verdachte is door het Hof n-o verklaard in zijn h.b.. CAG: Het Hof heeft voldaan aan het vereiste uit de rechtspraak van de HR dat onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of rechtsgeldig afstand is gedaan van h.b. indien de afstand o.g.v. bijzondere omstandigheden wordt betwist. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05571

Zitting: 29 maart 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 oktober 2014 door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam waarbij de verdachte wegens “poging tot afpersing” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren (te vervangen door veertig dagen hechtenis) met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Er zijn voorts in het vonnis (bijzondere) voorwaarden gesteld en beslissingen genomen over de voorlopige hechtenis en de vordering van de benadeelde partij.

  2. Namens de verdachte heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen richten zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in hoger beroep te gaan en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

  4. Ter motivering van de beslissing van het hof de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep bevat het bestreden arrest de volgende overwegingen:

“Het doen van afstand van het recht in hoger beroep te gaan tegen een vonnis houdt in dat de zaak en het vonnis van de eerste rechter niet alsnog aan het oordeel van een hogere rechter zullen worden onderworpen, hetgeen meebrengt dat het vonnis onherroepelijk wordt en niet meer kan worden aangetast. Dit is slechts anders indien bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand ex artikel 381, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (HR NJ 2001, 695).

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman. De verdachte werd ter zake van poging tot afpersing veroordeeld door de politierechter tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft vervolgens, nadat hem de termijn voor het instellen van hoger beroep en de mogelijkheid tot het doen van afstand van dat rechtsmiddel waren medegedeeld, in de herinnering van de griffier op de zitting zelf afstand gedaan. Volgens de brief van de verdachte d.d. 30 april 2014 heeft de verdachte na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg met diens raadsman buiten de zittingszaal overleg gehad. Na dit overleg heeft de raadsman van de verdachte op de deur van de zittingszaal geklopt, de deur geopend en heeft vervolgens opgemerkt dat zijn cliënt afstand deed van het instellen van hoger beroep.

Uitgaande van de door de verdachte zelf gegeven lezing van de feiten, blijkt dat de cliënt van de raadsman, verdachte dus, zelf afstand heeft gedaan. Tijdens de zitting stond de raadsman zijn cliënt ter zijde en niet is gebleken dat dat na afloop van de zitting niet meer het geval was. Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de verdachte met diens raadsman een moment van overleg gehad, waarna het bericht van de raadsman omtrent de afstand door de verdachte is gevolgd. Dat laatste bevestigt nog eens voor de overige deelnemers aan het proces dat de raadsman optrad voor de verdachte.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat van bijzondere omstandigheden, die het hof aanleiding moeten geven om te oordelen dat de afstand van het recht om in hoger beroep te gaan niet rechtsgeldig is geschied, niet is gebleken.”

5. Ter zitting van het hof van 28 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“De wet stelt dat mondeling ter terechtzitting afstand kan worden gedaan van de mogelijkheid van hoger beroep. Dit kan slechts door de verdachte zelf worden gedaan. Uit het proces-verbaal blijkt niet ondubbelzinnig op welke wijze cliënt afstand heeft gedaan. In de voetnoot bij het proces verbaal geeft de politierechter aan dat hij “niet uit eigen wetenschap kan verklaren wie van hen - de advocaat of de verdachte - de afstand heeft gedaan. De griffier stelt dat “in zijn herinnering heeft verdachte op de zitting zelf afstand gedaan; dit is niet door zijn advocaat gedaan”.

Cliënt zelf heeft op 30 april 2014 uw Hof een 3 pagina’s tellend relaas gezonden, hoe naar zijn mening de zitting en voorts het doen van afstand is verlopen. Nu cliënt in zijn schrijven een chronologisch verloop van de zitting heeft beschreven, moet voor waar worden aangenomen dat deze beleving juist is. Niet duidelijk is wanneer is overgegaan tot de uitwerking van het proces-verbaal, waarbij kennelijk niet is aangetekend op welke wijze de afstand heeft plaatsgevonden.

Om die reden dient cliënt ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.”

6. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 28 oktober 2014 houdt voorts nog het volgende in:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Ik heb mijn advocaat geen opdracht gegeven afstand te doen van het recht in hoger beroep te gaan. Ik heb vooraf daarover niets met hem doorgesproken. Achteraf hebben wij er wel over gepraat. Ik wilde in eerste instantie de opgelegde taakstraf van tachtig uren voor lief nemen, maar ik heb geen afstand gedaan van het recht in hoger beroep te gaan tegen het vonnis.

Desgevraagd door de oudste raadsheer verklaar ik dat ik ook niet zelf op de zitting afstand heb gedaan.

De oudste raadsheer merkt op dat de griffier van de zitting vonnis in eerste aanleg in een voetnoot onder aan het heeft opgemerkt dat de verdachte in zijn herinnering op de zitting zelf afstand heeft gedaan en niet zijn advocaat.

De verdachte vervolgt zijn verklaring:

Ik heb hierover absoluut niets gezegd tegen de rechter in eerste aanleg. Hij vroeg of ik nog iets wilde zeggen. Ik heb toen tegen deze rechter gezegd: "Nee, ik neem het wel voor lief."

De advocaat-generaal voert hierna het woord, inhoudende:

Het is normaal dat een advocaat nog even met zijn cliënt overlegt na de behandeling van een strafzaak. Wij gaan af op hetgeen de advocaat namens zijn cliënt naar voren brengt. Blijkbaar is er door de verdachte zowel binnen als buiten de rechtszaal afstand gedaan van het recht in hoger beroep te gaan.

De advocaat-generaal draagt de schriftelijke vordering voor.

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

(…)

De advocaat-generaal en de raadsvrouw krijgen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte de gelegenheid tot het voeren van respectievelijk repliek en dupliek.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek en doet het gerechtshof terstond uitspraak.”

7. Het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 23 april 2014 bevat de volgende zin met een tweetal noten genummerd 1 en 2:

“Door/namens de verdachte en door de officier van justitie is afstand gedaan van het recht om een rechtsmiddel in te stellen. 1 2

1. Opmerking politierechter: van de administratie van de strafteams heb ik vernomen dat de verdachte stelt dat niet hij maar zijn advocaat afstand zou hebben gedaan. Ik kan niet uit eigen wetenschap verklaren wie afstand heeft gedaan.

2. Opmerking griffier: de verdachte heeft in mijn herinnering op de zitting zelf afstand gedaan; dit is niet door zijn advocaat gedaan.”

8. Op 30 april 2014 is door mr. C.E. Koopmans namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis d.d. 23 april 2014.

9. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van verdachte aan de rechtbank Rotterdam gedateerd 30 april 2014. Deze brief houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“(…) Naar aanleiding van het Vonnis van de Politierechter afgelopen Woensdag 23 april hetvolgende. Inmiddels gebeld met de Rechtbank Rotterdam inzake mijn vraagstelling of er nog mogelijkheid was tot Hoger Beroep inzake het vonnis, waarop ik als antwoord kreeg nee het vonnis is onherroepelijk opdat ik afstand zou hebben gedaan van deze mogelijkheid.

Daarin het volgende op te merken, het vonnis blijkt anders te zijn dan dat ik dacht namelijk dat ik dacht 80 uur dienstverlening of 4 weken zitten, daarbij de Politierechter rekensommetjes begon te maken en deze uitsprak, onderbroken werd door mijn Advocaat mr. Ouwens, die eveneens 4 weken en 40 uur en een maand aankaarte, al met al was er in dat opzicht reeds al onduidelijkheid en zaaide dit zodanige verwarring dat ik inderdaad in de veronderstelling was dat ik 80 uur dienstverlening moest verrichten of 4 weken zitten, en 7 dagen hechtenis in mindering werd gebracht etc etc, Ik moet voorkomen voor een strafbaar feit en wens daarbij een duidelijk vonnis, geen rekensommen en correctie,s waardoor verwarring wordt gezaaid.

In de veronderstelling dat ik 80 uur dienstverlening moest verrichten of 4 weken zitten of 40 dagen alwaar zoals ik al zeg van wat was het nou 40 dagen 4 weken of een maand ? en dan aftrek van, al met al vrij onduidelijk,dat er 4 weken apart werd genomen als voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar was mij niet direct duidelijk, ik kwam voor voor een strafbaar feit en hoef in dat opzicht geen rekenwonder te zijn al hetgeen mij werd voorgeschoteld.

Bezwarend dan ook dat de Politierechter zelf begon te rekenen en werd gecorrigeerd en verwarring zaaide.

In de Rechtzaal zei ik zelf dat ik dat vonnis “wel voor lief zou nemen” toen de Politierechter mij erop wees dat ik binnen 14 dagen beroep kon aantekenen, “echter zei ik niet dat ik afstand zou doen van de middellen Hoger Beroep”,dit werd dan ook verder niet gevraagd. Buiten de Rechtzaal sprak ik na met mijn Advocaat en in de veronderstelling 80 uur diensteverlening of 4 weken zitten en dan aftrek van de moeilijke verwarrende rekensom etc ik dan minder probleem zou hebben met het vonnis in die veronderstelling ik ook geen hoger beroep zou gaan instellen,echter zonder dat ik mijn Advocaat verzocht dit aan te kaarten,gezien de deuren reeds gesloten waren we op de gang stonden mijn Advocaat op de deur klopte en de deur opende en daarbij opmerkte dat Client afstand doet van hoger beroep. Het in mijn ogen ten aller tijden kan worden weersproken gezien ik datgeen niet zelf opmerkte in de Rechtbank zelf met deze woorden. Bovendien weet ik niet wat de voorwaarden zijn als men zegt mijn client wenst afstand te doen van Hoger Beroep dat daarmee het vonnis onherroepelijk is en er geen mogelijkheden meer zijn tot hoger beroep, ditgeen verzuimde mijn advocaat mij te vermelden wat mij dan ook niet direct duidelijk was, ik stond te praten met mijn advocaat en niet met de Rechtbank op de gang, ik vond de actie van dhr Ouwens dan ook ietwat voorbarig. Dat ik dacht dat ik dan geen 14 dagen hoefde te wachten om de taakstraf te volbrengen is anders dan afstand doen van het rechtsmiddel HOGER BEROEP. (…)”

10. De rechtspraak van de Hoge Raad leert dat indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op de voet van art. 381, tweede lid, Sv vermeldt dat verdachte afstand doet van het recht om hoger beroep in te stellen, die vermelding bewijskracht heeft ten aanzien van dat feit. In het geval verdachte in hoger beroep de juistheid van die vermelding betwist, dient het hof met inachtneming van het voorgaande onderzoek in te stellen naar de juistheid van dat standpunt, op straffe van nietigheid.1

11. Voorts moet vooropgesteld worden dat het doen van afstand van het recht in hoger beroep te gaan tegen een vonnis inhoudt dat, naar als bekend mag worden verondersteld, de zaak en dat vonnis van de eerste rechter niet alsnog aan het oordeel van een hogere rechter zullen worden onderworpen, hetgeen meebrengt dat het desbetreffende vonnis onherroepelijk wordt en niet meer kan worden aangetast. Dit is slechts anders indien bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van art. 381, eerste lid, Sv. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien aannemelijk is dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud van het vonnis of de betekenis van zijn verklaring.2

12. Het hof heeft voldaan aan het vereiste uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of rechtsgeldig afstand is gedaan van hoger beroep indien de afstand op grond van bijzondere omstandigheden wordt betwist. Zie de hierboven onder punt 4 opgenomen overwegingen van het hof. Dan rijst de vraag of die overwegingen van het hof toereikend en begrijpelijk zijn. Anders dan in het eerste middel wordt aangevoerd, heeft het hof geoordeeld dat verdachte zelf reeds ter zitting van de politierechter afstand heeft gedaan. Dat is een feitelijke vaststelling van het hof die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Uit het proces-verbaal van de politierechter blijkt dat er afstand is gedaan. Volgens de griffier heeft de verdachte dat ter terechtzitting gedaan, terwijl de politierechter niet uit eigen wetenschap kan verklaren wie afstand heeft gedaan. Dat laatste sluit niet uit dat verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan. Dat het evenmin uitsluit dat namens de verdachte door de raadsman na de zitting afstand is gedaan maakt het niet anders. Het hof heeft dat laatste niet aangenomen. Dat is in het licht van de uitlating van de griffier in een noot bij het proces-verbaal van de zitting en de brief van verdachte niet onbegrijpelijk.3

13. Voor zover in het eerste middel nog wordt geklaagd dat er niet ter zitting, maar na afloop van de zitting door de raadsman afstand is gedaan en zulks niet is toegelaten, mist het middel feitelijke grondslag.

14. In het tweede middel wordt op basis van drie argumenten gesteld dat de afstand niet ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Als eerste wordt de juistheid van het proces-verbaal van de politietrechter betwist omdat naar ik begrijp het niet binnen tweemaal vierentwintig uur is ondertekend (onder verwijzing naar art. 327 lid jo 365 lid 1 Sv). De klacht behoeft geen verdere bespreking nu het opmaken van proces-verbaal van de politierechterzitting als regel achterwege mag blijven (art. 378a lid 1 Sv). Dat in het proces-verbaal van de zitting van de politierechter niet is uitgesloten dat de raadsman nog een mededeling over de afstand heeft gedaan na afloop van de zitting, terwijl de rechter inmiddels de zittingszaal had verlaten, wijst op een mogelijkheid onder vele andere. Het doet niet ter zake nu volgens het hof verdachte zelf ter terechtzitting afstand heeft gedaan. Als laatste wordt zonder nadere onderbouwing naar voren gebracht dat de nootsgewijze opmerking van de griffier op een misverstand berust. Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat deze opmerking afwijkt van het oordeel van het hof. Integendeel, de opmerking van de griffier vormt de basis voor het oordeel van het hof. De drie argumenten snijden geen hout.

15. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8555, NJ 2009/446.

2 HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2060, NJ 2001/695 m.nt. De Hullu; HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6775: “Het - in de hiervoor vermelde overwegingen besloten liggende - oordeel van het Hof, dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet wist dat de veroordeling van de Politierechter zou worden vermeld op zijn strafblad, geen aanleiding geeft tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van art. 381, eerste lid, Sv, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.” Onbegrip levert nog geen bijzondere omstandigheid op. Zie HR 24 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5829, NJ 1975/439.

3 In de dagelijkse praktijk is het niet ongebruikelijk dat een verdachte ter zitting afstand doet en dat de raadsman de politierechter verzoekt om de mogelijkheid nog even te overleggen alvorens de afstand definitief is. Zie over de problematiek van mededelingen over afstand T&C Strafvordering, 2015, art. 279 Sv, aant.6 en HR 12 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2060, NJ 2001/695 m.nt. De Hullu: "Na de mondeling gegeven uitspraak aan verdachte [..], deelde zowel hij als zijn advocaat mede dat ze nog even wilden overleggen over het afstand doen van hoger beroep. Mr. Wladimiroff deelde aan de politierechter mede dat zij tussen de andere zaken door de politierechter zou mededelen of er door verdachte afstand van hoger beroep zou worden gedaan. Tijdens behandeling van de volgende zaak op de rol kwam mr. Wladimiroff de zittingszaal binnen en deelde aan de politierechter mede dat haar cliënt afstand deed van hoger beroep. Ook de officier van justitie deed afstand van hoger beroep. E.e.a. is opgenomen in het aantekening mondeling vonnis." De Hoge Raad oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheid was die aanleiding gaf tot het oordeel dat de gedane afstand niet kon gelden als afstand in de zin van art. 381, eerste lid, Sv: HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2060, NJ 2001/695 m.nt. De Hullu.