Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:375

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-02-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/01915
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1011, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Training voor terrorisme ex art. 134a Sr. Verhouding 134a en 46.1 Sr. Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Dat verband komt reeds tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. T.a.v. de overige in art. 134a Sr strafbaar gestelde gedragingen, te weten: het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, moet worden aangenomen dat kwalificatie onder art. 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder in overeenstemming met de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis in ruime zin te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme ontbreekt. De opvatting dat in art. 134a Sr uitsluitend gedragingen strafbaar zijn gesteld die voorafgaan aan de strafbare voorbereiding van de in deze bepaling bedoelde misdrijven, en de opvatting dat deze gedragingen moeten duiden op het volgen van instructies waarbij specifieke vaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, zijn onjuist. Kwalificatie van gedragingen als het misdrijf van art. 134a Sr is niet uitgesloten ingeval deze gedragingen tevens kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46.1 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01915

Zitting: 2 februari 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 27 januari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1A. “opzettelijk zich middelen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven” en 1B. “voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden. Voorts heeft het Hof de straf voor feit 2, dat niet aan het oordeel van het Hof was onderworpen, bepaald op een gevangenisstraf van drie maanden en heeft het ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen de beslissingen genomen als omschreven in het bestreden arrest.

  2. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het draait in deze zaak om de strafbaarstelling van art. 134a Sr, luidende:

“Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie”.1

4. Het Hof heeft een zeer uitgebreid arrest gewezen, waarin uitvoerig de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling wordt aangehaald. In het navolgende worden slechts enkele passages uit dit arrest geciteerd. De geïnteresseerde lezer verwijs ik graag naar de volledige versie.2

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“A. hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2012 tot en met 13 maart 2012 en in of omstreeks de periode van 25 mei 2012 tot en met 13 juni 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk

- zich middelen heeft verschaft; en

- kennis en vaardigheden heeft verworven;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf te weten:

-opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen met een terroristisch oogmerk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, en/of

- moord met een terroristisch oogmerk en/of

- doodslag met een terroristisch oogmerk en/of

- opzettelijk een gebouw of getimmerte vernielen en/of beschadigen met een terroristisch oogmerk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is,

immers heeft verdachte

A - websites bezocht en (vervolgens) zoekvragen gesteld over ‘homemade bombs and explosives’ (te weten www. bombshock .com, en www. pyronfo .com) en over ‘action man detonator’ (te weten www.Ebay.com) en over ‘how to make flashpowder’ (te weten www. metacafe .com en www. instructables .com);

B - tien (10) meter lont en één (1) kilogram aluminiumpoeder en een gasflesje aangeschaft, en voornoemde voorwerpen laten afleveren op zijn, verdachtes, verblijfplaats; en

D - websites bezocht waarop informatie over de Jihad en martelaarschap en de gewapende strijd wordt gedeeld (te weten www. islamicawakening .com en http:// behind-bars .net) en

E - (vervolgens) op voornoemde website films geplaatst (inhoudende het plegen van aanslagen) en (vervolgens) een discussie gestart op het forum van die website over de Jihad;

F - websites bezocht waarop informatie wordt gedeeld over reizen naar en visumaanvragen voor Jemen en Saudi-Arabië en Syrië;

G - een reisvisum voor Saudi-Arabië en een ticket voor Turkije verkregen;

H - zich geuit over zijn wens zich te begeven naar voornoemde landen en gevraagd hoe hij in contact kan treden met onbekend gebleven personen als hij is aangekomen;

I - informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en martelaarschap (o.a. 10 DVD’s);

J - zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië.

en

B. hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2012 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk ter voorbereiding van het te plegen misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

- opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

A - websites bezocht en (vervolgens) zoekvragen gesteld over ‘homemade bombs and explosives’ (te weten www. bombshock .com, en www. pyronfo .com) en over ‘action man detonator’ (te weten www.Ebay.com) en over ‘how to make flashpowder’ (te weten www. metacafe .com en/of www. instructables .com);

B - tien (10) meter lont en een (1) kilogram aluminiumpoeder en een gasflesje aangeschaft, en voornoemde voorwerpen laten afleveren op zijn, verdachtes, verblijfplaats;

welke voorwerpen en stoffen, al dan niet in combinatie met elkaar, bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf.”

6. De in het bestreden arrest opgenomen bewijsvoering van het onder 1A bewezenverklaarde feit (8.3.1) houdt (met weglating van noten) ten aanzien van de onder A en B omschreven handelingen onder meer in:

“De verdachte heeft op 1, 2, 6, 8 en 27 februari 2012 op internet gericht gezocht naar methoden om met aluminiumpoeder een explosief te vervaardigen. Op 1 februari 2012 zocht hij op de volgende trefwoorden: Aluminium explosion, Home made explosives, flash powder kopen, flash powder formulas, black powder, action man/detonator. De verdachte wist dat een detonator een knopje was waarmee je een bom kon laten ontploffen. Hij heeft op YouTube gezien wat je met flash powder kon doen en is hierdoor verder gaan zoeken. Ook heeft hij gezocht of dit te koop was en, toen dit niet het geval bleek, is hij gaan zoeken hoe je dit poeder kon maken.

Hij heeft ook de volgende webpagina's bezocht: www. bombshock .corn, www. pyronfo .com, www. pryoforum .nl, www.ebay.nl, www.google.nl en www. metacafe .com. Op 2 februari 2012 heeft de verdachte op de website www. instructables .com op de volgende zoekterm gezocht: hoe maak je flash powder. Op 6 februari 2012 zocht de verdachte naar Aluminiumpoeders op de website www.artsuppliesonweb.com. Op 8 februari 2012 heeft de verdachte de zoektermen zelfgemaakte explosieven, sodium nitrate en kaliumnitraat ingevoerd op de websites www.wikipedia.nl, www.naturalspices.eu en

www.tuincentrumovervecht.nl. Op 27 februari 2012 heeft de verdachte gezocht op www.ebay.nl naar de volgende zoekopdrachten: aluminiumpowder, aluminium powder indian, sulphur, potassium nitrate (kno3) , magnesium en ferrocerium. Op deze pagina's wordt uiteengezet hoe explosieven kunnen worden vervaardigd van aluminiumpoeder door middel van instructievideo's, gedetailleerde handleidingen, FAQ's, tekst en uitleg over veelgebruikte explosieven, aanbevolen materialen en chemicaliën. Ook wordt ingegaan op risico's, veiligheidsvoorschriften en mogelijke juridische gevolgen.

De verdachte heeft via twee webpagina's, te weten bij www.viscolontkopen.nl en bij www.carbonwinkel.nl aankopen gedaan. Bij Viscolontkopen heeft verdachte op 21 januari 2012 10 meter lont en een gasflesje aangeschaft en betaald. De verdachte heeft op YouTube gezien hoe het lont kan verbranden en wat het doet. Bij de Carbonwinkel werd door de verdachte op 25 januari 2012 1 kilogram aluminiumpoeder aangeschaft en betaald. De verdachte liet de goederen bezorgen op het adres [a-straat 1] , het huis van zijn ouders, te Amsterdam.

Uit de bevindingen van het NFI volgt dat de onder de verdachte in beslaggenomen lont en aluminiumpoeder geschikte ingrediënten zijn voor het fabriceren van explosieven. Het onderzochte lont wordt geclassificeerd als viscolont, dit wordt onder andere toegepast in professioneel- en consumentenvuurwerk. Het aangetroffen aluminiumpoeder kan in beginsel worden toegepast in explosieve mengsels, maar kent ook andere toepassingen zoals in thermietladingen of verf. Het aluminiumpoeder is in elk geval geschikt om - indien in de juiste verhouding gemengd - als onderdeel van een pyrotechnisch mengsel te fungeren. Ook kan het aluminiumpoeder aan pyrotechnische mengsel of springstoffen worden toegevoegd, bijvoorbeeld om voor een grotere hitteproductie na ontsteking te zorgen.

Naar het oordeel van het hof zijn deze hierboven opgesomde en door de verdachte ontplooide activiteiten in hun onderlinge samenhang. beschouwd - gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm - gericht op het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis tot het maken van explosieven en het zich bekwamen in deze vaardigheid door het op de bewezenverklaarde wijze opzoeken van informatie in combinatie met de aanschaf van grondstoffen voor de fabricage van een explosief. Het hof betrekt hierbij tevens dat de verdachte - kennelijk tegen beter weten in - geen aannemelijke verklaring heeft kunnen of willen geven over zijn gerichte zoekacties op internet noch over de aanwezigheid van de bij hem aangetroffen en door hem eerder aangeschafte voorwerpen, terwijl zulks wel op zijn weg had gelegen.

Weliswaar stelt de verdachte nog dat hij eerder heeft afgezien van het aankopen van een aluminiumpoeder dat explosiever van karakter is dan het door hem uiteindelijk aangeschafte - en volgens hem ongevaarlijke - aluminiumpoeder. Ook is, zo begrijpt het hof, het bij hem aangetroffen lont en de gasaansteker ongevaarlijk. Het voorgaande laat onverlet, naar het oordeel van het hof, dat de combinatie van lont en het aluminiumpoeder en het achterhalen van informatie via internet met betrekking tot het fabriceren van explosieven evenzeer als het zich verschaffen van middelen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en daartoe kennis en vaardigheden verwerven en/of voorbereidingshandelingen voor brandstichting dan wel teweegbrengen van een ontploffing kan gelden, zulks mede gezien de conclusie van het rapport van 23 april 2013 van het NFI. Een en ander klemt temeer nu de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, desgevraagd bij de politie noch ter terechtzitting opheldering over dan wel een aannemelijke verklaring heeft willen geven voor het voorgenomen gebruik van de door hem aangeschafte goederen.

De onder A en B bewezenverklaarde handelingen kunnen derhalve worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden (het deelnemen aan de training) in de zin van art. 134a Sr.
(…)”.

7. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 is weergegeven en heeft in dat verband ten aanzien van feit 1A overwogen (8.3.6):

“De in de bewezenverklaring genoemde handelingen zoals die in de gedachtestreepjes A tot en met J zijn weergegeven, dienen in hun onderlinge verband en samenhang te worden bezien.

De onder A en B bewezenverklaarde handelingen vormen de handelingen die kunnen worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden (het deelnemen aan de training).

Hoewel de overige genoemde handelingen onder D tot en met J op zichzelf genomen geen training als bedoeld in art. 134a Sr vormen, kan uit de combinatie van deze bewezenverklaarde handelingen mede een nadere invulling van het opzet van de verdachte op het zich verschaffen van middelen en het zich verwerven van die kennis en vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf worden vastgesteld”.

8. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen kunnen worden aangemerkt als “zich middelen verschaffen” en “verwerven van kennis en vaardigheden” in de zin van art. 134a Sr.

9. Ik bespreek eerst de deelklacht dat hier “al geen sprake meer is van training” maar van “feitelijke voorbereiding voor een strafbaar feit – brandstichting” en het bewezenverklaarde daarom niet als het delict van art. 134a Sr kan worden gekwalificeerd. Ik grijp die gelegenheid aan wat uitgebreider bij de totstandkoming van deze bepaling stil te staan.

10. De wetsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat tot invoering van art. 134a Sr heeft geleid, houdt onder meer in:

- De memorie van toelichting3:
“Sinds 11 september 2001 is in hoog tempo gewerkt aan wetgeving die beter is toegesneden op de bestrijding van terroristische aanslagen. Kern van het strafrechtelijk instrumentarium is een adequate strafbaarstelling van terroristische aanslagen. Het Wetboek van Strafrecht voorzag op dat punt reeds in een groot aantal strafbaarstellingen. De Wet terroristische misdrijven, op 10 augustus 2004 in werking getreden, heeft tal van strafbepalingen, op de voet van het EU-kaderbesluit inzake terrorismebestrijding, verder aangescherpt.
Het strafrecht heeft een functie bij het reageren op gepleegd onrecht, maar ook bij het voorkomen daarvan. Het materiële strafrecht kent delictsomschrijvingen die op het voorkomen van strafbare feiten toegesneden zijn. Van belang zijn vooral de strafbaarstellingen van poging, voorbereiding, samenspanning en deelneming aan een criminele organisatie. Bij terroristische misdrijven zijn deze bepalingen van groot belang, nu het voorkomen van terroristische aanslagen centraal staat.
Op het gebied van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen zijn met het oog op een adequate terrorismebestrijding reeds de nodige verruimingen gerealiseerd. Zo heeft de eerdergenoemde Wet terroristische misdrijven de samenspanning tot het plegen van de ernstigste terroristische misdrijven in het Wetboek van Strafrecht geïntroduceerd. Eerder al werd in het kader van de goedkeuring en uitvoering van het op 9 december 1999 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) het bereik van artikel 46 Sr uitgebreid. Verder bracht ook de Wet van 20 november 2006 ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Stb. 2006, 580) een wijziging in artikel 46 Sr aan.
De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen is ook op een ander punt nog voor verbetering vatbaar. Dat betreft de strafbaarheid van het deelnemen en meewerken aan kort gezegd training voor terrorisme. De strafbaarstelling van het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp vormde onderwerp van een motie, ingediend tijdens het debat over terrorismebestrijding op 9 februari 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 29 754, nr. 13). Toegezegd is dat aan deze motie gevolg zou worden gegeven (Kamerstukken II 2005/06, 29 754, nr. 60). Met het onderhavige voorstel wordt die toezegging gestand gedaan.
De voorgestelde aanvulling, die verband houdt met de strafbaarheid van het meewerken aan training voor terrorisme, heeft een internationale achtergrond. Zij hangt samen met artikel 7 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) dat de verdragspartijen verplicht «training voor terrorisme» in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen.
Teneinde te voorzien in strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het deelnemen én het meewerken aan training voor terrorisme in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen stel ik voor een nieuw artikel 134a in het Wetboek van Strafrecht op te nemen. Daarin wordt strafbaar gesteld het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven of een ander bijbrengen. Het voorgestelde artikel 134a Sr verwijst naar de terroristische misdrijven zoals genoemd in artikel 83 Sr én de misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf zoals genoemd in een nieuw voorgestelde definitiebepaling, artikel 83b Sr. In het navolgende licht ik dit voorstel nader toe.
Strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme
Strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme, zoals het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp, zal dikwijls kunnen worden aangenomen op grond van de strafbaarstellingen van deelneming aan een terroristische organisatie, samenspanning en/of strafbare voorbereiding. Maakt betrokkene deel uit van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en laat hij zich in dat kader bekwamen in bepaalde vaardigheden of technieken, dan kan dergelijk gedrag strafbaar zijn op grond van het huidige artikel 140a Sr. Het volgen van een opleiding tot het plegen van een terroristische daad levert onder omstandigheden ook samenspanning tot het plegen van een bepaald terroristisch misdrijf op. Bepaalde personen worden bijvoorbeeld «opgeleid» tot het plegen van een terroristische daad waaraan een plan ten grondslag ligt. Het deelnemen aan een training illustreert in die gevallen de vastheid van het voornemen om de overeenkomst tot het plegen van een terroristisch misdrijf ten uitvoer te brengen. Tenslotte zullen veelal informatiedragers of voorwerpen (bijvoorbeeld houdende instructies) bij het volgen van een training worden verworven of voorhanden zijn. In dat geval kan sprake zijn van strafbare voorbereiding ingevolge artikel 46 Sr.
Het is echter denkbaar dat iemand in het kader van een door hem zelf voorgenomen terroristische aanslag naar een terroristische training gaat. De vraag is of de bestaande strafbaarstellingen in een dergelijk geval toereikend zijn, althans ter zake voldoende duidelijkheid scheppen. Van een georganiseerd verband is dan geen sprake, van samenspanning evenmin en als betrokkene geen voorwerpen «bestemd tot het begaan» van de aanslag meeneemt van het trainingskamp lijkt ook strafbare voorbereiding niet te kunnen worden aangenomen. De voorbereiding heeft zich immers niet geconcretiseerd in het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen, informatiedragers, middelen etc, bestemd tot het begaan van het misdrijf.
De strafbare voorbereiding van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr voorziet daarnaast nog in strafbaarheid van het zich trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf. Maar ook als de omschreven casus naast deze bepaling wordt gelegd, kan de vraag gesteld worden in hoeverre het bestanddeel «het zich inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van het misdrijf» alle strafwaardige gedragingen in verband met training voor terrorisme dekt.
Bij deze stand van zaken acht ik het, mede in het licht van eerdergenoemde motie en de strafbaarstellingsverplichting voortvloeiend uit het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme, wenselijk op dit punt meer duidelijkheid te creëren. Deze duidelijkheid wordt bereikt door het voorgestelde artikel 134a Sr. Daarin wordt naast het zich verschaffen of trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen ook het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van terroristische misdrijven of misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan strafbaar gesteld.
Voor de uitvoering van de motie had kunnen worden volstaan met een aanvulling van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr. Maar uit het navolgende zal blijken dat uitvoering van de verplichting tot strafbaarstelling van het geven van training voor terrorisme als bedoeld in artikel 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme vergt dat aan de strafbaarstelling een ruimer toepassingsbereik wordt gegeven dan uitsluitend de terroristische misdrijven waartoe ook de samenspanning strafbaar is. Het College van Procureurs-generaal vestigde daar in zijn advies terecht de aandacht op.
Na ampele overweging is er voorts voor gekozen zowel het deelnemen als het meewerken aan training voor terrorisme in één delictsomschrijving onder te brengen. Daardoor krijgen beide gedragingen – deelnemen én meewerken – dezelfde reikwijdte. Dit verdient uit wetsystematisch oogpunt de voorkeur en wordt naar mijn oordeel ook gerechtvaardigd door het feit dat beide gedragingen nauwe verwantschap vertonen”.

- De nota naar aanleiding van het verslag4:
“mijn hierboven gegeven antwoord op de door deze leden gestelde vraag naar de subjectieve bestanddelen van de voorgestelde delictsomschrijving volgt dat voor een veroordeling is vereist dat de rechter bewezen acht dat betrokkene willens en wetens kennis of vaardigheden verwierf voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Centraal staat aldus de bedoeling tot het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf, (nog) niet de bedoeling tot het plegen van een terroristisch misdrijf”

11. Het voorbereiden van terroristische misdrijven kan op grond van verschillende bepalingen strafrechtelijk worden aangepakt.5 Uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat met de invoering van art. 134a Sr werd beoogd training voor terrorisme strafbaar te stellen en dat de minister in zoverre met name een aanvulling op de strafbare samenspanningen (artt. 96 lid 1, 114b, 120b, 122, 176b, 282c, 289a, 304b en 415 jo. 80 Sr) en art. 140a Sr alsook op de artt. 46 en 96 lid 2 Sr wilde bieden.

12. Op zichzelf zouden de strafbaarstellingen van samenspanning en art. 140a Sr in geval van training voor terrorisme kunnen worden ingezet, zij het dat deze bepalingen echter enkel soelaas bieden indien sprake is van gedragingen waarbij twee of meer personen zijn betrokken. Art. 46 Sr stelt voorbereiding strafbaar, wanneer de dader tot het plegen van een misdrijf waarop acht of meer jaren gevangenisstraf is gesteld bepaalde voorwerpen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Wanneer training voor terrorisme met dergelijke handelingen gepaard gaat, zou training in gevallen waarin geen (althans niet in voldoende mate) sprake is van samenwerking (wel) op grond van art. 46 Sr strafbaar kunnen zijn. Art. 96 lid 2 Sr heeft een ruimere reikwijdte dan art. 46 Sr. Deze bepaling stelt onder meer (onder aanhef en 2°) strafbaar om met het oogmerk bepaalde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen “gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen”. Bij art. 46 Sr gaat het dus om situaties, waarin de voorbereiding al verder is gevorderd. De handelingen dienen meer concreet te zijn dan bij art. 96 lid 2 Sr, waar het enkele “trachten” reeds voldoende kan zijn.6

13. Met art. 134a Sr nu werd beoogd gevolg te geven aan enerzijds de uit het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) voortvloeiende wens tot strafbaarstelling van training voor terrorisme en anderzijds aan de toezegging aan de Tweede Kamer dat op het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp straf zou worden gesteld. De minister wilde duidelijk maken dat het verwerven van kennis en vaardigheden tot het plegen van terroristische misdrijven (art. 83 Sr) of misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf (art. 83b Sr) in ieder geval op grond van deze bepaling strafbaar is. De minister was er onvoldoende zeker van of het verwerven van kennis en vaardigheden als het zich verschaffen van “gelegenheid, middelen of inlichtingen” kan worden aangemerkt en aldus reeds op grond van art. 96 lid 2 Sr strafbaar was. Bovendien ziet art. 134a (door de verbinding met artt. 83 en 83b Sr) op veel meer misdrijven dan art. 96 lid 2 Sr.

13. Opvallend is dat in de wetsgeschiedenis nauwelijks aandacht wordt besteed aan het feit dat de tekst van art. 134a Sr niet alleen ziet op het verwerven (of bijbrengen) van kennis en vaardigheden, maar dat daarin ook is opgenomen het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artt. 83 of 83b Sr. In die wetsgeschiedenis en de naam van de wet wordt slechts benadrukt dat de bepaling ziet op training voor terrorisme. Moet daaruit worden afgeleid dat bedoeld gelegenheid, middelen of inlichtingen (trachten te) verschaffen op grond van deze bepaling slechts strafbaar is wanneer het in relatie staat met dergelijke training? Of kan de bepaling ook worden ingezet bij individuele voorbereidingshandelingen tot het plegen van misdrijven ex artt. 83 en 83 Sr zonder dat er sprake is van een verband met training voor terrorisme?7

15. Dat sprake is van een samengestelde bepaling werd tijdens de parlementaire behandeling overigens wel aan de orde gesteld. Daarmee werd echter gedoeld op het feit dat art. 134a Sr zowel ziet op het deelnemen als het meewerken aan training.8 Dat onderscheid wordt in de tekst van art. 134a Sr niet tot uitdrukking gebracht, in die zin dat de passage over “gelegenheid, middelen of inlichtingen” op het ene onderdeel en “kennis of vaardigheden” op het andere onderdeel betrekking heeft. Er wordt immers gesproken van kennis en vaardigheden verwerven enerzijds en het een ander bijbrengen daarvan anderzijds. Dat ziet dus op beide varianten.9 Op “gelegenheid, middelen of inlichtingen” wordt in de memorie van toelichting wel slechts onder het kopje “strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme” ingegaan. Volgens de minister zullen bij het volgen van een training veelal “informatiedragers of voorwerpen (bijvoorbeeld houdende instructies)” worden verworven of voorhanden zijn. Ik zou menen dat aan die opmerking niet te veel gewicht moet worden gehecht. Er is naar mijn oordeel geen goede reden te verzinnen waarom het voorhanden hebben van “cursusmateriaal” door degene die de training geeft niet tot strafbaarheid zou moeten leiden. In de tekst van art. 134a Sr wordt in ieder geval geen onderscheid gemaakt.

16. Maar moet er nu verband bestaan tussen het trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen en de gevolgde (of gegeven) training? Het Hof oordeelt (8.3.3) dat tussen de training en de (individuele) voorbereidingshandelingen – het Hof spreekt van medeplichtigheid(shandelingen), nu in art. 48 Sr dezelfde formulering wordt gebezigd – een relatie moet bestaan:

“Medeplichtigheid los van trainingselement?

29. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen onder verwijzing naar verschillende bronnen in de literatuur dat art. 134a Sr niet alleen het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme strafbaar stelt maar ook allerlei andere vormen van 'medeplichtigheid' tot terroristische misdrijven en misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van terroristische misdrijven los van het element van de training.

30. De verdediging heeft bepleit dat de zinsnede van gelegenheid, middelen of inlichtingen in art. 134a Sr een uitwerking is van het bepaalde in art. 7 van het Verdrag van Warschau en dat dit onderdeel van voornoemde bepaling geen zelfstandige betekenis heeft naast het begrip training.

31. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.

32. De tekst van art. 134a Sr laat grammaticaal gezien ruimte voor een interpretatie zoals door het openbaar ministerie wordt voorgestaan.

33. Gelet op de recente inwerkingtreding van deze bepaling komt naar het oordeel van het hof zwaarwegende betekenis toe aan de bedoeling van de wetgever zoals die uit de wetsgeschiedenis volgt die tot de totstandkoming van art. 134a Sr heeft geleid. Het Hof verwijst hiervoor naar hetgeen hiervoor is overwogen in paragraaf 8.2.7.

De slotsom op basis van de wetsgeschiedenis is dat art. 134a Sr ziet op gedragingen die een relatie hebben tot een (terroristische) training.

34. Het openbaar ministerie heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de literatuur waarin een passage uit de kamerstukken is aangehaald die het volgende antwoord van de Minister van Justitie inhoudt: 'Deze leden vroegen wat precies onder het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen moet worden verstaan. Graag merk ik op dat deze begrippen reeds voorkomen in bestaande bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Zij hebben dezelfde betekenis als in art. 48, onder 2°, Sr. Daarbij gaat het om middelen waardoor het «mogelijk of gemakkelijker wordt gemaakt het feit te plegen» (HR 17 juni 1940, NJ 1940, 82)

35. Het onder 34. aangehaalde antwoord van de Minister van Justitie gaat terug op de navolgende vraag van de leden van de SP-fractie: 'Wat is precies het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf?' Het hof begrijpt het antwoord van de Minister van Justitie in dit verband aldus dat hij aangeeft dat de betekenis van de termen 'het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen' in art. 134a Sr niet afwijkt van de betekenis zoals die in art. 48, onder 2, Sr wordt gebezigd met inachtneming van de vaste rechtspraak. Dit antwoord van de Minister van Justitie heeft geen betrekking op de vraag of in art. 134a Sr een vorm van strafbare medeplichtigheid is opgenomen los van de eis dat sprake zou moeten zijn van een (vorm van) terroristische training.

36. Gelet op het voorgaande deelt het hof derhalve het standpunt van het openbaar ministerie niet.”

17. De literatuur is verdeeld. Enerzijds is de benadering van het Hof met instemming begroet. Van Noorloos spreekt van het voorkomen van het “gevaar van extensieve interpretatie”.10 Anderen kiezen echter voor de tegenovergestelde opvatting. Zo schrijft Kwakman: “[h]et artikel beoogt – gezien de bestanddelen van de delictsomschrijving – niet alleen het deelnemen aan en meewerken aan training voor terrorisme strafbaar te stellen, maar ook allerlei andere vormen van ‘medeplichtigheid’ tot terroristische misdrijven en misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van terroristische misdrijven”.11 Ook aan de conclusie van A-G Machielse voor de uitleveringszaak HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9998 lijkt die tweede benadering ten grondslag te liggen.12

18. Het door Van Noorloos bedoelde gevaar schuilt daarin dat art. 134a Sr oeverloos zou kunnen worden, omdat de medeplichtigheidshandelingen “gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen” een zeer ruime strekking hebben. Dat geldt op zichzelf ook ten aanzien van art. 96 lid 2 Sr, zij het dat die handelingen daar moeten zijn gericht op het plegen van enkele specifiek omschreven delicten. Ook de klassieke medeplichtigheid van art. 48 Sr vindt zijn beperking in een accessoriteitseis. Het opzet moet niet slechts zijn gericht op bedoeld verschaffen maar ook, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het gronddelict.13 Dat gronddelict moet door een derde daadwerkelijk zijn gepleegd, althans zijn gebracht tot in de pogings- of voorbereidingsfase. Die eis geldt ten aanzien van art. 134a Sr nu juist uitdrukkelijk niet. Voldoende is dat slechts de contouren van het misdrijf waarop het opzet is gericht zichtbaar zijn. Het (daadwerkelijk) plegen van een misdrijf staat niet centraal.14

19. Het uitgangspunt van het Hof dat art. 134a Sr (slechts) ziet op medeplichtigheidshandelingen die in relatie staan tot training voor terrorisme spreekt op zichzelf dan ook aan. Zeker vanuit het oogpunt van begrenzing van strafbaarheid ten aanzien van op het eerste gezicht “onschuldige handelingen”. Nu in de wetsgeschiedenis niet blijkt dat een verruiming tot ook los van training voor terrorisme staande individuele voorbereidingshandelingen werd beoogd en daarin telkens slechts is benadrukt dat (ter uitvoering van het Verdrag van Warschau en een motie van de Tweede Kamer) enkele met het oog op training voor terrorisme aanvullingen op bestaande strafbepalingen zijn gemaakt, meen ik met het Hof dat bij die kennelijke bedoeling van de wetgever moet worden aangesloten. Art. 134a Sr moet beperkter worden uitgelegd dan op grond van de letterlijke tekst van die bepaling verdedigbaar is.

20. Hoe moet in deze benadering de verhouding tussen de algemene strafbaarheid van voorbereiding op grond van art. 46 Sr, zoals in de onderhavige zaak aan de orde onder feit 1B, en de strafbaarstelling van een bijzondere voorbereiding als training in art. 134a Sr, zoals aan de orde onder feit 1A worden gezien. Ik stel voorop dat het bijzondere art. 134a Sr geen specialis (art. 55, tweede lid, Sr) is van de algemene strafbare voorbereiding van art. 46 Sr.15 Art. 134a Sr is immers juist in het leven geroepen, omdat (onder meer) de algemene strafbaarstelling van voorbereiding tekort schoot. Terroristische training valt niet onder art. 46 Sr. Voor wat betreft feit 1A heeft het Hof kort gezegd zowel onderdeel A (bezoeken websites) als onderdeel B (middelen aanschaffen) aangemerkt als bewezenverklaarde bestanddelen die relevant zijn voor de kwalificatie. De beide onderdelen constitueren samen de strafbaarheid op grond van art. 134a Sr. Bij feit 1B is alleen het aanschaffen van middelen door het Hof relevant geacht voor de kwalificatie van voorbereiding in de zin van art. 46 Sr van brandstichting (enz.). De training door websites te bezoeken is hier juist niet in aanmerking genomen voor de kwalificatie (wel voor het bewijs van opzet) en dat is mijns inziens juist, omdat anders de nog redelijk recente strafbaarstelling van art. 134a Sr overbodig lijkt te zijn. Nu volgt eerst enige afzonderlijke aandacht voor het gedrag (aanschaffen van middelen) dat zowel is te rubriceren als algemene voorbereiding in de zin van art. 46 Sr als onder omstandigheden valt binnen het bereik van art. 134a Sr. Het Hof is er immers vanuit gegaan dat zulks mogelijk is.

21. Naar het Hof heeft vastgesteld heeft verdachte in januari 2012 lont, een gasflesje en aluminiumpoeder aangeschaft (bewezenverklaard onder 1A onderdeel B) en heeft hij in februari via websites kennis verworven over het maken van explosieven (bewezenverklaard onder 1A onderdeel A). Naar ik al eerder (impliciet) aannam, heeft het Hof onderdeel A als het verwerven van kennis en vaardigheden gekwalificeerd en onderdeel B als het zich verschaffen van middelen. Als ik het oordeel (en uitgangspunt) van het Hof goed begrijp, zou onderdeel A reeds op zichzelf tot strafbaarheid op grond van art. 134a Sr kunnen leiden. Onderdeel B (onder 1A) valt alleen onder de bijzondere voorbereiding van art. 134a Sr omdat het gedrag betreft dat –ik volg de woorden van het Hof, zoals hierboven geciteerd onder punt 16- niet los staat van de eis dat sprake is van een (vorm van) terroristische training en daarmee –mijn conclusie- van de (trainings)handelingen bedoeld in onderdeel A (onder 1A). Deze aan het Hof ontleende (negatieve) omschrijving eist dus positief, maar niet veel preciezer, geformuleerd enig verband tussen het verschaffen van middelen enz. enerzijds en de terroristische training anderzijds.16

22. Welk verband is toereikend? Een causaal verband lijkt mij te streng. Immers wat doet het er toe of de verdachte nu juist door terroristische training er toe is gebracht om zich middelen te verschaffen. Een temporeel verband is afdoende. De tijdspanne tussen verschaffen van middelen en training moet niet buitensporig zijn. Een enkele maand, zoals in het onderhavige geval, is geen probleem, maar het kan anders worden bij vele jaren tijdsverloop. Nog een andere vraag is hier enige aandacht waard. Heeft de volgorde van de verschillende gedragingen te weten eerst het verschaffen van middelen en pas later trainingsactiviteiten betekenis? Zou het voor het oordeel van het Hof hebben uitgemaakt als beide onderdelen in omgekeerde volgorde zouden hebben plaatsgevonden? Voor het oordeel over onderdeel A had het naar aan te nemen valt geen verschil gemaakt. Dat onderdeel gaf reeds op zichzelf aanleiding tot strafbaarheid op grond van art. 134a Sr. Ten aanzien van onderdeel B is pleitbaar dat de trainingsfase was afgesloten en dat door het aanschaffen van materialen een nieuwe (voorbereidings)fase werd ingeluid, die niet langer onder art. 134a Sr valt maar (wel) aanleiding kan geven tot strafbaarheid op grond van artt. 46 (en/of 96 lid 2 Sr).

23. De Rechtbank in eerste aanleg koos een andere weg. In haar vonnis overwoog zij:

“De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle feitelijke handelingen die in zowel het 1 A deel als het 1 B deel van de tenlastelegging zijn opgenomen en die in de bewezenverklaring zijn gerubriceerd als A en B en D tot en met J, respectievelijk A en B.

Daarvan leveren de handelingen genoemd onder A en B steeds feitelijke handelingen op welke in onderlinge samenhang als feitelijke voorbereiding voor een strafbaar feit - brandstichting - kunnen dienen, en de handelingen onder G en J steeds feitelijke, voorbereidende handelingen ter zake een voorgenomen verblijf elders betreffen. Daarmede is al geen sprake meer van een training als bedoeld in het primair ten laste gelegde (voetnoot: Waarmee de rechtbank bedoelt: zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht.), nu een training niet anders dan aan feitelijke voorbereiding en/of uitvoering kan [vooraf; PV]gaan, zodat bewezenverklaring hiervan niet tot kwalificatie in de zin van art 134a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan leiden”.

24. Volgens Mols is het niet verbazingwekkend dat het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft vernietigd. De Rechtbank zou hebben miskend dat art. 134a Sr een zelfstandig strafbare voorbereidingshandeling betreft. Niet relevant is of het beoogde delict nu uiteindelijk wel of niet tot uitvoering is gekomen. Er zou hier volgens hem een vergelijking kunnen worden gemaakt met de voorbereidingshandelingen uit de Opiumwet. Naar ik aanneem, doelt Mols hier op HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0697, NJ 1997/665, waarin werd geoordeeld dat op grond van art. 10a Ow strafbaarheid kan worden aangenomen, ook wanneer het feit waarop de voorbereidingshandelingen waren gericht is gerealiseerd.

25. Met Mols meen ik dat een vergelijkbare redenering ten aanzien van art. 134a Sr moet worden gevolgd. Art. 134a Sr betreft een zelfstandig (trainings)delict dat strafbaar kan zijn, ongeacht de vraag of het misdrijf waarvoor werd getraind al dan niet (deels) ten uitvoer werd gebracht. Nu art. 134a Sr zelf de variant van het ‘trachten’ bevat, is hier de voorfase zeer ruim. Die variant is hier overigens niet aan de orde omdat de middelen daadwerkelijk zijn aangeschaft.17 Voorts is niet uitgesloten is dat naast het speciale trainingsdelict van art. 134a Sr tevens sprake is van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 46 Sr. Al met al kom ik tot de slotsom dat de klacht van het middel dat hier “al geen sprake meer is van training” maar van “feitelijke voorbereiding voor een strafbaar feit – brandstichting” en het bewezenverklaarde daarom niet als het delict van art. 134a Sr kan worden gekwalificeerd, faalt.

26. Ik vraag (ambtshalve) nog aandacht voor de verhouding tussen de feiten 1A en 1B (in hoofdzaak) in verband met de straftoemeting. De onder 1B bewezenverklaarde materiële gedragingen zijn eveneens bewezenverklaard bij feit 1A en ook bij de kwalificatie worden deels dezelfde gedragingen in aanmerking genomen. Het ligt voor de hand dat het openbaar ministerie bij vervolging zoveel als mogelijk vermijdt dat dergelijke ‘verdubbeling’ plaatsvindt. Als het wel gebeurt zal de rechter de samenloopregeling moeten toepassen en dat is hier gebeurd. Het Hof heeft gekozen voor toepassing van art. 57 Sr (meerdaadse samenloop). Ik realiseer mij dat de Hoge Raad zich doorgaans niet uitlaat over de toepassing van samenloopregelingen wanneer het verschil in strafmaximum voor de opgelegde straf niet relevant is, maar besteed er desondanks een enkele opmerking aan.

27. Wanneer een feit kan worden gekwalificeerd als algemene voorbereiding (art. 46 Sr) en tevens een feit als (zelfstandig strafbaar gestelde) bijzondere voorbereiding dan zijn er drie opties. De eerste is dat de in een bijzondere bepaling strafbaar gestelde voorbereiding een specialis is van de algemene voorbereiding. Ik heb al eerder opgemerkt dat dit zich nu juist bij art. 134a Sr niet voordoet en dat dus art. 55, tweede lid, Sr niet van toepassing is. De tweede optie is dat de bijzondere en de algemene voorbereiding worden ingevuld met uiteenlopende materiele gedragingen. Er zal dan als regel sprake zijn van meerdaadse samenloop. De derde optie is eendaadse samenloop. Het wordt gecompliceerd als, zoals in het onderhavige geval, het materiele gedrag dat de algemene voorbereiding constitueert identiek is aan een van de materiele gedragingen die de bijzondere voorbereiding constitueren. Zonder nadere motivering die ontbreekt lijkt mij dan meerdaadse samenloop niet voor de hand te liggen en moet eerder worden gedacht aan eendaadse samenloop.

28. Zoals gezegd, voor de afdoening van deze zaak maakt het geen verschil. Over de toepassing van art. 57 Sr wordt niet wordt geklaagd, terwijl de hier opgelegde straf ook onder het maximum blijft, dat van toepassing zou zijn indien art. 55, eerste lid, Sr zou worden toegepast.

29. Ten aanzien van de overige deelklachten merk ik nog op dat het middel ook in zoverre niet tot cassatie kan leiden. Mede in aanmerking genomen dat uit de wetgeschiedenis18 uitdrukkelijk valt af te leiden dat ook is bedoeld vormen van zelfstudie via internet onder het bereik van art. 134a Sr te brengen, getuigt het oordeel van het Hof dat de onder 1A onderdeel A bewezenverklaarde handelingen kunnen worden aangemerkt als het verwerven van kennis en vaardigheden in de zin van die bepaling niet van een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde kan worden gezegd ten aanzien van het oordeel dat de in onderdeel B genoemde handelingen kunnen worden aangemerkt als het verschaffen van middelen. Waarom naar het oordeel van de steller van het middel wel sprake zou zijn van onjuiste rechtsopvattingen wordt in de schriftuur overigens niet toegelicht.

30. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

31. Het tweede middel klaagt dat sprake is van een tegenstrijdigheid in het bestreden arrest. Het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder D tot en met J opgenomen handelingen verschaffen en verwerven in de zin van art. 134a Sr opleveren zou onbegrijpelijk zijn in het licht van het oordeel van het Hof dat deze handelingen niet in relatie staan tot het deelnemen aan een training tot het plegen van terroristisch misdrijf of misdrijf ter voorbereiding van terroristisch misdrijf.

32. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de in het middel bedoelde handelingen in:

“Naar het oordeel van het hof ontbreekt in de hierboven genoemde handelingen ten enenmale het voor art. 134a Sr vereiste element van deelnemen aan een training tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.
De (combinatie van de) onder D t/m J genoemde handelingen zijn echter wel van belang in het kader van het vaststellen van het opzet bij de verdachte op het verwerven van kennis en vaardigheden als bedoeld in art. 134a Sr”.

33. Het oordeel van het Hof dat deze tenlastegelegde handelingen kunnen worden bewezenverklaard doch niet als handelingen in de zin van art. 134a Sr kunnen worden gekwalificeerd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat bedoelde handelingen niet als training voor terrorisme kunnen worden aangemerkt in zoverre tot vrijspraak van het tenlastegelegde had dienen te leiden, miskent het dat “training voor terrorisme” niet in de tenlastelegging is opgenomen.

34. Het middel faalt.

35. Het derde middel in combinatie met de toelichting daarop klaagt dat het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van opzet.

36. In de Nota naar aanleiding van het verslag19 valt over (het bewijs van) opzet te lezen:

“Bewijs voor het opzet van betrokkene zal bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte. Zo is mogelijk informatie bekend over diens haat tegen de Westerse wereld, zijn fascinatie voor terroristisch geweld of over het radicaliseringsproces dat betrokkene heeft ondergaan. In het licht van het voorgaande kunnen ook de aard en het karakter van de training een rol spelen. Het karakter van de training en de gegeven instructies kunnen inzichtelijk maken welk doel betrokkene voor ogen heeft. “

37. In de toelichting op het middel wordt weliswaar niet rechtstreeks aangeknoopt bij deze passage, maar niet bestreden (zelfs eerder aannemelijk gemaakt) dat het Hof het in de Nota beschreven patroon voor het bewijs van opzet heeft gevolgd. De klacht is dat uit de bewijsvoering van het Hof “niet kan worden afgeleid dat er sprake was van boos opzet op het in art. 134a Sr strafbar gestelde misdrijf van het zich verschaffen van middelen en de verwerving van kennis en vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf.”

38. Het middel faalt. Niet tenlastegelegd noch bewezenverklaard is dat sprake was van opzettelijk wederrechtelijk handelen. Art. 134a Sr stelt die eis overigens ook niet.

39. De middelen falen en het tweede en derde middel kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen (Stb. 245). Inwerking getreden op 1 april 2010 (Stb. 139).

2 Gerechtshof Den Haag 27 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:83, NJFS 2015/68. Zie voor overzichten van de rechtspraak inzake terroristische misdrijven DD 2012/9 (Ten Voorde), DD 2014/31 (Veegens) en DD 2015/56 (Noorloos). Zie voorts M.A.H. van der Woude, De erfenis van tien jaar strafrechtelijke terrorismebestrijding in Nederland, Strafblad 2012, p. 9-18.

3 TK 2007-2008, 31 386, nr. 3 (MvT), p. 4-6.

4 TK 2007-2008, 31 386, nr. 8 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 8.

5 M. van Noorloos, ‘De strafrechtelijke aanpak van terrorisme en Syriëgangers vanaf 2014’ in: DD 2015/56, par. 1, inventariseert de bepalingen die in recente rechtspraak zijn gebruikt: voorbereiding van commune delicten zoals moord, doodslag en brandstichting (art. 46 jo. 289/288/257 Sr), het specifieke voorbereidingsdelict van art. 96 lid 2 Sr, samenspanning moord/doodslag met terroristisch oogmerk (art. 96 lid 1 Sr jo. 289a/288a Sr), training voor terrorisme (art. 134a Sr), werven voor de gewapende strijd (art. 205 Sr), deelneming aan een terroristische en/of criminele organisatie (art. 140a/140 Sr) en opruiing (art. 131/132 Sr).

6 Zie daarover ook Van Noorloos 2015, par. 4.

7 In de Eerste Kamer wilde de minister van justitie zich niet uitspreken over de keuze tussen een beperkte uitleg van art. 134a Sr (alleen een implementatie van het Kaderbesluit en –mijn woorden – dus steeds in verband met training voor terrorisme) of een ruimere uitleg waarbij er ruimte is voor een nationale eigen dimensie en de band met de training voor terrorisme minder dominant is. Zie Handelingen EK 9 februari 2010, p. 18-790 en 797/798.

8 Vgl. naast de memorie van toelichting onder meer ook EK 2008-2009, 31 386, nr. B, p. 6. Zie hierover Ten Voorde 2012.

9 Zie in die zin ook de memorie van toelichting waar “kennis en vaardigheden” ten aanzien van beide varianten wordt besproken, p. 5-6 en p. 7.

10 Van Noorloos 2015, par. 4 slot. Als ik het goed zie, leest ook J.M. ten Voorde, ‘Het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme getoetst aan criteria voor strafbaarstelling van de voorfase’ in: DD 2012/9,

11 N.J.M. Kwakman, Terrorismebestrijding (Studiepockets Strafrecht nr. 41), Deventer 2013, p. 51, noot 53. ).

12 Het requisitoir in hoger beroep, p. 11, steunt zijn opvatting dan ook op Kwakman en Machielse. Voorts wordt daar opgemerkt dat ook in Noyon, Langemeijer & Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 2 op art. 134a Sr (bijgewerkt door J.W. Fokkens tot 1 juni 2010) een vergelijkbaar onderscheid wordt gemaakt; dat lees ik in die aantekening echter niet terug.

13 Zie (met nuanceringen voor gevallen waarin de precieze wijze waarop het gronddelict werd gepleegd, afwijkt van het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht) HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342, en meer recent HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:949.

14 Zie onder meer TK 2008–2009, 31 386, nr. 8, p. 8 en nr. 12, p. 5, waar de minister aangeeft dat het z.i. om die reden niet nodig is dat het terroristisch oogmerk reeds volledig is uitgekristalliseerd ten aanzien van elk element van het terroristisch oogmerk, als omschreven in art. 83a Sr. Waarbij ik er dan overigens maar vanuit ga dat deze passages – die betrekking hebben op training voor terrorisme – ook relevantie hebben ten aanzien van de medeplichtigheidshandelingen.

15 Vgl. voor die problematiek TK 1990/1991, 22268,nr. 3, p.19.

16 Ook de Rechtbank Den Haag d.d. 1 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14652 komt op grond van wetshistorische en wetssystematische argumenten tot de slotsom dat er voor een veroordeling ter zake van art. 134a Sr een relatie met en terroristische training moet bestaan, maar concretiseert die relatie niet nader.

17 De tekst van art. 134a Sr beperkt het ‘trachten’ tot het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen. Bij het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden (de training) ontbreekt deze variant. Ik betwijfel daarom of Ten Voorde (DD 2012, p. 103/104) gelijk heeft als hij stelt dat de training nog niet daadwerkelijk behoeft te zijn gestart. In de onderhavige zaak is dit punt zonder betekenis, omdat verdachte doende was zich te ‘trainen’.

18 Zie bijvoorbeeld TK 2008–2009, 31 386, nr. 8 (Nota naar aanleiding van het verslag): “Het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport kan, wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar zijn op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr. Naar aanleiding van een aanverwante vraag van de leden van de fractie van het CDA merk ik op dat zulks ook het geval kan zijn wanneer kennis of vaardigheden via het internet worden verworven.”

19 TK 2008–2009, 31 386, nr. 8, p.6.